Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 februari 2026
Hierbij stuur ik u het rapport Van vondst tot vuilnis (2025), dat is opgesteld door
de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed (hierna: de Inspectie). Het betreft een
onderzoek naar de praktijk van het deselecteren van archeologische vondsten, oftewel,
het niet (langer) bewaren van bepaalde vondsten in een archeologisch depot. Middels
deze brief geeft ik u tevens mijn beleidsreactie.
Achtergrond
De Erfgoedwet regelt dat vondsten uit opgravingen bewaard blijven in depots. Het kan
echter wenselijk zijn om vondsten te verwijderen uit een depot of toch achter te laten
op een opgravingsterrein. Naar de letter van de wet is dit nu niet goed mogelijk,
hoewel het in de praktijk wel degelijk plaatsvindt. Dit is naar voren gebracht bij
de evaluatie van de Erfgoedwet.1 Naar aanleiding daarvan is het – onder voorwaarden – creëren van een wettelijke grondslag
voor deselectie benoemd als één van de beoogde aanpassingen aan de Erfgoedwet.2
Beleidsreactie
De Inspectie constateert dat deselectie van vondsten met grote terughoudendheid lijkt
plaats te vinden en voornamelijk in gevallen waar enige noodzakelijkheid aan ten grondslag
ligt. De Inspectie geeft aan dat dit niet leidt tot strijd met het doel van de wet
en vraagt zich af of de voorgenomen wettelijke aanpassing nodig is. Ze wijst erop
dat het formuleren van uitzonderingen voor het behoud van vondsten er juist toe kan
leiden dat deselectie minder terughoudend gaat plaatsvinden.
De aanbevelingen van de Inspectie zijn helder. Er hebben mij echter ook andere signalen
bereikt. Met het oog op een zorgvuldige afweging, betrek ik het rapport van de Inspectie
daarom bij het traject om te komen tot wijzigingen van de Erfgoedwet.
In dat kader zal ik bepalen of een wijziging van de Erfgoedwet op dit punt wenselijk
blijft.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, G. Moes