32 718 Wijziging van de Wet melding collectief ontslag in verband met de uitbreiding van de reikwijdte en ter bevordering van de naleving van deze wet

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 19 mei 2011

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

blz.

  

I. ALGEMEEN

1

  

1. Inleiding

1

2. Algemeen

2

3. Advies Raad voor de Rechtspraak

3

4. Overig

4

  

II. ARTIKELSGEWIJS

4

  

5. Artikel I

4

6. Artikel III

7

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van de wetswijziging Wet melding collectief ontslag (WMCO) en hebben hierbij nog een aantal vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met instemming kennis genomen van het wetsvoorstel. De leden van de PvdA-fractie vinden het goed om te lezen dat de regering actie onderneemt naar aanleiding van vragen van het lid Vermeij (PvdA), zelfs als de regering meent dat het omzeilen van de regels uit de WMCO in de praktijk niet voorkomt. Er blijven nog enkele aandachtspunten overeind voor de leden van de PvdA-fractie waarop zij een inhoudelijke reactie zouden willen zien.

De leden van de PVV-fractie hebben met veel aandacht kennis genomen van de wetswijziging in verband met de uitbreiding van de reikwijdte en ter bevordering van de naleving van de WMCO. Het doel van de WMCO is de tijdige inschakeling van de belanghebbende verenigingen van werknemers bij een voorgenomen collectief ontslag. De belangrijkste reden voor de wijziging van deze wet is het feit dat het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden steeds meer wordt toegepast. Deze ontbindingsprocedure is daardoor feitelijk een reguliere beëindigingsroute geworden naast de UWV-procedure. In het wetsvoorstel wordt daarom geregeld dat ook in het geval van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden – voor zover de WMCO hierbij van toepassing is – aan de meldingsplicht moet worden voldaan. Dat betekent dat de raadpleging van de belanghebbende verenigingen van werknemers ook in deze gevallen moet plaatsvinden.

De leden van de PVV-fractie willen, zoals bekend, niet tornen aan het ontslagrecht. De wetswijziging omvat in essentie een uitbreiding van de reikwijdte en een bevordering van de naleving van de WMCO, en heeft een positieve uitwerking op de werknemers. Daarmee kunnen de leden van de PVV-fractie instemmen.

Desalniettemin volgen de leden van de PVV-fractie de opmerking van de vakcentrales dat er tegelijkertijd in de wetswijziging een aantal bepalingen worden gewijzigd en aangevuld, die nadelig zijn voor werknemers, en daarmee kunnen de leden van de PVV-fractie niet instemmen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat de intentie van de huidige WMCO is dat er bij een melding van twintig of meer werknemers melding moet worden gedaan. Het is niet de bedoeling dat deze verplichting wordt omzeild door individuele beëindigingovereenkomsten te sluiten. Aan de andere kant vinden de leden van de CDA-fractie ook dat werkgevers wel de ruimte moeten hebben om zelf invulling te geven aan de wet.

De leden van de SP-fractie hebben met instemming kennis genomen van de passage van het wetsvoorstel waardoor de beëindigingovereenkomsten onder het bereik van de WMCO worden gebracht. De leden van de SP-fractie hebben een aantal vragen over andere zaken, die in het wetsvoorstel worden voorgesteld.

De leden van de D66-fractie hebben het wetsvoorstel ontvangen en hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij onderschrijven het voornemen van de regering om de werking van de WMCO te versterken. Met betrekking tot het wetsvoorstel willen de leden van de ChristenUnie-fractie nog enkele vragen voorleggen aan de regering.

2. Algemeen

De leden van de VVD-fractie constateren dat de wetswijziging beëindigingovereenkomsten beoogt onder te brengen in de WMCO. Hiermee worden beëindigingovereenkomsten gelijk gesteld met opzeggingen van de arbeidsovereenkomst. Kan de regering aangeven waarom de regering van mening is dat een beëindigingovereenkomst met wederzijds goedkeuren en overeenstemming als gelijk moet worden beschouwd met een eenzijdige opzegging vanuit de werkgever in het kader van de WMCO? Wordt hiermee de onderscheidende aard van een beëindigingovereenkomst niet aangetast?

De leden van de VVD-fractie stellen dat uit het wetsvoorstel niet helemaal duidelijk naar voren komt of de wetswijziging er ook op ziet de verplichting om bij collectief ontslag werknemersverenigingen te raadplegen te laten gelden bij ontslag vanwege niet-bedrijfseconomische redenen. De leden van de VVD-fractie vragen of de regering hierop nader kan ingaan en kan aangeven of dit wel of niet het geval is.

De leden van de VVD-fractie constateren dat in de memorie van toelichting staat dat er geen sprake lijkt te zijn van het ontduiken van ontslagregels en er in die zin ook geen aanleiding is om te komen tot aanpassingen van de wet. Kan de regering aangeven waarom deze wetswijziging dan noodzakelijk is?

De leden van de VVD-fractie stellen vast dat een reden voor het doorvoeren van de wetswijziging is dat ten tijde van de economische crisis een toename heeft plaats gevonden van het beëindigen met wederzijds goedvinden. Kan de regering aangeven om hoeveel extra gevallen het gaat? En waarom wordt dit als problematisch ervaren aangezien er geen sprake blijkt te zijn van ontduiking van de ontslagregels? Heeft de regering aanwijzingen dat er door werkgevers calculerend gebruik wordt gemaakt van de wederzijdse beëindigingovereenkomsten?

De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat in de wetswijziging tevens een vernietigingsgrond wordt opgenomen voor beëindigingovereenkomsten, die onder de WMCO kunnen komen te vallen. Het kan met deze wetswijziging zo zijn dat een beëindigingovereenkomst in eerste instantie niet onder collectief ontslag valt, maar later binnen de termijn van drie maanden wel. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen bij bedrijven met meerdere vestigingen in één UWV-werkgebied, waarbij aanvankelijk niet wordt voldaan aan het criterium zoals dat is opgenomen in artikel 3, lid 1, maar in latere instantie het ontslag wel onder collectief ontslag komt te vallen en de beëindigingen en opzeggingen kunnen worden vernietigd. Dit brengt een risico van rechtsonzekerheid met zich mee voor zowel de werkgever als werknemer.

In hoeverre kan de wetswijziging volgens de regering leiden tot rechtsonzekerheid? Deelt de regering de zorg van de leden van de VVD-fractie ten aanzien van de rechtsonzekerheid die ten gevolge van de wetswijziging kan ontstaan?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering om nog eens duidelijk de huidige praktijk uiteen te zetten alsmede het nut en de noodzaak om deze wet aan te passen. In hoeverre gaat dit in de praktijk nu mis?

De leden van de CDA-fractie vragen zich voorts af of de vernietigingsgrond, die nu wordt geïntroduceerd, niet tot teveel onduidelijkheid leidt. Zij ontvangen hierover graag een reactie van de regering.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe het fenomeen van de beëindigingovereenkomsten zich verhoudt tot de Europese richtlijn (98/59/EG). In de richtlijn wordt ontslag gedefinieerd als beëindiging van de arbeidsovereenkomst uitgaand van de werkgever. Een beëindigingovereenkomst wordt daarentegen met wederzijds goedvinden overeengekomen. In feite geldt deze overeenkomst dus niet voor het ontslag. De leden van de CDA-fractie vragen een reactie van regering op dit punt.

3. Advies Raad voor de Rechtspraak

De leden van de CDA-fractie vragen de regering waarom geen wijziging naar het Burgerlijk Wetboek is opgenomen, zoals ook door de Raad van de Rechtspraak wordt voorgesteld.

4. Overig

De leden van de VVD-fractie constateren dat in de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat deze wetswijziging geen verdere lasten met zich zal meebrengen voor het UWV en de rechterlijke macht. De gevolgen voor het bedrijfsleven zijn voor de leden van de VVD nog niet helemaal duidelijk. Wat zijn de extra lasten voor het bedrijfsleven als gevolg van deze wetswijziging? Kan de regering aangeven wat de financiële gevolgen zijn van deze wetswijziging voor de werkgevers? De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering verder om een overzicht geven wat de kosten zijn van het doorvoeren van de wetswijziging.

De leden van de VVD-fractie vragen verder of de regering kan aangeven welke gevolgen het onderbrengen van de beëindigingovereenkomst onder de WMCO heeft voor het aantal meldingen voor collectief ontslag.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af wat de gevolgen kunnen zijn voor grotere bedrijven die verspreid zijn over het land. In hoeverre kunnen ontslagen, die in eerste instantie niet als collectief ontslag worden aangemerkt, door deze vernietigingsgrond wel als collectief ontslag worden aangemerkt. De leden van de CDA-fractie vragen de regering om na te denken over een andere wijze waarop betere naleving van de WMCO kan plaats vinden zonder dat gebruik hoeft te worden gemaakt van een vernietigingsgrond.

Ook de leden van de D66-fractie zijn benieuwd of het wetsvoorstel leidt tot administratieve lasten voor bedrijven en vragen zich af of het wetsvoorstel andere financiële consequenties heeft voor bedrijven.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering overleg heeft gevoerd met werkgeversorganisaties over het wetsvoorstel en wat hiervan dan de uitkomst is. Welke administratieve en financiële gevolgen heeft het wetsvoorstel voor het bedrijfsleven?

II. ARTIKELSGEWIJS

5. Artikel I

Onderdeel A

De leden van de PVV-fractie volgen de regering als het gaat over het ontslag van onderwijzend personeel en personen, die een geestelijk ambt bekleden. Deze personen vallen niet onder de WMCO. Evenwel is het naar de mening van de leden van de PVV-fractie zo dat het onduidelijk is in hoeverre de reikwijdte van de WMCO met betrekking tot de genoemde actoren wijzigt. De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering om hierover duidelijkheid te geven in de WMCO.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering bereid is om het wetsvoorstel zodanig aan te passen zodat onderwijzend personeel en personen, die een geestelijk ambt bekleden, ook onder de WMCO worden gebracht. De leden van de SP-fractie vragen daarbij aan de regering of het juist is dat artikel 6 BBA niet van toepassing is op werknemers werkzaam bij de Sociale Werkvoorziening en op bestuurders van vennootschappen. De leden van de SP-fractie vragen daarnaast waarom de regering kan besluiten om bepaalde groepen geheel of gedeeltelijk niet onder het BBA te laten vallen.

De leden van de D66-fractie constateren dat onderwijzend personeel en personen, die een geestelijk ambt bekleden, zijn uitgezonderd van de WMCO. Voorts constateren de leden van de D66-fractie dat deze uitzonderingen zijn gemaakt in verband met Europese regelgeving. De leden van de D66-fractie zijn benieuwd of de regering het wenselijk acht dat deze uitzonderingen zijn gemaakt? De leden van de D66-fractie vragen zich voorts af of de regering aanleiding ziet om te pleiten voor wijzigingen van de Europese regels.

De leden van de ChristenUnie-fractie stellen vast dat regering in de memorie van toelichting bij artikel 2 aangeeft dat het doel van de wijzigingen is om de reikwijdte van de wet niet te verruimen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om een nadere toelichting of de reikwijdte van de wet toch wordt vergroot, doordat de wet voortaan ook op toepassing zal zijn op niet-onderwijzend personeel dat belanghebbende is in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, op arbeidskrachten met een indicatiestelling die werkzaam zijn bij de Sociale Werkvoorziening en voor bestuurders van vennootschappen.

De leden van de ChristenUnie-fractie ontvangen daarnaast graag een nadere toelichting waarom de regering van mening is dat de arbeidsvoorwaardelijke regelingen in het openbaar en bijzonder onderwijs voldoende waarborgen bieden voor de tijdige betrokkenheid van de belanghebbende verenigingen van werknemers bij een voornemen tot collectief ontslag en waarom er daarom geen aanleiding zou zijn om de personele werkingssfeer van de WMCO uit te breiden.

Onderdeel A en B

De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat in de brief aan de vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de heer S. Kuip (brief van 16 mei 2011, in afschrift gestuurd aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) twee opmerkingen worden gemaakt van tekstuele aard in verband met de term «doen eindigen» in plaats van «beëindigen» en in verband met de term «ontslag» in plaats van het begrip «beëindigen». De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering deze opmerkingen in overweging te nemen.

Met betrekking tot de gebruikte terminologie vragen ook de leden van de ChristenUnie-fractie waarom de regering vasthoudt aan het begrip «het doen eindigen» van arbeidsovereenkomsten, terwijl in de overige artikelen «beëindigen» wordt toegepast.

Onderdeel E

De leden van de VVD-fractie stellen vast dat in het voorstel tot wetswijziging in artikel 6, lid 1, onderdeel b, de verplichting tot raadpleging wordt opgenomen. Voorheen sprak artikel 6 echter alleen over een meldingsplicht alvorens eventuele raadpleging noodzakelijk werd geacht. Kan de regering aangeven wat er in deze wordt verstaan onder raadpleging? Waarom is ervoor gekozen ook een raadplegingplicht aan het artikel toe te voegen?

De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat uit artikel 6, lid 1, onderdeel b, ook naar voren komt dat de ondernemingsraad geraadpleegd dient te worden en dit bewezen dient te worden middels een schriftelijke verklaring van de werkgever. De leden van de VVD-fractie vragen de regering om aan te geven waarom de ondernemingsraad geraadpleegd dient te worden in het kader van de WMCO? Wat wordt er verstaan onder een schriftelijke verklaring van de werkgever? Wanneer is hier aan voldaan?

De leden van de PvdA-fractie constateren dat het UWV een verzoek om toestemming voor opzegging pas in behandeling zal nemen wanneer de werkgever per brief kan aantonen dat hij in overleg is geweest met (een vertegenwoordiging van) het personeel, zoals beschreven op blz. 6 van de memorie van toelichting. De leden van de PvdA-fractie hechten eraan dat in de WMCO de eis wordt opgenomen dat een dergelijke brief ook door deze vertegenwoordiging wordt ondertekend, zodat er achteraf geen onenigheid ontstaat over de mate waarin werkgever en werknemers daadwerkelijk met elkaar gesproken hebben. Graag ontvangen de leden van de PvdA-fractie hierop een inhoudelijke reactie.

De leden van de PVV-fractie geven aan dat zij de opmerking volgen van de vakcentrales dat er in de wetswijziging een aantal bepalingen worden gewijzigd en aangevuld die nadelig zijn voor werknemers. Zij kunnen daar niet mee instemmen. Dit geldt voor het schrappen van de verwijzingen in het wetsvoorstel naar alle artikelen over de meldingsplicht.

De leden van de CDA-fractie merken op dat in het huidige wetsvoorstel wordt gesproken over de melding van ontslagen. Conform de wetswijziging zullen verzoeken voor ontslag alleen in behandeling worden genomen indien de bonden en de ondernemingsraad zijn geraadpleegd. Dit lijkt, aldus de leden van de CDA-fractie, niet uitsluitend een technische wijziging te zijn maar in feite ook een beleidsmatige aanpassing. De leden van de CDA-fractie vragen de regering wanneer nu precies is voldaan aan de eis van raadpleging van de vakbonden. Verder vragen de leden van de CDA-fractie de regering waarom de ondernemingsraad in het wetsvoorstel nu opeens een expliciete rol krijgt toebedeeld. De leden van de CDA-fractie vragen voorts hoe zich dit verhoudt tot artikel 25 van de Wet op de ondernemingsraden.

De leden van de SP-fractie vragen de regering om aan te geven of de rechter of het UWV bij een schriftelijke verklaring over de raadpleging toetst of deze raadpleging heeft plaats gevonden.

Onderdeel F en H

De leden van de PvdA-fractie geven aan dat de feitelijke verkorting van de wachttijd, die het gevolg is van het (nieuwe) artikel 6a, bepaald niet naar de wens is van de leden van de PvdA-fractie. De wetswijziging had tot doelstelling het verhelderen van de ontslagroutes, niet het beperken van rechten van werknemers. De leden van de PvdA-fractie zouden graag een inhoudelijke reactie hierop ontvangen van de regering.

De leden van de PvdA-fractie geven aan dat de termijn van twee weken, zoals wordt genoemd in artikel 7a, te kort is, zeker indien een werkgever (al dan niet per ongeluk) de brief aan de werknemersvertegenwoordiging verkeerd adresseert. Ook over dit aandachtspunt zouden de leden van de PvdA-fractie graag een inhoudelijke reactie van de regering ontvangen

De leden van de PVV-fractie geven aan dat zij de opmerking volgen van de vakcentrales dat er in de wetswijziging een aantal bepalingen worden gewijzigd en aangevuld die nadelig zijn voor werknemers. Zij kunnen daar niet mee instemmen. Dit geldt voor de feitelijke bekorting van de wachttijd tot opzegging en voor het voorstel dat de bewijslast bij de niet-raadpleging door de werkgever van belanghebbende vakbonden en de ondernemingsraad wordt gelegd bij de vakbonden en werknemers.

De leden van de SP-fractie zijn van mening dat de termijn van een maand in de WMCO gehandhaafd moet blijven. De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom de feitelijke wachttijd wordt verkort door de maand wachttijd, voordat de behandeling van een aanvraag kan starten uit de wet te halen en te vervangen door de bepaling dat onder voorwaarden een maand na de melding al kan worden opgezegd.

De leden van de SP-fractie vragen voorts aan de regering wat de inhoudelijke afweging is geweest voor het schrappen van de bepaling dat de termijn pas begint te lopen als de melding zowel bij het UWV als bij de belanghebbende vakbonden is gedaan.

6. Artikel III

De leden van de VVD- en de ChristenUnie-fracties vragen de regering wat de gewenste datum van inwerkingtreding is van het wetsvoorstel.

De voorzitter van de commissie,

Van Gent

De adjunct-griffier van de commissie,

Lips


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Gent, W. van (GL), voorzitter, Hamer, M.I. (PvdA), Ham, B. van der (D66), Sterk, W.R.C. (CDA), Smeets, P.E. (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink, I. (VVD), Hijum, Y.J. van (CDA), Omtzigt, P.H. (CDA), Koşer Kaya, F. (D66), Ulenbelt, P. (SP), Ortega-Martijn, C.A. (CU), Dijck, A.P.C. van (PVV), ondervoorzitter, Spekman, J.L. (PvdA), Vermeij, R.A. (PvdA), Ouwehand, E. (PvdD), Dijkgraaf, E. (SGP), Azmani, M. (VVD), Jong, L.W.E. de (PVV), Klaver, J.F. (GL), Huizing, M.E. (VVD), Straus, K.C.J. (VVD), Besselaar, I.H.C. van den (PVV) en Vacature SP.

Plv. leden: Voortman, L.G.J. (GL), Heijnen, P.M.M. (PvdA), Pechtold, A. (D66), Uitslag, A.S. (CDA),Klijnsma, J. (PvdA), Neppérus, H. (VVD), Biskop, J.J.G.M. (CDA), Smilde, M.C.A. (CDA), Dijkstra, P.A. (D66), Kooiman, C.J.E. (SP), Schouten, C.J. (CU), Fritsma, S.R. (PVV), Çelik, M. (PvdA), Dijsselbloem, J.R.V.A. (PvdA), Thieme, M.L. (PvdD), Staaij, C.G. van der (SGP), Aptroot, Ch.B. (VVD), Klaveren, J.J. van (PVV), Sap, J.C.M. (GL), Houwers, J. (VVD), Harbers, M.G.J. (VVD), Mos, R. de (PVV) en Gesthuizen, S.M.J.G. (SP).

Naar boven