32 714 (R1949) Protocol tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en het Koninkrijk Noorwegen tot wijziging van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, met betrekking tot de Nederlandse Antillen, en het Koninkrijk Noorwegen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen ondertekend te Willemstad op 13 november 1989; Parijs, 10 september 2009

B/ Nr. 2 ADVIES RAAD VAN STATE VAN HET KONINKRIJK EN NADER RAPPORT

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State van het Koninkrijk d.d. 8 april 2010 en het nader rapport d.d. 4 maart 2011, aangeboden aan de Koningin door de minister van Buitenlandse Zaken. Het advies van de Raad van State van het Koninkrijk is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 15 februari 2010, no. 10.000379, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, bij de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt een Protocol tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en het Koninkrijk Noorwegen tot wijziging van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, met betrekking tot de Nederlandse Antillen, en het Koninkrijk Noorwegen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen ondertekend te Willemstad op 13 november 1989; Parijs, 10 september 2009 (Trb. 2009, 162), met toelichtende nota.

Het Protocol ziet op de uitwisseling van informatie met het oog op de belastingheffing. De Raad van State van het Koninkrijk onderschrijft de goedkeuring van het Protocol, maar plaatst daarbij enkele kanttekeningen.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 15 februari 2010, nr. 10.000379, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk haar advies inzake het bovenvermelde Verdrag rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 8 april 2010, nr. W02.10.0046/II/K, bied ik U hierbij aan.

1. Staatkundige hervorming Koninkrijk

In de toelichtende nota is geen aandacht gegeven aan de gevolgen van de invoering van de nieuwe BES-belastingwetgeving voor de toepassing van het Verdrag met betrekking tot de BES-eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba, die openbare lichamen van Nederland worden. In de nieuwe Belastingwet BES zal worden opgenomen dat bepaalde lichamen geacht worden in Nederland te zijn gevestigd en aldaar zullen worden onderworpen aan de dividend- en vennootschapsbelasting.

De Raad adviseert in de toelichtende nota aan te geven welk informatie-uitwisselingsverdrag van toepassing zal zijn op de fictief in Nederland gevestigde lichamen.

1. Staatkundige hervorming Koninkrijk

De Raad heeft opgemerkt dat in de toelichtende nota geen aandacht is besteed aan de gevolgen van de invoering van de nieuwe BES-belastingwetgeving voor de toepassing van het Verdrag met betrekking tot het Caribische deel van Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba). Naar aanleiding hiervan is de toelichting op artikel 1 aangepast.

Daarnaast heeft de Raad erop gewezen dat bepaalde in het Caribische deel van Nederland gevestigde lichamen fictief in Nederland zijn gevestigd en worden onderworpen aan de dividend- en vennootschapsbelasting. Vervolgens vraagt de Raad om aan te geven welk informatie-uitwisselingsverdrag op de desbetreffende lichamen van toepassing zal zijn. Hierbij kan opgemerkt worden dat in de relatie tussen Nederland en Noorwegen een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting (hierna: verdrag Nederland – Noorwegen) (Trb. 1990, 30) geldt. Het verdrag Nederland – Noorwegen bevat in artikel 27 een bepaling inzake informatie-uitwisseling. De vraag kan rijzen wat de verhouding is tussen het onderhavige Verdrag en het verdrag Nederland – Noorwegen. Deze vraag is in het bijzonder relevant indien sprake is van een lichaam dat op grond van artikel 5.2 van de Belastingwet BES voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 fictief in Nederland is gevestigd. Twee deelsituaties kunnen worden onderscheiden.

Indien Noorwegen een verzoek doet met betrekking tot de uitvoering van de Noorse belastingwetgeving kan zowel op grond van het onderhavige Verdrag als het verdrag Nederland -Noorwegen bijstand verleend worden door Nederland.

Indien de Nederlandse belastingdienst ten behoeve van de vennootschapsbelastingheffing informatie wil opvragen bij de Noorse belastingdienst, zal Nederland in ieder geval een informatieverzoek kunnen doen op basis van het verdrag Nederland – Noorwegen. Op grond van artikel 2, achtste lid, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is het desbetreffende lichaam immers onderworpen aan Nederlandse vennootschapsbelasting en wordt behandeld als binnenlands belastingplichtige.

2. Modelverdrag

De Raad merkt op dat in het Protocol in artikel 27, tweede lid, eerste volzin, sprake is van «confidential», terwijl in artikel 26, tweede lid, van de «Model Tax Convention on Income and Capital» (OESO-modelverdrag) sprake is van «secret». Daarnaast wordt in afwijking van het OESO-modelverdrag in de laatste volzin van artikel 27, tweede lid, het begrip «requested Contracting State» gebruikt. In het Verdrag is dit begrip niet gedefinieerd.

De Raad adviseert deze afwijkingen nader toe te lichten.

De laatste volzin van artikel 27, tweede lid, van het Protocol komt niet voor in het OESO-modelverdrag, maar is wel als suggestie opgenomen in het OESO-commentaar voor gevallen waarin het gewenst is de reikwijdte van de informatie-uitwisseling te vergroten. In die laatste volzin is uitdrukkelijk opgenomen dat de informatie-uitwisseling onder de nationale wet van beide landen toelaatbaar moet zijn.

De Raad adviseert in de toelichtende nota in te gaan op de vraag wat de praktische betekenis hiervan is.

2. Modelverdrag

De toelichting op artikel 1 is aangevuld, in aanmerking genomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad.

3. Informatie van derdelanden

De Raad wijst erop dat het netwerk van verdragen ter voorkoming van dubbele belasting waarin is voorzien in informatie-uitwisseling steeds verder wordt vergroot. Om die reden dient duidelijkheid te bestaan omtrent de wijze waarop informatie die van derdelanden is verkregen, moet worden behandeld. Indien deze informatie onbeperkt aan verdragspartners wordt verschaft, krijgt de in beginsel bilaterale werking van het verdrag een multilaterale werking, hetgeen tot informatie shopping kan leiden, waarbij een verdragspartner die geen informatieverdrag met een bepaald derdeland heeft gesloten, via het met de Nederlandse Antillen gesloten informatieverdrag tracht informatie te verkrijgen uit dat derdeland indien dat derdeland wel met de Nederlandse Antillen een informatieverdrag heeft gesloten.

Hiermee hangt samen dat artikel 27, tweede lid, van het Protocol voorziet in bescherming van de vertrouwelijkheid van de uitgewisselde informatie, zonder dat in de toelichtende nota aandacht wordt besteed aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De Raad adviseert in de toelichtende nota aan deze aspecten aandacht te schenken.

3. Informatie van derdelanden

De toelichting op artikel 1 is aangevuld, in aanmerking genomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad.

4. Inwerkingtreding

Artikel 2, tweede lid, van het Protocol bepaalt dat de bepalingen van het Protocol van toepassing zijn op «information predating the coming into force of this Protocol». Volgens de toelichtende nota zijn de bepalingen van dit Protocol van toepassing op «inlichtingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit Protocol zijn verstrekt».

De Raad adviseert dit verschil in redactie nader toe te lichten.

4. Inwerkingtreding

De toelichting op artikel 2 is aangepast, in aanmerking genomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad.

5. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om enkele redactionele verbeteringen aan te brengen.

De Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld Protocol wordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en aan de Staten van de Nederlandse Antillen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.

De Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk,

H. D. Tjeenk Willink

Ik moge U verzoeken mij te machtigen gevolg te geven aan mijn voornemen het verdrag vergezeld van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en tevens over te leggen aan de Staten van Curaçao en van Sint Maarten.

De minister van Buitenlandse Zaken,

U. Rosenthal

Naar boven