32 500 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2011

Nr. 102 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 mei 2011

Zojuist ontving ik de door de Raad van korpschefs geautoriseerde «Stand van Zaken Korpsen 2010; Korpsmonitor Kinderporno»1 die ik met het oog op het Algemeen Overleg van morgen onverwijld aan u door stuur.

De bevindingen in deze monitor zie ik als een bevestiging van mijn conclusies in de voortgangsrapportage van 4 maart 2011 (Kamerstukken II, 2010–2011, 32 500 VI, nr. 86) dat de werkvoorraad zich op een onacceptabel hoog niveau bevindt, dat de gewenste focusverlegging van downloaders naar vervaardigers en naar het achterhalen van slachtoffers niet van de grond komt en dat de beschikbare recherchecapaciteit vooral wordt ingezet voor het wegwerken van de werkvoorraad. De monitor laat gedetailleerd zien dat de aanpak van kinderporno in de verschillende politieregio’s divers is georganiseerd en dat maar in een beperkt aantal regio’s aan de maat wordt gepresteerd. Er is bij de politie en bij de Koninklijke Marechaussee meer aandacht nodig voor een bredere inzet van opsporingsactiviteiten, voor een juiste weging, sturing en prioritering van zaken, alsmede voor het formuleren van duidelijke en vooral ook eenduidige focus. Over het landelijk team Beeld en Internet van het KLPD wordt geschreven dat er door werkdruk en gebrek aan capaciteit nog onvoldoende wordt geinvesteerd in innovatieve trajecten. Over de samenwerking tussen de digitale recherche en de tactische recherche is de korpsmonitor wel positief, evenals de investering in opleiding en de ontwikkeling van technologische hulpmiddelen voor de opsporing. De opbrengst aan technologische hulpmiddelen is groot.

In de brief van 20 april jl. (Kamerstukken II, 2010–2011, 32 500 VI, nr. 95) over het rapport van de commissie Gunning, heb ik uw Kamer ook al bericht dat er capaciteit beschikbaar moet komen die voor een goed resultaat nodig is en dat een organisatie moet wordt ingericht die de doelstellingen, gewenste focusverlegging naar vervaardigers en het achterhalen van slachtoffers, kan realiseren. Op voorstel van de Raad van korpschefs van politie heeft het Korpsbeheerdersberaad op 13 mei jl. besloten tot een vergroting van de capaciteit van de politie en het herinrichten van de organisatie bij politie en justitie om concrete daders te pakken en concreet kinderen te ontzetten. Ook het college van procureurs generaal heeft in haar jaarbericht 2010 aangegeven dat met een vergroting van de recherchecapaciteit aansprekende resultaten kunnen en moeten worden geboekt in de aanpak van kinderporno.

Om het proces van de hoogst noodzakelijke herinrichting te bespoedigen zal mijn Ministerie samen met de politieorganisatie en het Openbaar Ministerie de bestaande plannen van politie omwerken naar een gedegen plan.

In hoofdlijnen schets ik hieronder de herinrichting.

Weging en sturing

Als eerste komt er op korte termijn een landelijke stuurploeg kinderporno van het Openbaar Ministerie en de politie, die de onderzoeken die centraal zijn voorbereid, weegt en prioriteert en daarna toedeelt aan de uitvoerende eenheden die gelabeld zijn voor de aanpak kinderporno. Nationale toedeling betekent dat de uitvoerende teams deze onderzoeken in principe oppakken en er geen verdere weging op regionaal niveau plaatsvindt. Verder houdt de nationale stuurploeg zicht op de daadwerkelijke uitvoering van kinderpornozaken (monitoring) en het handhaven van de focus (op misbruikers, producenten, commerciële verspreiders en – last but not least – slachtoffers).

Dicht op de nationale informatieorganisatie wordt een gezamenlijk (politie en OM) expertise-knoopppunt kinderporno en kindersekstoerisme ingericht. Het expertiseknooppunt werkt aan het opbouwen en versterken van netwerken van experts binnen en buiten politie en OM. In dit knooppunt komt expertise van alle ketenpartners samen. Het knooppunt houdt zich bezig met advies, innovatie, kennisontwikkeling, beleidsadvisering en voorlichting.

Landelijke voorziening

Er wordt een landelijk team bestrijding kinderporno opgericht dat is belast met de informatiecoördinatie en de uitvoering van de intelligencefunctie, maar kent ook een opsporingsfunctie.

De volgende taken zullen daar worden verricht:

  • zaakscoördinatie en -analyse betreffende kinderporno en kindersekstoerisme

  • opsporing (o.a. bijdrage aan internationale zaken) op internet van kinderpornozaken

  • het leveren van een bijdrage aan internationale onderzoeken

  • ontwikkelen uniforme aanpak

  • innovatie en specialistische taken (techniek, internetsurveillance, Werken Onder Dekmantel, enz.)

  • relatie met derden zoals buitenland (intake in/uit en samenwerking met Europol en Interpol) en private partijen.

  • internationale samenwerking ihkv aanpak kindersekstoerisme

  • het uitsorteren van nieuwe kinderpornografische afbeeldingen die op internet worden veiliggesteld.

Regionale eenheden

De regionale eenheden beschikken over voldoende kennis en expertise op het gebied van de bestrijding van kinderporno en kindersekstoerime. De landelijke stuurploeg deelt zaken toe naar deze eenheden. Bij zaken die grote impact hebben en/of inzet van schaarse specialistische ondersteuning behoeven, wordt vanuit het landelijk team kinderporno bijgesprongen. De focus van de regionale eenheden ligt sterk op lokale daders en op het opsporen van slachtoffers van misbruik.

Deze voornemens en eerste beslissingen moeten zo snel mogelijk tot implementatie komen. Op korte termijn moet duidelijk worden dat het ernst is met het geven van prioriteit aan de aanpak van kinderporno. Het plan wordt mij begin juni aangeboden, waarna ik het aan uw Kamer zal toezenden.

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven