32 385 Beleidsdoorlichting Jeugd en Gezin

Nr. 1 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR JEUGD EN GEZIN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 mei 2010

In 2007 heeft de minister van Financiën in overleg met de Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer besloten een «experiment verbetering verantwoording en begroting» te starten, waarmee aan het jaarverslag meer focus en politieke zeggingskracht wordt gegeven. Na het Algemeen Overleg van 19 februari 2009 (kamerstuk 31 865, nr. 2) is ook Jeugd en Gezin aan het experiment toegevoegd.

Als onderdeel van dat experiment wordt met het jaarverslag van het departement minimaal één beleidsdoorlichting meegestuurd naar de Kamer. In dit kader bied ik u met deze brief de rapportage van de beleidsdoorlichting Jeugdstelsel aan.1

De beleidsdoorlichting is inhoudelijk gerelateerd aan de kabinetsvisie «Perspectief voor Jeugd en Gezin» die op 9 april 2010 aan de Tweede Kamer is gestuurd. De beleidsdoorlichting geeft een terugblik op de ingezette maatregelen ter verbetering van het huidige stelsel en levert op onderdelen een nadere onderbouwing van de voorstellen die in de brief «Perspectief voor Jeugd en Gezin» worden gedaan.

In deze brief informeer ik u over de aanpak van de beleidsdoorlichting en het resultaat daarvan.

De beleidsdoorlichting is uitgevoerd conform de eisen van de Regeling periodiek evaluatieonderzoek en beleidsinformatie 2006 (RPE 2006). Doel hiervan is de verantwoording naar de Tweede Kamer met periodiek onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid.

De beleidsdoorlichting is in samenwerking met het ministerie van Financiën en professor dr. T.A. van Yperen uitgevoerd. Professor Van Yperen is expert van het Kenniscentrum Nederlands Jeugdinstituut en bijzonder hoogleraar Onderzoek en ontwikkeling effectieve jeugdzorg aan de Universiteit Utrecht.

Ten behoeve van deze beleidsdoorlichting zijn rapporten geanalyseerd die de afgelopen twee jaar zijn verschenen op het gebied van de jeugdzorg.

Van Yperen concludeert dat de doorlichting op belangrijke aspecten een adequate analyse van het gevoerde beleid geeft, zowel ten aanzien van de kernproblemen in de sector, als de oorzaken van de problemen, de rol van de landelijke overheid in de oplossing van de problemen als de daarbij gehanteerde instrumenten. Tegelijk plaatst Van Yperen een aantal kanttekeningen en vult de analyse aan. Voorts wordt geadviseerd de doelen van het beleid aan te scherpen door intermediaire doelen te formuleren en daaraan gekoppeld een meer expliciete relatie te leggen tussen de knelpunten in de sector en de instrumenten die worden gehanteerd om oplossingen te bieden, om uiteindelijk bij te dragen aan de realisatie van algemene einddoelen. Ik zal deze aanbeveling betrekken bij de vormgeving van mijn begroting 2011.

De minister voor Jeugd en Gezin,

A. Rouvoet


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Naar boven