32 249
Financiële verhoudingen tussen de bestuurslagen

nr. 3
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 22 februari 2010

De commissie voor de Rijksuitgaven1, de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties2, en de vaste commissie voor Financiën3, hebben over het rapport van de Algemene Rekenkamer «Financiële verhoudingen tussen de bestuurslagen. Geldstromen en verantwoordelijkheden bij decentraal uitgevoerd beleid» Kamerstuk 32 249, nr. 2) de navolgende vragen ter beantwoording aan het kabinet voorgelegd.

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft deze vragen beantwoord bij brief van 19 februari 2010. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie voor de Rijksuitgaven,

Aptroot

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Leerdam

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Blok

De griffier van de commissie voor de Rijksuitgaven,

Groen

1 (blz. 18–19 in het rapport)

Welke ministeries zijn van plan met een verzameluitkering te gaan werken en hoever is de invoering van deze uitkeringen?

Het instrument verzameluitkering is onderdeel van de wijziging van de Financiële-verhoudingswet (Fvw) in augustus 2008 (TK 2007, nr. 31 327). In begrotingsjaar 2009 is de verzameluitkering door zeven ministeries gebruikt: de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Volksgezondheid Welzijn en Sport, Jeugd en Gezin, Wonen Wijken en Integratie, Justitie en Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit. Deze ministeries gebruiken de verzameluitkering ook in 2010 of hebben het voornemen om deze te gaan gebruiken.

2 (blz. 18–19 in rapport):

Voor welke decentralisatie- en integratie-uitkeringen wordt gebruik gemaakt van een aanvraagprocedure?

Zo’n 20 van de 44 decentralisatie-uitkeringen die zijn opgenomen in de Novembercirculaire 2009 van het Gemeentefonds worden toegekend na of op basis van een aanvraagprocedure.

De integratie-uitkeringen die zijn opgenomen in genoemde Novembercirculaire 2009 kennen geen van alle een aanvraagprocedure.

3 (blz. 18–19 in het rapport):

Bij welke decentralisatie-uitkeringen wordt door ministeries direct gestuurd op uitgave van de middelen aan de doelstelling?

Decentralisatieuitkeringen kennen bestedingsvrijheid, terwijl de beleidsruimte kan zijn omkleed met voorschriften. Zie ook mijn antwoord hieronder op vraag 6.

4 (blz. 20–21 in het rapport):

Over welke decentralisatie-uitkeringen moeten gemeenten achteraf verantwoording afleggen over de besteding?

Decentralisatie-uitkeringen behoeven geen financiële verantwoording; hiervoor geldt bestedingsvrijheid.

5 (blz. 29 in het rapport):

In hoeverre komt het voor dat een specifieke uitkering een horizonbepaling dan wel een evaluatiebepaling heeft, opdat er een moment is waarop kan worden beoordeeld of het gekozen instrument van de specifieke uitkering nog steeds het beste instrument is dan wel of er voor een andere uitkering moet worden gekozen?

Bij de verhouding tussen rijk, provincies en gemeenten past een financieel arrangement dat rekening houdt met de voorkeursvolgorde voor de bekostiging van provinciale en gemeentelijke taken: eigen inkomstenbronnen, de uitkering uit de fondsen (algemene uitkering, integratie- en decentralisatieuitkering) en als laatste de specifieke uitkering. Hiermee ligt aan de inzet van de financieringsinstrumenten een expliciete afweging door de vakminister en afstemming vooraf met de fondsbeheerders vooraf ten grondslag.

Specifieke uitkeringen die zijn geregeld bij wet worden eenmaal per vijf jaar geëvalueerd. Tijdelijke specifieke uitkeringen die zijn geregeld bij Algemene Maatregel van Bestuur worden uiterlijk 4 jaar na inwerkingtreding beëindigd, tenzij voor die datum een voorstel tot wet is ingediend (art.17, 4e lid Fvw). Eenmalige specifieke uitkeringen die zijn geregeld bij Ministeriële Regeling kunnen worden geëvalueerd na afloop van de regeling. Daarnaast biedt het onderhoudsrapport specifieke uitkeringen dat de Tweede Kamer jaarlijks op grond van art. 20 Fvw wordt aangeboden inzichten die aanleiding kunnen geven tot een hernieuwde afweging van de ingezette financieringsinstrumenten.

6 (blz. 30 in het rapport):

Hoe kan, als het gaat om de algemene fondsen, er aan de ene kant bestedingsvrijheid voor de decentrale overheden zijn, en aan de andere kant ook sprake zijn van «het omkleden van de beleidsruimte met voorschriften»? Hoe vrij zijn decentrale overheden nu daadwerkelijk als het gaat om de uitkeringen via de fondsen (algemene uitkeringen, decentralisatie- en integratie-uitkeringen)?

In mijn bestuurlijke reactie op het onderhavige rapport van de Algemene Rekenkamer maak ik een onderscheid tussen sturen op beleid en afrekenen op geld. Sinds jaar en dag is de systematiek van de algemene fondsen dat er sprake is van bestedingsvrijheid en beleidsruimte met voorschriften. De mate van beleidsvoorschriften verschilt per uitkering. Zo is het salaris van de burgemeester omkleed met voorschriften over de omvang, terwijl de voorschriften voor de kwaliteit van de openbare ruimte minimaal zijn. Dit principe – beleidsvoorschriften met bestedingsvrijheid – geldt ook voor decentralisatie-uitkeringen. Wel heb ik de indruk dat de beleidsvoorschriften soms zeer gedetailleerd zijn en/of dat met nadruk de medeoverheden wordt geadviseerd hoe uitvoering te geven aan een decentralisatie-uitkering en hierover veel monitorinformatie wordt gevraagd. Ik kan mij voorstellen dat hierdoor onterecht het beeld bij medeoverheden kan ontstaan dat hiermee de bestedingsvrijheid in het geding is.

7 (blz. 31 in het rapport):

Hoe zal in de toekomst met het inzetten van de integratie-uitkeringen en de decentralisatie-uitkeringen worden omgegaan?

Het kabinetsbeleid als verwoord in paragraaf 2 van de Memorie van Toelichting op de wijziging van de Financiële-verhoudingswet (TK 2007, nr. 31 327) is ongewijzigd: «Bij de verhouding tussen rijk, provincies en gemeenten past een financieel arrangement dat rekening houdt met de voorkeursvolgorde voor de bekostiging van provinciale en gemeentelijke taken: eigen inkomstenbronnen, de algemene uitkering uit het provincie- en gemeentefonds en ten slotte de specifieke uitkering. De voorkeur voor algemene fondsen boven de specifieke uitkering past bij de vermindering van het aantal specifieke uitkeringen (onderdeel van de decentralisatie-impuls) en de transactiekosten. (...) De verdeelsystematiek van de algemene uitkering is dermate generiek dat het meeste beleid kan worden gefinancierd via de algemene uitkering. Voor de integratie-uitkering en decentralisatie-uitkering geldt dat zoveel mogelijk wordt gestreefd naar een generieke verdeling. Integratie-uitkeringen zijn uitkeringen waarbij de termijn van overgang naar de algemene uitkeringen is vastgesteld. Het beleid is er op gericht deze termijn zo veel mogelijk te beperken tot maximaal 3 jaren. (...) Met dit wetsvoorstel wordt het tevens mogelijk om uitkeringen voor beleid met een tijdelijke looptijd en voor beleid waarbij de termijn van de overgang van de uitkering naar de algemene uitkering nog niet is vast te stellen, op te nemen in de algemene fondsen. Deze uitkeringen, zijn zoals in het voorgetelde artikel 13, vierde lid, aangehaald als decentralisatie-uitkeringen. Jaarlijks zal worden bezien of overgang van decentralisatie-uitkering naar algemene uitkering opportuun is of dat de looptijd van het beleid is beëindigd en de betreffende decentralisatie-uitkering komt te vervallen. De termijn van overgang naar de algemene uitkering is voornamelijk afhankelijk van het moment dat een generieke verdeling van de uitkering, zoals wordt bedoeld in het geval van een algemene uitkering, mogelijk is.»

8 (blz. 30–31 in het rapport):

Hoe wil het kabinet nadrukkelijker toezien op het vastleggen van de interbestuurlijke verhoudingen bij nieuwe en bestaande uitkeringen?

Op grond van artikel 2 Fvw zijn vakministers gehouden hun beleidsvoornemens tijdig voor te leggen aan de fondsbeheerders ten behoeve van afstemming of de voorgenomen decentralisatie van taken en/of activiteiten zich verenigen met de beleidsvoorschriften die hieraan worden verbonden alsook of het gekozen financieel arrangement in overeenstemming is met de door het kabinet voorgestane voorkeursvolgorde.

9 (blz. 31 in het rapport):

Wordt het «afwegingskader beleidsontwikkeling», na vaststelling in de ministerraad, aan de Tweede Kamer aangeboden?

De Algemene Rekenkamer spreekt in haar rapport abusievelijk over een afwegingskader beleidsontwikkeling. Het afwegingskader beleidsinformatie betreft een kader aan de hand waarvan vakdepartementen kunnen bepalen welke informatie met welke frequentie en belasting van medeoverheden noodzakelijk is voor de verantwoording van de ministers. Dit gaat verder dan «voldoende informatie». Het betreft een expliciete afweging om niet teveel en vooral ook om de juiste informatie op te vragen. Het is mijn intentie om dit kader na vaststelling in de ministerraad aan te bieden aan de Tweede Kamer.

10 (blz. 32 in het rapport):

In hoeverre deelt het kabinet de mening van de Algemene Rekenkamer dat het vrij besteedbare karakter van de decentralisatie-uitkeringen in het geding is?

Het kabinet onderstreept dat de bestedingsvrijheid voor uitkeringen uit de algemene fondsen niet in het geding is. Zie ook mijn antwoord op vraag 6.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Vlies, B.J. van der (SGP), Blok, S.A. (VVD), Hoopen, J. ten (CDA), Weekers, F.H.H. (VVD), Haersma Buma, S. van (CDA), Nerée tot Babberich, F.J.F.M. de (CDA), Aptroot, Ch.B. (VVD), voorzitter, Dezentjé Hamming-Bluemink, I. (VVD), Omtzigt, P.H. (CDA), Koşer Kaya, F. (D66), Dijck, A.P.C. van (PVV), Luijben, A.P.M. (SP), Gerven, H.P.J. Van (SP), Cramer, E.A. (CU), Kalma, P. (PvdA), Ouwehand, E. (PvdD), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Veen, E. Van der (PvdA), Blanksma-van den Heuvel, P.J.M.G. (CDA), Heijnen, P.M.M. (PvdA), Tang, P.J.G. (PvdA), Vos, M.L. (PvdA), ondervoorzitter, Bashir, F (SP), Sap, J.C.M. (GL) en Vacature, (CDA).

Plv. leden Staaij, C.G. van der (SGP), Burg, B.I. van der (VVD), Jonker, C.W.A. (CDA), Snijder-Hazelhoff, J.F. (VVD), Vries, J.M. de (CDA), Hijum, Y.J. Van (CDA), Beek, W.I.I. van (VVD), Krom, P. de (VVD), Pater-van der Meer, M.L. de (CDA), Ham, B. van der (D66), Roon, R. de (PVV), Gerkens, A.M.V. (SP), Kant, A.C. (SP), Anker, E.W. (CU), Laaper-ter Steege, S.Th.M. (PvdA), Thieme, M.L. (PvdD), Irrgang, E. (SP), Vermeij, R. (PvdA), Vacature, (CDA), Linhard, P. (PvdA), Besselink, M. (PvdA), Depla, G.C.F.M. (PvdA), Roemer, E.G.M. (SP), Vendrik, C.C.M. (GL) en Mastwijk, J.J. (CDA).

XNoot
2

Samentelling:

Halsema, F. (GL), Beek, W.I.I. van (VVD), Staaij, C.G. van der (SGP), Pater-van der Meer, M.L. de (CDA), Bochove, B.J. Van (CDA), Gerkens, A.M.V. (SP), Sterk, W.R.C. (CDA), Krom, P. de (VVD), ondervoorzitter, Leerdam, J.A.W.J. (PvdA), voorzitter, Griffith, L.J. (VVD), Boelhouwer, A.J.W. (PvdA), Algra, R.H. (CDA), Irrgang, E. (SP), Brinkman, H. (PVV), Kalma, P. (PvdA), Raak, A.A.G.M. van (SP), Burg, B.I. van der (VVD), Schinkelshoek, J. (CDA), Leijten, R.M. (SP), Thieme, M.L. (PvdD), Pechtold, A. (D66), Bilder, E.J. (CDA), Anker, E.W. (CU), Heijnen, P.M.M. (PvdA) en Laaper-ter Steege en S.Th.M. (PvdA).

Plv. leden: Azough, N. (GL), Teeven, F. (VVD), Vlies, B.J. van der (SGP), Joldersma, F. (CDA), Smilde, M.C.A. (CDA), Polderman, H.J. (SP), Spies, J.W.E. (CDA), Aptroot, Ch.B. (VVD), Wolbert, A.G. (PvdA), Zijlstra, H. (VVD), Vermeij, R. (PvdA), Knops, R.W. (CDA), Gerven, H.P.J. Van (SP), Roon, R. de (PVV), Heerts, A.J.M. (PvdA), Bommel, H. van (SP), Remkes, J.W. (VVD), Çörüz, C. (CDA), Wit, J.M.A.M. de (SP), Ouwehand, E. (PvdD), Ham, B. van der (D66), Haersma Buma, S. van (CDA), Cramer, E.A. (CU), Kraneveldt-van der Veen, M. (PvdA) en Timmer, A.J. (PvdA).

XNoot
3

Samenstelling:

Vlies, B.J. van der (SGP), Blok, S.A. (VVD), voorzitter, Hoopen, J. ten (CDA), ondervoorzitter, Weekers, F.H.H. (VVD), Haersma Buma, S. van (CDA), Nerée tot Babberich, F.J.F.M. de (CDA), Haverkamp, M.C. (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink, I. (VVD), Omtzigt, P.H. (CDA), Koşer Kaya, F. (D66), Irrgang, E. (SP), Dijck, A.P.C. van (PVV), Luijben, A.P.M. (SP), Spekman, J.L. (PvdA), Cramer, E.A. (CU), Kalma, P. (PvdA), Burg, B.I. van der (VVD), Ouwehand, E. (PvdD), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Blanksma-van den Heuvel, P.J.M.G. (CDA), Tang, P.J.G. (PvdA), Vos, M.L. (PvdA), Bashir, F (SP), Sap, J.C.M. (GL) en Linhard, P. (PvdA).

Plv. leden: Staaij, C.G. van der (SGP), Remkes, J.W. (VVD), Pieper, H.T.M. (CDA), Aptroot, Ch.B. (VVD), Vries, J.M. de (CDA), Hijum, Y.J. Van (CDA), Mastwijk, J.J. (CDA), Elias, T.M.Ch. (VVD), Pater-van der Meer, M.L. de (CDA), Pechtold, A. (D66), Kant, A.C. (SP), Roon, R. de (PVV), Ulenbelt, P. (SP), Heerts, A.J.M. (PvdA), Anker, E.W. (CU), Veen, E. Van der (PvdA), Nicolaï, A (VVD), Thieme, M.L. (PvdD), Karabulut, S. (SP), Smilde, M.C.A. (CDA), Heijnen, P.M.M. (PvdA), Roefs, C.W.J.M. (PvdA), Gerven, H.P.J. Van (SP), Vendrik, C.C.M. (GL) en Smeets, P.E. (PvdA).

Naar boven