Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 32140 nr. AM |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 32140 nr. AM |
Vastgesteld 3 oktober 2025
De vaste commissie voor Financiën1 heeft nader schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, over het toekomstig stelsel box 3. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 8 juli 2025
• De antwoordbrief van 2 oktober 2025.
De griffier van de vaste commissie voor Financiën, Karthaus
Aan de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane
Den Haag, 8 juli 2025
De leden van de vaste commissie voor Financiën hebben met belangstelling kennisgenomen van uw antwoorden d.d. 23 mei 2025 op vragen van 22 april 2025 over het toekomstig stelsel box 3.2 Het lid van de 50PLUS-fractie heeft nog een aantal vervolgvragen. De leden van de JA21-fractie sluiten zich bij deze vragen aan.
1. Het lid van de 50PLUS-fractie leest in uw antwoorden: «Tegelijkertijd zullen box 2-aandelen doorgaans bestaan uit niet-liquide ondernemingsvermogen en box 3-aandelen doorgaans onderdeel uitmaken van een liquide beleggingsportefeuille. Vanwege dit onderscheid is een vermogensaanwasbelasting voor box 3-aandelen passender».3
a. Erkent de regering dat aandelenbeleggers in box 3 ook in het bezit kunnen zijn van illiquide aandelen, waar één grote verkooporder de koers tientallen procenten omlaag kan dirigeren?
b. Waarom acht de regering het eerlijk om beleggers in box 3 met illiquide aandelen een vermogensaanwasbelasting op te leggen maar beleggers met illiquide aandelen in box 2 niet? Grote beleggers in illiquide bedrijven worden dan toch straks ronduit bevoordeeld boven kleine beleggers in illiquide bedrijven?
c. Het lid van 50PLUS gaat er vanuit dat niet voorspeld kan worden of kleine beleggers in illiquide aandelen, door de invoering van een vermogensaanwasbelasting, minder of zelfs niet meer zullen beleggen in deze categorie aandelen. Klopt dat? Is het misschien wel mogelijk om deze ontwikkeling te monitoren, in de aanloop naar en bij de invoering van de vermogensaanwasbelasting voor aandelen in box 3 en is de regering daartoe bereid? Indien nee, waarom niet?
d. Erkent de regering tevens dat aandelenbelangen in box 2 in voorkomende gevallen net zo liquide of zelfs nog meer liquide kunnen zijn, dan bepaalde aandelenbeleggingen in box 3?
2. Stel een box 3 belastingplichtige heeft 300.000 aandelen in een klein illiquide bedrijf genoteerd aan de beurs van New York. Het belang heeft (omgerekend naar euro) een waarde van 100.000 euro volgens de slotkoers op 1 januari 2030 en een waarde van 200.000 euro volgens de slotkoers op 31 december 2030. Het bedrijf in kwestie heeft een gemiddelde dagelijkse beursomzet van 30.000 aandelen.
a. Klopt het dat deze belastingplichtige zal worden aangeslagen op basis van een vermogensaanwas van 100.000 euro? Indien dit niet klopt, op basis van welke vermogensaanwas wordt deze belastingplichtige dan aangeslagen?
b. Stel dat deze belastingplichtige, mede vanwege de vermogensaanwasbelasting, in januari 2031 zijn aandelen verkoopt, tegen een koers die 25% lager ligt dan de slotkoers van 31 december. De verkoopopbrengst is dus slechts 150.000 euro. Op basis van welke vermogensaanwas wordt deze box 3 belegger nu daadwerkelijk aangeslagen?
c. Kan de belastingplichtige in het voorgaande voorbeeld gebruik maken van een tegenbewijsregeling, als de verkoopprijs door de illiquide markt 25% lager is geworden dan de slotkoers op 31 december? Of had deze box 3 belegger zijn aandelen al eerder moeten verkopen, om aanspraak te kunnen maken op de tegenbewijsregeling?
3. De mooie ambities, zowel nationaal als Europees, om de private sector meer te laten bijdragen aan investeringen ten behoeve van het oplossen van het woningtekort, de energietransitie en in de ontwikkeling van nieuwe techbedrijven op Europese bodem, worden toch ondermijnd als nu net de dappere beleggers worden onderworpen aan een vermogensheffing die veel ingrijpender is dan zij tot op heden gewend zijn? Het voorgenomen plan voor een vermogensaanwasbelasting voor aandelen in box 3, kan er toch aan bijdragen dat de overheid uiteindelijk zelf meer moet investeren in de genoemde transities en ambities?
4. Het lid van 50PLUS verwacht dat de vermogensaanwasbelasting voor aandelen in box 3 de emigratie van relatief ondernemende en kapitaalkrachtige mensen aanmoedigt. Kan de regering aantonen dat dit niet het geval zal zijn?
De leden van de vaste commissie voor Financiën zien uw reactie met belangstelling tegemoet en bij voorkeur binnen vier weken.
Voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, P. van Ballekom
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 oktober 2025
Hierbij bied ik u mijn reactie aan op de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van 50PLUS en JA21 van 8 juli 2025 (uw kenmerk: 177678) over de brief van 23 mei 2025 over het toekomstig stelsel box 34.
De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, E. Heijnen
Ik heb met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van het lid van de fractie van 50PLUS, waarbij de leden van de fractie van JA21 zich hebben aangesloten. Ik houd bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk de volgorde van de vragen en opmerkingen aan zoals die aan mij zijn voorgelegd.
Vragen en opmerkingen van het lid van de fractie van 50PLUS
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of het kabinet erkent dat aandelenbeleggers in box 3 in het bezit kunnen zijn van niet liquide aandelen.
Er is geen duidelijke grens te trekken tussen liquide beleggingen aan de ene kant en niet liquide beleggingen aan de andere kant. In de praktijk zijn er veel verschillende vormen van verhandelbaarheid en liquiditeit van beleggingen. Beleggingen die worden verhandeld via financiële instellingen (zoals banken) zijn meestal beursgenoteerde beleggingen of deelnemingsrechten in een beleggingsinstelling. Niet alle beursgenoteerde beleggingen zijn echter liquide en niet alle niet-beursgenoteerde beleggingen zijn niet liquide.
Ik ben het dus met de heer Van Rooijen eens dat ook beleggers in box 3 in het bezit kunnen zijn van aandelen die niet makkelijk verhandelbaar zijn.
Ook vraagt het lid van de fractie van 50PLUS of het kabinet het eerlijk vindt om beleggers in box 3 met niet liquide aandelen een vermogensaanwasbelasting op te leggen en beleggers met niet liquide aandelen in box 2 niet.
Het feit dat er verschillen zijn tussen de boxen wil niet zeggen dat het stelsel onevenwichtig is. Voor het toekomstige stelsel voor box 3 is ervoor gekozen om regels te creëren die toegesneden zijn op box 3. Op enkele onderdelen waar dat wenselijk en passend is, wordt aangesloten bij box 1, de vermogenswinstsystematiek. Ook in box 2 worden inkomsten uit aanmerkelijk belang belast via de systematiek van een vermogenswinstbelasting.6 Van een aanmerkelijk belang is sprake bij een aandelenbelang van ten minste 5%. Met de bezitseis van 5% is beoogd om onderscheid te maken tussen beleggen en ondernemen. Het bezitspercentage ligt in lijn met het onderscheidende criterium dat voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting wordt gehanteerd. Naast de systematiek van een vermogenswinstbelasting in box 1 en box 2 zijn diverse faciliteiten beschikbaar om te voorkomen dat de continuïteit van een onderneming in gevaar komt. Hierbij kan voor box 1 (winst uit onderneming) gedacht worden aan het kunnen vormen van een voorziening en een herinvesteringsreserve bij een verkoopwinst. Daarnaast kan in box 1 en box 2 gebruik worden gemaakt van doorschuiffaciliteiten in het geval van bedrijfsoverdrachten bij schenken en overlijden. Uit de opbouw van het boxenstelsel in de inkomstenbelasting volgt dat het vermogen in box 3 wordt aangemerkt als een belegging waardoor een afwijkende fiscale behandeling ten opzichte van ondernemingsvermogen in de andere boxen is gerechtvaardigd.
Een overgang van de huidige forfaitaire vermogensaanwassystematiek naar een vermogenswinstsystematiek in box 3 is onderzocht. Een vermogenswinstbelasting voor het gehele box 3-vermogen zorgt voor een grotere economische verstoring dan een vermogensaanwasbelasting en biedt mogelijkheden tot fiscale planning vanwege de prikkel tot uitstel van belastingbetaling. Daarnaast heeft een volledige vermogenswinstbelasting nadelige gevolgen voor het doenvermogen van burgers en de uitvoerbaarheid door de Belastingdienst, omdat de belastingplichtige de historische aankoopwaarde van bezittingen mogelijk langdurig moet bijhouden. Ook is het vooraf invullen van gegevens minder eenvoudig bij een vermogenswinstbelasting dan bij een vermogensaanwasbelasting. Ten slotte zorgt een vermogenswinstbelasting voor het gehele box 3-vermogen in de eerste jaren voor een forse budgettaire derving, die kan oplopen tot meer dan € 5 miljard (cumulatief) in de eerste vier jaar.
In de brief aan de Tweede Kamer van 15 mei 20247 is mijn ambtsvoorganger ingegaan op de vraag of het mogelijk is om voor niet liquide aandelen een vermogenswinstregime te hanteren. Het antwoord is dat dit niet mogelijk is. In de eerste plaats is er geen duidelijke grens te trekken tussen liquide en niet liquide beleggingen. Daarnaast is er sprake van een risico op staatssteun. Dat geldt zowel voor een onderscheid tussen liquide en niet liquide aandelen, als voor een onderscheid tussen beursgenoteerde of niet-beursgenoteerde aandelen. Vanuit staatssteunperspectief is van belang dat voor zover sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, dat onderscheid te verantwoorden is aan de hand van objectieve criteria. Deze criteria moeten specifiek zijn voor de begunstigde ondernemingen (in tegenstelling tot overige ondernemingen). Ook moeten de criteria passen bij de doelstellingen van de betrokken belastingmaatregel, namelijk het draagkrachtbeginsel, minder kans op belastingontwijking en betere administratieve beheersbaarheid.
Ook voor banken is het niet goed mogelijk om op een effectieve wijze in de renseignering voor de Vooraf Ingevulde Aangifte (VIA) onderscheid te maken tussen liquide en niet liquide beleggingen. Het controleren van dit onderscheid is voor de Belastingdienst vanwege het ontbreken van contra-informatie niet goed mogelijk en zal aanzienlijke gevolgen hebben voor de inzet van capaciteit door de Belastingdienst in verband met de mogelijkheden op controle van de aangeleverde gegevens.
Alles afwegende heeft het kabinet ervoor gekozen om voor wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 in de basis te kiezen voor een vermogensaanwasbelasting en alleen voor beleggingen in startende ondernemingen8 en onroerende zaken een vermogenswinstbelasting te introduceren.
Dit lid vraagt ook of het mogelijk is te monitoren of kleine beleggers in niet liquide aandelen minder of zelfs niet meer beleggen in deze categorie aandelen door de introductie van een vermogensaanwasbelasting.
Hiervoor heb ik reeds aangegeven dat het onderscheid tussen liquide en niet liquide beleggingen moeilijk te maken is. Daarom is het ook niet mogelijk om bij te houden en te monitoren of belastingplichtigen minder beleggen in een bepaalde categorie aandelen. Wel is in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 voorgesteld om het nieuwe stelsel na vijf jaar te evalueren. Daarnaast is het zo dat de systematiek zoals we die in het huidige box 3 kennen feitelijk een forfaitaire vermogensaanwassystematiek is. De situatie die door het lid van de fractie van 50PLUS wordt omschreven, zou zich dan ook nu al voor kunnen doen. Daar zijn mij geen signalen van bekend.
Daarnaast vraagt het lid van de fractie van 50PLUS of het kabinet erkent dat aandelenbelangen in box 2 in voorkomende gevallen net zo liquide of zelfs nog meer liquide kunnen zijn, dan bepaalde aandelenbeleggingen in box 3.
Aandelenbelangen in box 2 kunnen in voorkomende gevallen net zo liquide zijn als bepaalde aandelenbeleggingen in box 3. Het doel van het maken van onderscheid tussen de verschillende boxen in de inkomstenbelasting is echter niet een onderscheid te maken tussen liquide en niet liquide beleggingen. Met de bezitseis van 5% is beoogd om onderscheid te maken tussen beleggen en ondernemen.
Het lid van de fractie van 50PLUS stelt een aantal vragen over de volgende door dit lid omschreven casus: stel een box 3-belastingplichtige heeft 300.000 aandelen in een klein niet liquide bedrijf genoteerd aan de beurs van New York. Het belang heeft (omgerekend naar euro) een waarde van € 100.000 volgens de slotkoers op 1 januari 20309 en een waarde van € 200.000 volgens de slotkoers op 31 december 2030. Het bedrijf in kwestie heeft een gemiddelde dagelijkse beursomzet van 30.000 aandelen.
Dit lid vraagt of het klopt dat deze belastingplichtige zal worden aangeslagen op basis van een vermogensaanwas van € 100.000.
De vermogensaanwas van deze aandelen in het jaar 2030 is inderdaad € 100.000.
Stel dat deze belastingplichtige, mede vanwege de vermogensaanwasbelasting, in januari 2031 zijn aandelen verkoopt, tegen een koers die 25% lager ligt dan de slotkoers van 31 december. De verkoopopbrengst is dus slechts € 150.000. Op basis van welke vermogensaanwas wordt deze box 3 belegger aangeslagen vraagt het lid van de fractie van 50PLUS.
Zoals in het antwoord hiervoor ook aangegeven, is het inkomen uit de aandelen – de vermogensaanwas – in 2030 € 100.000. Als de belastingplichtige in 2031 de aandelen verkoopt voor € 150.000, dan heeft hij in 2031 een verlies geleden van € 50.000 op de verkoop van deze aandelen. Dit verlies mag hij, als hij het verlies in 2031 niet met andere inkomsten in box 3 kan verrekenen, onbeperkt voorwaarts verrekenen met inkomen uit vermogen in box 3 in latere jaren.
Tot slot vraagt dit lid of de belastingplichtige in het voorgaande voorbeeld gebruik kan maken van een tegenbewijsregeling, als de verkoopprijs door de niet liquide markt 25% lager is geworden dan de slotkoers op 31 december.
Het is belangrijk de twee verschillende stelsels (het toekomstige stelsel op basis van werkelijk rendement en het huidige forfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling) uit elkaar te houden. In het stelsel op basis van werkelijk rendement waarvan het de bedoeling is dat het per 2028 in werking treedt, is geen sprake van een tegenbewijsregeling. Onder de Wet tegenbewijsregeling box 3 – die een tegenbewijsregeling introduceert voor het huidige forfaitaire stelsel – wel.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of ambities, zowel nationaal als Europees, om de private sector meer te laten bijdragen aan investeringen ten behoeve van het oplossen van het woningtekort, de energietransitie en in de ontwikkeling van nieuwe techbedrijven op Europese bodem, worden ondermijnd als beleggers worden onderworpen aan een vermogensheffing die ingrijpender is dan zij tot op heden gewend zijn. Het voorgenomen plan voor een vermogensaanwasbelasting voor aandelen in box 3, kan er volgens dit lid aan bijdragen dat de overheid uiteindelijk zelf meer moet investeren in de genoemde transities en ambities. Ook verwacht het lid van de fractie van 50PLUS dat de vermogensaanwasbelasting voor aandelen in box 3 de emigratie van relatief ondernemende en kapitaalkrachtige mensen aanmoedigt. Gevraagd wordt of het kabinet kan aantonen dat dit niet het geval is.
De voor- en nadelen van een vermogensaanwasbelasting en vermogenswinstbelasting zijn door dit kabinet en voorgaande kabinetten uitgebreid onderzocht. Het kabinet heeft gekozen voor een combinatie van een vermogensaanwas- en vermogenswinstsystematiek. Het kabinet verwacht geen nadelige gevolgen voor het vestigingsklimaat van de gedeeltelijke vermogensaanwasbelasting. Onder het huidige forfaitaire stelsel wordt immers ook al de vermogensaanwas van vermogensbestanddelen belast en de overgang naar het nieuwe stelsel wordt budgettair neutraal vormgegeven. Het is mij uiteraard niet ontgaan dat er, bij onder andere uw Kamer, discussie bestaat over wat de beste wijze is van het belasten van werkelijk rendement. Ik zie het als een gedeelde verantwoordelijkheid van kabinet en parlement dat de belasting in box 3 zo snel als dat mogelijk is, geheven kan worden op basis van het werkelijke rendement. Dat neemt niet weg dat er na invoering, op het moment dat een nieuw kabinet en een nieuwe Kamer dat te zijner tijd opportuun acht, nog ruimte blijft voor verbetering en doorontwikkeling van het nieuwe stelsel.
Samenstelling:
Kroon (BBB) (ondervoorzitter), Van Wijk (BBB), Griffioen (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Crone (GroenLinks-PvdA), Karimi (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van Ballekom (VVD) (voorzitter), Van der Linden (VVD), Vogels (VVD), Bovens (CDA), Bakker-Klein (CDA), Aerdts (D66), Moonen (D66), Van Strien (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Baumgarten (JA21), Van Apeldoorn (SP), Holterhues (ChristenUnie), Van den Oetelaar (FVD), Schalk (SGP), Hartog (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)
Als een aandeel ondernemingsvermogen vormt, valt het in box 1, bij een belang van minimaal 5% valt het aandeel (of een winstbewijs) in box 2 (tenzij deze activa als ondernemingsvermogen moeten worden aangemerkt), evenals bij een kleiner belang wanneer een familielid in de rechte lijn of een partner van belastingplichtige of voornoemde familielid minimaal 5% bezit. Aandelen die niet in box 1 of box 2 vallen, vallen in box 3.
Voor de beantwoording bij dit voorbeeld is ervan uitgegaan dat de slotkoers op 1–1 gelijk is aan de slotkoers op 31–12.
Samenstelling:
Kroon (BBB) (ondervoorzitter), Van Wijk (BBB), Griffioen (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Crone (GroenLinks-PvdA), Karimi (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van Ballekom (VVD) (voorzitter), Van der Linden (VVD), Vogels (VVD), Bovens (CDA), Bakker-Klein (CDA), Aerdts (D66), Moonen (D66), Van Strien (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Baumgarten (JA21), Van Apeldoorn (SP), Holterhues (ChristenUnie), Van den Oetelaar (FVD), Schalk (SGP), Hartog (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)
Als een aandeel ondernemingsvermogen vormt, valt het in box 1, bij een belang van minimaal 5% valt het aandeel (of een winstbewijs) in box 2 (tenzij deze activa als ondernemingsvermogen moeten worden aangemerkt), evenals bij een kleiner belang wanneer een familielid in de rechte lijn of een partner van belastingplichtige of voornoemde familielid minimaal 5% bezit. Aandelen die niet in box 1 of box 2 vallen, vallen in box 3.
Voor de beantwoording bij dit voorbeeld is ervan uitgegaan dat de slotkoers op 1–1 gelijk is aan de slotkoers op 31–12.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32140-AM.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.