32 133
Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale onderhoudswet 2010)

nr. 9
DERDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 16 november 2009

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

a. Na onderdeel Be wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Bf. In artikel 5.4, zesde lid, wordt «bedoeld in artikel 1a, vierde, vijfde en achtste lid, van de Successiewet 1956» vervangen door: bedoeld in artikel 1a, vierde, vijfde, zesde en achtste lid, van de Successiewet 1956.

b. Na onderdeel C wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Cbis. In artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, wordt «in een ministeriële regeling aangewezen mogendheid» vervangen door: in een bij ministeriële regeling aangewezen mogendheid.

c. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

F. In artikel 10a.7, tweede lid, vervalt de komma na «19 april 2009».

2

Na artikel III wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IIIA

De Successiewet 1956 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 3, tweede lid, vervalt de komma na «ieder». Voorts vervalt de komma na «verlaten».

B. In artikel 10, zevende lid, onderdeel a, vervalt «niet aangemerkt».

C. Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «na van het overlijden» vervangen door: na het overlijden.

2. In het tweede lid wordt «diens bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad of hun partners» vervangen door: een van diens bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad of hun partners.

D. Artikel 35c wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het vijfde lid wordt na «hield» een komma geplaatst.

2. In het zesde lid wordt «de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970» vervangen door: de Wet op belastingen van rechtsverkeer.

E. In artikel 35g wordt «zowel blote eigendom als bedoeld in het eerste lid en ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35b, tweede lid» vervangen door: zowel blote eigendom als bedoeld in het eerste lid als ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35b, tweede lid.

3

Artikel XIV wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «treedt in werking met ingang van 1 januari 2010» vervangen door: treedt, zo nodig met terugwerkende kracht, in werking met ingang van 1 januari 2010.

b. De onderdelen a tot en met i worden geletterd b tot en met j.

c. Vóór onderdeel b (nieuw) wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

a. artikel II, onderdeel I, terugwerkt tot en met 1 juni 1999;.

d. In onderdeel c (nieuw) wordt «artikel I, onderdelen A en B» vervangen door: artikel I, onderdelen 0Aa, A en B.

TOELICHTING

Algemeen

De onderhavige nota van wijziging bevat enkele technische aanpassingen van redactionele aard. Tevens is de inwerkingtredingsbepaling aangepast.

Onderdeelsgewijs

Onderdeel 1

Artikel I, onderdelen Bf, Cbis en F (artikelen 5.4, 6.33 en 10a.7 van de wet inkomstenbelasting 2001)

In onderdeel 1, onder a, wordt de verwijzing in artikel 5.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 naar artikel 1a van de Successiewet 1956 zodanig aangepast dat ook de personen die tot aan het tijdstip van overlijden of het moment van schenking gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf kalenderjaren een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd (en die voor de Successiewet 1956 als partners kwalificeren) net als andere samenwonende partners (dus niet-gehuwde partners) worden gelijkgeschakeld met echtgenoten.

In onderdeel 1, onder b en c, zijn aanpassingen van redactionele aard aangebracht.

Onderdeel 2

Artikel IIIA (artikelen 3, 10, 13, 35c en 35g van de Successiewet 1956)

In onderdeel 2 worden enkele redactionele aanpassingen aangebracht in de Successiewet 1956, zoals deze ingevolge het bij koninklijke boodschap van 20 april 2009 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956, 31 930) komt te luiden per 1 januari 2010.

Onderdeel 3

Artikel XIV (inwerkingtreding)

Met de in onderdeel 3, onder 1, opgenomen wijziging wordt in de aanhef van de inwerkingtredingsbepaling tot uitdrukking gebracht dat de onderhavige wet zo nodig met terugwerkende kracht in werking kan treden.

Met de in onderdeel 3, onder 2, 3 en 4, opgenomen wijzigingen wordt bewerkstelligd dat ook de in artikel II, onderdeel I, en de in artikel I, onderdeel OAa, van het wetsvoorstel opgenomen wijzigingen terugwerken tot het moment waarop de omissies zijn ontstaan, die met die wijzigingen ongedaan worden gemaakt.

De staatssecretaris van Financiën,

J. C. de Jager

Naar boven