Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 7 januari 2026
Op 25 november jl. heeft de Eerste Kamer gesproken over het wetsvoorstel van mijn
ambtsgenoot van SZW tot wijziging van de Pensioenwet, de Wet op de loonbelasting 1964
en enige andere wetten in verband met de verlenging van de transitieperiode naar het
nieuwe pensioenstelsel (Kamerstuk 36 578).
Tijdens deze plenaire behandeling heeft het lid Van Rooijen (50PLUS) onder andere
gevraagd naar de stand van zaken van het wetsvoorstel dat de overdracht van de Appa-pensioenen
naar het nieuwe pensioenstelsel regelt. Ook heeft hij gevraagd naar de laatste schatting
van de kosten van de overgang naar het nieuwe stelsel voor gemeenten, provincies en
waterschappen.
Mijn ambtsgenoot heeft de vragen van het lid Van Rooijen beantwoord. Naar aanleiding
daarvan informeer ik hierbij ook uw Kamer over de stand van zaken ten aanzien van
het wetsvoorstel en de kosten van de overgang naar het nieuwe stelsel voor provincies,
gemeenten en waterschappen.
Stand van zaken wetsvoorstel
Het wetsvoorstel is op dit moment nog in ambtelijke voorbereiding. Het voorstel vergt
afstemming van mijn ministerie met vele belanghebbenden zoals het ABP, DNB, het IPO,
de VNG en de Unie van Waterschappen. Dat kost de nodige tijd. Die afstemming vooraf
zorgt er overigens voor dat de formele consultatie vervolgens gemakkelijker kan verlopen.
Naar verwachting zal ik het wetsvoorstel in het begin van 2026 in internetconsultatie
kunnen brengen.
Schatting van de kosten van de overgang naar ABP
Met ingang van 1 januari 2028 wordt de zelfstandige wettelijke pensioenregeling voor
politieke ambtsdragers op grond van de Appa beëindigd. De pensioenaanspraken en -rechten
van politieke ambtsdragers worden per die datum ondergebracht bij het ABP. Zij worden
dan niet meer uit de begroting van de overheidsinstelling, maar uit het ABP-pensioenfonds
betaald.
Op het moment van de inkoop bij het ABP moeten de Appa pensioenaanspraken en -rechten
van politieke ambtsdragers bij het Rijk, de provincies, de gemeenten en de waterschappen
in één keer worden omgezet naar ABP-aanspraken, met daarbij de verplichting zorg te
dragen voor toereikende financiering. Dit zijn dus geen kosten van de overgang van
de pensioenen, maar is de collectieve waarde van de tot 1 januari 2028 opgebouwde
pensioenaanspraken en -rechten van deze politieke ambtsdragers, die in één keer moet
worden af gefinancierd. Vanaf 1 januari 2028 vervalt de verplichting voor het Rijk,
de provincies, de gemeenten en de waterschappen om uit hun eigen begroting de pensioenuitkeringen
van politieke ambtsdragers te betalen.
Mijn ministerie heeft in 2025 individuele provincies, gemeenten en waterschappen de
mogelijkheid geboden om deel te nemen aan een onderzoek dat hen inzicht gaf in de
verwachte inkoopwaarde bij het ABP en de op hun balans aangehouden voorzieningen voor
het risicobeheer van de pensioenuitkeringen op grond van het Besluit begroting en
verantwoording (Bbv), die voor de eenmalige inkoopsom bij ABP kunnen worden benut.
In de toelichting bij het wetsvoorstel zullen de uitkomsten van dit onderzoek per
bestuurslaag worden opgenomen.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
F. Rijkaart