B
nr. 2
BRIEF VAN DE TIJDELIJKE GEMENGDE COMMISSIE SUBSIDIARITEITSTOETS
Aan:
De voorzitter en leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van de Eerste Kamer
De voorzitter en leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van de Tweede Kamer
Den Haag, 18 augustus 2009
Zoals u bekend toetst de Tijdelijke Gemengde Commissie Subsidiariteitstoets
samen met de betrokken vakcommissies voorstellen van de Europese Commissie
aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.
Onlangs heeft de Europese Commissie bovengenoemd richtlijnvoorstel gepubliceerd.
Dit voorstel is geselecteerd voor de parlementaire subsidiariteitstoets (zie
Kamerstuk 22 112, CB en nr. 771). In dat kader wordt u gevraagd om een
gemotiveerd advies vast te stellen.
De TGCS verzoekt uw commissie om uiterlijk 24 september 12.00 uur
een gemotiveerd advies vast te stellen over de vragen of voor onderhavig voorstel
voldoende rechtsgrondslag in het EG-Verdrag bestaat en of met het voorstel
is voldaan aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit (artikel
5 EG-Verdrag).
In dit verband wil ik u er overigens op wijzen dat de TGCS kennis heeft
genomen van de besluitvorming in de Eerste Kamer dat de TGCS geen permanente
status wordt verleend als gemengde commissie van beide Kamers (Kamerstukken
I, 2008/09, 30 953, F en G). De uitvoering van dit besluit, te weten
de beëindiging van de deelname van Eerste Kamerleden aan de TGCS, zal
naar verwachting met ingang van het nieuwe parlementaire jaar plaatsvinden.
De procedurele afwikkeling van onderhavige subsidiariteitstoets staat
op dit moment niet vast. Ik acht desondanks – gelet op de achtwekentermijn –
het opstarten van de procedure in beide Kamers raadzaam. Deze adviesaanvraag
dient u in dit licht te bezien. Zodra meer bekend is over het
procedureel verloop van deze subsidiariteitstoets wordt u daarover geïnformeerd.
Voorzitter van de Tijdelijke Gemengde Commissie Subsidiariteitstoets,
Jan Jacob van Dijk
ADVIESAANVRAAG COM(2009)410 DEF
Toetsing aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit
van het voorstel voor een richtlijn tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE,
UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof
en tot intrekking van Richtlijn 96/34/EG
Samenvatting voorstel
Het doel van het voorstel is, bij te dragen tot een betere combinatie
van het werk, gezin en privéleven en tot de bevordering van de gelijkheid
van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt. Daartoe wil de Europese Commissie
rechtsgevolg geven aan de herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof
die op 18 juni 2009 is gesloten door de Europese brancheoverkoepelende
sociale partners (BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV). Deze vervangt
hun eerdere overeenkomst van 14 december 1995. Richtlijn 96/34/EG, die
rechtsgevolg gaf aan de eerste overeenkomst, zal dus worden ingetrokken.
De herziene overeenkomst verlengt het individuele recht op ouderschapsverlof
van mannelijke en vrouwelijke werknemers van drie tot vier maanden en introduceert
een aantal verbeteringen en verduidelijkingen met betrekking tot de uitoefening
van dat recht.
Behandeltraject op Europees niveau
Behandeling in de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid 30 november
2009; besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid. Geen betrokkenheid Europees
Parlement.
Rechtsgrondslag
Het voorstel is gebaseerd op artikel 139, lid 2, en artikel 137 lid 1
van het EG-Verdrag.
Artikel 139 lid 2 bepaalt dat de tenuitvoerlegging van overeenkomsten
tussen de Europese sociale partners geschiedt hetzij door middel van de eigen
procedures van de sociale partners, hetzij door middel van een besluit van
de Raad, op voorstel van de Europese Commissie. In dit geval is voor de tweede
optie gekozen.
Artikel 137 lid 1 bepaalt dat de EU bevoegd is, het optreden van de lidstaten
aan te vullen op het gebied van (sub i) de gelijkheid van mannen en vrouwen
wat hun kansen op de arbeidsmarkt en behandeling op het werk betreft.
Argumenten Europese Commissie ter zake van subsidiariteit
Het doel van dit voorstel is de actualisering van de bestaande Europese
minimumnormen voor de toekenning van ouderschapsverlof aan werknemers met
kleine kinderen en hun bescherming binnen de arbeidsbetrekking en daarbij
gelijke voorwaarden te scheppen met betrekking tot dit cruciale aspect van
de combinatie van werk, gezin en privéleven. Dit kan alleen door middel
van een maatregel op EU-niveau worden bereikt en niet door de lidstaten alleen.
Doordat veelvuldig wordt verwezen naar de discretionaire bevoegdheid van
de lidstaten en de nationale sociale partners op een aantal specifieke gebieden,
bevat het voorstel geen al te gedetailleerde verplichtingen en laat
het veel ruimte voor aanpassing van de bepalingen aan de arbeidsmarkt van
de betrokken lidstaat.
Het feit dat het voorstel is opgesteld door de legitieme vertegenwoordigers
van de werknemers en werkgevers in plaats van door de Commissie, garandeert
volgens de Europese Commissie dat het subsidiariteitsbeginsel wordt geëerbiedigd.
Argumenten Europese Commissie ter zake van proportionaliteit
Het voorstel bevat alleen minimumnormen; de lidstaten mogen desgewenst
verdergaande bepalingen goedkeuren. De voorgestelde maatregel voldoet daarom
volgens de Europese Commissie aan het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel.
Standpunt Nederlandse regering
Nog niet bekend. Naar verwachting zal de regering het voorstel steunen
omdat het uit de sociale dialoog komt.