32 020 (R1887)
Regeling van de instelling, taken en bevoegdheden van de Raad voor de rechtshandhaving van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet Raad voor de rechtshandhaving)

nr. 5
VERSLAG VAN DE STATEN VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN

Ontvangen 1 december 2009

De MAN-fractie plaatst allereerst grote vraagtekens bij de toegevoegde waarde van de in artikel 2, eerste lid, van het onderhavige voorstel van rijkswet voorgestelde Raad voor de rechtshandhaving. Het is, aldus de fractie, niet duidelijk waarom nu ineens de noodzaak en het belang wordt ingezien van het instellen van een gemeenschappelijk orgaan voor Curaçao, Sint Maarten en Nederland dat belast zal worden met algemene inspectietaken op justitieel gebied. Wat is de toegevoegde waarde daarvan? Nergens in de bij het onderhavige voorstel van rijkswet gevoegde stukken wordt, zo stelt de fractie, een zakelijke uiteenzetting gegeven van de gronden die noodzaken tot instelling van een dergelijk orgaan, noch wordt op overtuigende wijze beargumenteerd dat een Raad voor de rechtshandhaving, zoals thans voorgesteld, een onmisbaar instrument is voor het deugdelijk functioneren van de rechtshandhavingsketen op de eilanden van de Nederlandse Antillen.

Volgens de MAN-fractie wordt in de Memorie van Toelichting louter verwezen naar afspraken die zijn gemaakt in de Slotverklaring en wordt er in dit verband aangegeven dat het onderhavige voorstel van rijkswet voortvloeit uit één van die afspraken. Dat wordt, aldus de fractie, als enige verantwoordingsgrond voor het voorstel aangevoerd.

In de tweede plaats acht de MAN-fractie het bezwaarlijk dat de uitvoering van de inspectietaken waarmee de Raad zal worden belast en die opgenomen zijn in artikel 3 van het onderhavige voorstel van rijkswet, op generlei wijze onder toezicht en controle zal komen te staan van de volksvertegenwoordigende lichamen van de betrokken landen, terwijl deze taken direct te maken hebben met, althans rechtstreeks voortvloeien, uit het beleidsterrein Justitie waarover wel verantwoording dient te worden afgelegd aan het parlement. Er bestaat derhalve een gegrond vermoeden, merkt de fractie op, dat de Raad voor de Rechtshandhaving de aan hem op voet van artikel 3 van het onderhavige voorstel van rijkswet toebedeelde inspectie-taken zal uitvoeren, zonder dat hij daarover enige rekenschap en verantwoording hoeft af te leggen aan de parlementen van de betrokken landen, meent de MAN-fractie.

Het bovenstaande klemt, aldus de fractie, des te meer gelet op de benoemingsprocedure van de Raadsleden, zoals bepaald in artikel 7 van het onderhavige voorstel van rijkswet. Ingevolge deze bepaling worden de leden van de Raad door de ministers van Justitie van de drie landen gezamenlijk benoemd. Ter waarborging van de onafhankelijke positie van de Raad en in navolging van de procedures die worden gehanteerd bij de benoeming van de leden van de Algemene Rekenkamer en van de Ombudsman had het evenwel in de rede gelegen om in het onderhavige geval de benoemingsbevoegdheid eveneens in handen te leggen van de volksvertegenwoordigingen van de betrokken landen, vindt de MAN-fractie. Dat niettemin gekozen is voor de thans voorgestelde benoemingsprocedure, werpt alleen maar vragen op, zoals in hoeverre deze procedure met voldoende waarborgen is omkleed ter garandering van de onafhankelijke en in zekere zin ook onpartijdige positie van de Raad.

Eveneens opvallend, aldus de fractie, is de beslissingsbevoegdheid die toekomt aan de raad van ministers van het Koninkrijk om in voorkomende gevallen af te wijken van het bepaalde in artikel 6 van het onderhavige voorstel van rijkswet en om één van de Raadsleden voor een kortere periode dan vier jaar voor benoeming voor te dragen (zie pg. 14 MvT, artt. 5–7). Feitelijk houdt deze bevoegdheid dus in, zo oordeelt de MAN-fractie, dat de raad van ministers van het Koninkrijk, oftewel Nederland, eenzijdig personen kan voordragen voor benoeming tot leden van de Raad, zonder de instemming van de minister van Justitie van Curaçao of die van Sint Maarten, die immers geen leden van de raad van ministers van het Koninkrijk zijn. Is dat wat bedoeld wordt met gelijkwaardigheid tussen de samenwerkende landen, vraagt de MAN-fractie.

De fractie plaatst verder een kritische kanttekening bij het bepaalde in artikel 3. In het eerste lid, onder c, alsmede in het vierde en in het vijfde lid, worden aangelegenheden genoemd die bij landsverordening of bij wet kunnen worden geregeld. Volgens de fractie zit de onduidelijkheid mede in het gebruik van het woord «of». Wat wordt precies beoogd met deze keuzemogelijkheid die het onderhavige voorstel van rijkswet biedt? Kan hierover een nadere toelichting worden gegeven?

Die laatste vraag kan, aldus de MAN-fractie, eveneens gesteld worden ten aanzien van het bepaalde in artikel 13 van het voorliggende voorstel van rijkswet. Ingevolge dit artikel wordt de rechtspositie van de leden van de Raad bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur geregeld, voor zover daarin niet bij deze rijkswet is voorzien. De fractie acht dat zeer bezwaarlijk omdat daarmee de volksvertegenwoordigende lichamen volledig buitenspel worden gezet.

Op grond van artikel 14, eerste lid, beschikt de Raad voor zijn ondersteuning over een secretariaat. Ingevolge het vierde lid van dat artikel zijn de secretarissen voor hun werkzaamheden voor de Raad uitsluitend verantwoording schuldig aan de Raad. Indien de secretarissen ambtenaren zijn in de zin van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA), vallen zij formeel toch onder het bevoegde gezag (de gouverneur)? Of is er een dermate groot wantrouwen en minachting voor onze eigen organen en instituties, dat zelfs onze eigen ambtenaren voor hun handelen en nalaten verantwoording schuldig zijn aan een ander orgaan dan het bevoegde gezag? Gaarne wenst de fractie hierover nadere opheldering.

Overigens merkt de fractie terzijde op dat de Raad op voet van artikel 2, derde lid, van het onderhavige voorstel van rijkswet rechtspersoonlijkheid bezit. Welke rechtsvorm zal de Raad uiteindelijk krijgen? Die van een stichting, van een naamloze vennootschap of wordt hij in een andere juridische vorm gegoten? Gaarne wenst de MAN-fractie hierover meer helderheid. Naar de mening van de fractie dient het duidelijk te zijn hoe de bestuursbevoegdheden zullen worden geregeld, onder andere op welke wijze dit orgaan in en buiten rechte vertegenwoordigd wordt, onder meer voor het verrichten van de in artikel 39 van het onderhavige voorstel van rijkswet bedoelde privaatrechtelijke handelingen.

Voor de MAN-fractie is het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van het onderhavige voorstel van rijkswet voorts frappant. Immers, op voet van genoemd artikellid wordt het protocol, zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, binnen vier weken na vaststelling openbaar gemaakt door plaatsing op de website van de Raad en door publicatie in een algemeen verkrijgbaar publicatieblad van elk van de landen. Met name de zinsnede«plaatsing op de website» is voor de MAN-fractie vanuit wetstechnisch oogpunt nogal curieus. Is het in de wetgevingspraktijk inmiddels gebruikelijk geworden dat formuleringen zoals deze in wetsteksten worden opgenomen? Gaarne wenst de MAN-fractie hierover een nadere uitleg.

Over het algemeen is de MAN-fractie van mening dat de Raad voor de Rechtshandhaving, zoals thans voorgesteld, in de praktijk zeer vergaande bevoegdheden zal krijgen. Ter illustratie verwijst de fractie naar artikel 27 van het voorliggende voorstel van rijkswet. Ingevolge het eerste lid is de Raad bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken met betrekking waartoe hij een inspectietaak heeft. Het vierde lid geeft aan dat de Raad bevoegd is met het oog op de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, van de bestuurder van een voertuig of van de schipper van een vaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem aangewezen plaats overbrengt.

Naar het oordeel van de MAN-fractie dient het gebruik van dat soort dwangmiddelen in de regel gepaard te gaan met voldoende waarborgen, controlemechanismen en «checks and balances» om misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen. Juist vanwege het feit dat de Raad voor de rechtshandhaving, zoals voorgesteld, zeer vergaande repressieve, handhavende bevoegdheden zal krijgen, los van de vraag of dat uberhaüpt nodig is, dient de grootst mogelijke zorgvuldigheid en behoedzaamheid in acht te worden genomen, meent de fractie. Overigens vraagt de fractie zich af of er in Nederland draagvlak zou bestaan voor een dergelijk orgaan met dergelijke vergaande bevoegdheden. De fractie heeft daarover haar twijfels.

De MAN-fractie plaatst verder een kritische noot bij het bepaalde in artikel 36, vijfde lid, van het onderhavige voorstel van rijkswet. Daarin staat dat het besluit tot vaststelling van het jaarplan en de begroting de goedkeuring van onze ministers behoeft. Hebben de volksvertegenwoordigende lichamen daarin geen enkele vorm van zeggenschap of invloed? Kan met de nodige voorzichtigheid worden gesteld dat deze wetsbepaling in zekere zin op gespannen voet staat met het parlementaire budgetrecht? Gaarne wenst de MAN-fractie de zienswijze hieromtrent te vernemen van de voor het onderhavige voorstel van rijkswet verantwoordelijke bewindslieden.

Opmerkelijk is voorts, aldus de MAN-fractie, het bepaalde in artikel 41. Daarin wordt gesteld dat de bevoegdheden van de Algemene Rekenkamers in de landen zich uitstrekken tot de Raad. In de tweede volzin wordt evenwel aangegeven dat over het toezicht op de Raad de Algemene Rekenkamers met elkaar in overleg treden. Waarom eigenlijk, wil de MAN-fractie weten, die zo haar vraagtekens plaatst bij de keuze om het toezicht te laten plaatsvinden pas nadat overleg heeft plaatsgevonden tussen de desbetreffende Algemene Rekenkamers. De fractie vindt het overleg, zoals hierboven bedoeld, volstrekt overbodig en meent dat de individuele Algemene Rekenkamers op grond van de hun bij wet toegekende bevoegdheden vrij moeten kunnen zijn om zelfstandig het doelmatigheids- en rechtmatigheidsonderzoek te doen. Er is absoluut geen reden om in dit specifieke geval af te wijken van de gangbare praktijk, merkt de fractie op.

De MAN-fractie kan zich verder geheel vinden in het advies van de Raad van Advies dd. 24 juni 2009, met kenmerk RvA no. RA/11A-09-RW. In navolging van de Raad van Advies vindt de fractie dat in het onderhavige voorstel van rijkswet de procedure voor beëindiging uitdrukkelijk moet worden opgenomen. De fractie verwijst daarbij naar pg. 4 e.v. van bedoeld advies en geeft in overweging het onderhavige voorstel en bijbehorende Memorie van Toelichting op dit punt aan te passen.

Het feit dat de rijkswet, zoals thans voorgesteld, niet van toepassing zal zijn voor het land Aruba, komt, aldus de MAN-fractie, voor als een hinken op twee gedachten of zelfs als een meten met twee maten. Deze incongruente houding van Nederland jegens de Caraïbische rijksdelen getuigt wederom van een grove minachting voor Curaçao en haar inwoners aangezien zij een totaal andere behandeling krijgen dan onze naaste buren, meent de fractie, die daartegen krachtig protest aantekent.

De MAN-fractie wijst er tenslotte op dat alle op- en aanmerkingen die door haar zijn gemaakt c.q. naar voren zijn gebracht gedurende de behandeling van het voorstel van rijkswet tot regeling van taken en bevoegdheden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curaçao, Aruba, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie) mutatis mutandis gelden voor het voorliggende voorstel. Gaarne wenst zij dat de aldaar gestelde op- en aanmerkingen beschouwd worden als onderdeel van hetgeen zij hier naar voren heeft gebracht.

Evenals de MAN-fractie verzoekt eveneens de Forsa Kòrsou-fractie om in het onderhavige geval ook rekening te houden met de door haar, bij de behandeling van het voorstel van rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie, naar voren gebrachte bezwaren, op- en aanmerkingen. Aanvullend wordt opgemerkt dat rijkswetten, zoals de onderhavige, die krachtens artikel 38, tweede lid, van het Statuut worden vastgesteld, voor het verdere bestaan afhankelijk zijn van voortdurende consensus. Indien er geen consensus meer blijkt te bestaan over de inhoud van die rijkswet zou het, aldus de fractie, in beginsel aan de landen gegeven moeten zijn zich te kunnen onttrekken aan de binding van de rijkswet, onverminderd eventuele contractuele, wettelijke of volkenrechtelijke aansprakelijkheid.

Voor de Forsa Kòrsou-fractie is dat aspect, waarvoor de Raad van Advies in haar eerdergenoemd advies dd. 24 juni 2009, met kenmerk RvA no. RA/11A-09-RW, ook de nodige aandacht heeft gevraagd, zeer principieel. De nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten worden reeds nu, voordat zij juridisch en feitelijk de status van land binnen het Koninkrijk der Nederlanden verkrijgen, gebonden aan een regeling, waaraan zij zich niet kunnen onttrekken; dit druist in tegen de autonomie-gedachte, vindt de fractie. Alleen al op die grond vindt de Forsa Kòrsou-fractie het onderhavige voorstel van rijkswet onaanvaard-baar.

Daar komt nog bij, aldus de fractie, dat het nut en de noodzaak van een apart orgaan, belast met algemene inspectie op organisaties die een rol vervullen in de justitiële keten, niet genoegzaam is aangetoond in de aangeleverde bescheiden. Rijzen de volgende vragen: wat is er dan precies misgegaan? Vanwaar de dringende behoefte aan instelling van een aparte Raad voor de Rechtshandhaving? Wie heeft daartoe het initiatief genomen? Waarom wordt in het onderhavige voorstel van rijkswet gesproken van «inspectie», terwijl in de Slotverklaring van 2 november 2006 de term «bewaken» wordt gebezigd? Is er een specifieke reden daarvoor? Bestaat er in Nederland een Raad voor de rechtshandhaving? Gaarne wenst de Forsa Kòrsou-fractie daarover nadere opheldering.

Ook wenst de Forsa Kòrsou-fractie een nadere toelichting met betrekking tot het bepaalde in artikel 3, eerste lid, onder c, van het onderhavige voorstel van rijkswet. De fractie vindt de formulering van deze bepaling heel ruim, in het bijzonder de zinsnede: «andere bij landsverordening of bij wet aangewezen organisaties». Wat moet in deze context worden verstaan onder «wet»? Een rijkswet? Wanneer wordt een organisatie bij landsverordening aangewezen en wanneer bij wet? Kan dit nader worden geëxpliciteerd?

De Forsa Kòrsou-fractie deelt verder de zorg die door de MAN-fractie is geuit ten aanzien van de bevoegdheden die de Raad voor de rechtshandhaving op grond van het onderhavige voorstel van rijkswet krijgt toebedeeld. Te vergaand, oordeelt de fractie, die in dit verband haar zorgen uit over het feit dat de landen een nieuwe rechtsfiguur willen introduceren zonder dat dit met voldoende waarborgen is omkleed. De fractie wenst in dit verband te vernemen of de Raad aan enig controleorgaan zal worden onderworpen. Anders gezegd: wie zal de controleur de facto controleren?

Voor de Forsa Kòrsou-fractie is het bepaalde in artikel 6 van het onderhavige voorstel van rijkswet eveneens een punt van zorg. Het vereiste dat de leden van de Raad bij koninklijk besluit worden benoemd, geschorst en ontslagen, betekent in de praktijk, aldus de fractie, dat indien een door Curaçao of Sint Maarten voorgedragen kandidaat niet, althans niet in voldoende mate, «in de smaak valt» bij Haagse bewindslieden, de desbetreffende kandidaat eenvoudigweg niet wordt benoemd. Dat is de harde werkelijkheid; dat heeft de praktijk van de afgelopen jaren telkens weer bewezen, meent de Forsa Kòrsou-fractie.

De fractie vraagt verder bijzondere aandacht voor het bepaalde in artikel 23 van het onderhavige voorstel van rijkswet. Krachtens het eerste lid van dit artikel is de Raad bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, terreinen en gebouwen te betreden van de in artikel 3, eerste lid genoemde organisaties. Het derde lid van evengenoemd artikel bepaalt dat de leden van de Raad, de door hen aangewezen medewerkers van het secretariaat en deskundigen, bij het betreden van een plaats als bedoeld in het eerste lid een legitimatiebewijs bij zich dragen, dat uitgegeven is door onze minister.

De Forsa Kòrsou-fractie vindt die bepaling te verstrekkend. Volgens de fractie is onder normale omstandigheden, bij het betreden van terreinen en gebouwen, een bijzondere schriftelijke last noodzakelijk. De wijze waarop de hierboven aangehaalde wetsbepaling is geformuleerd, doet het vermoeden rijzen dat een lid van de Raad of één van de overige in deze bepaling genoemde functionarissen slechts een legitimatiebewijs (een rijbewijs of zo) bij zich dienen te hebben. Klopt dat, wil de Forsa Kòrsou-fractie weten. Graag wenst zij hierover nadere opheldering.

Ook de formulering van artikel 24 van het onderhavige voorstel van rijkswet is naar het oordeel van de Forsa Kòrsou-fractie enigszins twijfelachtig. Daarin wordt namelijk bepaald dat de Raad bevoegd is inlichtingen te vorderen. Naar de mening van de fractie komt een korte en kernachtige formulering, zoals deze, zelden voor in wetsvoorstellen. Vragen die onvermijdelijk daarbij komen kijken zijn: Wat voor soort inlichtingen wil men vorderen? Van wie? Wanneer? Hoe? Gaarne wenst de fractie hierover meer helderheid.

Het bepaalde in artikel 32 van het onderhavige voorstel van rijkswet toont, aldus de Forsa Kòrsou-fractie, wederom aan, dat er kennelijk weinig vertrouwen is in onze eigen controlerende organen. Immers, genoemd artikel bepaalt dat indien onze betrokken minister stelselmatig geen gevolg geeft aan de aanbevelingen van de Raad, de Raad daarvan mededeling kan doen aan het vertegenwoordigend orgaan van het betrokken land en de raad van ministers van het Koninkrijk. Waarom moet de raad van ministers van het Koninkrijk in kennis worden gesteld van een vermeend handelen of nalaten van onze minister? Is het de bedoeling dat de raad van ministers van het Koninkrijk, na kennisname van het één en ander, vervolgens op de één of andere manier intervenieert? Gaarne wenst de Forsa Kòrsou-fractie hierover nadere opheldering.

Tot slot wenst de Forsa Kòrsou-fractie, net als de MAN-fractie, een antwoord op de vraag welke rechtsvorm uiteindelijk gekozen zal worden voor de Raad, mede gelet op het bepaalde in artikel 2, derde lid, van het onderhavige voorstel van rijkswet.

In tegenstelling tot de vorige fracties staat de PAR-fractie positief tegenover het onderhavige voorstel van rijkswet. De fractie is over het algemeen van mening dat een inspectieorgaan voor de justitiële keten, waarin Curaçao, Sint Maarten en Nederland participeren, zal bijdragen aan een substantiële en structurele verbetering van de rechtshandhaving op de eilanden.

Voor de PAR-fractie is het echter wel van belang dat bij de behandeling van het onderhavige voorstel van rijkswet in de Staten-Generaal scherp voor ogen wordt gehouden het verschil tussen het recht van amendement, dat op voet van de grondwet aan het Nederlandse parlement toekomt, en het zelfbeschikkingsrecht van de Antilliaanse eilanden, dat onder meer voortvloeit uit de resoluties 1514 en 2625 van de Verenigde Naties. Het recht van amendement is ondergeschikt aan de VN-resoluties die handelen over het zelfbeschikkingsrecht van volkeren, zoals die van de eilanden van de Nederlandse Antillen, zo meent de fractie. Bij de parlementaire behandeling van het onderhavige voorstel van rijkswet in Nederland kan en mag niet worden afgeweken van dat basisbeginsel, benadrukt de PAR-fractie.

De fractie verzoekt verder bijzondere aandacht voor het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van het onderhavige voorstel van rijkswet. Ingevolge dit artikellid worden de leden van de Raad benoemd op grond van de deskundigheid die nodig is voor de uitoefening van de taken van de Raad. De PAR-fractie vindt deze formulering vaag en voor meerdere interpretaties vatbaar. Welke specifieke deskundigheid vereist is, wordt jammer genoeg niet toegelicht, meent de fractie, die behoefte heeft aan een nadere uitleg dienaangaande.

Ten aanzien van het bepaalde in artikel 10, waarin een limitatieve opsomming wordt gegeven van de gronden voor ontslag van de Raadsleden, vraagt de fractie of er ook specifieke omstandigheden kunnen ontstaan, al dan niet als gevolg van een handelen of nalaten van een lid, die zijn verder functioneren als lid van de Raad kunnen belemmeren c.q. onmogelijk maken. Zo ja, kunnen deze ook worden omschreven in genoemde bepaling?

Ingevolge artikel 18, tweede lid, van het onderhavige voorstel van rijkswet, maakt de Raad voor de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba gebruik van terzake deskundige Nederlandse inspectiediensten. De PAR-fractie wil weten of en in hoeverre er op deze eilanden reeds Nederlandse inspectiediensten actief zijn.

Artikel 19 van het voorliggende voorstel van rijkswet bepaalt dat de Raad een inspectie van tevoren aankondigt bij de betrokken dienst of instelling, tenzij in het belang van het onderzoek een onaangekondigde inspectie wenselijk is. Gaarne wenst de PAR-fractie te vernemen welke criteria daarbij zullen worden gehanteerd. Wanneer is iets in het belang van het onderzoek? Om alle schijn van subjectiviteit te vermijden, dienen die criteria helder te zijn en vooraf te zijn vastgesteld, vindt de fractie.

Wat betreft het bepaalde in artikel 36, zesde lid, acht de PAR-fractie het wenselijk dat daarin specifiek wordt opgenomen dat het jaarplan aan de vertegenwoordigende organen ter goedkeuring zal worden aangeboden. In de huidige formulering valt, aldus de PAR-fractie, niet precies op te maken met wat voor doel het jaarplan aan het parlement wordt aangeboden; de formulering dient derhalve op dat punt te worden aangescherpt.

Het onafhankelijke lid Nicolaas sluit zich geheel aan bij de opmerkingen die door de fracties van de MAN en Forsa Kòrsou zijn gemaakt ten aanzien van het onderhavige voorstel van rijkswet. Evenals genoemde fracties is dit lid de mening toegedaan dat dit voorstel van rijkswet een ernstige inbreuk betekent op de autonomie van met name Curaçao en Sint Maarten. Niet alleen de wijze van totstandkoming van het onderhavige voorstel roept de nodige vragen op, aldus het onafhankelijke lid, maar ook het feit dat uit kracht van dit voorstel een geheel nieuw inspectielichaam in het leven wordt geroepen met zeer vergaande bevoegdheden zonder dat de democratisch gelegitimeerde organen van de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten daarop deugdelijke controle kunnen uitoefenen.

In het verlengde daarvan plaatst dit lid serieuze vraagtekens bij de noodzaak om een Raad voor de Rechtshandhaving in te stellen en wenst hij in dit verband te vernemen of een dergelijk orgaan in Nederland operationeel is en of het zijn bestaanrecht heeft bewezen.

Het onafhankelijke lid betreurt het voorts ten zeerste dat het advies van de Raad van Advies dd. 24 juni 2009, met kenmerk RvA no. RA/11A-09-RW, met name de aanbeveling betreffende het opzegrecht, niet is overgenomen. Spijtig, aldus dit lid, aangezien de Raad van Advies serieus in overweging heeft gegeven om dit punt, dat van wezenlijk belang is, over te nemen.

Het onafhankelijke lid Nicolaas geeft tot slot te kennen dat dit voorstel niet op zijn instemming kan rekenen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van de Centrale Commissie van de 22ste september 2009.

De Rapporteur,

P. J. Atacho

Naar boven