31 966
Regeling voor niet-indexering van kinderbijslagbedragen per 1 juli 2009

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 16 juni 2009

1. Inhoud van het wetsvoorstel

Met belangstelling heeft de regering kennisgenomen van de bijdragen van de verschillende fracties aan het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel. Deze fracties geven aan nog een aantal opmerkingen en vragen bij dit wetsvoorstel te hebben. Deze worden hieronder beantwoord.

De leden van de VVD-fractie stellen dat de bezuiniging van het niet-indexeren van de kinderbijslag per juli 2009 slechts marginaal bijdraagt aan een oplossing van de macro-problematiek, en zij vragen of de regering kan zeggen dat er in 2010 wel geïndexeerd zal worden.

Het is juist dat het niet-indexeren van de kinderbijslag slechts een beperkte bijdrage levert aan de oplossing van de problematiek. Om die reden stelt de regering een verdergaand pakket aan maatregelen voor. Hierop wordt nader ingegaan in antwoord op de vraag van de ChristenUnie-fractie.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen een nadere toelichting op de oorzaak van de overschrijdingen bij het kindgebonden budget.

De overschrijdingen worden veroorzaakt doordat de uitbetaling afwijkt van de ramingen. De ramingen zijn gebaseerd op basis van een hogere inkomensverdeling dan de inkomens op basis waarvan de Belastingdienst het kindgebonden budget uitbetaalt. De Belastingdienst bevoorschot op basis van de bij hen bekende meest recente inkomens. De raming is gebaseerd op een inkomensprognose van het CPB. Het verschil verklaart de overschrijding.

De leden van deze fractie merken verder terecht op dat de voorliggende regeling deel uitmaakt van een «set van maatregelen», gevat in een wetsvoorstel «aanpassing van bedragen kinderbijslag en kindgebondenbudget» dat binnenkort bij de Tweede Kamer zal worden ingediend. De leden vragen in hoeverre het nu reeds mogelijk is om een oordeel te geven over de effecten van de voorliggende regeling op het budget en op de koopkracht, gezien de sterke samenhang met de nog volgende maatregelen.

De regering verwacht dat het hiervoor bedoelde wetsvoorstel binnenkort wordt ingediend. In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de kinderbijslag ook in 2010 en 2011 niet te indexeren. Hetzelfde geldt voor het kindgebonden budget. Daarnaast wordt de inkomensgrens voor het kindgebonden budget verlaagd, het afbouwpercentage verhoogd en de verhoging voor kinderen van 12–18 jaar verminderd. In de memorie van toelichting van dit wetsvoorstel zal de regering nader ingaan op de budgettaire gevolgen en de effecten op de koopkracht van het totale pakket aan maatregelen.

2. Budgettaire gevolgen

De leden van de fractie van de SP vragen waarom er niet voor is gekozen om de kinderbijslag samen te voegen met het kindgebonden budget en daarmee ook de kinderbijslag inkomensafhankelijk te maken. De leden van deze fractie menen dat het op die manier ook mogelijk zou zijn om de effecten van de voorgestelde bezuinigingen op de kinderbijslag naar draagkracht te verdelen.

De regering wil graag uiteenzetten waarom de kinderbijslag niet afhankelijk van het inkomen is. De samenleving als geheel heeft een collectief belang bij de opvoeding van kinderen. Het doel van de kinderbijslag is daarom het verkleinen van inkomensverschillen tussen huishoudens met en huishoudens zonder kinderen. Op deze manier wordt geregeld dat de kosten verbonden aan de opvoeding van kinderen niet uitsluitend voor rekening komen van ouders van kinderen. Het relateren van kinderbijslag aan inkomen past niet in deze doelstelling. De doelstelling van het kindgebonden budget is daarentegen gericht op de inkomensondersteuning van gezinnen met lage en midden inkomens en daarom per definitie wel inkomensafhankelijk.

De leden van de SP-fractie vragen verder waarom de opbrengst van de bezuinigingen loopt tot en met 2014.

Dit wetsvoorstel regelt alleen het niet-indexeren van de kinderbijslag per juli aanstaande. De gevolgen hiervan lopen ook door in de volgende jaren. De tabel geeft alleen de opbrengsten aan tot en met 2014.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen in hoeverre de onzekerheidsfactor over de toekomstige consumentenprijsindex van invloed is op de getoonde opbrengsten van niet-indexatie, en vragen of de getoonde opbrengsten in tabel 2 een autonoom gevolg zijn van het niet indexeren in 2009.

De tabel geeft alleen de gevolgen weer van het eenmalig niet indexeren in 2009 en is gebaseerd op een raming van de consumentenprijsindex van 0,5%. Hierin zijn toekomstige consumentenprijsindexen niet verdisconteerd.

3. Koopkrachteffecten

De leden van de fracties van PvdA, SP en VVD vragen naar de koopkrachteffecten voor verschillende huishoudtypen.

Het is belangrijk om op te merken dat het «koopkrachteffect» van de maatregel niet de aangehaalde 0,5% is. Die 0,5% is het percentage waarmee de kinderbijslag normaliter geïndexeerd zou worden (deze is gebaseerd op de consumentenprijsindex). De inkomenseffecten van deze maatregel zijn veel kleiner. Het gaat om een bedrag per kind op jaarbasis van€ 3,96 tot € 5,68 (afhankelijk van de leeftijd van het kind). Voor een gezin (of een alleenstaande ouder) met twee kinderen op het sociaal minimum (bijstand niveau) is dit een negatief inkomenseffect van 0,06%. Naarmate het inkomen van het huishouden hoger wordt, wordt het inkomenseffect (in procenten) kleiner. Voor een modaal inkomen gaat het om 0,04% en voor 2x modaal om 0,02%.

Deze inkomenseffecten zijn (op transactiebasis) berekend op basis van het besteedbare huishoudinkomen (zoals gebruikelijk bij inkomenseffecten en koopkrachtcijfers). Bij het opstellen van de koopkrachtplaatjes voor 2009 en 2010 wordt het effect van niet-indexeren per 1 juli 2009 meegenomen in het totale koopkrachtbeeld. Het inkomenseffect «slaat voor de helft neer» in 2009 en voor de andere helft in 2010. In augustus zal het kabinet het gehele inkomensbeeld in beeld brengen en bezien of het beeld bijsturing behoeft. Hierover wordt u zoals gebruikelijk op Prinsjesdag geïnformeerd.

De leden van de SP-fractie vragen daarnaast waarom in dit wetsvoorstel wordt gekozen voor het niet indexeren van de kinderbijslag omdat daarmee juist laagste en midden inkomens worden getroffen.

Het onderhavige wetsvoorstel heeft betrekking op de tweede helft van 2009. Door te kiezen voor het instrument van niet indexeren worden de inkomenseffecten zoveel mogelijk beperkt gehouden. De kinderbijslag wordt halfjaarlijks geïndexeerd. Aan het begin van ieder kalenderjaar worden de bedragen van het kindgebonden budget jaarlijks aangepast. Het niet-indexeren van bedragen per 1 juli 2009 is daarom alleen mogelijk voor de kinderbijslag.

4. Uitvoeringslasten

De leden van zowel de CDA-fractie als de VVD-fractie vragen op welke manier ouders van deze maatregel op de hoogte worden gesteld.

Dit gebeurt doordat de actuele bedragen kinderbijslag door de SVB gepubliceerd worden op de website van de SVB.

De leden van de VVD-fractie vragen voorts welke kosten het aanpassen van de communicatieproducten van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) met zich meebrengt.

In de voorlichtingsbrochure over kinderbijslag wordt door de SVB verwezen naar de plaats waar de actuele bedragen kinderbijslag op de website worden gepubliceerd. Op deze manier zijn er geen extra kosten en is de actualiteit van de informatie gewaarborgd.

5. Inwerkingtreding

Indien het niet lukt de wet voor 1 juli 2009 in werking te laten treden, betekent dit dan dat gezinnen kinderbijslag moeten terugbetalen vanwege de inwerkingtreding met terugwerkende kracht, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Ook als het wetsvoorstel eventueel na 1 juli in het Staatsblad wordt gepubliceerd, werkt het terug tot 1 juli. Vanaf dat moment gelden dan de niet geïndexeerde bedragen. De kinderbijslag wordt na afloop van het derde kwartaal uitbetaald. Indien het wetsvoorstel is aangenomen voor de voorbereiding van de uitbetaling van het derde kwartaal (rond 20 september), zal dus niet het effect optreden, dat te veel kinderbijslag is uitbetaald die vervolgens moet worden terugbetaald. Het is echter wel essentieel dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid is over het indexeren per 1 juli, zowel voor de ouders als voor de uitvoering. Het is daarom belangrijk dat de eventuele terugwerkende kracht zo kort mogelijk is en daarom dat dit wetsvoorstel spoedig behandeld wordt.

De minister voor Jeugd en Gezin,

A. Rouvoet

Naar boven