31 924 VI
Jaarverslag en slotwet Ministerie van Justitie 2008

nr. 9
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG

Voorgesteld 17 juni 2009

De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 15 juni 2009 overleg gevoerd met minister Hirsch Ballin van Justitie en staatssecretaris Albayrak van Justitie over de Jaarverslagen Justitie 2008.

Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Nava

Stenografisch verslag van een wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Justitie

Maandag 15 juni 2009

14.00 uur

De voorzitter: De Pater-van der Meer

Aanwezig zijn 5 leden der Kamer, te weten:

Joldersma, Gerkens, De Krom, Heerts en De Pater-van der Meer,

en de heer Hirsch Ballin, minister van Justitie, en mevrouw Albayrak, staatssecretaris van Justitie.

Aan de orde is de behandeling van:

de brief van de minister van Justitie d.d. 20 mei 2009 houdende het Jaarverslag van het ministerie van Justitie 2008 (31924-VI, nr. 1);

de brief van de minister van Justitie d.d. 4 juni 2009 houdende antwoorden op vragen over het jaarverslag 2008 (31924-VI, nr. 7);

het rapport/de brief van de president van de Algemene Rekenkamer d.d. 20 mei 2009 houdende het rapport bij het Jaarverslag van het ministerie van Justitie 2008 (31924-VI, nr. 2);

de brief van de minister van Justitie d.d. 5 juni 2009 houdende antwoorden op vragen over het rapport bij het jaarverslag 2008 (31924-VI, nr. 5);

de Slotwet van het ministerie van Justitie 2008 (31924-VI, nr. 3);

de brief van de minister van Justitie d.d. 5 juni 2009 houdende antwoorden op vragen m.b.t. de Slotwet (31924-VI, nr. 6).

De voorzitter:

Welkom bij de vaste commissie voor Justitie op deze maandagmiddag. Wij voeren vandaag een wetgevingsoverleg over de financiële verantwoording over het jaar 2008 van het ministerie van Justitie. De heer Teeven van de VVD-fractie laat zich verontschuldigen vanwege privé-omstandigheden. Op dit moment zijn drie leden van de Kamer aanwezig. Of dat er nog meer worden, durf ik niet met stelligheid te zeggen. Dat zien we vanzelf.

De heerHeerts(PvdA)

Voorzitter. Wij behandelen vandaag het jaarverslag en de Slotwet van het ministerie van Justitie. Het is nogal een pak papier. We krijgen ook nog het oordeel van de Algemene Rekenkamer daarover. Laat ik meteen maar zeggen dat ik ervan uitga, dat het hele gedoe met de externe inhuur en de 100 mln. die al dan niet zoek was, in goede banen wordt geleid en wij volgend jaar niet een soortgelijke problematiek aan de orde hebben. Er loopt een bezwaaronderzoek van de Algemene Rekenkamer en ik ga ervan uit dat wij daarover volgend jaar meer duidelijkheid krijgen.

Een groot aantal beleidsdoelstellingen van het ministerie van Justitie kan niet zonder Justitie maar ook niet alleen met Justitie gehaald worden, omdat andere ministeries daar ook nauw bij betrokken zijn. Dat komt de overzichtelijkheid niet altijd ten goede, zeker als je alleen naar de pijler Justitie kijkt. Ik wil de minister vragen hoe het ermee staat dat die beleidsdoelstellingen toch van een duidelijk doel worden voorzien en hoe wij daarmee in de toekomst moeten omgaan. De minister heeft bij de behandeling van het vorige jaarverslag aangegeven de beleidsdoelstellingen graag de zijne te maken, inclusief de voorwaardelijkheid ervan. Dat is weer een ontbindende clausule en dat hebben we natuurlijk niet graag. Wij willen heldere taal. Worden bij de cijfers over 2009 beleidsconclusies explicieter opgenomen? Dat zou de overzichtelijkheid van het jaarverslag over 2009 ten goede komen. Dat betekent, dat wij deze doelstellingen bij de jaarcijfers over 2008 op een aantal punten nog niet gehaald hebben. Zoals ik al zei, kan Justitie het niet alleen. Voor een deel zijn aanpalende ministeries als dat van BZK, SZW en VWS en Jeugd en Gezin daarbij betrokken, maar ik hoop dat dit inderdaad volgend jaar beter zal gaan.

Hetzelfde geldt een beetje algemener voor het hele cijfergedoe – laat ik het maar noemen zoals ik het voel – over statistieken, waarbij 2002 als vertrekpunt is genomen. De Kamer heeft het nodige gezegd bij haar vragen daarover. Hoe moeten wij dat nu duiden? Komt er een eindspurt tot 2011 of moeten we ervoor vrezen dat de reductie van 25% bij bijvoorbeeld geweldscriminaliteit toch niet wordt gehaald? Wanneer spreken wij daar dan over? Je kunt wel een bepaald percentage heilig verklaren, maar daar moeten we dan ook wel aan voldoen. Als tussentijds allerlei dingen ten opzichte van de start van het kabinet veranderen – wat op zichzelf natuurlijk logisch is – heeft dat wel gevolgen voor Justitie. Zo zou ik graag over de instroom bij de rechtbank, bijvoorbeeld bij faillissementen en ontslagaanvragen, een signaal krijgen dat de reductietermen niet gehaald worden.

Een andere algemene vraag is of de bewindslieden van mening zijn dat het allemaal goed gaat. Hebben de beide bewindslieden het gevoel dat men met de beleidsdoelstellingen die bij de start van het kabinet waren beoogd op schema ligt? Ik wil weten of zij daar meer dan een goed gevoel bij hebben. In de stukken staat dat het algehele veiligheidsgevoel toeneemt. Uit werkbezoeken in het land blijkt dat niet. Ik zou het zo willen kwalificeren dat wij er geweldig goed op moeten letten dat de Haagse veiligheid in overeenstemming is met de veiligheid zoals mensen die beleven. Je zult maar weer het zoveelste incident via de krant, de tv of de radio horen over publieke dienstverleners die in elkaar geslagen worden of over pogingen daartoe en zelfs over burgers die elkaar onderling te lijf gaan. Het moet niet zo zijn dat wij menen op basis van cijfers te kunnen constateren dat het veiligheidsgevoel in zijn algemeenheid toeneemt, terwijl dat in de praktijk niet zo is, los van het feit dat wij natuurlijk afrekenbare doelen moeten hebben. Ik heb de laatste tijd gewoon bij mensen in de straat gehoord hoe zij dat beleven en niet alleen naar aanleiding van de wat bijgestelde verkiezingsverwachtingen van mijn partij. Laat ik vriendelijk zeggen wat ik hoorde: ik word hier werkloos, de Pool jat mijn baan, een ander jat mijn fiets en u doet helemaal niets! Dat gevoel moet ik wel kunnen weerleggen en dan moet ik erop kunnen vertrouwen dat het kabinet dat net zo beleeft. Nogmaals, geen Haagse werkelijkheid over veiligheid maar gewoon de veiligheid van mensen.

In dat kader kom ik op de systematiek van Veiligheidshuizen. Dat zal de beide bewindslieden niet verbazen. Op zichzelf is het een goede ontwikkeling. Ik las in de stukken dat er een onderzoek is naar de systematiek van Veiligheidshuizen maar dat het uitbrengen van het onderzoeksrapport wordt uitgesteld omdat met een aantal mensen niet gesproken kan worden. Ik vind het erg merkwaardig dat zo'n belangrijk onderzoek als het ware naar de achtergrond wordt geschoven, ook door de bewindslieden, omdat mensen geen tijd hebben. Op pagina 33 van het rijksjaarverslag staat: een evaluatieonderzoek naar de Veiligheidshuizen nieuwe stijl is uitgesteld vanwege vertraging bij interviews. Beste bewindslieden, dan hoort u maar anderen, maar ik dring erop aan dat die mensen wel gehoord worden en dat wij in de zomer van 2009, zoals beloofd, de resultaten krijgen van het onderzoek naar de systematiek van Veiligheidshuizen. Dat zeg ik te meer omdat er begrotingstechnisch wel het een en ander gebeurt op de begroting van Justitie als de systematiek van Veiligheidshuizen een groot succes wordt. Een groot deel van de revenuen van een goede systematiek van Veiligheidshuizen is natuurlijk dat er bij Justitie bepaalde kosten niet uitgaan en dat er nog veel meer kosten bij Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de gemeenten, bij VWS en wellicht bij Jeugd en Gezin niet uitgaan. Ik vraag daar nu vast aandacht voor, omdat mijn fractie heel hard wil doorgaan met de ontwikkeling van de Veiligheidshuizen en met de preventieve aanpak in dit kader.

Dan kom ik bij de zogenoemde OM-afdoening of bestuurlijke afdoening. In het antwoord op schriftelijke vragen van collega's hebben wij gelezen dat nog niet bekend is wat de effectiviteit van de strafbeschikkingen is. Achterin het jaarverslag staan een paar heel overzichtelijke kolommetjes: strafrechtketen, Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften en bestuurlijke boete. Daaruit blijkt hoe het systeem werkt. Mijn fractie hecht eraan dat wij wat dat betreft een goed overzicht hebben. Niet elke bestuurlijke boete is immers even effectief. Verschillende organen, ook gemeenten, kunnen zelf buitengewone opsporingsambtenaren aanstellen en daarmee aan de slag gaan. Wij willen in ieder geval goed zicht hebben op de bestuurlijke afdoening, op de OM-afdoening en de politiestrafbeschikking. Dat is allemaal in ontwikkeling, maar hier geldt zeker: meten is weten. Dat moeten wij goed in de gaten houden.

Dan het hele verhaal van pluk-ze. In 2008 waren er maar liefst twee keer meer inkomsten dan begroot. Dat is een groot succes, maar het bedrag valt relatief mee. Er wordt al heel lang gesproken over het tijdig leggen van conservatoir beslag. In Europees verband hebben wij recentelijk een initiatief van de minister van Justitie gezien. Ik weet overigens niet in welk wetgevingstraject dat zit. Misschien kan de minister daar iets over zeggen. Dat moet eigenlijk duizend keer beter. Mijn ideaal is dat de begroting van Justitie binnen afzienbare tijd wordt gedekt door aan criminelen ontnomen vermogen. Op zichzelf zijn die bedragen niet zo schokkend. Er gaat rond 18 mld. in om. Dat moet toch binnen handbereik liggen. Mensen die onterecht centen hebben verdiend aan criminele activiteiten, moeten ook weten dat de winstgevendheid er zo snel mogelijk van afgaat. Dan heb ik het niet over de tijd die zij in de bak moeten doorbrengen.

Er zijn enkele kritische kanttekeningen te plaatsen bij de beleidsportefeuille van onze staatssecretaris, maar in weerwil van alles is de PvdA-fractie buitengewoon trots op haar. Zij voert dit beleid voortvarend uit. Natuurlijk zijn bepaalde bijstellingen soms noodzakelijk, maar mijn fractie ziet niet het beeld van tentenkampen voor zich. Daar willen wij ook niet naar terug. Natuurlijk moet er nog veel gebeuren, maar wij beschouwen dat als "work in progress". Het gaat allemaal de goede kant op. Kortom, wat mijn fractie betreft mogen deze bewindslieden blijven zitten.

De heerDe Krom(VVD)

Wat gaat precies de goede kant op?

De heerHeerts(PvdA)

De beleidsdoelstellingen die het kabinet heeft geformuleerd gaan de goede kant op. Er zijn incidenten. Het beleid behoeft hier en daar enige bijstelling, maar wij zijn trots op onze staatssecretaris. Zij pakt dat voortvarend op. Met enige regelmaat lees ik dat u daar anders over denkt, maar dat ben ik gewend.

Voorzitter. Ik was bij mijn eindoordeel. Natuurlijk mogen de bewindslieden blijven zitten. Ik heb een aantal kritische noten geplaatst. Ik heb wat dingen eruit gepakt en krijg ik graag een afdoende antwoord op. Ik zou zeggen: een tandje erbij in het komende jaar en dan zijn wij een heel eind op de goede weg.

MevrouwGerkens(SP)

Voorzitter. De heer Heerts wilde er niet al te veel woorden aan wijden, maar ik wil toch iets meer zeggen over de gang van zaken rond de inhuur van externen. Dat blijft onze fractie ook bij het ministerie van Justitie een doorn in het oog. Jaar op jaar huurt het ministerie voor tientallen miljoenen extra aan externen in. Het is ieder jaar weer een kunst voor de Rekenkamer om de werkelijke kosten voor externen zichtbaar te maken. Het lijkt ondertussen op een kat-en-muisboekhouding, waarbij het ministerie er steeds meer in slaagt onduidelijkheid te scheppen. Er wordt geschoven met kostenposten, de uitgaven zijn gestegen en de verantwoording ontbreekt. Dat moet volgend jaar echt anders. Wij willen op dit punt graag een toezegging van de minister hebben.

Nog steeds is er als gevolg van de voornamelijk kwantitatieve verantwoording in het jaarverslag geen oordeel te vormen over de effectiviteit van het gevoerde vreemdelingenbeleid. Voldoende kwalitatieve informatie ontbreekt, evenals de voorgaande jaren. Wij zien hoeveel geld er in de vreemdelingenketen omgaat, maar wij kunnen niet zien of die gelden ook doelmatig worden besteed. Het laatste lijkt mij van het grootste belang. De Rekenkamer verwijst hoopvol naar de verbetermaatregelen die getroffen zijn, maar het zal nog moeten blijken of die effect hebben. Er is veel tijd en geld gemoeid met de terugkeer van vreemdelingen en de daarmee samenhangende vreemdelingenbewaring. Een zorgvuldiger terugkeerbeleid zal ook moeten leiden tot een korter verblijf in de vreemdelingenbewaarverblijven. Wij hebben behoefte aan informatie over hoeveel vreemdelingen voor een tweede of derde keer in bewaring worden genomen om uitgezet te worden. Van de vreemdelingen die in 2008 uit de detentielocatie zijn gestroomd, verbleven er ongeveer 140 langer dan één jaar in vreemdelingenbewaring. Onlangs heeft de commissie voor Justitie een aanbeveling gedaan voor een verbetering van de rapportage over de vreemdelingenketen, zodat wij in het vervolg hopelijk over cijfers zullen beschikken die ook een kwalitatieve beoordeling mogelijk maken.

Ten aanzien van de rechtsstaat het volgende. In de Voorjaarsnota is extra geld vrijgemaakt voor de hoge instroom van zaken bij de gerechten voor de gesubsidieerde rechtsbijstand. Hoi, hoi, zou ik zeggen. De vraag blijft echter waarom in het jaarverslag niet al rekening is gehouden met die duidelijk zichtbaar vergrote instroom van rechtszaken in de laatste maanden. Waarom presenteert het kabinet ons dan, ik zou zeggen, bewust achterhaalde informatie?

Over de kwaliteit van de informatie over criminaliteit in de jaarverslagen valt ook veel te zeggen. Een van de belangrijke vragen voor Justitie zou moeten zijn, hoe het is gesteld met de criminaliteitsbestrijding en de veiligheid in Nederland en welke effecten de diverse maatregelen in het beleid van de afgelopen jaren hebben gehad op de criminaliteitscijfers en de veiligheid. Voor die informatie moeten we echter niet in het jaarverslag zijn; daarvoor kunnen we beter kijken in de Veiligheidsmonitor, in de voortgangsrapportage van het veiligheidsprogramma Veiligheid begint bij Voorkomen. Volgens mij is dat niet de bedoeling: juist in het jaarverslag zou verantwoording moeten worden afgelegd voor het beleid. Voor de SP-fractie blijft dit punt van kritiek overeind.

Inhoudelijk het volgende. Het is bekend dat onze fractie het veiligheidsprogramma van het kabinet op hoofdlijnen steunt. De analyse is niet onjuist en de prioriteiten zijn niet verkeerd. Maar dat alles is wel papier en we moeten ervoor oppassen dat we blijven hangen in een papieren werkelijkheid. Iedere vraag aan dit kabinet wordt op dit moment beantwoord met een verwijzing naar maatregelen die net in werking zijn, of nog in de planning zitten. Maar het gaat erom dat we echt aan de mensen in de wijken kunnen laten zien wat er gebeurt. Het is bekend dat zaken als overlast en verloedering van buurten tot de grootste ergernissen van mensen behoren. Veel van de maatregelen die nu worden getroffen, zullen pas op de langere termijn effecten hebben. Ik vraag de minister hoe we ervoor gaan zorgen dat mensen ook op korte termijn gaan merken dat er rust komt in de buurten waar het onrustig is. Minister Van der Laan toonde zich vorige week in het vragenuur daadkrachtig op dit punt. Hij zei dat hij, als er bijvoorbeeld iets aan de hand is in Gouda, hij daar direct naartoe zou gaan om te kijken wat er speelt. Ik neem aan dat hij ook namens de minister en staatssecretaris van Justitie heeft gesproken. Ik ben benieuwd of er plannen bestaan om ook op korte termijn te zorgen voor rust in de wijken waar het niet goed gaat, waar mensen bang zijn om de straat op te gaan en waar sprake is van intimidatie, bedreiging en beroving. Ik wil mij wel aansluiten bij wat collega Heerts net zei: ook al presenteren wij cijfers die laten zien dat het veiliger wordt, in de ervaring van mensen kan dat nog niet het geval zijn, dus moeten wij op dit punt extra inspanningen leveren. Ik hoor graag van de minister welke ideeën hij heeft.

De minister heeft in het vragenuur op 12 mei 2009 aan mijn collega Roemer toegezegd om casussen van enkele jongeren die voor onrust zorgen in de Diamantbuurt, aan de Kamer toe te sturen. Wij hebben een bericht van uitstel ontvangen, maar ik zou graag weten wanneer dit dan wel naar de Kamer komt. Dit lijkt me bij uitstek een goede benadering om op detailniveau te bezien waar het in het traject niet goed gaat: zit het probleem in de hulpverlening, wordt er niet goed gestraft, ontbreekt het aan nazorg? Wij moeten hiermee aan de slag, dus ik ben erg benieuwd wanneer de Kamer die casussen kan bekijken.

Tot slot de fraude. Over de financieel-economische criminaliteit komt de Kamer op korte termijn met de minister te spreken, maar hiervoor geldt in grote lijnen hetzelfde als wat ik eerder zei: hoe weten we wat het kabinetsbeleid oplevert, en of het iets oplevert? Hoe gaat het met de fraudebestrijding, worden er al meer zaken opgelost, is er meer zicht op het probleem, wanneer krijgen we de brief waarin straat hoeveel meer capaciteit er komt bij het OM en bij de rechterlijke macht?

MevrouwJoldersma(CDA)

Voorzitter. Ik zat nog even door te denken over de opmerking van de heer Heerts over de pluk-ze-gelden en de relatie met de begroting voor Justitie. Ook wij zijn erg voor de vergroting van de pluk-ze-gelden, maar niet voor een afhankelijkheid van de begroting voor Justitie van het geld van criminelen; dat laatste lijkt me een wat ongewenste belangenverstrengeling, maar dat zal hij waarschijnlijk niet hebben bedoeld.

Ik wil eerst iets algemeens opmerken over alle stukken. Het valt ons op dat de verschillen tussen het jaarverslag en de begroting constant voortkomen uit een afwijkende instroom. Je kunt veel over Justitie zeggen en ik geloof best dat er grote verschillen zijn en dat je niet alles kunt voorspellen, maar ik vind het wel opvallend dat we zowel bij de IND, als bij de toevoegingen, als bij de Raad voor de rechtspraak, als rond het gevangeniswezen, als rond de forensische zorg, als rond de jeugdinrichtingen constant verschillen zien. Dan ga je toch wel twijfelen aan de capaciteit van Justitie om goede prognoses te stellen. Ik hoop dat het kabinet mij hierover wat helderheid kan verschaffen. Politiek is onzeker, de instroom kun je niet altijd voorspellen, maar op zijn minst kun je de marges aangeven van de verschillen tussen de ramingen. Het moet toch mogelijk zijn om daar beter op te anticiperen. Het valt mij op dat het moeilijk is om het onderscheid te maken wanneer er sprake is van een autonome ontwikkeling waardoor de instroom stijgt en wanneer er sprake is van een beleidsdoorwerking. Soms krijg ik de indruk dat men daar naartoe redeneert. Wanneer het gaat over asiel hebben wij het graag over instroom die wordt veroorzaakt door autonome ontwikkelingen. Wanneer het gaat over criminaliteitsreductie en een mindere instroom zeggen wij daarentegen dat dit te danken is aan het gevoerde beleid.

Het aantal veelplegers neemt af. Dat is erg mooi, maar dat werkt door op verschillende posten in de begroting van Justitie. Hoe kunnen wij inzicht krijgen in dat soort doorwerkingen van beleid en autonome ontwikkelingen? Het moet toch mogelijk zijn om die prognoses iets beter te maken dan wij nu doen. Ik heb sterk de indruk dat wij eigenlijk achter de feiten aan lopen, zoals bleek bij de discussie over de capaciteit van het gevangeniswezen.

Het gaat over autonome ontwikkelingen en het gaat over de beleidsdoorwerking. Maar het gaat ook over het punt dat de heer Heerts aansneed, de afhankelijkheid van derden. Ook al heb je daarop geen grip, dan nog is het mogelijk om aan te geven op welke wijze wij daarvan afhankelijk zijn. Vorige week spraken wij met de staatssecretaris van VWS over de nazorg van ex-gedetineerden. Dat doen wij hier op precies dezelfde manier. Toch heb je het gevoel dat hier twee zaken langs elkaar heen lopen en nergens bij elkaar komen. Is het mogelijk om aan te geven hoe wij dat op de een of andere manier beter op elkaar kunnen afstemmen? Ik geef een voorbeeld uit de begrotingsstukken. Het ministerie van Binnenlandse Zaken vermeldt een streefcijfer om het aantal aan te leveren verdachten te reduceren. Justitie heeft meen ik de afspraak gemaakt om dat aantal weer te laten toenemen. Bij de Stedelijke Kompassen bij VWS gaat het over verplegers, over forensische zorg, over ex-gedetineerden. Er lopen veel zaken parallel, maar het is de vraag hoe die bij elkaar komen. Ik zou graag van de bewindslieden vernemen welke mogelijkheden zij zien om ons, via de begroting of op welke andere wijze dan ook, inzicht te geven in de doorwerking van beleid. Wanneer is er echt sprake van autonome ontwikkelingen waaraan wij niets kunnen doen? Hoe kunnen wij de zaken die in verschillende begrotingen lopen bij elkaar krijgen?

Het thema van de overlast en verloedering is al op Verantwoordingsdag aan de orde gekomen. De heer Van Geel heeft daarover met anderen een motie ingediend. Daar moet echt een tandje bij. Er moet een versnelling komen hoe wij die doelstelling willen bereiken. Ik hoor daarbij graag waar de regering op wil inzetten. Niet alleen richting gemeenten, maar ook over de concrete mogelijkheden. Is dat bijvoorbeeld de buurtbemiddeling, de betrokkenheid van wijkbewoners? Dat lijkt te werken. Is het een optie om meer vaart te zetten achter het criterium van de koffieshops bij scholen? Ook dat wordt immers weer uitgesteld. Ik wil meer helderheid wat er gebeurt wanneer gemeenten zich niet houden aan het afstandscriterium en iets anders bedenken. Dat is blijkbaar in de afspraken met de VNG bedongen. Is dat een lapje voor het bloeden of is dat daadwerkelijk een criterium om koffieshops uit de buurt van scholen te houden?

Ook bij het asiel komt een bedenkelijk beeld naar voren. De hogere instroom is blijkbaar een autonome ontwikkeling. Er wordt daarbij laat gereageerd op de capaciteit van de IND. De reguliere afhandeling wordt ook duurder. Er komen dus allemaal hogere kostenposten. Ik snap dat de instroom toeneemt, maar waarom kost het zo veel tijd en moeite om daarop te anticiperen? Het brengt in zijn geheel behoorlijke kosten met zich mee. Wat zijn de oorzaken voor het bijstellen van de prognose, ook weer voor het komende jaar? Dat neemt toe van 16.000 naar 17.000. Hoe zijn wij dan wel in staat om daarop volgend jaar wel goed te anticiperen, zodat wij niet weer tegen hogere kosten bij het afhandelen van aanvragen en tegen capaciteitsproblemen aanlopen?

Mijn laatste punt betreft de shared service centra. Dit komt niet expliciet terug in de begroting, maar wij begrijpen dat sommige instellingen het lastig vinden dat zij met deze shared service centra te maken hebben. Het betreft hier vooral de tbs-wereld. Die instellingen moeten als rijkskliniek concurreren met particuliere klinieken. Dat speelt ook bij de justitiële jeugdinrichtingen. Zij hebben geen ondersteunende staf die hen kan helpen bij het nadenken over de toekomst, bijvoorbeeld bij de vraag hoe om te gaan met contracten. Zij moeten dan weer een beroep doen op het centrum dat naar ik meen in Ede zit en dat hen te weinig kan ondersteunen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is heel concreet: hoe kunnen wij ervoor zorgen dat ook de rijksklinieken in samenwerking met de private instellingen zich goed op de veranderende werkelijkheid kunnen voorbereiden? Zij missen de ondersteunende managementcapaciteit in hun kliniek.

De heerDe Krom(VVD)

Voorzitter. Allereerst verontschuldig ik mijn collega Teeven, die vanmiddag vanwege persoonlijke omstandigheden helaas niet aanwezig kan zijn.

Het oordeel van de Rekenkamer over het jaarverslag is positief. Zij constateert een over het algemeen ordelijk en controleerbaar financieel en materieelbeheer. Er zijn natuurlijk nog wel een paar kanttekeningen te plaatsen en dan vooral bij het inkoopbeheer. Ik maak verder zelf een kanttekening bij de prestatie-indicatoren. Weliswaar is de informatie over de geleverde prestaties op orde, maar dat geldt niet voor de effecten van het beleid. Twee prestatie-indicatoren, 50 en 54, geven die informatie wel, maar bij een aantal doelstellingen ontbreekt ze. Dat is niet goed, want het ministerie kan nog zo zijn best doen: als niemand er iets van merkt of als het niet wordt geregistreerd, wat is dan uiteindelijk het effect van de inspanningen van het ministerie? Ik vraag beide bewindslieden om in de begroting dieper in te gaan op de verwachte effecten van het beleid voor volgend jaar. Uiteraard moet daarop worden teruggekomen in het volgende jaarverslag.

Ronduit dramatisch zijn de ontwikkelingen op het gebied van asiel en immigratie. Alle cijfers wijzen de verkeerde kant uit. Dat geldt zowel de aantallen als de financiën. Het moet mij dan ook van het hart dat ik het ronduit pijnlijk vind voor de staatssecretaris dat niet zij, maar haar collega, de minister voor Integratie, vorige week hard aan de bel trok over de toename van het aantal importbruiden. Dat is toch zeker uw portefeuille, mevrouw de staatssecretaris!

Het is ook pijnlijk dat de minister voor Integratie en niet de staatssecretaris een relatie legt tussen immigratie en integratie. Hij zei namelijk dat integratie geen kans van slagen heeft als die de spankracht van de samenleving te boven gaat. Ik citeerde de minister voor Integratie bijna letterlijk. Zoals de minister zei, is het dan opnieuw dweilen met de kraan open. Dat is precies wat er gebeurt. Wij wisten dat natuurlijk al jaren. Op zichzelf is er dan ook niets nieuws onder de zon.

Nieuw was wel dat het kabinet en meer in het bijzonder een PvdA-minister dat verband nu zo uitdrukkelijk legt. Ik zou heel graag uit de mond van de staatssecretaris horen – alhoewel zij het natuurlijk eens is met de minister: het kabinet spreekt nu eenmaal met een mond – dat zij dat spanningsveld onderkent en dat zij dus ook onderkent dat de laatste cijfers voor immigratie en asiel de spankracht van onze samenleving te boven gaan.

Dit geluid is afkomstig van een PvdA-minister, althans een minister die namens de PvdA in het kabinet zit en namens het kabinet spreekt. Het is een bijzonder geluid, want in het verleden is het nog wel eens anders geweest.

De heerHeerts(PvdA)

Het kabinet spreekt natuurlijk met een mond. Moet ik uw woorden misschien uitleggen als een groot compliment aan het kabinet? Of denkt u op deze manier PvdA-bewindslieden uit elkaar te spelen?

De heerDe Krom(VVD)

Ik hoop natuurlijk dat dit mij lukt, maar ik heb niet de illusie dat dit vanmiddag zal gebeuren. Laat ik u maar gelijk uit de droom helpen.

Ik vind het een goede zaak dat de PvdA het achttien jaar na Frits Bolkestein bij monde van minister Van der Laan nu eindelijk ook inziet. Natuurlijk beter laat dan nooit, maar er zijn wel achttien jaar, waarvan twee onder deze staatssecretaris, verloren gegaan. Het gaat immers compleet de verkeerde kant op.

De heerHeerts(PvdA)

Tussendoor heeft hij ook nog een paar jaar meegedaan; laten we dat niet vergeten.

De heerDe Krom(VVD)

Ja, dat hebben wij ook. In Balkenende I, II en III was er sprake van een trendbreuk. Zowel het aantal immigratieaanvragen als het aantal asielaanvragen is toen significant naar beneden gegaan. Met het aantreden van dit kabinet gaan de cijfers allemaal weer omhoog. Daar is de PvdA-fractie natuurlijk medeverantwoordelijk voor, en de CDA-fractie overigens ook.

Ik stel mijn vragen aan de staatssecretaris niet om een wig te drijven, maar omdat ik het zo graag uit haar mond wil horen. Tot nu toe hebben wij niet veel anders gehoord dan sussende woorden en ontkenning van het probleem dat onder haar bewind de grondslag voor het multiculturele drama deel twee wordt gelegd. Ik zei het al: na een forse daling onder Balkenende I, II en III steeg de immigratie vorig jaar weer. Het aantal gezinsimmigranten steeg, het aantal importbruiden steeg, het aantal niet-westerse immigranten steeg, het aantal asielaanvragen steeg veel meer dan verwacht, et cetera. De prognose voor dit jaar en volgend jaar is dat ondanks het afschaffen van het categoriaal beleid het aantal asielaanvragen nog verder zal toenemen. Waar de toename van het aantal asielaanvragen in 2008 in Europa gemiddeld 6% was, is dat aantal in Nederland vorig jaar verdubbeld, waarbij in Nederland ook nog eens twee keer zo vaak als gemiddeld per hoofd van de bevolking in de rest van Europa positief op aanvragen wordt beslist. Het resultaat daarvan is dat de mensen nu in tenten moeten worden opgevangen. Ik heb er begrip voor dat het woord "tent" hier niet mag vallen en dat wij moeten spreken over "paviljoens", maar volgens mij zijn tenten stokken met wat materiaal daaroverheen en dat is precies wat zij zijn.

Ten slotte merk ik op dat er ook veel meer mensen in de opvang zitten dan was begroot. Die stijgende trend zien wij ook terug in de financiële cijfers in de verslagen. De totale kosten van het vreemdelingenbeleid bedroegen vorig jaar ruim 1 mld. Als ik goed heb gekeken, is dat ruim 200 mln. meer dan begroot. Maar dat niet alleen: de kosten per asielaanvraag zijn enorm gestegen, de kosten per opgevangen asielzoeker evenzeer, en ook de kosten per bezette opvangplaats namen toe, et cetera, et cetera. Er gaat dus kennelijk niet alleen iets fout in de aantallen, maar ook in de planning van de uitgaven.

Ik zou het op prijs stellen als de staatssecretaris op de oorzaken van de kostenstijgingen kan ingaan, vooral op de kostenstijgingen per asielaanvraag, per opgevangen asielzoeker en per bezette opvangplaats.

Er is één post waar de kosten niet uit de hand lopen. Sterker: de kosten op die post lopen terug; daar wordt bezuinigd. Dat betreft de post terugkeer en vertrek, waaraan 2 mln. minder is uitgegeven.

Uit al deze cijfers blijkt dat de staatssecretaris een beleid voert dat precies omgekeerd is aan hoe de VVD-fractie het wil. De regering en de staatssecretaris zadelen de samenleving opnieuw op met problemen waarvan wij de gevolgen nog jarenlang zullen ondervinden. De VVD-fractie maakt zich daar oprecht grote zorgen over, evenals kennelijk de minister voor Wonen, Wijken en Integratie.

Wij hebben de volgende vragen aan de staatssecretaris.

Is de staatssecretaris überhaupt van plan deze trend om te keren? Zo ja, welke maatregelen zal zij nemen en wanneer?

Kan de staatssecretaris al zeggen in hoeverre de begroting voor dit jaar wordt overschreden?

Erkent de staatssecretaris het probleem van de importbruiden? Zo ja, welke maatregelen zal zij wanneer nemen?

MinisterHirsch Ballin

Mevrouw de voorzitter. Ik zal het eerste deel van de beantwoording voor mijn rekening nemen. Dat gaat over algemene dingen die betrekking hebben op onze verantwoording, het jaarverslag 2008 en over de punten die meer in het bijzonder door mij worden behartigd. De andere onderwerpen worden behandeld door de staatssecretaris van Justitie, inclusief wat ik laat liggen door eventuele onoplettendheid of omdat de onderwerpen te moeilijk zijn.

Voorafgaand aan het beantwoorden van de vragen, maak ik graag enkele algemene opmerkingen over het jaarverslag 2008. Het is u niet ontgaan, zeker niet degenen met wie wij het genoegen hebben, vaak over het Justitiebeleid van gedachten te wisselen, dat er veel is gebeurd op het gebied van het vreemdelingenbeleid, van de aanpak van criminaliteit, van rechtspleging, slachtofferhulpverlening en grensbewaking, dus eigenlijk over de hele linie van het beleidsterrein van Justitie. Wij zijn dan ook echt blij dat dit belangstelling van iedereen geniet: het kabinet, de Kamer en de samenleving.

Voor pijler vijf van het kabinetsbeleid geldt dat de realisatie ten opzichte van 2006 verder is verbeterd. Dat hebt u ongetwijfeld ook gezien aan de onderliggende rapporten bij het verantwoordingsdebat dat de minister-president mede namens ons heeft gevoerd. Daarna zijn er nog berichten gekomen die datzelfde beeld bevestigen. Zo noem ik de Misdaadmonitor van het Algemeen Dagblad, de Integrale Veiligheidsmonitor van het CBS en het Jaarverslag van het Openbaar Ministerie. Eigenlijk wijst al die monitoring op dezelfde positieve ontwikkeling. Voor ons is het ook belangrijk om dat te kunnen constateren.

Wij beseffen natuurlijk terdege dat iedereen die ooit criminaliteit heeft meegemaakt, daar wel de herinnering aan houdt. Met al die parallel lopende ontwikkelingen, mag daar geen twijfel over bestaan. Al zijn er in 2008 minder mensen het slachtoffer geworden van misdrijven dan in 2007 en in 2007 minder dan in 2006 enzovoort, toch houdt iedereen die in de voorafgaande jaren een misdrijf heeft meegemaakt, daaraan de herinnering. Dat is buitengewoon begrijpelijk. Wij moeten ons dat realiseren. Tegelijkertijd zijn wij er absoluut niet ongelukkig mee dat iedereen in ons land zich realiseert dat het werk dat wij bij Justitie doen, echt van belang is en dat dit onze voortdurende aandacht vergt.

Zoals gezegd, zijn bijvoorbeeld gewelds- en vermogensdelicten in 2008 verder afgenomen, terwijl de doelstelling voor het aantal fietsendiefstallen niet zo maar gerealiseerd is, maar zelfs overtroffen: 110.000 minder gestolen fietsen. Justitie werkt daarbij intens samen met onder andere de gemeenten en het landelijk dekkend netwerk van Veiligheidshuizen. Op dit moment zijn er 32 Veiligheidshuizen in actie. Op het eerste Veiligheidshuis dat in 2002 is geopend, gaat morgen een nieuwe fase in. Dan wordt het verbonden met een zorghuis, wat helemaal past in de beleidslijn die collega Albayrak en ik in de brief van vorig jaar augustus aan de Kamer over de verbinding van straf en zorg, repressie en preventie hebben uiteengezet. Daarin past ook de heropening van het Veiligheidshuis, verbonden met het Zorghuis in Tilburg. Die vindt morgen plaats.

Bij enkele doelstellingen in deze pijler is de ontwikkeling minder positief en is er meer te doen dan wij graag hadden gezien. Dat is op zichzelf absoluut niet verrassend; er zou alle reden zijn om aan de betrouwbaarheid van de rapportage te twijfelen als die alleen maar positieve resultaten niet zien. Wij zouden er natuurlijk wel blij mee zijn als die reëel waren, maar in een realistische ontwikkeling van dit complexe onderwerp spelen natuurlijk allerlei elementen een rol die noch voorzienbaar zijn noch binnen onze controle liggen. Voor het vreemdelingenbeleid geldt precies hetzelfde. We hebben altijd te maken met een mix van factoren die je kunt beïnvloeden en die je niet kunt beïnvloeden, met positieve en minder positieve ontwikkelingen. Daarop is ons beleid gericht en daarom vinden wij zelf dit soort rapportages, het onder ogen zien van de realiteit, buitengewoon belangrijk.

Ondanks de inspanningen die op het bestrijden van verloedering en overlast zijn gericht – net zoals bij andere onderwerpen gebeurt dit in nauwe samenwerking van ons ministerie samen met die van BZK, van Jeugd en Gezin en bij andere gelegenheden weer met WWI – zijn er bij alle positieve resultaten ook onderdelen waar wij nog extra inspanningen op zullen en moeten zetten, zoals wij in de rapportages hebben aangegeven. Met de aanpak van jeugdcriminaliteit is ook duidelijk vooruitgang geboekt, dat is een positieve ontwikkeling. Het programma Aanpak jeugdcriminaliteit is in 2007 gestart en betreft vroegtijdig ingrijpen, verbeteren van de op de persoon toegesneden sanctie, een snelle en consequente jeugdketen en passende nazorg voor jeugdigen. Medio 2008 is de Sector Justitiële Jeugdinrichtingen gestart met de landelijke implementatie van erkende gedragsinterventies. De Raad voor de Kinderbescherming is daarmee begin 2009 begonnen. Het punt van de gedragsinterventies raakt iets wat door mevrouw Joldersma en anderen uitdrukkelijk is aangesneden, ik kom daar straks op terug. Dat is dat wij inderdaad zo precies mogelijk willen waarnemen dat wat wij doen, ook zoden aan de dijk zet en effectief is, niet alleen op macroniveau, maar ook op microniveau.

Eind 2008 waren er vier erkende en negen voorlopig erkende gedragsinterventies. In het project Passende nazorg jeugdigen is de structuur van het netwerk en het trajectberaad aangescherpt. Dat is het soort veranderingen en ontwikkelingen die wij in gang zetten. Op aspecten van ditzelfde onderwerp die betrekking hebben op het vreemdelingenbeleid zal de staatssecretaris van Justitie dadelijk ingaan.

Door de Algemene Rekenkamer is dit positief beoordeeld. Dat zal zeker ook verder effect hebben op de kwaliteit van de informatiewaarde van het jaarverslag over 2009. Het jaarverslag is de spiegel van de begroting en in de begroting die in september is gepresenteerd zijn wij daar dan ook op ingegaan.

Ook de Rekenkamer concludeert dat de drie H-vragen: wat hebben wij bereikt, hebben wij daarvoor gedaan wat wij zouden doen en heeft het gekost wat het zou kosten, in dit jaarverslag beter zijn beantwoord dan in het voorafgaande jaarverslag. Wij verwachten ook op dit punt de positieve ontwikkeling te kunnen doorzetten.

De heer Heerts heeft een vraag gesteld over de Veiligheidshuizen. De evaluatie is inderdaad uitgesteld. De vraag van de heer Heerts is: hoe kunnen wij voldoende zicht krijgen op de effecten en waar zet het zoden aan de dijk? We zijn inderdaad bezig met de ontwikkeling van de Veiligheidshuizen. Wij hebben bij de presentatie van de Justitiebegroting 2009 en in de Troonrede aangekondigd dat wij in de loop van 2009 een landelijk dekkend netwerk van Veiligheidshuizen willen realiseren. Op dit moment zijn er 32. We verwachten aan het eind van het jaar rond de 40 Veiligheidshuizen in actie te hebben. Dat betekent dat wij in persoon openingen verrichten. Een van beide bewindslieden of wij beiden zijn daarbij aanwezig. Als de Veiligheidshuizen al langer in bedrijf zijn, brengen wij ze een bezoek om te zien hoe de dingen lopen. Dat geeft ons ook de kans om te leren van de verschillende ervaringen.

Veiligheidshuizen werken niet allemaal volgens een uniforme standaardformule. Daar zijn verschillen in. Dat is ook prima, dan kunnen we van best practices leren. Die uitbouw, de ontwikkeling en de toepassing van deze op de persoon gerichte aanpak vanuit de Veiligheidshuizen loopt goed, overtuigend. Dit horen wij steeds terug van degenen die daar samenwerken. Dat weten wij ook uit de resultaten van het oudste Veiligheidshuis in Tilburg, waar de jeugdrecidive in een periode van vier à vijf jaar met de helft is teruggedrongen. Degenen die daar zitten, voelen zich in het Veiligheidshuis de vertegenwoordiger van hun organisatie: politie, gemeente, justitie, OM, onderwijs – bijvoorbeeld de leerplichtambtenaar – jeugdzorg, reclassering, soms ook verslavingszorg. En omgekeerd is het Veiligheidshuis als coördinatiecentrum weer vertegenwoordigd door diezelfde mensen op hun hoofdkantoor.

De eerste evaluatie van wat er vooraf is gegaan aan Justitie in de buurt hebben wij naar de Kamer gestuurd. Wij verwachten een vervolg in 2010. Het jaarverslag geeft de situatie over 2008 weer.

De heerHeerts(PvdA)

Nu wordt 2009 opgeschoven naar 2010, maar is dat niet gewoon vertraging bij interviews? Er kunnen toch gewoon andere mensen worden gehoord? Er zijn 32 Veiligheidshuizen bezig. Er zijn toch wel mensen die daarover iets zinnigs kunnen zeggen in een gezamenlijke rapportage, zodat wij daarover hier met u kunnen spreken? Ik zou het jammer vinden als het 2010 wordt. Is dat te realiseren, of wilt u dat eens meenemen?

MinisterHirsch Ballin

Het gaat er bij interviews ook om over welke periode je zinvol vragen kunt stellen. Bij een recent geopend Veiligheidshuis is de hele interviewbenadering nog niet zo zinvol. Daarom zei ik ook dat dit in ontwikkeling is. In de afgelopen driekwart jaar is een groot aantal Veiligheidshuizen door ons geopend. Het is gewoon te vroeg om de mensen die daar bezig zijn met interviewvragen van enige systematische waarde te bevragen. Dus daar is om inhoudelijke redenen meer tijd voor nodig. Over tussenstanden proberen wij zo open mogelijk te zijn. Ik verwijs ook naar de website die daarvoor is gecreëerd: www.veiligheidshuizen.nl, die ook toegankelijk is via www.justitie.nl.

De heerHeerts(PvdA)

Om inhoudelijke redenen wordt ervan afgeweken. Om nu in tweede termijn een motie in te dienen dat het toch moet, lijkt mij ook niet zo bijdragen aan de ontwikkeling. Volgens mij krijgen wij in het najaar voorafgaand aan de begrotingsbehandeling voor 2010 ook een integraal overzicht van het project Veiligheid begint bij Voorkomen. Ik krijg toch graag de toezegging dat dit als onderdeel daarvan wordt meegenomen, omdat wij anders zelf een haakje moeten aanleggen.

MinisterHirsch Ballin

In de najaarsrapportage zal ik al datgene melden wat er op dat moment op een betrouwbare manier te melden is, inclusief de manier waarop wij verder de evaluatie aanpakken.

Hoe houden wij de effectiviteit van de OM-afdoening straks bij? Dat is een zeer begrijpelijke vraag. De wet is per 1 februari in werking getreden. Voortaan kan het OM zelf lichte straffen opleggen, met behoud van toegang tot de rechter. Vrijheidsbeneming is zoals u weet voorbehouden aan de rechter. Ik zie dit als een belangrijke vernieuwing in het strafprocesrecht, die bijdraagt aan vermindering van de druk op de capaciteit van de rechters en aan versnelling van de tenuitvoerlegging van straffen. Wij hebben gekozen voor een gefaseerde invoering. Er is gestart met de afdoening van rijden onder invloed, op grond van artikel 8 van de Wegenverkeerswet, in Amsterdam en Den Bosch. Die zaakstroom wordt vanaf begin 2009 in andere delen van Nederland toegepast. Op 1 januari 2009 zijn wij ook begonnen met het afdoen van overlastfeiten in de grootste vier gemeenten. De overige gemeenten zullen vanaf 1 januari 2010 in een zinvolle fasering volgen. Dat hebben wij allemaal ook afgesteld met de VNG, wat ook tot volledige overeenstemming heeft geleid.

In de komende tijd zullen wij met ketenpartners verder werken om de strafbeschikking verder te introduceren, zoals de bestuurlijke strafbeschikking voor overlastfeiten in de overige gemeenten, de strafbeschikking voor feitgecodeerde overtredingen en de fiscale strafbeschikking. Uiteraard houden wij bij hoe vaak het OM gebruik maakt van deze wijze van afdoening, zodat wij u per jaarverslag verder daarover kunnen informeren.

De heerHeerts(PvdA)

Het ging mij niet alleen om het OM, maar ook om de bestuurlijke afdoening op een decentraal niveau. Het gaat mij vooral – zie de antwoorden op de vragen 38 en 39 – om het effect op de rechtspraak. Uiteindelijk zou dit, met name in de strafsector, moeten leiden tot vermindering van de instroom. Anders gaat een en ander helemaal uit de rails lopen. Hierin moet enige samenhang te ontdekken zijn.

MinisterHirsch Ballin

Zeker, hiermee kom ik op een ander punt van de heer Heerts dat ik weliswaar goed begrijp, maar waarbij ik toch een waarschuwing moet laten horen: laten wij ons niet rijk rekenen. Immers, als iets een positief effect heeft op de instroom, hoeft dit niet te betekenen dat er middelen vrijvallen die wij tot nu toe hebben benut. Het kan namelijk ook betekenen dat wij effectiever kunnen zijn met de middelen die wij hebben, waaraan behoefte is. Ik noemde net de overlastfeiten waar wij in de grote vier gemeenten mee zijn begonnen. Onze doelstelling is niet om aan het einde van dit jaar te kunnen melden – wij zouden deze melding met alle genoegen doen als wij het zouden hebben – dat wij geld over hebben dankzij de goede aanpak van de overlastfeiten. Onze doelstelling is primair dat er minder overlast is. Op dat punt is er nog heel wat te doen. Laten wij ons dus vooral niet rijk rekenen. Wij willen met de bestaande middelen minder overlast, minder criminaliteit en meer afgedane zaken bereiken door ze zo goed mogelijk te gebruiken.

Het volgende punt betreft de inhuur van externen. Wij hebben hierover ook in de ministerraad gesproken. Dezer dagen zal de Kamer een brief bereiken van mijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de inhuur van externen, voor zover deze brief de Kamer niet al heeft bereikt. Hierin is voor het gehele kabinet, dus ook voor ons, aangegeven op welke manier wij onze algemene beleidsdoelstellingen realiseren. Men vindt hierin ook uiteengezet dat er een grote verscheidenheid is van wat tot externen wordt gerekend. Externe adviseurs uitgezonden door een high-levelbureau moeten in hoge nood het reddende advies brengen. Dienovereenkomstig is hun marktwaarde bepaald. Dergelijke adviseurs zijn beeldbepalend voor de inhuur van externen. Ik verzeker de aanwezigen dat de zogenaamde externen, mensen die geen ambtenaar zijn en deel hebben aan de uitvoering van het werk dat bij justitie gedaan moet worden, van een ander slag zijn. Voor een belangrijk deel betreft dit mensen die daadwerkelijk de handen uit de mouwen steken om het werk bij justitie – zoals men weet is dat omvangrijk en wij willen allemaal dat het goed, effectief en intensief wordt gedaan – te helpen doen. Dat betekent dat wij ons moeten realiseren dat wij, als er mensen moeten worden ingeschakeld die geen ambtenaar zijn, echt moeten onderscheiden. Bij DJI bijvoorbeeld maken bewakings- en beveiligingskosten ruim de helft uit van het bedrag van 105,9 mln. verschil dat geconstateerd is in de jaarverslagen. Dit gaat dus om bewaking en beveiliging; het betreft geen mensen die nobele adviezen geven over de vraag hoe de toekomst van het gevangeniswezen in 2030 er mooier uit kan zien. Het betreft mensen die ervoor zorgen dat Nederland veiliger blijft en het gevangeniswezen ook intern versterken.

MevrouwJoldersma(CDA)

DJI is wel een mooi voorbeeld. Daar zegt men dat buiten deze beveiligings- en bewakingsmensen zelfs 700 mensen van buiten zijn ingehuurd, blijkbaar om andere dingen te doen. Dat vind ik nogal wat. Als 700 mensen buiten de beveiliging zijn ingehuurd, dan kunnen DJI-mensen dat blijkbaar niet zelf doen. Ik geloof dat zij daar zelf wel eens aan twijfelen; zij denken dat zij het ook zelf wel kunnen.

MinisterHirsch Ballin

Ik wil eigenlijk verschillende onderdelen van Justitie, waaronder DJI, even langslopen om het algemene antwoord wat te specificeren.

MevrouwGerkens(SP)

De minister heeft dan kennelijk zijn algemene verhaal afgerond. Hij legt er nogal de nadruk op dat het niet de goeroes betreft, die voor veel geld worden ingehuurd om grote problemen op te lossen. Maar al is dat niet zo, dan nog zijn het aantal externen en de kosten die daaraan verbonden zijn een punt van zorg voor mijn fractie. Daaruit blijkt dat de kennis kennelijk niet in huis is, waardoor er externen moeten worden ingehuurd. Je ontkomt natuurlijk niet aan het inhuren van externen bij ziektegevallen. Het structureel inhuren van zo veel externen levert echter structureel te hoge kosten op. Het blijft voor mijn fractie ook warrig wat op welke plek is ingehuurd. Dat moet in ieder geval verbeteren, zodat het voor ons helder is. Op het punt van ICT worden heel veel kosten gemaakt. Daar worden echt te veel mensen ingehuurd; die kwaliteit zou je zelf in huis moeten hebben.

MinisterHirsch Ballin

Wij verwachten goed medewerking te kunnen geven aan het algemene kabinetsbeleid van mijn collega van BZK. Ik ben blij met het gebruik van de term "goeroes"; dat is het juiste woord. Ik ben blij dat mevrouw Gerkens begrijpt dat die uitgaven bij Justitie niet naar de inhuur van goeroes gaan. Wij hebben inderdaad heel veel deskundigen in huis. De omvang van het werk, maar ook de flexibiliteit die wij nodig hebben bij de uitvoering van het werk, maken dat niet al het werk door ambtenaren kan worden gedaan. Als wij iedereen die bijvoorbeeld in de ICT voor een korte periode nodig is een ambtelijke rechtspositie moeten geven, zouden daarna weer allerlei vragen rijzen op het punt van de ontslag-, vertrek- en afvloeiingsregeling. Wij hebben die flexibiliteit dus ook nodig.

MevrouwGerkens(SP)

Als het echt gaat om een korte periode, is er volgens mij door het huidige en voorgaande kabinetten al voor voldoende flexibiliteit gezorgd. De minister moet zich er wel rekenschap van geven dat de kosten voor inhuur van externen stukken hoger liggen dan de kosten voor rechtstreeks inhuren. Het is goed om kritisch naar dit beleid te kijken. Mijn fractie vindt dat er te gemakkelijk externen worden ingehuurd.

MinisterHirsch Ballin

Wij doen dat niet gemakkelijk. Ik heb geen problemen met de mede namens mij geschreven brief van mijn collega van BZK, die deze week uitgaat. Daar werken wij dus aan mee; die uitgangspunten zijn prima. Mevrouw Gerkens moet zich echter wel realiseren dat er niet te veel generaliserende beelden mogen worden gebruikt. Ook bij dit onderwerp moeten wij ons niet overgeven aan generalisaties. Wij zijn kritisch op de inhuur van externen. Het is echter nog belangrijker – en dat vindt mevrouw Gerkens volgens mij ook, in haar hart – dat het werk bij Justitie goed wordt gedaan, in het belang van de samenleving.

De heerHeerts(PvdA)

Met dat laatste zijn wij het helemaal eens. Als het gaat om tijdelijke werkzaamheden begrijp ik het ook wel. Maar er is er geen trend gaande waarbij mensen veel kennis vergaren in het publieke domein om die later privaat te kunnen vermarkten? Ik neem aan dat de minister die ontwikkeling in de gaten houdt.

MinisterHirsch Ballin

Die draaideurconstructie mag bij ons niet worden toegepast. Als de heer Heerts het heeft over externen, moet hij zich niet een paviljoen vol draaideuren voorstellen. Ik denk dat ik het beste kan ingaan op de specifieke punten. Ik zal die aan de heer Heerts voorleggen; dat beantwoordt ook aan de verantwoording die wij hiervoor graag geven.

De Rekenkamer noemt een bedrag van 425,5 mln. Ten opzichte van de norm zou er dus een overschrijding zijn van 127 mln. Wij zien dat echter anders. Wij hebben in het jaarverslag aangegeven dat het om 319,6 mln. gaat. Dat is weliswaar een overschrijding, maar geen grote. Het gaat om minder dan 10%; ik geloof dat het ongeveer 7% is. Indien de Raad uit de norm wordt gehaald, is er sprake van een tekort van ruim 50 mln. in vergelijking met de norm en bijzondere positie van de Raad voor de rechtspraak. Ik zal daar dadelijk nog op ingaan. Het verschil tussen de berekeningen komt door de kosten voor de Raad voor de Rechtspraak, de IND, de DJI-bewakers en de veiligheidskosten. Ons inziens zijn die niet terecht in de berekening van de Algemene Rekenkamer opgenomen.

In ons staatsbestel heeft de rechterlijke macht een bijzondere positie. Het afzonderlijk sturen op slechts een van de kostenaspecten van de rechtspraak is niet in overeenstemming met de systematiek die is aanvaard bij de herziening van de Wet op de rechterlijke organisatie, waar de Raad een eigen beheersverantwoordelijkheid voor de rechtspraak heeft gekregen. Uiteraard geldt ook daarvoor dat het in de verantwoording aan de Kamer moet worden betrokken, maar dan binnen de categorie uitgaven waar de beheersverantwoordelijkheid bij de Raad voor de Rechtspraak ligt.

Bij "IND bij de tijd" gaat het onder andere om het ontwikkelen, bouwen, onderhouden en implementeren van infrastructurele netwerken, waaronder de ICT. Dat is een project voor het ontwikkelen van informatiesystemen en technische infrastructuur van bijzondere aard. Het is van grote betekenis voor het werk bij de IND. Ik noem dit ook in het verband met de geheel tijdelijke en projectmatige inhuur van informatiseringsmensen.

De heerDe Krom(VVD)

Ik kan het betoog van de minister over die flexibele schil volgen. Die moet je ook hebben om fluctuaties in het werkaanbod op te vangen, maar je moet voor twee dingen uitkijken. Essentiële kennis, die je nodig hebt om de inhuur van externen goed te faciliteren en om het werk te kunnen beoordelen, mag niet wegvallen. Het departement moet de kerncompetenties natuurlijk wel behouden. In de tweede plaats mag externe inhuur niet verworden tot mensen die daar jarenlang rondlopen, zodanig lang dat het niet meer bijdraagt aan de doelstelling van die flexibele schil. Dan ben je niet goed bezig en waarschijnlijk is het ook veel duurder.

In het regeerakkoord is de afspraak opgenomen dat het aantal ambtenaren met 25% zou worden verminderd. Veel interessanter vind ik echter de vraag of de totale personeelskosten – alle ambtenaren in de gehele Justitieorganisatie met daarbij opgeteld de kosten van externe inhuur – minder of meer zijn geworden in het afgelopen jaar. Het sturen op aantallen vind ik niet zo interessant. De minister zegt wel dat het aantal ambtenaren is verminderd, maar als je via de achterdeur weer externen inhuurt, maakt het qua kosten niet zo veel uit. Hoe ziet het totale plaatje er nu uit?

MinisterHirsch Ballin

Het totale plaatje is 12.800. Dat is het nominale aantal en geen percentage. In het coalitie-akkoord is bepaald dat de veiligheidsketen daarvan zou worden uitgezonderd. Die som kunnen wij dus niet maken ten aanzien van het personeel van Justitie. In de opzet van het coalitieakkoord is er naar mijn overtuiging op goede gronden rekening mee gehouden dat zo'n doelstelling de realisering van de veiligheidspijler niet mag frustreren. Dat wordt ook breed in de Kamer gedeeld en om die reden is er een bijzondere regeling getroffen.

De criteria waarover de heer De Krom in het begin sprak, zijn ook herkenbaar als elementen in het toetsingskader dat wij gebruiken bij de inhuur van externen van Justitie. Ik ben dat dan ook met hem eens. Er zijn soms ook punten van afbakening, zoals het facilitair bedrijf en catering. Dat zien wij niet als inhuur van externen, maar als een externe dienstverlening. Naar mijn mening worden dat soort diensten ook zo bij de Kamer gezien. We zijn dus in goed gezelschap.

De verantwoordelijkheid voor de externe inhuur hebben wij neergelegd bij de integraal manager die zich daarvoor uiteraard ook aan de leiding van het departement moet verantwoorden. De twee punten die de heer Krom in het begin noemde, sluiten perfect aan bij wat ons ook voor ogen staat, zeker ook zijn opmerking dat de kerncompetenties in onze staande organisatie aanwezig moeten zijn.

De heerDe Krom(VVD)

Wat kan de minister zeggen over de trend in die totale kosten voor zover die niet zijn uitgezonderd in het regeerakkoord?

MinisterHirsch Ballin

Die opstellingen moeten wij maken. Ik zal ook nagaan of het in een van de rapportages te vinden is. Op dit moment is het niet uit voorraad leverbaar.

Ik heb vrijdag een brief aan de Kamer gericht over de toezegging die is gedaan tijdens het vragenuur over de Diamantbuurt. Mevrouw Gerkens vroeg daarnaar. Wij zijn ermee bezig. In die brief verwerken wij ook de informatie die ons uit Amsterdam wordt gegeven. Ik hoop de Kamer voor het zomerreces daarover geïnformeerd te hebben.

Op de doelstelling van min 25% in het project Veiligheid begint bij Voorkomen zijn wij in de brief van 31 maart vrij precies ingegaan. De resultaten op het gebied van geweld en vermogenscriminaliteit stemmen hoopvol. Wij moeten nog 5,5% realiseren. De doelstelling op het gebied van vermogenscriminaliteit is algemeen gehaald. In 2011 maken wij de balans op op basis van de Integrale Veiligheidsmonitor 2010.

Mevrouw Gerkens heeft gevraagd waarom over de criminaliteitsreductie in het jaarverslag geen verslag wordt gedaan. Dat is omdat dit in een andere rapportage gebeurt, die ik samen met mijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verzorg.

MevrouwGerkens(SP)

Dat zei ik ook. Ik zei verder tegen de minister dat ik vind dat het ook in het jaarverslag thuishoort, omdat je daarin verantwoording aflegt over het beleid.

MinisterHirsch Ballin

Daar voel ik wel iets voor. Dat kan althans onder ogen worden gezien bij de manier waarop je dit soort zaken indeelt. Dat betreft de verhouding tussen de verslaglegging, de projectverslaglegging en de departementale verslaglegging. Men weet dat wij aan het begin van deze kabinetsperiode een bepaalde keuze hebben gemaakt. Ik wil die eigenlijk wel respecteren, maar je kunt er anders over denken.

Mevrouw Gerkens heeft gevraagd naar de minister voor WWI en zijn bezoeken aan wijken waar onrust is. Het was mij niet helemaal duidelijk wat haar vraag of probleem daarbij was.

MevrouwGerkens(SP)

Ik had daarbij twee punten. Het eerste was dat ik het goed vind dat de minister voor WWI zegt dat hij ernaartoe gaat als er problemen zijn in een wijk. Ik suggereerde dat het goed zou zijn als deze minister en de staatssecretaris meegaan. Het tweede punt – de minister heeft het een beetje in zijn inleiding gezegd – betrof het gevoel van veiligheid, de daadwerkelijke cijfers en de discrepantie daarin. De minister zegt dat je de ervaring van een overval niet wegneemt, als iemand overvallen is. Er is meer over te zeggen dan alleen dat. Gevoel van veiligheid betreft ook de vraag welke controle er in de wijk is, of er een wijkagent is, wat op straat aan de verloedering wordt gedaan en wat mensen op korte termijn zien. Dat was de vraag. Wat gaat de minister op korte termijn doen om effect te zien?

MinisterHirsch Ballin

Onze aanwezigheid in het land is intens. Dat geldt voor collega Albayrak en mij. Een enkele keer zijn wij samen ergens. Voor de rest verdelen wij onze aanwezigheid over de plaatsen waar iets aan de hand is en waar iets gedaan moet worden, zo praktisch mogelijk. Wij zijn intens aanwezig. Ik zou zeggen: volgt u naast de website www.minwwi.nl ook www.minjus.nl intensiever, waar de berichten, soms ook met foto's en videofilmpjes verhelderd, te vinden zijn over onze aanwezigheid in den lande. Ik teken daarbij trouwens aan dat niet elk bezoek zich ertoe leent om extern geregistreerd te worden. Wij zijn in alle delen van het land. Wij letten er ook op dat wij regelmatig aanwezig zijn. Als het nuttig is, doen wij het samen met een van de collega's. Toen ik onlangs voor de derde keer in de wijk Woensel-West was, was ik in het goede gezelschap van mijn collega Van der Laan. Dus als het nuttig is om samen met een collega een bezoek te brengen, doen wij dat. Ik ben onmiddellijk nadat er berichten waren over de problemen in Gouda in gesprek gegaan met de fungerend hoofdofficier en de burgemeester van Gouda. Ik heb de Kamer daarvan verslag gedaan. Later ben ik daar op bezoek geweest om te kijken hoe het besluit dat ik toen had genomen over de beschikbaarstelling van extra rechercheurs heeft uitgepakt. Op de zesde van deze maand was ik daar voor de opening van het Veiligheidshuis. Toen hebben wij opnieuw de vinger aan de pols kunnen houden.

Mevrouw Gerkens hoeft zich dus geen zorgen te maken. Als wij niet met de Kamer in gesprek zijn, zijn wij bezig met wat verder moet worden gedaan om Justitie als ministerie te laten functioneren, met een veelheid aan taken waarvoor het echt de moeite waard is om ons dag en nacht in te zetten. Bij Justitie werken 40.000 mensen die bezig zijn met al die belangrijke dingen. Met onze medewerkers bespreken wij wat er wordt gedaan, wat er kan worden gedaan en wat er moet worden gedaan. Als wij daar niet mee bezig zijn, zijn wij in den lande om over diezelfde onderwerpen te spreken. Daar laten wij echt geen gat in vallen. Wij proberen daar zo open mogelijk over te communiceren. Afgezien van de teleurstelling die ik van de kant van mevrouw Gerkens ervaar dat zij mijn collega meer waarneemt dan mij, wil ik haar graag van alle informatie voorzien daarover.

MevrouwGerkens(SP)

Het lijkt bijna alsof ik gesuggereerd heb dat deze minister niets doet en dat is echt niet waar. Zijn betoog is vurig, maar als het naar aanleiding van mijn opmerking was, was het echt onnodig. Minister Van der Laan heeft tijdens het vragenuur gezegd: als er iets aan de hand is, ga ik er meteen naar toe. Mijn kleine simpele suggestie was dat deze minister dan meegaat. De minister heeft die vraag nu voldoende beantwoord. Ik heb nog een andere vraag. Wat gaat er gebeuren op de korte termijn? Er wordt heel veel op het gebied van veiligheid in de steigers gezet. Dat is heel goed, maar de effecten daarvan zijn natuurlijk pas op lange termijn herkenbaar. Wat denkt de minister nog te kunnen doen om op korte termijn het gevoel van veiligheid toe te laten nemen?

MinisterHirsch Ballin

Om te beginnen is dat een taak waar wij in zekere zin samen voor staan, want er is geen enkele reden om de indruk te wekken – ik weet dat er mensen zijn die dat doen – dat het daaraan schort. Achter de cijfers gaan concrete en reële veranderingen schuil. Je kunt wel zeggen dat het blijkens de Veiligheidsmonitor in Nederland veiliger is geworden, maar wanneer iemand dat niet persoonlijk heeft ervaren of persoonlijk een negatieve ervaring heeft, dan is dat een deel van de realiteit. Dat moeten we zonder ongenoegen onderkennen. Dat is een realiteit, maar in al die steden, dorpen, gemeenten en wijken, in al die justitiële inrichtingen waar op een andere manier wordt gewerkt, zijn resultaten bereikt. Een deel van de talrijke bezoeken die mijn collega Albayrak en ik aan het land brengen, zijn ook gericht op die plaatsen waar reële ervaringen zijn opgedaan. Om een van die bezoeken te noemen: de wijk hier in Den Haag waar nogal wat jongeren wonen die in een achterstandssituatie verkeren. Als je daar naar een sportclub gaat en je ziet dat daar een voetbalcoach aan het werk is die zelf in een justitiële jeugdinrichting heeft gezeten, die daar heeft begrepen dat hij op een andere manier bezig kan zijn met de samenleving, is dat een reële verbetering. Als we te maken hebben met mensen die nog niet zo lang geleden zich ongemakkelijk voelden om in een bepaalde buurt of in een bepaalde wijk uit te gaan en die nu dankzij cameratoezicht of de aanwezigheid van toezichthouders daar wel graag naar buiten gaan en die daar nu ontspannen een biertje drinken bij mooi weer, is dat een reële verbetering. Achter al die cijfers gaan reële veranderingen in het leven schuil. Ik ben er zeer voor dat wij proberen om die te belichten. Morgen zijn misschien sommigen van de leden van deze commissie ook aanwezig bij de heropening van het Veiligheidshuis in Tilburg. Dat hoort naast de plaatsen waar iets gebeurt ook tot de plaatsen waar wij naar toe gaan en waar wij al in veel gevallen geweest zijn voordat er krantenkoppen over zijn verschenen.

De voorzitter:

Ik weet dat dit een wetgevingsoverleg is, maar er is wel een beoogde eindtijd. Sommige mensen hebben daar misschien hun agenda op afgestemd.

De heerHeerts(PvdA)

Dat heb ik in ieder geval wel gedaan.

Dinsdag is een lastige dag voor de Kamer. Er zullen dus relatief weinig Kamerleden zijn in Tilburg. Dat neemt niet weg dat het onze belangstelling heeft.

Het punt van collega Gerkens is ook mijn punt. Er zijn ook andere cijfers aan te halen, bijvoorbeeld de cijfers over de verlaging van de aangiftebereidheid. Natuurlijk luidt het antwoord op vraag 7 vol trots dat 90% van de Nederlanders gelukkig weer aangifte doet van autodiefstal. Dan denk ik altijd dat 10% van de Nederlanders 's ochtends geen auto meer ziet staan en geen aangifte doet. Laten wij het nu maar niet hebben over de vraag hoe dat wordt opgelost. Wij hebben een brandbrief gekregen van Detailhandel Nederland over de aangiftebereidheid. Het punt is dat cijfers niet alles zeggen. Er is ook een beleving van veiligheid, waar wij als Kamer gevoel voor moeten hebben. Ik begrijp de minister wel. Als hij geen troepen heeft, dan is het gemakkelijk om te zeggen dat hij de collega's benadert en dat morgen de busjes de wijk in komen. Dat moeten wij wat relativeren. Het één moet echter wel aansluiten bij het ander. Dat is geen kritiek, maar daar lopen wij steeds meer tegen aan in de monitors. Herkent de minister dat? Wij moeten goed opletten dat wij niet straks cijfers presenteren waaruit blijkt dat wij het gehaald hebben, maar dat de mensen bij de stembus zeggen dat wij er niets aan hebben gedaan.

MinisterHirsch Ballin

Daar zijn wij ons zeer van bewust. Dat speelt ook een rol in onze wens om te spreken met de mensen in het land die ervaring hebben. Niemand heeft er iets aan als wij alleen de schijnwerper zetten op wat niet goed is gegaan. Als er ergens een gat valt omdat het beleid onvoldoende is geïmplementeerd, dan willen wij dat natuurlijk weten. Wij willen echter ook laten weten wat wel loopt en wat tot resultaten leidt. Al die cijfers zouden niet tot stand komen als er geen reële verbeteringen onder zaten. Dat geldt ook voor het doen van aangifte. Wij zien het bijvoorbeeld met huiselijk geweld. Er is nu substantieel meer aangifte gedaan dan in het verleden. Dat is ook een van onze doelstellingen. Wij hebben onlangs gesproken over het aantal uithuisplaatsingen op grond van de nieuwe wetgeving. Dat aantal overtreft de verwachtingen. Dat is goed. Wij kunnen alleen niet verwachten dat degenen die beschermd worden door de uithuisplaatsing van de geweldpleger in een interview voor de televisie zullen zeggen dat zij zich prettiger voelen omdat de gewelddadige man of vader uit huis is geplaatst. Er zijn ook situaties die wij niet kunnen belichten, maar die wel reëel zijn. Wij zullen de Kamer daar consequent en zo helder mogelijk over informeren, in de overtuiging dat onze rechtsstaat gediend is met de werkelijke verbeteringen in de rechtshandhaving en de veiligheid en met transparantie daarover.

Mevrouw Joldersma heeft gevraagd hoe wij de capaciteitsbehoefte ramen en hoe met deze raming wordt omgegaan. Dat is een behoorlijk complex onderwerp. Daarom vraagt mevrouw Joldersma er natuurlijk ook naar. Justitie is tot dusverre het enige departement dat op basis van een wetenschappelijk gevalideerd model bewegingen in de keten in beeld brengt. Dat zijn de justitiële ketens. Met het zogenoemde Prognosemodel Justitiële Ketens worden jaarlijks voorspellingen gedaan van de capaciteitsbehoefte in alle ketenonderdelen en die worden afgezet tegen de beschikbare capaciteit. Dat levert de prognoses op met een beeld voor de eerstkomende zeven jaar. Hoeveel zaken komen er bij de rechter? Hoeveel cellen zijn er nodig? Hoeveel gedragsbeïnvloedende maatregelen zullen moeten worden voltrokken?

Wat is de invoer van dat model? Allereerst wordt gerekend met diverse autonome variabelen waarop Justitie geen directe invloed heeft. Het gaat hierbij om demografische, economische, sociale en institutionele factoren, die van belang zijn voor de inschatting van de ontwikkeling van de criminaliteit. Ik denk bijvoorbeeld ook aan de vraag in welke mate mensen naar de rechter gaan met een civiel effect, bijvoorbeeld scheiding of ontslag. Die cijfers vormen ruim 95% van de raming. Daarnaast worden de verwachte effecten van ons beleid doorberekend en bepaald welke gevolgen zulks heeft voor de capaciteitsontwikkeling. Zo hebben we de verwachte gevolgen in beeld gebracht van de uitbreiding van het aantal forensische assistenten met 500 en is berekend wat de gevolgen zijn voor de opsporing en het uiteindelijke aantal rechtszaken en opgelegde straffen per sanctiecapaciteit. Het prognosemodel van de justitiële ketens heeft betrekking op de veiligheidsketen en het domein van civiel en bestuursrecht. De ramingen voor het vreemdelingenbeleid zitten hier niet in; daarvoor geldt weer een andere werkwijze, waarop de staatssecretaris zal ingaan. Zo worden jaarlijks prognoses gemaakt die medebepalend zijn voor de ramingen en de begrotingen, bijvoorbeeld de behoefte aan celcapaciteit en de financiering.

Uiteraard hoort hierbij de vraag of alles klopt. Het is mogelijk dat wij een trendbreuk waarnemen. Sommige trendbreuken zijn in het model opgenomen. Ook hiervoor geldt dat sprake kan zijn van ontwikkelingen waarvan we op dit moment de effecten op basis van cijfers en ervaringen uit het verleden nog niet goed kunnen inschatten. De huidige financieel-economische crisis is een voorbeeld. De economen zeggen dat zij die niet hadden voorzien en dat hun niks kan worden toegerekend. Dat is een geruststelling voor degenen die de crisis nog niet hadden verwerkt in het prognosemodel van Justitie; hun kan dus ook niets worden toegerekend. Dit neemt niet weg dat er effecten kunnen ontstaan bij ontslag en faillissement. Wij proberen deze uiteraard zo snel mogelijk te verwerken.

Mevrouw Joldersma verloochende haar disciplinaire afkomst niet met een vraag naar het causale model. Heeft het beleid het beoogde effect? In mijn algemene inleiding sprak ik over de macro- en de microbenadering van de effectiviteit van de maatregelen. Wij proberen het op microniveau steeds preciezer te doen door evidence-based te werken. Op macroniveau kan met het voldoende overtuigend elimineren van toevallige omstandigheden die louter statistisch en geen reële effecten hebben, wellicht tot causale relaties worden geconcludeerd. De persoonsgerichte aanpak bij de Veiligheidshuizen is hiervan een voorbeeld.

MevrouwJoldersma(CDA)

Ik geloof graag dat die modellen goed in elkaar zitten, maar bij het gevangeniswezen, asiel enzovoort moeten wij constateren dat onze ramingen niet kloppen. Dat kunnen we misschien wel wetenschappelijk verklaren, maar de instroom blijkt constant anders dan verwacht: soms meer, soms minder. Als dat het geval is, moet dit zo snel mogelijk naar het beleid worden doorvertaald. Ik heb er behoefte aan om in de begrotingen te kunnen zien waar precies de autonome wijzigingen en de doorwerkingen daarvan zitten. We kunnen wel geloven dat er iets aan de hand is geweest en per ongeluk meer geld heeft gekost, maar een aantal miljoenen is nogal wat op de Justitiebegroting. Ik verzoek het kabinet dus om hier beter op in te spelen, zoals bij de justitiële jeugdinrichtingen. Wij moeten alle modellen, alle prognoses van het WODC, altijd maar gewoon slikken.

MinisterHirsch Ballin

Dat valt heel erg mee. Het verschil tussen wat wij nu hebben bereikt en de prognoses voor het gevangeniswezen die al dan niet waren gemaakt voordat ik mijn ambtstermijn begon, is ongelooflijk groot. Wij zijn begonnen met een betere registratie van alles wat er bij justitie omgaat. Het heeft enige jaren gekost om dit goed te doen, maar nu werkt het goed. De Kamer kan nu beschikken over een handzame vorm van de Justitiebegroting en de uitgebreide cijfers die wij vandaag bespreken. Nu wordt zeer scherp gemonitord, zeker vergeleken met twintig jaar geleden. Er is dus een ongelooflijke vooruitgang geboekt.

Zijn we daarmee uitgeleerd? Op het moment dat blijkt dat er toch andere ontwikkelingen zijn, bijvoorbeeld op het gebied van de detentiecapaciteit, gaan wij natuurlijk open na waarin de verschillen zitten met wat uit het prognosemodel leek voort te komen. Dat leidt voortdurend tot verdere verfijning van de modellen. Dat is niet anders dan op andere beleidsterreinen. Een prognosemodel met een ketenbenadering is extreem complex. Ik zei al eerder dat wij in dat opzicht bezig zijn met pionierswerk in vergelijking met andere ministeries binnen Nederland en met andere ministeries van Justitie buiten Nederland. Ik ga hier niet vertellen dat wij op dit terrein zijn uitgeleerd. Ik gaf zo-even een voorbeeld van het type effecten dat wij nog niet hebben verdisconteerd in verband met de financieel-economische crisissituaties. Er komen nog steeds meer interferenties van beleid aan de orde. Bij sommige onderwerpen spelen externe ontwikkelingen een rol. Wat er echter tot nu toe op dit terrein is gerealiseerd, is zonder meer indrukwekkend. Op die basis leren wij verder.

MevrouwJoldersma(CDA)

Ik hoop dat de minister ons deelgenoot kan maken van die lering. We hebben gesproken over veiligheidsbeleving, maar hetzelfde geldt natuurlijk voor het gevangeniswezen. Opeens vraagt iedereen zich af hoe het mogelijk is dat er in de cellen allerlei plekken over zijn. Het kan zijn dat dit klopt, maar blijkbaar hebben wij dat niet goed meegekregen. De dekkingsgraad van de gevangenissen is in 2008 een stuk minder dan in het jaar daarvoor. Ik wil meer helderheid in dat soort zaken. Ik weet niet waar in de begroting, maar wij moeten het niet zomaar de samenleving insturen.

MinisterHirsch Ballin

Dat neemt niet weg dat iemand die heeft meegemaakt dat de uitbreiding van het gevangeniswezen bij zijn aantreden in eerdere periode ver achterliep bij wat nodig was, zich veel gelukkiger voelt wanneer er plaatsen overblijven. Met deze relativering van de opmerking van mevrouw Joldersma sluit ik mijn antwoord bijna af.

Mijn collega van Binnenlandse Zaken is met betrekking tot de verloedering intensief bezig met de gemeenten. Wij hopen dat op dit punt de extra bevoegdheden die als wetsvoorstel bij de Eerste Kamer in behandeling zijn tot extra effecten leiden.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Ik geef het woord aan de staatssecretaris.

StaatssecretarisAlbayrak

Dat kan kort. De minister van Justitie heeft een vrij complete beantwoording gegeven van de vragen die in het algemeen justitie betroffen over het maken van prognoses en over het inhuren van externe. Dat raakt ook mijn beleidsterrein, maar daarop hoef ik nu geen antwoord meer te geven.

De heer Heerts vraagt of de beleidsdoelstellingen op schema liggen. Het antwoord daarop is ja. De minister-president heeft een delivery-rapport naar de Kamer gestuurd waarin dat valt na te lezen. De asielprocedure is verkort en verbeterd om het van oneigenlijk gebruik van herhaalde aanvragen tegen te gaan. Ik verwijs hierbij naar de asielbrief die de Kamer inmiddels heeft besproken. De Kamer zal de wetgeving nog voor de zomer ontvangen. Wij liggen op schema.

Het moderne migratiebeleid is wederom een van de beleidsdoelstellingen van dit kabinet. Door het binnenhalen van hoogwaardige kennis moet de concurrentiekracht van Nederland worden versterkt. Dit is onderdeel van de kennismigrantenregeling. Wij hebben hierin verbeteringen doorgevoerd voor studenten en wetenschappers die naar Nederland moeten komen. Dat is een wenselijke vorm van selectieve migratie. Dat staat in het moderne migratiebeleid waarvan de Kamer de wetgeving binnenkort zal ontvangen.

Migratie en ontwikkeling hebben ook als uitdrukkelijk doel om de terugkeer effectiever te doen zijn, bijvoorbeeld door meer in te zetten op vrijwillige terugkeer. Hiervoor liggen wij met de minister voor Ontwikkelingssamenwerking absoluut op schema. Wat betreft de beleidsdoelstellingen en de uitwerking daarvan liggen wij beiden zeker op schema. Wij zijn ons ervan bewust dat de komende twee jaar in het teken moeten staan van de uitvoering. Het gaat uiteindelijk om de effecten die wij hopen te laten zien. Een deel van die effecten is nu al merkbaar.

De justitiële jeugdinrichtingen. Er zijn ingrijpende maatregelen genomen die hun vruchten beginnen af te werpen. Zo ligt de implementatie van het plan van de tbs-onderzoekscommissie onder leiding van de heer Visser op schema en heeft de Kamer een moderniseringsagenda en een capaciteitsplan voor het gevangeniswezen ontvangen. Over anderhalve week komen wij met elkaar over deze plannen te spreken. Ten slotte wijs ik erop dat de nazorg voor volwassenen en de verplichte nazorg voor alle jeugdigen op schema liggen.

Mevrouw Gerkens vroeg naar de cijfers over de vreemdelingenbewaring. Zij deed dat, omdat de cijfers in het jaarverslag onvoldoende inzicht zouden geven. Zo zou zij willen weten hoeveel mensen bij herhaling in vreemdelingenbewaring zijn geplaatst. Er staat voor 2 juli een debat gepland over het rapport van de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer. Bij dat debat zullen haar vragen aan de orde komen. Overigens moet de rapportage over de vreemdelingenketen in samenhang worden gelezen met de cijfers in het jaarverslag, want in de rapportage staan de gedetailleerde gegevens over de hele keten. Die rapportage is zo opgesteld, omdat de Kamer in het debat over de vorige rapportage heeft aangegeven dat de cijfers daarin geen antwoord gaven op haar vragen.

Interessant is wel dat de manier waarop er wordt gerapporteerd, op verzoek van de Kamer is aangepast. De Kamer heeft namelijk eerder aangegeven niet te zitten wachten op cijferreeksen en in plaats daarvan meer duiding te willen. De laatste rapportages zijn dan ook een poging om de cijfers te duiden. Wat zijn de trends? De Kamer lijkt op haar eerdere wens om meer duiding terug te komen en vraagt om weer een ander type rapportage. Ik heb de vaste commissie voor Justitie gevraagd om hiervoor suggesties te doen. Welk type cijfers moet ik in de rapportage opnemen? Op die suggesties wacht ik nog steeds. Op het moment dat ik die suggesties ontvang, zal ik ze gebruiken om de Kamer zo veel mogelijk te bedienen.

Mevrouw Gerkens vroeg hoeveel geld er beschikbaar is voor de gesubsidieerde rechtshulp en waarom er in het jaarverslag geen melding is gemaakt van de stijging van de instroom. Het jaarverslag geeft de ontwikkelingen in 2008 weer, maar dan wel zoals die bij ons bekend waren op het moment dat het jaarverslag werd opgesteld. Natuurlijk zijn er na-ijleffecten. Er komen meer gegevens beschikbaar, maar die konden wij de Kamer niet eerder verstrekken. Het eerstvolgende moment waarop dat wel kan, is de begroting voor 2010.

Mevrouw Joldersma vraagt waarom de prognose voor de asielinstroom is vastgesteld op 17.000. Het is de bedoeling om daardoor de verwerkingscapaciteit te vergroten. De door haar geconstateerde toename van de bezettingsgraad van de tijdelijke noodvoorzieningen en de langere doorlooptijden vind ik namelijk ook onwenselijk. Ik heb hiertegen maatregelen genomen. Waaruit die bestaan heb ik de Kamer gemeld, maar ik kan op dit moment nog niet de effecten ervan meten.

Het was nodig om de verwerkingscapaciteit op te hogen om geen achterstanden op te lopen. Het aantal van 17.000 is dus gekozen om ervoor te zorgen dat er in alle gevallen voldoende capaciteit is. Het effect van de groei in behandelcapaciteit zal zijn dat achterstanden niet verder oplopen. Ik hoop verder dat de instroom zal gaan dalen, bijvoorbeeld doordat het aantal Irakese asielzoekers de eerste maanden van dit jaar kleiner wordt, want dan gaan wij weer in de richting van de gewenste doorlooptijden en neemt de bezettingsgraad van de tijdelijke noodopvang ook af.

De buffercapaciteit van de IND en het COA wordt onderzocht in het kader van het nieuwe asielbeleid. De desbetreffende wetsvoorstellen komen nog voor de zomer naar de Kamer.

Mevrouw Joldersma vraagt naar het verschil tussen de twee rijksklinieken die wij nog hebben en de private klinieken. Voorts vraagt zij zich af hoe de rijksklinieken zich voorbereiden op de nieuwe inkoopsituatie. Inderdaad krijgen wij met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet forensische zorg in 2011 een andere inkoopsituatie. Wij zijn bij Justitie bezig met dezelfde vraag die ook mevrouw Joldersma heeft, namelijk hoe de relatie tussen de twee rijks-tbs-klinieken en Justitie vormgegeven moet worden en hoe die relatie zich verhoudt tot onze relatie met de andere klinieken. Daarbij gaat de aandacht ook zeker uit naar de ondersteunende formatie die aanwezig is bij de shared service centra.

Verzelfstandiging van de twee rijksklinieken is op dit moment niet aan de orde. Wij zijn bezig met een evaluatie van de verzelfstandiging van de Van Mesdagkliniek, de laatste verzelfstandiging, die in 2007 heeft plaatsgevonden, waarbij wij ook uitdrukkelijk kijken naar de voor- en nadelen van die verzelfstandiging in relatie tot het in eigen beheer uitvoeren van de shared service centra. Aan de hand van het evaluatieonderzoek in combinatie met een inschatting van de gevolgen van de nieuwe wetgeving voor de forensische zorg zullen wij in 2010 twee scenario's uitwerken: één met en één zonder de verzelfstandiging van de resterende twee rijksklinieken.

Ik kan mij goed voorstellen dat de heer De Krom, als hij de cijfers van 2007 en 2008 vergelijkt, daar de kwalificaties aan verbindt die hij er zojuist aan verbond. Hij moet echter een stukje teruggaan in de tijd om de echte trend te kunnen waarnemen. De omslag is gekomen in 2001, onder de toenmalige staatssecretaris Job Cohen, met de invoering van de nieuwe Vreemdelingenwet. Wij hebben toen de aantallen asielaanvragen in Nederland drastisch zien afnemen, van 32.600 in 2001 naar 18.700 in 2002. Dat is de echte omslag geweest. Daarna is de trend stabiel gebleven. Onder het vorige kabinet, onder een VVD-bewindspersoon, nam het aantal asielaanvragen eerst af tot 9800, waarna het aantal weer opliep tot 14.500 in 2006, het laatste jaar van het vorige kabinet. De heer De Krom ziet dus dat met name in de laatste jaren van het vorige kabinet de trend niet dalend, maar stijgend is geweest. Die stijging was eigenlijk vergelijkbaar met wat wij in de afgelopen jaren hebben gezien. Van 14.500 zijn wij teruggegaan naar 9700. De teruggang in 2007 – het eerste jaar van dit kabinet – is voor een belangrijk deel te verklaren uit het afschaffen van het categoriaal beschermingsbeleid voor Irakezen, tussen 2006 en 2007.

Het jaar 2007 was het jaar van het generaal pardon. Dat was het jaar waarvan iedereen zei: nu gaan honderdduizenden asiel aanvragen in Nederland, omdat het pardon er gekomen is. Dat is niet uitgekomen. Wij hebben in 2007 een historisch laag aantal eerste aanmeldingen gezien. Die kan ik deels verklaren uit het afschaffen van het categoriaal beschermingsbeleid voor Irak.

In 2007 is naar aanleiding van de verslechterde veiligheidssituatie in Irak op basis van het ambtsbericht het beschermingsbeleid wederom ingevoerd. Vooral daardoor is de stijging in 2008 veroorzaakt, in combinatie met de doorlopende hogere instroom van Somaliërs naar aanleiding van de onder het vorige kabinet door de vorige bewindspersoon ingestelde categoriale bescherming voor Somaliërs in 2005.

De stijging tussen 2007 en 2008 is dus hoog, kan ik de heer De Krom zeggen, maar is zeer zeker ook verklaarbaar en loopt niet uit de pas met de trend die ook onder het vorige kabinet waarneembaar was. U weet dat wij inmiddels het door het vorige kabinet ingestelde categoriale beschermingsbeleid voor Somalië hebben afgeschaft om de u welbekende redenen, maar zonder dat de situatie in Somalië beter is. Wij hebben het categoriale beschermingsbeleid voor Irak in het najaar van 2008 ook afgeschaft en wel omdat de veiligheidssituatie in Irak steeds beter wordt. Dat is de trend. Op wat het effect van het afschaffen van het categoriale beschermingsbeleid voor Irak en Somalië op de instroom in 2009 zal zijn, kan ik niet vooruitlopen. Wel kan ik u zeggen dat de aantallen Irakezen echt met grote stappen dalen. Voor zover dat een effect kan zijn van de afschaffing van het beleid, zien wij dat al in de eerste maanden van dit jaar gebeuren. Deze constatering is belangrijk, omdat u zegt dat dankzij dit kabinet de asielinstroom verdubbeld is, maar dat is deels, in ieder geval als het om de Somaliërs gaat, te wijten aan besluitvorming van het vorige kabinet en deels aan besluiten die dit kabinet heeft genomen. Dat geldt voor zowel de hogere instroom als de lagere instroom van Irakezen in de eerste maanden van dit jaar. Dat is het volledige plaatje. Uw kwalificaties als lag het enkel en alleen aan het beleid van dit kabinet dekken in ieder geval niet het hele verhaal, maar ik begrijp natuurlijk dat u er geen belang bij hebt, het hele verhaal te vertellen.

U wijst ook op het andere deel van de immigratieportefeuille: regulier en op de opmerkingen die de heer Van der Laan ten overstaan van de media heeft gemaakt. U zegt dat – ik zeg het wat minder heftig dan u – het eigenlijk jammer is dat hij die heeft moeten maken en niet de staatssecretaris die over immigratie gaat. De reden daarvan is echter behoorlijk simpel: de minister voor Integratie is als eerste verantwoordelijk voor de Wet inburgering buitenland, dus zodra hij, bezig zijnde met een kabinetsreactie op het evaluatierapport van de Wet inburgering buitenland, daar een mening over heeft, vind ik dat hij meer dan gerechtigd is om die mening publiek te maken. Wij zijn samen bezig om de evaluatie van een kabinetsreactie te voorzien. Daarbij geven wij ook een reactie op de motie-Dijsselbloem/Van Toorenburg die de Kamer heeft aangenomen en via welke wordt verzocht om maatregelen op met name het vlak van de huwelijksmigratie. Dat is niet irrelevant, omdat ik vind dat de oplossingen deels bij de minister voor Integratie liggen, bijvoorbeeld als het gaat om het niveau van de inburgeringstoets buitenland en deels bij Justitie, namelijk zodra het maatregelen betreft met het oog op verdere fraude- en misbruikbestrijding en dus op de aanpak van schijnhuwelijken en de Europaroute. Daar heb ik de Kamer vele malen melding van gemaakt. Wij kijken of de noodzaak bestaat om maatregelen te treffen en zo ja, welke om te dien aanzien nog effectiever te worden. Dat proces doorlopen Justitie en WWI gezamenlijk. De minister heeft de Kamer al toegezegd dat er een gezamenlijke visie op huwelijksmigratie komt, dus zowel in reactie op het evaluatierapport Wet inburgering buitenland als op de motie die ik net al even noemde. Ik verwacht dat het kabinet de Kamer na de zomer de integrale kabinetsvisie op huwelijksmigratie kan aanbieden.

In de importbruidendiscussie lijkt het vooral te gaan over de traditionele landen van herkomst van importbruiden: Turkije en Marokko. Als we de hogere instroom van huwelijksmigranten analyseren, zien we dat die niet veroorzaakt wordt door landen waarvoor de Wet inburgering buitenland geldt, dus Turkije en Marokko, want het effect van die wet op immigratie uit die landen is nog steeds zichtbaar. De trend is dus dalende ondanks een lichte stijging, maar de eerste analyse wijst uit dat dit een inhaalslag is van mensen die een cursus en een inburgeringsexamen hebben moeten doen. De stijging wordt vooral veroorzaakt door nareizende gezinsleden van toegelaten vluchtelingen. Eigenlijk is dit logisch. Op het moment dat er een hoger aantal toegelaten vluchtelingen is, zal het aantal nareizende gezinsleden hoger zijn. Als het om de maatregelen gaat die wij nemen om de integratie van deze mensen succesvol te doen zijn, is hier relevant dat dit mensen zijn voor wie de Wet inburgering buitenland niet geldt. Wij mogen aan deze mensen geen eisen stellen voordat zij komen. Hier zal de integratie met alle kracht moeten beginnen nadat ze in Nederland zijn aangekomen. Ook dat gesprek is nu gaande tussen de ministers voor Integratie en van Justitie.

Je ziet hoe voorzichtig je moet zijn met dit soort algemene beelden die worden opgeroepen. De term "importbruiden" lijkt te gaan over Turkije en Marokko. Daar ligt nog steeds een uitdaging als het gaat om emancipatie en om ervoor te zorgen dat achterstanden niet gevoed blijven worden met hoge aantallen nieuwkomers. Een deel van de oplossing is het voorbereiden van de mensen en het eisen stellen voordat zij naar Nederland komen. Een veel grotere zorg met betrekking tot integratie is op dit moment een succesvolle integratie van nareizende gezinsleden van toegelaten vluchtelingen. Maar dat zal de Kamer beter onderbouwd en van maatregelen voorzien tegemoet kunnen zien in de visie die ik zojuist heb aangekondigd en die al eerder door de minister voor Integratie is aangekondigd.

De heer De Krom vroeg naar de gestegen kosten van de asielopvang. Hij wees op de discussie die wij hebben gevoerd over tenten. Hoe ze worden genoemd, "tenten" of "paviljoens", maakt mij niet zo veel uit, als men maar wegblijft bij de associatie dat het om "tentenkampen" gaat. De associatie die ik met tentenkampen heb, is heel anders. Eenieder die denkt dat wij in Nederland te maken hebben met die situatie, zoals ik regelmatig tegenkom in tentenkampen elders in de wereld en af en toe in de Europese Unie aan de zuidgrens, maakt een vergelijking die niet gemaakt mag worden, omdat die echt niet opgaat. Mij maakt het niet uit hoe men ze noemt. Ik heb de Kamer meegedeeld wat de reden is dat wij deze paviljoens als tijdelijke capaciteit op reeds bestaande COA-locaties neerzetten. Dat was allereerst in Gilzen. Vandaag is een brief naar de Kamer gegaan, die de leden nog zullen ontvangen, waarin ik de tweede locatie bekendmaak. Dat is Oude Pekela. Daar zal een extra capaciteit van 250 plekken komen, conform mijn aankondiging tijdens het vragenuurtje. Het gaat om een totaal van 1500 plekken die het COA nodig heeft, omdat kortetermijncontracten die aflopen niet snel genoeg omgezet kunnen worden in nieuwe capaciteit, ook een beetje vanwege het seizoen waarin we zitten. Met de langetermijncapaciteit is het COA wel zeer succesvol bezig met gemeenten om duurzame langetermijncontracten af te sluiten. Ik voorzie dat dit een tijdelijk probleem is en dat aan mijn oproep aan gemeenten om mee te werken aan het realiseren van kortetermijnopvang gehoor wordt gegeven. Die brief krijgen de leden dus vandaag.

Eigenlijk is het logisch dat in de situatie dat er meer moet worden opgevangen dan begroot, het COA gehouden is om op korte termijn capaciteit te realiseren. Ik verwees daar zojuist al naar. Dat betekent meestal dat dit hogere kosten met zich meebrengt. Met duurzame contracten zijn de gemiddelde kosten lager dan wanneer je snelle flexibele capaciteit moet inhuren. Je onderhandelingspositie is dan niet zo sterk als wanneer je daar heel lang mee bezig kunt zijn, omdat de snelheid van het realiseren van capaciteit ook een factor is. Daarnaast is extra geïnvesteerd in de brandveiligheid en de beveiliging überhaupt.

De behandeling van de asielaanvragen heeft meer inzet van de IND gevergd dan was voorzien in de kostprijs waarmee wij hebben gerekend. Om die reden vindt er nu een vrij degelijk normeringsonderzoek plaats, een kostprijsonderzoek, omdat wij met name met de verbeteringen die met de "IND bij de tijd" zijn gekomen, ook met het ARK-rapport in handen, beter zicht willen hebben op wat de daadwerkelijke kostprijs van de producten van de IND is. Daar nemen wij dit in mee, dus op dit moment kan ik nog geen duidelijke redenen geven waarom de IND zwaarder is ingezet op de asielprocedures. Dat zou te maken kunnen hebben – zeg ik vanuit de wetenschap – met het feit dat wij daarmee veel hebben gedaan in meer nader onderzoek bij twijfel of een vluchtverhaal wel klopt et cetera.

Dan kom ik bij de vraag of de asielinstroom gaat leiden tot een overschrijding van de begroting voor 2009. Het antwoord daarop kan ik nog niet geven. Als wij de instroom zoals die nu bekend is, zouden doortrekken, zou de conclusie gerechtvaardigd zijn dat wij, zeker binnen de prognose en dus ook binnen de kosten zullen blijven, maar de Kamer weet dat die instroom grillig kan zijn. Als morgen in een herkomstland een situatie van oorlog ontstaat, waardoor mensen op de vlucht slaan en de instroom in heel Europa en in Nederland toeneemt, kan dat plaatje meteen weer omslaan, dus daarover kan ik nog geen definitieve uitspraak doen. Het doortrekken van de instroom in de eerste maanden zou moeten betekenen dat wij binnen de prognose blijven.

Wat de dalende kosten van de terugkeer betreft, heeft de Kamer in het jaarverslag kunnen zien dat de realisaties op het gebied van terugkeer hoger zijn dan begroot. Dan gaat het om de realisaties algemeen, maar het aandeel zelfstandig vertrek was in 2008 lager dan begroot. U weet dat voor zelfstandig vertrek geld is gereserveerd in de vorm van financiële steun bij terugkeer. Dat geld hebben wij dus niet allemaal weten uit te geven. Ik kan wel melden dat inmiddels in het eerste kwartaal van 2009 de vrijwillige terugkeer aanmerkelijk hoger is. In die periode zijn al 700 mensen vrijwillig teruggegaan. In het eerste kwartaal van 2008 waren dat er 425. Ik durf te zeggen dat dit een gevolg is van het beleid in het kader van de brief over vrijwillige terugkeer en het stimuleren daarvan. Ik ben daar blij mee, omdat de wetenschap leert dat vrijwillige terugkeer vaker ook duurzame terugkeer is.

De voorzitter:

Dan vraag ik voor de tweede termijn of de Kamer nog vragen heeft aan de staatssecretaris, want zij zit het krapst in de agenda.

De heerDe Krom(VVD)

Voorzitter. Het verhaal van de staatssecretaris heb ik eerder gehoord. Als zij in haar eigen sprookjeswereld wil blijven geloven, moet zij dat vooral doen. Zij heeft er natuurlijk ook belang bij om die cijfers, die volgens mij niet liegen, zo veel mogelijk weg te poetsen. Dat vinden wij trouwens ook in de antwoorden op de vragen terug. Ik zal daarop nu niet verder ingaan, maar als de staatssecretaris dat wil, kan ik haar een paar voorbeelden geven.

Tijdens het debat dat wij plenair een aantal weken geleden hebben gevoerd over het migratie- en asielbeleid heb ik de staatssecretaris ook een migratiefactsheet gegeven, met cijfers van het CBS, die ik aan de Handelingen heb laten toevoegen. De staatssecretaris heeft toegezegd dat zij daarop met een reactie zou komen en mij zou laten weten welke cijfers niet kloppen. Ik heb daarvan nog niets teruggezien. Dat zou mij ook niet zo verbazen, want die cijfers kloppen natuurlijk gewoon, of het CBS heeft zijn huiswerk niet goed gedaan, wat ik mij nauwelijks kan voorstellen. De staatssecretaris probeert dit allemaal weg te poetsen. Ik kijk gewoon naar de cijfers en de grafieken. Die gaan gewoon de verkeerde kant uit sinds de staatssecretaris hier zit. Zij kan wel blijven zeggen dat het niet zo is. Dat begrijp ik ook in haar positie. Ik begrijp ook dat zij probeert het verhaal een draai te geven. Dat zou ik in haar geval ook doen, maar ik kijk gewoon naar de cijfers zoals die er liggen. Ik zie, proef en voel geen enkele urgentie voor het probleem dat de minister voor Integratie ook heeft aangekaart en dat de VVD hier al sinds de staatssecretaris hier zit in het parlement aankaart, namelijk dat wij moeten oppassen dat de immigratie niet weer de verkeerde kant uit gaat. De cijfers wijzen gewoon in die richting.

Ik ben hier echt heel bezorgd over. De staatssecretaris weet dat zij het ook van mij hoort als zij gelijk heeft; ik refereer even aan het piratendebat. Maar in dit geval kan ik niet anders dan bezorgd zijn en erbij blijven dat het echt onder het beleid van deze staatssecretaris de verkeerde kant op gaat en dat ik vind dat zij moet ingrijpen. Zij doet dat niet en als zij het doet, doet zij het te laat, met het afschaffen van het categoriaal beleid. Keer op keer heeft zij de moties uit de Kamer afgewezen of ontraden waarin de VVD heeft uitgesproken dat dit moet worden afgeschaft omdat het niet doet wat wij ervan verwachten en uit de hand loopt. Als de staatssecretaris gelooft in haar eigen sprookje over het generaal pardon, moet zij dat vooral blijven doen: de kiezers zullen de weg naar de stembus weten te vinden over twee jaar. Als de staatssecretaris dit beleid blijft voortzetten, dan wordt het inderdaad multicultureel drama nummer 2, daarvan ben ik overtuigd. Dat is wat zij aan het doen is. Elke keer hoor ik de staatssecretaris zeggen: ja, maar het valt allemaal wel mee. Zij bagatelliseert alles van zich af. Ik zou graag willen dat de staatssecretaris de problemen onderkent, dat zij ingrijpt en er wat aan doet. Dat zie ik gewoon niet gebeuren.

De voorzitter:

Ik zie dat er geen verdere vragen aan de staatssecretaris zijn. Ik geef het woord aan de staatssecretaris. In ieder geval heb ik begrepen dat u beiden begrip voor elkaars stellingname hebt; dat scheelt al een stuk.

StaatssecretarisAlbayrak

Blijkbaar roept het dit soort reacties uit als je het totale plaatje laat zien. Dat plaatje komt u niet uit, mijnheer De Krom. U citeert op zijn minst selectief uit de cijfers, die overigens mijn cijfers zijn. Ik heb totaal geen belang bij het wegpoetsen van de cijfers die u gebruikt; ik breng ze immers zelf naar buiten. Het zijn mijn rapportages, mijn cijfers en mijn feiten. U verwees naar de cijfers van het CBS. Ik zeg niet dat deze niet waar zijn, ik heb gezegd dat ik zal bezien wat het verschil is. Ik wilde kijken naar de vergelijkbaarheid van de cijfers. Deze reactie ontvangt de Kamer nog. Ik heb er totaal geen behoefte aan om te zeggen dat de cijfers van het CBS niet waar zijn. Ik zal ervoor zorgen dat de Kamer voor het algemeen overleg van 2 juli mijn reactie op de CBS-cijfers heeft.

Nogmaals, ik poets de cijfers niet weg. Ik geef er alleen een reeks andere cijfers bij op basis waarvan men, dus op basis van het totaal, de echte conclusies zou moeten kunnen trekken, als men dat zou willen. Daarom wees ik op de trend onder het vorige kabinet. Eerst was sprake van een daling, maar in de laatste twee jaar van de VVD-bewindspersoon die destijds over immigratie ging, steeg asiel met 20%, 30% tot 40%. Dat zijn feiten. Ik zeg alleen maar dat ik deze stijging zie. Ik zie de oorzaken. Er zijn maatregelen genomen. Wij zien in de eerste maanden van 2009 een begin van de effecten van deze maatregelen. Mijnheer De Krom, het categoriaal beschermingsbeleid dat het vorige kabinet niet heeft afgeschaft en dat gewoon onderdeel is van het immigratiebeleid, pas je toe als de veiligheidssituatie in een land daarnaar is. Je schaft het af als het met het oog op de veiligheid in een land verantwoord is en kan. Je schaft het niet af omdat een politieke partij in de Tweede Kamer de instroom onverantwoord vindt; dat is geen criterium. Als dat het criterium was, had het vorige kabinet dit beleid afgeschaft. Het bestaat nog steeds en ik kan u zeggen – dat weet u inmiddels ook – dat dit kabinet het eerste kabinet is dat hardop de vraag heeft gesteld of wij het categoriaal beschermingsbeleid zoals wij dat kennen en toepassen, gelet op de consequenties voor de instroom in verhouding tot andere Europese landen, nog steeds houdbaar moeten achten. Dat is iets waarvan ik de Kamer heb gezegd dat zij hierop in het najaar een visie van deze staatssecretaris krijgt. Dat is voor het eerst sinds het categoriaal beleid überhaupt is ingevoerd.

Er ligt duidelijk een verschil van politieke appreciatie van wat hier aan de hand is. Als bewindspersoon geef ik de Kamer steeds alle feiten. Het is aan de Kamer om hier wel of geen gebruik van te maken. Ik zei het al, de hoogte van de instroom van 15.250 in 2008 ligt echt niet zo ver af van de instroomhoogte in het laatste jaar van het vorige kabinet. Dit is geen kwestie van bagatelliseren, dit zijn feiten. Zie ik de urgentie? Ja, zonder meer. Ik heb zo-even uitgebreid toegelicht waarom ik niet alleen de urgentie zie, maar ook vind dat u, mijnheer De Krom, deels de verkeerde urgentie heeft, namelijk nog steeds de huwelijksmigratie richting de klassieke "importlanden". Een andere ontwikkeling die nu waarneembaar is vanuit het oogpunt van integratie is echter even belangrijk, zo niet belangrijker. Deze urgentie komt niet van u, maar van het kabinet. Ook de maatregelen zullen van dit kabinet komen, zoals de Kamer al heel veel maatregelen heeft gezien.

De voorzitter:

Een laatste opmerking van de heer De Krom.

De heerDe Krom(VVD)

Ik vraag de staatssecretaris of het klopt dat in de periode 2001-2006 het aantal migranten is teruggebracht van 132.000 naar 101.000 en dat in de periode 2007-2008 dat aantal met 40.000 is gestegen naar 142.000. Klopt het dat de gezinsmigratie ...

StaatssecretarisAlbayrak

Wat is de bron?

De heerDe Krom(VVD)

Het zijn gewoon cijfers van het CBS.

StaatssecretarisAlbayrak

Daarop krijgt u nog een reactie. Ik heb hier alleen mijn eigen cijfers.

De heerDe Krom(VVD)

Dan moet u dat antwoord ook een keer geven. Ik begin er ondertussen flink van te balen.

De voorzitter:

Ik heb begrepen dat de staatssecretaris heeft toegezegd dat het antwoord komt voor het overleg van 2 juli.

De heerDe Krom(VVD)

U blijft elke keer weer deze cijfers ontkennen, terwijl u niet reageert op dit factsheet.

StaatssecretarisAlbayrak

Ik ontken helemaal niets, mijnheer De Krom. Ik begrijp uw verontwaardiging, maar u heeft meer dan genoeg informatie die u zelf ook kunt vergelijken.

De voorzitter:

Uw toezegging is voldoende. Voor 2 juli komt er een brief over deze cijfers. Die kunnen wij er dan op 2 juli bij betrekken.

StaatssecretarisAlbayrak

De brief zal vooral gaan over de vergelijkbaarheid van de CBS-cijfers met de cijfers die u van Justitie krijgt. De stelling van de heer De Krom is immers dat onze cijfers niet kloppen.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer De Krom heeft nu het CBS genoemd als bron.

De heerHeerts(PvdA)

Voorzitter. Wij hebben het nu nog maar niet over de advocatenwet, de rechtspraak et cetera. Dat doen wij niet vandaag, want dan zou het veel langer duren. Ik wil het echter nog over een punt hebben. Het gaat om de veiligheidscijfers versus de gevoelde veiligheid buiten Den Haag. De minister heeft recent een brief gehad van Detailhandel Nederland. Dat was een vrij kritische brief, over de winkelcriminaliteit en de aangiftebereidheid. Die heeft men ook cc naar de vaste commissie voor Justitie gestuurd. Mogen wij een afschrift van het antwoord ontvangen? Dat is een nogal concrete vraag. In de Integrale Veiligheidsmonitor staat bijvoorbeeld: "terwijl die over het doen van aangifte licht is afgenomen". De aangiftebereidheid is dan toch licht afgenomen en dat is zorgelijk.

De minister houdt een heel positief verhaal. Ik heb in het algemeen grote waardering voor de inzet en ook de antwoorden die de minister vanmiddag geeft. Het is natuurlijk maar kort, maar ik dank hem daar echt voor. Dit zijn echter punten – ik herhaal het nog maar eens – die laten zien dat wij niet in een soort cijferfetisjisme moeten komen met succes aan de ene kant, terwijl aan de andere kant de aangiftebereid en het gevoel afnemen.

MevrouwGerkens(SP)

Voorzitter. Precies over dat punt zou ik ook met de minister willen spreken. Ik snap zijn verhaal. Hij zegt dat hij de cijfers heeft en dat hij de voorbeelden moet noemen. Als die benadrukt worden, dan wordt het beter. Ikzelf denk dat het heel simpel is. Als een straat donker en voor mijn gevoel onveilig is, hoeft daar nooit iets gebeurd te zijn. Ik noem dat een onveilige straat, want zo is mijn beleving. Dat is precies wat ik bedoel met kortetermijnoplossingen. Volgens mij zijn er heel veel gemeenten die daarover goede tips en ideeën hebben. Misschien moeten wij eens kijken hoe wij die kunnen uitwisselen. De minister weet ook dat het gevoel van veiligheid heel wat anders is dan hoe de feiten en de cijfers eruitzien. Afgezien van de aangiftebereidheid, kunnen wij heel veel doen om ervoor te zorgen dat de cijfers beter worden. Als het gevoel echter niet verandert, dan hebben wij niets gewonnen. Daarom nogmaals mijn vraag: wat zou de minister kunnen doen om dat gevoel op korte termijn te verbeteren?

MevrouwJoldersma(CDA)

Voorzitter. Ik dank de bewindspersoon en alle mensen die erachter zitten voor de heldere verantwoording en de beantwoording van de vragen. Ik dank met name de staatssecretaris voor de heldere beantwoording over de Shared Service Centre. Van de minister begrijp ik dat Justitie een lerende organisatie is en blijft. Wat betreft de verantwoording blijft het voor mij soms puzzelen. Ik noem het voorbeeld van de cellen. Objectief stellen wij via de prognose vast dat wij minder cellen nodig hebben. Je zou dan eigenlijk verwachten dat het veiligheidsgevoel in Nederland toeneemt. Het omgekeerde gebeurt echter: het veiligheidsgevoel neem af. Men denkt dat Justitie het niet goed aanpakt. Dat zouden wij als leerpunt moeten gebruiken voor de verantwoording in de toekomst. Uit het debat dat zojuist plaatsvond tussen de heer De Krom en de staatssecretaris wordt mij volstrekt duidelijk hoe belangrijk het is dat daarbij goed toegelicht wordt of iets een autonome ontwikkeling is, of dat die te maken heeft met doorwerkingen van beleid.

Ik zou nog een laatste punt willen noemen. Over DJI gaf de minister wat mij betreft een niet helemaal volledig antwoord. Het ging over vraag 126 en vraag 125. De totale capaciteit van DJI is 17.000. Buiten de beveiligingsmensen worden er nog 700 mensen ingehuurd. Dat is toch gauw 4% of 5%. Op het geheel is dat redelijk veel. Ik kan mij in uitzonderlijke situaties van alles voorstellen; als het gaat om informatiesystemen zijn misschien echt deskundige mensen nodig. Toch moet men er rekening mee houden dat er straks bij DJI ook heel veel capaciteit weg moet. Je moet dan wel goed kunnen uitleggen waarom je zo veel externen gaat inhuren.

De heerDe Krom(VVD)

Voorzitter. Ik vind dat de minister voor integratie steun verdient, een zo breed mogelijk steun van de Kamer, voor zijn noodkreet om het aantal importbruiden te verminderen. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het aantal importbruiden drastisch stijgt;

verzoekt de regering, nog voor het zomerreces met een pakket maatregelen te komen om de toestroom van importbruiden in te dammen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid De Krom. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 8 (31924-VI).

De heerDe Krom(VVD)

Ik ben benieuwd welke redenen de staatssecretaris nu weet te verzinnen om ook deze motie te ontraden.

De voorzitter:

Ik ga ervan uit, nu de staatssecretaris weg is, dat de minister het tot zijn verantwoordelijkheid rekent om het oordeel van het kabinet hierover te geven.

MinisterHirsch Ballin

Voorzitter. Ik loop de vragen die in tweede termijn zijn gesteld, langs.

De heer Heerts sprak over de aangiftebereidheid en de detailhandel. Wij hebben binnenkort een vergadering met het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing, dat bedrijfsleven, Justitie en de andere betrokken ministeries, BZK en EZ, om de tafel brengt. Dat is een van de manieren waarop wij het contact met het georganiseerd bedrijfsleven onderhouden. Het is zeker ook nuttig om de vinger aan de pols te houden bij de afstemming van wat verwacht wordt van het bedrijfsleven en van wat Economische Zaken doet. Staatssecretaris Heemskerk van Economische Zaken heeft mij gevraagd om dit over te brengen. Hij zet zich ook in om de detailhandel, het midden- en kleinbedrijf, te ondersteunen bij hun aandeel daarin. Vooral in de sfeer van preventie is dat van belang.

Wij stimuleren het bedrijfsleven zeer om aangifte te doen. Men heeft soms de neiging om dat achterwege te laten op grond van motieven die wij wel kunnen begrijpen, maar die toch niet de overhand moeten hebben. Dat zijn motieven zoals de reputatie van het eigen bedrijf enzovoorts.

Wat de preventie betreft is daar waar wij een stijging van het aantal overvallen hebben gezien, zeer gericht gereageerd en met resultaat. Zie de resultaten in de politieregio Midden- en West-Brabant. Wij zullen het daar morgen misschien over hebben. Wij spreken daarover dus binnenkort met het bedrijfsleven. Ik neem aan dat dit ook op het punt van aangifte, aangiftebereidheid, actie, preventie en repressie de bevredigende antwoorden zal geven waar de heer Heerts naar vraagt.

Mevrouw Gerkens heeft gesproken over de onveilige straat. Wat zij zegt, herken ik heel goed. Zij heeft natuurlijk helemaal gelijk. Een van de ervaringen die iedereen die wel eens het land ingaat, zoals zij en de bewindslieden van Justitie, kan delen, is dat de ervaringen van mensen – begrijpelijkerwijs en geheel gerechtvaardigd – worden bepaald door wat zijzelf hebben meegemaakt op een bepaalde plek in het land. Daarom vinden wij het essentieel in ons beleid om het niet alleen op een abstract nationaal niveau te voeren, maar om per gemeente en per regio het beleid een gestalte te geven die beantwoordt aan de behoefte daar. Het is een taak van Justitie, van de bewindslieden van Justitie, die zij ook hebben meegegeven en graag bij deze gelegenheid tot de hunne maken in relatie tot de eigen organisatie in ruime zin – dus inclusief de organisatieonderdelen OM, Raad voor de Kinderbescherming en Reclassering die in het land op allerlei plaatsen actief zijn – om ook over te brengen wat er in werkelijkheid gebeurt, wat onze reële inzet is en tot welke resultaten die leidt. In die zin spoort wat mevrouw Gerkens zegt met de manier waarop wij naar de onderwerpen en de problemen kijken. Ik vind het prettig als zij ons daaraan houdt, want dat is ook onze inzet.

Mevrouw Joldersma heeft gesproken over de externe inhuur door DJI. Dat betreft met name 70 uitzendkrachten voor tijdelijke vervanging bijvoorbeeld wegens ziekte of om piekbelasting op te vangen. Het is goed dat wij dat op die manier hebben gedaan, want we komen liever niet in de situatie dat we de mensen na een piekbelasting moeten vragen zich op ontslag voor te bereiden. Specialistische kennis betreft alleen de tijdelijk benodigde kennis. We proberen, zoals ik al in eerste termijn zei, onze lerende organisatie ook van het eigen geheugen voorzien te houden. Elke inhuur behoort zeer goed te worden overwogen.

De heer De Krom heeft een motie ingediend, waarover ik een specifieke wedervraag heb. Hij verwees zojuist naar de cijfers van het CBS over immigratie. Dat zijn cijfers die wij u samen met andere cijfers zelf leveren. De heer De Krom spreekt over een drastische stijging van het aantal importbruiden. Naar welk cijfer verwijst hij in dit verband precies?

De heerDe Krom(VVD)

Naar de cijfers die minister Van der Laan de vorige week zelf heeft genoemd in het vragenuurtje. Ik heb die cijfers nu even niet bij de hand.

MinisterHirsch Ballin

Dan wil ik twee opmerkingen naar aanleiding van de motie maken. In de eerste plaats heeft de staatssecretaris van Justitie de Kamer zojuist zeer precies geïnformeerd over een aantal belangrijke trends en delen van de ontwikkelingen ten aanzien van het stijgen en dalen van asielverzoeken en andere factoren in aankomst en vertrek wat betreft migratie. Dat is een complex geheel. Als de heer De Krom spreekt over de migratiekaart, is het voor alles wat voor het beleid van belang is daarin te onderscheiden. Om die reden vroeg ik wie de heer De Krom precies bedoelde met "importbruiden". Bedoelt hij daarmee iedereen die naar Nederland komt en gaat trouwen? Of bedoelt hij daarmee de echtgenotes van asielzoekers of de echtgenotes van reeds wettig in Nederland gevestigde personen. Kan hij dat nog onderscheiden?

De heerDe Krom(VVD)

Ik moet even terug naar de cijfers van de vorige week. Ik heb ze hier niet bij me, maar als de minister die wil hebben, geef ik hem die graag. Hij kan ze echter ook bij zijn collega Van der Laan opvragen.

MinisterHirsch Ballin

Nee, ik heb de Handelingen op mijn bureau liggen. Daar het gaat niet om. Ik vraag mij af wat de heer De Krom nu precies bedoelt met de "importbruiden". Dat is dus een open vraag. Ik begrijp dat de heer De Krom ook nu niet preciseert welke gommen van de bruiden hij bedoelt. De staatssecretaris heeft zojuist al aangegeven dat wij na de zomer ons beleidsstandpunt over dit onderwerp komen. Dan zullen wij precies ingaan op alle cijfers die hierin de ronde doen, inclusief dat wat er is gebeurd met het aanhangsel aan de Handelingen. Omdat de vraag van de heer De Krom enerzijds te onbepaald is en hij anderzijds ons vraagt dit eerder te doen dan zojuist door de staatssecretaris van Justitie is toegezegd, ontraad ik mede namens haar aanvaarding van deze motie.

De heerDe Krom(VVD)

Dat is geheel conform mijn verwachting.

De voorzitter:

U zou de motie ook kunnen aanhouden totdat de staatssecretaris met haar beleidsbrief komt!

De heerDe Krom(VVD)

Ik moet wel zeggen dat het een beetje flauw is, want wat hier in de eerste overweging staat, zijn gewoon letterlijk de woorden van uw collega in het kabinet. Als de minister dat van een verdere definitie wil laten afhangen, doe ik dat met alle plezier. Ik zal hem dat nog graag even laten toekomen, maar ik vind het wel een beetje kinderachtig.

De voorzitter:

Ik doe u een tussensuggestie, omdat de staatssecretaris inderdaad heeft toegezegd dat het kabinet na de zomer met een reactie daarop komt naar aanleiding van de mondelinge vragen. Dan zou u ook uw motie zo lang kunnen aanhouden.

MinisterHirsch Ballin

Er zijn twee elementen waarom ik aanvaarding van deze motie ontraad. Het ene is het onbepaalde van de overweging en dat is echt een probleem, doordat er namelijk zonder onderscheid wordt gesproken over importbruiden en ook geen onderscheid wordt gemaakt naar gelang de wettelijke situatie van degenen die hier verblijven respectievelijk van degenen die zich hier in Nederland vestigen naar aanleiding van het huwelijk. Wij kennen allen artikel 8 van het EVRM. De fractie van de heer De Krom heeft nooit voorgesteld om dat af te schaffen. Dat is één. Ten tweede heeft mijn collega net toegezegd, uitgebreid gemotiveerd, dat er na de zomer een uitvoerige reactie komt. Dus misschien is het inderdaad voor de discussie het ordelijkste als de heer De Krom nagaat of er naar aanleiding van die reactie nog behoefte is aan de motie.

De voorzitter:

U wilt nog reageren, mijnheer De Krom?

De heerDe Krom(VVD)

Nee, dank u wel.

De voorzitter:

Dan zijn wij hiermee aan het eind gekomen van dit wetgevingsoverleg. Ik neem aan dat de motie van de heer De Krom, als hij deze niet aanhoudt, aanstaande dinsdag of volgende week op de stemmingslijst komt.

Dan sluit ik dit wetgevingsoverleg en ik dank u allen voor uw aanwezigheid.

Sluiting 16.31 uur.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Krom (VVD), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Roemer (SP), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA), Anker (ChristenUnie) en Heemelaar (GroenLinks).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Smeets (PvdA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Leijten (SP), Ulenbelt (SP), Jan de Vries (CDA), Weekers (VVD), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Karabulut (SP) Koşer Kaya (D66), Gill'ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Koppejan (CDA), Slob (ChristenUnie) en Van Gent (GroenLinks).

Naar boven