31 835
Aanpassing van de Wet op de rechtsbijstand in verband met de bestuurlijke centralisatie van de raden voor rechtsbijstand

nr. 9
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 16 juli 2009

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onderdeel A, wordt artikel 1, eerste lid, als volgt gewijzigd:

1. In de begripsbepaling van inkomen wordt «artikel 34e» vervangen door: artikel 34d.

2. De begripsbepaling van jaarplan vervalt.

3. In de begripsbepaling van raad van advies wordt «artikel 5» vervangen door: artikel 6.

B

Artikel I, onderdeel B, wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid komt te luiden:

2. De raad heeft zijn zetel te Utrecht en vestigingen in de hoofdplaatsen van de ressorten van de gerechtshoven.

b. Het vijfde lid komt te luiden:

5. Het bestuur kan na goedkeuring van Onze Minister een nevenvestiging openen.

2. In artikel 3, tweede lid, vervalt »ten minste één en».

3. In artikel 4, tweede lid, wordt «bestuursreglement» vervangen door: reglement.

4. In artikel 5, eerste lid, onderdeel b, wordt «die wet» vervangen door: de Kaderwet.

C

In artikel I, onderdeel C, onderdeel 3, worden de onderdelen b en c vervangen door:

b. Onderdeel e komt te luiden:

e. de vaststelling van de draagkracht overeenkomstig de bepalingen van deze wet en het zonodig verstrekken van een verklaring hieromtrent, voor zover dat bij wettelijk voorschrift is bepaald;.

D

In artikel I wordt na onderdeel C een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ca

Na artikel 7a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7b

Op verzoek van een nationale of internationale rechterlijke instantie of een instantie in een ander land kan het bestuur een verklaring omtrent het inkomen en vermogen verstrekken dat bij de vaststelling van de draagkracht in acht wordt genomen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent deze verklaring.

E

In artikel I, onderdeel D, vervalt de zinsnede «24, tweede en vierde lid,» en worden de zinsneden «34f, eerste, derde, vierde, vijfde en achtste lid» en «artikel 46, eerste en tweede lid» vervangen door respectievelijk «34f, eerste en derde lid» en «artikel 46, tweede lid.

F

In artikel I, onderdeel E, vervalt «34a, eerste lid,».

G

Artikel I, onderdeel F, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van onderdeel 2 wordt «Het nieuwe eerste lid» vervangen door: Het eerste lid (nieuw).

2. In onderdeel 2, onder a, wordt de puntkomma aan het slot vervangen door een punt.

3. Onderdeel 3 komt te luiden:

3. Het tweede lid (nieuw) komt te luiden:

2. Het bestuur doet jaarlijks aan Onze Minister verslag over de organisatie en de werkzaamheden van de door het bestuur getroffen voorzieningen.

H

Artikel I, onderdeel H, komt te luiden:

H

Artikel 9 vervalt.

I

In artikel I wordt na onderdeel H een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ha

Het opschrift van Afdeling 3 komt te luiden: Afdeling 3. Personeelsleden van de raad.

J

In artikel I worden na onderdeel I twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Ia

Artikel 13, derde lid, komt te luiden:

3. Het bestuur stelt regels met betrekking tot het aangaan van de in het eerste lid, onder c, en tweede lid bedoelde overeenkomsten.

Ib

In het opschrift van hoofdstuk III, afdeling 2, wordt «de raad» vervangen door: het bestuur.

K

Artikel I, onderdeel J, komt te luiden:

J

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin wordt «Alle in het ressort kantoor houdende» vervangen door: Alle in Nederland kantoor houdende.

2. In de eerste volzin wordt «de raad» vervangen door: het bestuur.

3. In de tweede volzin wordt «De raden kunnen gezamenlijk» vervangen door: Het bestuur kan.

L

In artikel I, onderdeel K, vervalt «, eerste lid,».

M

Artikel I, onderdeel L, vervalt.

N

In artikel I, onderdeel N, komen de onderdelen 2 en 3 te luiden:

2. Het vijfde lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

a. In de eerste volzin wordt «De raad, bedoeld in het vijfde lid,» vervangen door: Het bestuur.

b. In de tweede volzin wordt «De raad» vervangen door: Het bestuur.

c. In de derde volzin wordt «de raad» vervangen door: het bestuur.

3. Het zesde lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

a. In de eerste volzin wordt «de raad, bedoeld in het zesde lid» vervangen door: het bestuur, bedoeld in het vijfde lid.

b. In de tweede volzin wordt «de raad» vervangen door: het bestuur.

O

Artikel I, onderdeel O, onderdeel 2, komt te luiden:

2. In het tweede lid wordt «bij de raad in het ressort» vervangen door: bij de vestiging van de raad in het ressort.

P

In artikel I worden na onderdeel O twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Oa

In artikel 28, eerste lid, onderdeel d, wordt na «bedoeld in artikel 7, tweede lid,» ingevoegd: of door een voorziening als bedoeld in artikel 8, tweede lid, voor zover belast met het verlenen van rechtshulp,.

Ob

In artikel 33a wordt «bij de raad» vervangen door: overeenkomstig artikel 33b.

Q

Artikel I, onderdeel Q, komt te luiden:

Q

Artikel 33c wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt de zinsnede «De door de raden te stellen regels» vervangen door: De door het bestuur te stellen regels.

2. In onderdeel f wordt de punt aan het slot vervangen door een puntkomma.

3. In onderdeel g wordt de puntkomma aan het slot vervangen door een punt.

R

Artikel I, onderdeel R, komt te luiden:

R

Artikel 34 f wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde tot en met achtste lid vervallen.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Bij gebreke van volledige betaling kan het bestuur na een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Algemene wet bestuursrecht invorderen bij dwangbevel als bedoeld in artikel 4:114 van de Algemene wet bestuursrecht.

S

In artikel I wordt na onderdeel R een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ra

In artikel 34g, derde lid, wordt na «volzin» telkens een komma geplaatst.

T

In artikel I, onderdeel S, onderdeel 2, wordt na «artikel 4:80 van de Algemene wet bestuursrecht» een komma geplaatst.

U

Artikel I, onderdeel U, onderdeel 3, onder a, komt te luiden:

a. «De raad» wordt vervangen door: Het bestuur.

V

In artikel I worden na onderdeel V twee onderdelen ingevoegd, luidende:

W

Artikel 46, eerste lid, komt te luiden:

1. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van het bestuur is, in afwijking van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de rechtbank bevoegd binnen het rechtsgebied waarvan de vestiging van de raad, bedoeld in artikel 24, tweede lid, is gelegen.

X

In artikel 49 wordt «34a, vijfde lid» vervangen door: 34a, vierde lid.

W

Artikel II komt te luiden:

ARTIKEL II

In de artikelen 15e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, 40, derde lid, 41, eerste lid, 42, eerste lid, 45, derde lid, 47, 226a, tweede lid, 226h, eerste lid, 470, tweede lid, 509c, 509k, eerste lid, 509r, eerste lid, 509bb, eerste lid, en 580, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, de artikelen 52, derde lid, en 64, tweede lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, de artikelen 24, derde lid, en 62, tweede lid, van de Overleveringswet, de artikelen 24, derde lid, en 55, tweede lid, van de Uitleveringswet, artikel 29f, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, artikel 100, tweede en derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, artikel 13, vijfde lid, van de Advocatenwet, en de artikelen 8, derde lid, en 41a, zesde lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen wordt «het bureau rechtsbijstandvoorziening» telkens vervangen door: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.

X

Artikel III komt te luiden:

ARTIKEL III

In de artikelen 40, eerste lid, en 458, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt «Het bureau rechtsbijstandvoorziening» telkens vervangen door: Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.

Y

Na artikel III worden twee artikelen ingevoegd luidende:

ARTIKEL IIIa

In artikel 42, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt «de raad voor rechtsbijstand» vervangen door: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.

ARTIKEL IIIb

Artikel 817, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt te luiden:

2. In het geval bedoeld in het eerste lid beveelt de rechter het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan deze echtgenoot een advocaat toe te voegen indien hij nog geen advocaat heeft en bepaalt hij tevens een nieuwe termijn voor het indienen van een verweerschrift. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de vergoeding die de advocaat ontvangt voor de door hem verleende rechtsbijstand.

Z

Artikel IV komt te luiden:

ARTIKEL IV

De Wet van 28 oktober 1991, tot uitvoering van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen en de op 27 januari 1977 te Straatsburg tot stand gekomen Europese overeenkomst inzake het doorzenden van verzoeken om rechtsbijstand wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift van Hoofdstuk I komt te luiden: Algemeen.

2. In artikel 2 wordt «het bureau rechtsbijstandvoorziening te ’s-Gravenhage» vervangen door: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.

3. In artikel 3 wordt «worden aangewezen de bureaus rechtsbijstandvoorziening in alle ressorten» vervangen door: wordt aangewezen het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.

4. In artikel 6 vervallen «het bureau rechtsbijstandvoorziening dat met de beslissing op een verzoek op rechtsbijstand is belast, of» en «het bureau of».

5. In het opschrift van Hoofdstuk II wordt «een verdragsstaat» vervangen door: andere verdragsstaten.

6. Artikel 8 komt te luiden:

Artikel 8

De ontvangende centrale autoriteit neemt, indien het verzoek om rechtsbijstand naar haar oordeel voldoet aan de bepalingen van het Verdrag of de Overeenkomst, de beslissing op het verzoek. Indien de beslissing strekt tot afwijzing van het verzoek, omvat de beslissing de redenen daarvan. De beslissing bevat tevens een opgave van de vergoedingen die ten laste van de verzoeker komen.

7. In artikel 9 wordt «Het bureau rechtsbijstandvoorziening» vervangen door «De ontvangende centrale autoriteit» en vervalt de tweede volzin.

8. Artikel 10 vervalt.

9. Artikel 11, eerste lid, komt te luiden:

1. De ontvangende centrale autoriteit stelt de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat in kennis van de in artikel 8 bedoelde beslissing.

10. In artikel 12, eerste lid, wordt «het bureau rechtsbijstandvoorziening in het ressort waar de verzoeker zijn gewone verblijfplaats heeft» vervangen door: de verzendende autoriteit.

11. In artikel 13, eerste lid, wordt «Het bureau rechtsbijstandvoorziening« vervangen door: De verzendende autoriteit.

12. In artikel 14 wordt «Het bureau rechtsbijstandvoorziening» vervangen door: De verzendende autoriteit.

13. In artikel 15 worden «Het bureau rechtsbijstandvoorziening», «het bureau» en «Het bureau» vervangen door respectievelijk «De verzendende autoriteit», «de verzendende autoriteit» en «De verzendende autoriteit».

14. In artikel 18, eerste lid, aanhef, wordt «het bureau rechtsbijstandvoorziening in het ressort waar de verzoeker zijn gewone verblijfplaats heeft» vervangen door: de verzendende autoriteit.

15. In artikel 19 vervalt de zinsnede «door tussenkomst van de ontvangende centrale autoriteit» en wordt «Het bureau rechtsbijstandvoorziening» vervangen door: De verzendende autoriteit.

16. In artikel 20 wordt «Het bureau rechtsbijstandvoorziening» vervangen door: De verzendende autoriteit.

AA

Artikel V wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet» vervangen door: «op de dag vóórafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van deze wet» en «zijn op dat tijdstip» vervangen door: worden.

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. De personen, bedoeld in het eerste lid, verkrijgen bij de raad een rechtspositie die in totaliteit ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de rechtsbijstand zoals dat luidde vóór inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van deze wet.

AB

Artikel VI wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «vóór de inwerkingtreding van deze wet» vervangen door: vóór de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van deze wet.

2. In het tweede lid wordt in de tweede volzin na «Artikel 24, eerste lid» een komma geplaatst.

3. In het derde lid vervalt de komma na de zinsnede «krachtens het eerste lid».

AC

In artikel VII wordt «vóór de inwerkingtreding van deze wet» vervangen door: «vóór de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van deze wet» en vervalt «met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet».

AD

Artikel VIII wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «vóór de inwerkingtreding van deze wet» vervangen door: «vóór de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van deze wet» en vervalt «met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet».

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De zinsnede «vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet» wordt vervangen door: vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van deze wet.

b. De zinsnede «op dat tijdstip» vervalt.

AE

Artikel IX komt te luiden:

ARTIKEL IX

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Toelichting

Algemeen

Deze nota van wijziging bevat technische en redactionele wijzigingen. De meest uitgebreide is aangebracht in de Wet van 28 oktober 1991, tot uitvoering van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen en de op 27 januari 1977 te Straatsburg tot stand gekomen Europese overeenkomst inzake het doorzenden van verzoeken om rechtsbijstand (zie onderdeel Z en de toelichting op dat onderdeel). Aangezien in de artikelen 2 en 3 van voornoemde wet het bestuur van de raad voor rechtsbijstand is aangewezen als ontvangende centrale autoriteit en verzendende autoriteit, wordt voorgesteld de tekst van de wet aan te passen aan de begrippen «ontvangende centrale» en«verzendende autoriteit». De overige wijzigingen worden, voorzover zij niet slechts redactioneel van aard zijn, hieronder toegelicht.

Onderdeelsgewijs

A

Dit onderdeel bevat correcties van onjuiste verwijzingen naar artikelen. De begripsbepaling jaarplan vervalt, omdat dit begrip niet meer voorkomt in de gewijzigde Wet op de rechtsbijstand (Wrb).

B

De wijziging onder 1a verduidelijkt dat de zetel van de raad en de vijf vestigingen onderdeel uitmaken van één organisatie, te weten de raad. Deze raad heeft zijn zetel te Utrecht en heeft vijf vestigingen in de hoofdplaatsen van de ressorten van de gerechtshoven.

De wijziging onder 1b houdt verband met het feit dat de plaatsen waar de vestigingen van de raad zijn gelegen, te weten de hoofdplaatsen van de ressorten van de gerechtshoven, alleen bij wet kunnen worden gewijzigd.

E, O, R, V (onderdeel W)

Onderdeel E bevat enkele technische wijzigingen. Artikel 24, tweede en vierde lid, en artikel 34f vierde, vijfde en achtste lid, worden al in artikel I, onderdeel O respectievelijk artikel I, onderdeel R, van het wetsvoorstel gewijzigd. De wijziging van de artikelen 24, tweede en vierde lid, en artikel 34f, vierde, vijfde en achtste lid, in artikel I, onderdeel D van het wetsvoorstel komt te vervallen.

Voor wat betreft artikel 46, eerste lid, geldt dat de in het wetsvoorstel vervatte technische wijziging in artikel I, onderdeel D, onbedoeld een wijziging tot gevolg had in de regeling van de relatieve competentie van de rechtbanken. Deze wijziging houdt in dat de rechtbank bevoegd is binnen het rechtsgebied waar de raad zijn zetel heeft (Utrecht). Het nu geldende artikel 46, eerste lid, bepaalt dat, als beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een raad voor rechtsbijstand, de rechtbank binnen het rechtsgebied waar die raad is gevestigd bevoegd is. Dit brengt mee dat thans de rechtbanken in Amsterdam, Arnhem, Leeuwarden, Den Haag en Den Bosch, bevoegd zijn in beroepszaken. Nu het wetsvoorstel zich beperkt tot de bestuurlijke en organisatorische inrichting van de raden, en er ook overigens geen redenen zijn om wijzigingen aan te brengen in de regeling van de relatieve competentie, wordt dit bij nota van wijziging hersteld.

F

Dit onderdeel bevat een technische wijziging. In artikel I van het wetsvoorstel wordt artikel 34a, eerste lid, zowel in onderdeel D als E gewijzigd. De wijziging van artikel 34a, eerste lid, in artikel I, onderdeel E komt te vervallen.

G

Door de aanpassing van artikel 7a, tweede lid (nieuw), wordt verduidelijkt dat het bestuur jaarlijks verslag moet uitbrengen over de door het bestuur getroffen voorzieningen aan Onze Minister. Deze verslagverplichting is aanvullend op het jaarverslag als bedoeld in artikel 18 Kaderwet en kan van dat jaarverslag onderdeel uitmaken.

P

Dit onderdeel betreft een aanpassing van het (nieuwe) artikel 28, eerste lid, onder d. Reden hiervoor is dat geen rekening gehouden was met het feit dat ook een andere voorziening dan het juridisch loket door het bestuur kan worden belast met de verlening van (specifieke) rechtshulp.

V (onderdeel X)

Onderdeel V, onder X, betreft een technische aanpassing van artikel 49 van de Wrb. In dat artikel wordt verwezen naar onder andere artikel 34a, vijfde lid. Met de Aanpassingswet basisregistratie inkomen is het vijfde lid van artikel 34a Wrb vernummerd tot vierde lid. In dezelfde wet is artikel 49 Wrb op dit punt niet gewijzigd. Deze omissie wordt met de in dit onderdeel vervatte wijziging hersteld.

W, X, Y, Z

In artikel II van het wetsvoorstel zijn in de opsomming van wetsartikelen waarin de zinsnede «het bureau rechtsbijstandvoorziening» wordt vervangen door «het bestuur van de raad voor rechtsbijstand», abusievelijk opgenomen de artikelen 40, eerste lid, en 458, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, 817, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 2, 6, 8, 12, eerste lid, 18, eerste lid, van de Uitvoeringswet Verdrag inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen en Europese Overeenkomst inzake het doorzenden van verzoeken om rechtsbijstand (bedoeld is: de Wet van 28 oktober 1991, tot uitvoering van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen en de op 27 januari 1977 te Straatsburg tot stand gekomen Europese overeenkomst inzake het doorzenden van verzoeken om rechtsbijstand) en 22, derde lid, Uitvoeringswet Internationaal Strafhof.

De wijzigingen die ten gevolge van dit wetsvoorstel noodzakelijk zijn in de artikelen 40, eerste lid, 42, derde lid, en 458, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, 817, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn opgenomen in de onderdelen X en Y van de nota van wijziging.

Voor wat betreft de noodzakelijke aanpassingen in de Wet van 28 oktober 1991, tot uitvoering van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen en de op 27 januari 1977 te Straatsburg tot stand gekomen Europese overeenkomst inzake het doorzenden van verzoeken om rechtsbijstand wordt verwezen naar hetgeen hierover is opgemerkt in de algemene toelichting en naar de wijziging in onderdeel Z.

Ten aanzien van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof wordt opgemerkt dat deze uitvoeringswet een rijkswet is en derhalve uitsluitend bij rijkswet kan worden gewijzigd. De aanpassing van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof in verband met onderhavig wetsvoorstel zal bij een eerstvolgende passende gelegenheid worden meegenomen.

AA, AB, AC, AD, AE

De in onderdeel AE opgenomen wijziging ziet op aanpassing van artikel IX teneinde de mogelijkheid te creëren om te kiezen voor een gefaseerde inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Dientengevolge zijn de noodzakelijke aanpassingen verricht in de artikelen V, VI, VII, VIII, alsmede enkele redactionele aanpassingen.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Naar boven