31 543
Subsidiariteitstoets van het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende het Statuut van de Europese Besloten Vennootschap (COM(2008) 396)

nr. 3
BRIEF AAN DE VOORZITTER VAN DE TIJDELIJKE GEMENGDE COMMISSIE SUBSIDIARITEITSTOETS

Den Haag, 10 september 2008

Op 23 juli heeft de TGCS naar aanleiding van bovengenoemd richtlijnvoorstel van de Europese Commissie een adviesaanvraag1 opgesteld ten behoeve van de vaste commissie voor Economische Zaken en de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer. De commissie voor Justitie heeft de behandeling van uw brief overgedragen aan de commissie voor Economische zaken. In verband hiermee breng ik u het onderstaande gemotiveerde advies uit.

Met het voorstel2 wil de Europese Commissie een statuut in het leven roepen voor een besloten vennootschap dat ondernemingen in het MKB in staat stelt, overal in de EU onder dezelfde rechtsvorm activiteiten te ontwikkelen. De Europese Besloten Vennootschap (Societas Privata Europaea; SPE) zal als rechtsvorm bestaan naast de nationale besloten vennootschappen (BV, SA, GmbH etc.). Het voorstel maakt deel uit van de zgn. «Europese Small Business Act»3. Het is in oriënterende zin besproken tijdens de informele Raad Concurrentievermogen van 16, 17 en 18 juli 2008 en zal formeel geagendeerd worden op de Raad Concurrentievermogen van 1 en 2 december 2008.

De commissie kan instemmen met artikel 308 als rechtsbasis omdat dit artikel ook is gebruikt als rechtsbasis voor de eerder tot stand gekomen Europese vennootschapsvormen.

Ten aanzien van de subsidiariteit acht de commissie het aannemelijk dat een EU-optreden vereist is voor het bereiken van de gekozen doelstelling, te weten de interne markt toegankelijker te maken voor het MKB en deze ondernemingen in staat te stellen, overal in de EU van dezelfde rechtsvorm gebruik te maken. Door uitsluitend op nationaal niveau te handelen zou deze doelstelling moeilijker bereikt kunnen worden.

Ten aanzien van proportionaliteit is de commissie van mening dat terecht niet is gekozen voor gehele of gedeeltelijke harmonisatie van het vennootschapsrecht van de lidstaten omdat dit tot een aanzienlijke en wellicht buitenproportionele inmenging zou hebben geleid in het recht van de lidstaten.

Bij de beoordeling van subsidiariteit en proportionaliteit dient ook de toegevoegde waarde van het voorstel te worden betrokken. In dit verband mag niet uit het oog verloren worden dat ook na de instelling van een SPE nog vele juridische en praktische barrières zullen blijven bestaan voor het MKB om grensoverschrijdend te opereren. De toegevoegde waarde is dan ook mede afhankelijk van de andere maatregelen en aanbevelingen die in het kader van de «Small Business Act» worden getroffen. Voorts acht de commissie de inschatting van de Europese Commissie over het gebruik van de SPE tamelijk optimistisch. Uitgegaan wordt, bij wijze van voorbeeld, van een uiteindelijk aantal van 115 000 SPE’s, goed voor de creatie van 575 000 banen1. Gezien het feit dat de andere Europese ondernemingsrechtsvormen tot dusverre slechts spaarzaam gebruikt worden (Europese Vennootschap 140 keer; Europese Coöperatieve Vennootschap 0 keer), is het de vraag of deze aantallen gehaald zullen worden.

De commissie is dan ook van mening dat het voorstel voldoet aan de criteria van subsidiariteit en proportionaliteit, maar zij vraagt, net als de Nederlandse regering, nadrukkelijk aandacht voor het vraagstuk van de toegevoegde waarde.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,

J. Tichelaar


XNoot
1

Gedrukt onder kamerstuknummer 31 543, B/2.

XNoot
2

Gedrukt onder kamerstuknummer 31 543, A/1.

XNoot
3

COM(2008)394.

XNoot
1

Pagina 38 van de Impact Assessment.

Naar boven