31 448
Goedkeuring van de op 18 juli 2007 te ’s-Gravenhage totstandgekomen Notawisseling houdende wijziging van het op 30 juni 2000 te ’s-Gravenhage totstandgekomen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Nieuw-Zeeland (Trb. 2008, 3 en 42)

nr. 10
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 december 2009

In uw brief van 2 december jongstleden (31448–9/2009D60983) vraagt u om nog vóór de komende begrotingsbehandeling antwoord te krijgen op de vragen die u hebt gesteld in het verslag naar aanleiding van het wetsvoorstel tot wijziging van het verdrag met Nieuw-Zeeland (Kamerstukken 31 488, nr. 3), voor zover deze vragen betrekking hebben op het verdrag inzake sociale zekerheid met Marokko. In verband met dit verzoek deel ik u het volgende mee, waarbij ik de vragen uit het verslag langsloop.

De leden van de fracties van het CDA, de PvdA en de SP vernemen graag van de regering welke stappen zij sinds december 2003 heeft ondernomen om deze exporteerbaarheid van de toeslagen op grond van de Toeslagenwet te blokkeren? Ziet de regering bij nader inzien, zo vragen deze leden, mogelijkheden om op enige wijze met Marokko tot een vergelijk te komen. De leden van de VVD-fractie vragen wanneer en hoe de regering met Marokko tot overeenstemming komt om de export van toeslagen op grond van de Toeslagenwet te beëindigen?

Sinds de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van december 2003 over de exporteerbaarheid van de TW op basis van het socialezekerheidsverdrag is intensief contact geweest met Marokko op zowel ambtelijk als diplomatiek niveau. Dit heeft er toe geleid dat in september 2006, maart 2007 en juli 2008 besprekingen met Marokko hebben plaatsgehad over de beëindiging van de uitbetaling van de toeslagen in Marokko. Van de kant van Nederland is getracht Marokko tot instemming met een verdragswijziging te bewegen door middel van concessies op het gebied van de hoogte van de op grond van het verdrag te vergoeden ziektekosten van in Marokko wonende WAO- en AOW-gerechtigden. Deze besprekingen hebben uiteindelijk niet geleid tot overeenstemming. In juli 2008 is wederzijds vastgesteld dat verder overleg niet vruchtbaar zou zijn.

Deze leden vragen voorts of de regering mogelijkheden ziet de Nederlandse wetgeving zodanig aan te passen, dat de Toeslagenwet niet langer exporteerbaar is naar Marokko? De leden van de PVV-fractie vragen hoe de regering gaat voorkomen dat er toeslagen worden uitbetaald naar verdragslanden?

Een aantal bilaterale verdragen bepaalt dat onder het begrip uitkeringen ook de aanvullingen op deze uitkeringen moet worden verstaan. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van december 2003 bepaald dat hieronder ook toeslagen in de zin van de Toeslagenwet moeten worden verstaan. Hierdoor vallen de toeslagen ook onder de exportbepaling van de desbetreffende bilaterale verdragen. Gezien deze uitspraak en de doelstelling van de Toeslagenwet, namelijk het bieden van een toeslag op de uitkeringen ingevolge de arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsverzekering teneinde in voorkomende gevallen een bestaansminimum te garanderen, betekent dat deze wet niet zodanig kan worden aangepast dat toeslagen niet langer geëxporteerd behoeven te worden. Dit kan slechts met een andere generieke aanpassing dan het in de TW neergelegde exportverbod die ook effecten zou hebben op in Nederland wonende gerechtigden op een toeslag.

Is aanpassing van de nationale wet niet mogelijk, dan vragen de leden van het CDA, de PvdA en de SP of de regering heeft overwogen om het sociale zekerheidsverdrag op te zeggen? Immers ook het (ingetrokken) wetsvoorstel met kamerstuknummer 28 275 voorzag in opzegging van het akkoord, toen Marokko weigerde om controlehandelingen uit te voeren. De VVD wil weten welke consequenties de regering uit het niet komen tot overeenstemming met dergelijke landen trekt. De PVV vraag of de regering represailles overweegt?

Indien het beëindigen van de export van toeslagen niet bereikt kan worden door de aanpassing van de nationale wet, en het evenmin mogelijk blijkt het verdrag met dit oogmerk aan te passen, dan resteert de vraag of eenzijdige opzegging van het verdrag zinvol is. Hierover is het volgende overwogen. Opzegging van de verdragen leidt niet tot beëindiging van de export van de lopende socialezekerheidsuitkeringen. In het verdrag met Marokko is een standaard overgangsbepaling opgenomen waarbij in geval van opzegging elk recht wordt gehandhaafd dat met toepassing van het verdrag is verkregen. Dit betekent dat alle lopende uitkeringsrechten (WAO/WIA, ANW en AKW) moeten worden doorbetaald als het verdrag is opgezegd. Dit geldt ook voor de aan de WIA en WAO verbonden toeslagen.

Het opzeggen van het verdrag met Marokko heeft voor Nederland wel belangrijke frauderisico’s tot gevolg. Het verdrag met Marokko bevat bepalingen op grond waarvan handhaving kan plaatsvinden. Als het verdrag wordt opgezegd betekent dit dat de lopende uitkeringsrechten moeten worden doorbetaald, zonder dat daar effectieve controlemogelijkheden tegenover staan. De controles ter plaatse door de sociaal attaché zullen bovendien ernstig bemoeilijkt worden, omdat geen feitelijke medewerking meer kan worden verlangd en verwacht van de Marokkaanse autoriteiten.

Daarnaast speelt nog het volgende. Het socialezekerheidsverdrag met Marokko kent ook een bepaling op grond waarvan onderzoeken bij het kadaster kunnen worden ingesteld om na te gaan of aanvragers van bijstand vermogen in Marokko bezitten. Deze kadasteronderzoeken zijn in toenemende mate succesvol. In 2008 hebben in Marokko 53 onderzoeken plaatsgehad, waarbij in totaal € 3,3 miljoen aan vermogen is getraceerd. Als het verdrag wordt opgezegd, zullen deze onderzoeken in het kader van de Wet werk en bijstand niet langer meer mogelijk zijn.

Verder vernemen de leden van de fracties van het CDA, de PvdA en de SP graag of er ten tijde van de Wet beperking export uitkeringen (BEU) openbare of besloten ambtelijke adviezen zijn uitgebracht, die duidelijk maakten dat er in ieder geval een mogelijkheid was dat uitkeringen uit hoofde van de Toeslagenwet wel exporteerbaar zouden blijven uit hoofde van de verdragen. Indien deze adviezen er waren, kunnen deze aan de Kamer worden gestuurd en kan worden toegelicht welke vervolgacties zijn genomen? Indien deze adviezen er niet waren, kan de regering dan toelichten welke onderzoeken er gedaan zijn ten tijde van de Wet BEU om deze te toetsen aan de door Nederland gesloten verdragen? Was die toetsing in de ogen van de regering voldoende?

Bij de totstandkoming van de Wet BEU is besloten dat het niet wenselijk is toeslagen in het buitenland uit te betalen onder meer gelet op de financiering uit de algemene middelen en het karakter van de TW (aanvullen tot het relevant sociaal minimum in Nederland (TK 1997–1998, 25 757, nr. 3). In de TW is toen een absoluut exportverbod opgenomen. De TW werd veel meer als een bijstandsachtige uitkering gezien, dan als een aanvulling op de socialezekerheidsuitkering. Deze zienswijze past ook binnen de systematiek van de cöordinatieverordening nr. 1408/71 op grond waarvan de toeslag ook van export kan worden uitgesloten. Het toenmalige kabinet heeft dan ook niet overwogen hierover nadere adviezen in te winnen.

De leden van de VVD vragen of er nog andere landen zijn waarvan de regering verwacht dat er geen overeenstemming zal worden bereikt over de beëindiging van de export van toeslagen op grond van de Toeslagenwet.

Van de landen waarnaar nog steeds toeslagen worden uitbetaald hebben wij van Zuid-Korea een expliciete afwijzing gehad op ons verzoek het verdrag aan te passen. Met dit land zal opnieuw – langs diplomatieke weg – contact worden opgenomen, waarbij overigens wordt opgemerkt dat zich geen toeslaggerechtigden in Zuid-Korea bevinden.

De PVV vraagt ten slotte of de regering een overzicht kan geven van de aantallen en bedragen per toeslagcategorie die naar elk verdragsland worden overgemaakt? Hoe verhouden deze bedragen zich tot de toeslagen die in Nederland worden uitgekeerd?

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de bijlage1. Daarbij moet worden opgemerkt dat dit de cijfers uit 2006 zijn. Het aantal geëxporteerde toeslagen loopt echter sterk terug. Voor Marokko geldt dat circa de helft van de toeslaggerechtigden in 2006 60 jaar of ouder was, en dus inmiddels AOW-gerechtigd zijn, of dit binnenkort zullen worden. Aan de andere kant geldt dat nog nauwelijks nieuwe toeslagen worden toegekend.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H. Donner


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven