31 444 XIV
Slotwet en jaarverslag van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2007

nr. 3
JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT (XIV)

Aangeboden 21 mei 2008

Uitgaven verdeeld over de (beleids)artikelen (bedragen x € 1 mln.)

kst-31444-XIV-3-1.gif

Ontvangsten verdeeld over de (beleids)artikelen (bedragen x € 1 mln.)

kst-31444-XIV-3-2.gif

INHOUDSOPGAVE blz.

A.Algemeen7
1.Aanbieding en dechargeverlening7
2.Leeswijzer11
   
B.Jaarverslag13
1.Beleidsverslag13
2.Beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen55
 ILG-overzicht begrotingsmutaties 200755
 21 Duurzaam ondernemen57
 22 Agrarische ruimte65
 23 Natuur68
 24 Landschap en Recreatie74
 25 Voedselkwaliteit en Diergezondheid78
 26 Kennis en Innovatie83
 27 Bodem, water en reconstructie zandgebieden90
 28 Nominaal en onvoorzien94
 29 Algemeen95
3.Bedrijfsvoeringsparagraaf98
   
C.Jaarrekening103
1.Departementale verantwoordingsstaat103
2.Departementale saldibalans104
3.Samenvattende verantwoordingsstaat inzake baten-lastendiensten112
4.Toelichting bij de samenvattende verantwoordingsstaat inzake baten-lastendiensten113
 Algemene Inspectiedienst (AID)114
 Dienst Landelijk Gebied (DLG)116
 Dienst Regelingen (DR)120
 Plantenziektenkundige dienst (PD)126
 Voedsel en Warenautoriteit (VWA)128
   
D.Bijlagen137
1.Toezichtrelaties en ZBO’s/RWT’s137
2.Toezeggingen aan de AR138
3.EU-bijlage139
4.Overzicht niet-financiële informatie over inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel146
5.Lijst met gebruikte afkortingen147

A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de Voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik het departementale jaarverslag over het jaar 2007 van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit decharge te verlenen over het in het jaar 2007 gevoerde financiële beheer met betrekking tot de uitvoering van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld van haar bevindingen en haar oordeel met betrekking tot:

• het gevoerde financieel en materieel beheer;

• de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

• de financiële informatie in het jaarverslag;

• de departementale saldibalans;

• de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

• de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen, naast het onderhavige jaarverslag en het hierboven genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer, de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

• Het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2007; dit jaarverslag wordt separaat aangeboden.

• De slotwet van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over het jaar 2007; de slotwet is geïntegreerd met het onderhavige jaarverslag in dit kamerstuk opgenomen.

• Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen.

• Het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2007 met betrekking tot de onderzoeken, bedoeld in artikel 83 van de Comptabiliteitswet 2001. Dit rapport, dat betrekking heeft op het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk, wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aangeboden.

• De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2007 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2007 alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2007 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001); Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

Medio mei 2007 heeft het kabinet Balkenende IV haar beleidsprogramma voor de periode 2007–2011 «Samen werken, Samen leven» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 070, nr. 1) gepresenteerd. Hierin zijn ook op de beleidsterreinen van LNV een aantal grote en belangrijke opgaven verwoord. Deze beleidsdoelstellingen vormen als ware de kapstok van het beleidsverslag en zullen ook tijdens deze kabinetsperiode worden gemonitored. Aan de hand van deze beleidsdoelstellingen is het beleidsverslag opgesteld. Aan het eind van het beleidsverslag is een overzichtstabel opgenomen waarin de relatie wordt gelegd per doelstelling uit het beleidsprogramma met het betreffend begrotingsartikel en operationele doelstelling.

Experiment verantwoording nieuwe stijl

Dit jaarverslag is anders van opzet dan voorgaande jaren. Tijdens het verantwoordingsdebat over het Rijksjaarverslag 2006 heeft de Kamer en het kabinet de wens geuit om te komen tot meer politieke focus van de verantwoording. Hiertoe zijn door de minister van Financiën voorstellen ontwikkeld in overleg met de Algemene Rekenkamer en de Commissie voor de Rijksuitgaven. Deze voorstellen zijn opgenomen in de brief van de minister van Financiën van 20 december 2007 inzake het begrotings- en verantwoordingsproces, tolerantiegrenzen en uitvoering van subsidies (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 031, nr. 19). LNV is één van de drie experimentdepartementen naast de ministeries van VWS en Buitenlandse Zaken.

Met de Kamer is op 6 februari 2008 reeds gesproken over de impact en betekenis van het experiment verantwoording nieuwe stijl. De Kamer heeft ingestemd met het experimenteel karakter. Overigens is afgesproken dat het jaarverslag inzake het Diergezondheidsfonds (Begroting F) buiten de scope van het experiment valt.

De belangrijkste veranderingen op een rij zijn:

• Meer politieke focus wordt verkregen door het beleidsverslag in te delen volgens de beleidsdoelstellingen van het kabinet en door alleen opmerkelijke resultaten te rapporteren. Daarom heeft dit beleidsverslag het karakter van een uitzonderingsrapportage. Dit betekent dat niet alle bereikte resultaten en behaalde doelen in het jaarverslag staan vermeld. Als niet wordt ingegaan op de voortgang van een bepaalde doelstelling, komt de voortgang dus overeen met hetgeen in de begroting 2007 is aangekondigd.

• In de nieuwe opzet staat het beleidsprogramma «Samen werken, Samen leven» van het kabinet centraal. In het verslag wordt de stand van zaken verantwoord met betrekking tot de doelstellingen en projecten die betrekking hebben op LNV beleidsterreinen.

• Door de nieuwe opzet en de toevoeging van de doelstellingen uit het beleidsprogramma, is de aansluiting tussen de begroting 2007 en het jaarverslag 2007 lastiger en soms niet volledig te leggen. De beleidsmatige verantwoording over de hoofdlijnen van het gevoerde beleid is namelijk geconcentreerd in het beleidsverslag en de gedetailleerde beleidsmatige toelichting in de artikelen is vervallen. Om het leesgemak te vergroten is in het beleidsverslag een tabel opgenomen waarin staat welke operationele doelstellingen corresponderen met de nu opgenomen doelstellingen uit het beleidsprogramma. In de tabel wordt duidelijk dat over een beperkt aantal operationele doelstellingen niet meer actief beleidsinhoudelijk wordt verantwoord als zich geen opvallende verschillen hebben voorgedaan.

• Per beleidsartikel wordt ingegaan op de financiële verantwoording. De opmerkelijke verschillen tussen begroting en realisatie worden toegelicht evenals de belangrijkste slotwetmutaties. Aan het eind van elk artikel wordt ingegaan op de uitgevoerde evaluatie-onderzoeken.

• In de nieuwe opzet zijn de slotwet en het jaarverslag geïntegreerd tot één kamerstuk. De gegevens in de slotwetstaat betreffen budgettaire gegevens die geautoriseerd moeten worden. Slotwetmutaties zijn in de beleidsartikelen toegelicht.

Conform de RBV 2008 is in dit jaarverslag ook een overzicht niet-financiële informatie over inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel opgenomen binnen LNV.

Het is niet mogelijk geweest gelet op het tijdbestek om gelijktijdig met het LNV jaarverslag ook een afgeronde beleidsdoorlichting mee te zenden aan de Kamer. De beleidsprogrammering en de praktijk hebben geen ruimte gelaten om reeds met ingang van de verantwoording 2007 een afgeronde beleidsdoorlichting mee te zenden. Mijn streven is om bij het jaarverslag over 2008 wel een beleidsdoorlichting mee te zenden. De minister van Financiën is hiermee bekend.

Op grond van artikel 8, 1e lid van de Wet Openbaarmaking uit Publieke middelen gefinancierde Topinkomens (WOPT) (Stb. 2008, 0000055709) dient een overzicht te worden opgenomen van medewerkers die in het verslagjaar meer verdiend hebben dan het gemiddelde belastbare loon van de minister. Dit gemiddelde belastbare jaarloon is voor 2007 vastgesteld op € 169 000. Er zijn geen functionarissen die in aanmerking komen voor deze publicatie. Derhalve is er geen bijlage topinkomens LNV toegevoegd.

B. JAARVERSLAG

1. BELEIDSVERSLAG

Inleiding beleidsverslag 2007

In februari 2007 is het kabinet Balkenende IV aangetreden. De begroting voor het jaar 2007 was nog door het demissionaire kabinet Balkenende III opgesteld. In de zomer van 2007 is het beleidsprogramma «Samen werken, samen leven» uitgebracht, waarin de belangrijkste doelen staan beschreven. Bij de behandeling van het jaarverslag 2006 heeft de minister van LNV aangegeven in de toekomst meer focus te willen aanbrengen in de verslaglegging. Om die reden heeft de minister het idee omarmd deel te nemen aan het experiment jaarverslag 2007. Dit verslag is primair gericht op de hoofddoelen van het kabinet en doet verslag van de resultaten. Door het moment van aantreden van het huidige kabinet zijn in 2007 vooral processen in werking gezet. De werkelijke resultaten zijn meer in 2008 en later te verwachten. Niettemin is in 2007 al een aantal resultaten bereikt die in dit beleidsverslag staan beschreven.

Aangezien de indeling in kabinetsdoelen niet het gehele beleidsveld van LNV dekt, wordt in deze inleiding kort stilgestaan bij enkele additionele onderwerpen die in 2007 gespeeld hebben.

Diergezondheid

Eind 2007 heeft de minister de Nationale Agenda Diergezondheid naar de Tweede Kamer gestuurd. Deze Agenda bevat de beleidsvoornemens tot en met 2013. Daarnaast is inbreng geleverd voor de voornemens van de Europese Commissie voor een nieuwe «Community Animal Health Policy» (CAHP).

In 2007 zijn de preventieve maatregelen ter voorkoming van de insleep van vogelgriep gedifferentieerd. Op basis van een risicoanalyse zijn de maatregelen voor hobbydierhouders toegesneden op de diverse vormen van houderij. Indien er geen veterinaire noodzaak is, worden geen gevaccineerde dieren geruimd, vinden er geen massale preventieve ruimingen van hobbydieren meer plaats en gelden er uitzonderingen voor het ruimen van bedreigde soorten en pluimveerassen. Ook de afschermplicht is gedifferentieerd.

De vaccinatieplannen voor Mond en Klauwzeer en Klassieke Varkens Pest inclusief post-vaccinatie surveillance zijn door de Europese Commissie positief beoordeeld.

In 2007 is de verplichte vaccinatie tegen de ziekte van Aujezsky bij varkens beëindigd en ingestemd met het door het bedrijfsleven opgestelde bestrijdingsplan in het geval van een uitbraak.

In verband met de dreiging van enkele bestrijdingsplichtige dierziekte-uitbraken (Mond- en Klauwzeer (MKZ), Hoog Pathogene Aviaire Influenza (HPAI)) en de uitbraak van blauwtong is in 2007 een actieve bijdrage geleverd in de crisisorganisatie en is de Tweede Kamer veelvuldig geïnformeerd. Er zijn maatregelen genomen om te voorkomen dat de uitbraak van mond- en klauwzeer in het Verenigd Koninkrijk en vogelgriep in o.a. Duitsland en Frankrijk zich naar Nederland zouden verspreiden.

Perspectief voor een duurzame visserij

Eind 2007 heeft de Europese Commissie ingestemd met de wijze waarop Nederland gebruik wil maken van geld uit het Europees Visserijfonds voor de periode 2007–2013. Het plan dat inzet op vernieuwing, verduurzaming en sanering krijgt zo een financiële impuls van € 48,6 mln. Europees geld en eenzelfde bedrag aan co-financiering van de nationale begroting. Met de extra middelen uit het Beleidsprogramma en die van de Algemene Politieke Beschouwingen is er voor de periode 2007–2013 ruim € 140 mln. beschikbaar voor de Nederlandse visserij.

Voedsel- en Waren Autoriteit (VWA)

Ten aanzien van de VWA speelden in 2007 vooral de financiële tekorten een rol. Zoals in de Kamerbrief van 18 oktober 2007 is beschreven (Tweede Kamer 2007–2008, 26 991, nr. 158) is het uitgangspunt van het kabinet altijd geweest de positie van de VWA niet aan te tasten. Dit vanwege het belang van voedselveiligheid in het algemeen, diergezondheid, dierenwelzijn en het belang voor de Nederlandse export. De maatregelen die daartoe moeten leiden zijn efficiencymaatregelen, omvorming naar tweedelijns toezicht, het op termijn invoeren van kostendekkende tarieven voor het bedrijfsleven en de evaluatie van het roodvleesconvenant teneinde ook in die sector tot kostendekkende tarieven te komen. Door implementatie van de nieuwe retributieregelingen per 1 maart 2008 wordt een deel van het financiële tekort opgelost.

Jachtbeleid

In het najaar van 2007 was er veel aandacht voor het beheer van wilde zwijnen op de Veluwe. De populatie was dusdanig in omvang toegenomen dat de reguliere jachtmethode onvoldoende effectief zou zijn om het aantal zwijnen terug te brengen tot de gewenste voorjaarstand. De zwijnen zorgden, door hun aantal, voor veel overlast en schade voor burgers en bedrijfsleven, met name voor de agrarische en recreatieve sector. Op verzoek van LNV werkt de provincie Gelderland samen met de Faunabeheereenheid en de wildbeheereenheden aan een structurele oplossing waardoor de toepassing van de één-op-één methode niet meer nodig zal zijn.

Doelstelling nr. 1

Een Europa, met een stevig draagvlak onder de burgers, dat zich richt op terreinen waar het meerwaarde levert en zich niet begeeft op terreinen waar lidstaten het beter zelf kunnen regelen.

Resultaten van beleid

Sinds het aantreden van het nieuwe kabinet, heeft de minister van LNV zich breed georiënteerd op de toekomst van het Europese Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB). In dat kader is een maatschappelijke dialoog geïnitieerd die o.a. heeft bestaan uit:

• Het TNS Nipo onderzoek onder een representatieve steekproef uit de Nederlandse bevolking van 15 jaar en ouder.

• Rondetafelgesprekken met zo’n veertig Nederlandse en Europese vertegenwoordigers afkomstig uit de wetenschap, natuur-, landschaps- en milieuorganisaties, organisaties voor ontwikkelingssamenwerking, bedrijfsleven, retail, landbouworganisaties en organisaties voor dierenbescherming.

• Keukentafelgesprekken in verschillende regio’s in Nederland waaraan 78 personen met verschillende achtergronden en kennis van de betreffende gebieden deelnamen.

• een internetconsultatie die bestond uit een discussieforum en een internet enquête. 1090 personen namen deel aan deze internetconsultatie waarvan 936 personen de enquête invulden.

In de consultatieronde lag de nadruk op de verdere vermaatschappelijking van de landbouw en de toekomstige bijdrage van het GLB daarin. Volgens diverse deelnemers zouden GLB-gelden moeten worden ingezet om de transitie van de landbouw naar verdere verduurzaming te bewerkstelligen. Dat zou kunnen door investeringen en bedrijfsvernieuwingen (financieel) te stimuleren. Het GLB moet zorgen voor voedselzekerheid, duurzame productie en een ruime variatie in het aanbod. In diverse gesprekken is aan de orde gekomen dat bepaalde maatschappelijke waarden niet zo maar te verenigen zijn. Meest expliciet wordt daarin de keuze tussen dierenwelzijn en milieu genoemd. Voor het milieu kunnen koeien, varkens en kippen meestal beter binnen blijven, voor hun welzijn is buiten vaak beter. Ook dierenwelzijn en voedselveiligheid kunnen op gespannen voet staan. Net als de keuze tussen boerennatuur en «echte» natuur. Deelnemers aan het internetforum pleiten voor een vereenvoudiging van het huidige GLB, met name gezien de complexe uitvoering er van. Tegelijkertijd is er het besef dat het moeilijk zal zijn om alle uiteenlopende wensen te realiseren in een eenvoudiger toekomstig GLB. Volgens diverse gespreksdeelnemers zal de schaalvergroting in de Nederlandse landbouw stevig doorzetten. Één van de belangrijke vragen wordt daarbij dan hoe de productie duurzaam kan blijven. Sommige deelnemers denken dat de trend naar (streekgebonden) kleinschaligheid voordelen biedt voor het milieu. Anderen waarschuwen juist dat kleinschaligheid niet beter is voor duurzaamheid en voedselveiligheid, in tegendeel zelfs. Ook is aangegeven dat verdere schaalvergroting juist een verdere verduurzaming mogelijk maakt. Vooral economisch gezonde bedrijven zullen dan kunnen investeren.

Met inzet van een verder te vermaatschappelijken Europees landbouwbeleid laat de consultatieronde zien dat er maatschappelijke steun is om:

• duurzaam ondernemerschap in de landbouw verder te versterken;

• maatschappelijk waardevolle natuurgebieden en landschappen te beschermen door de rol van de ondernemer in het behoud en beheer van deze gebieden te versterken;

• na te gaan welke mogelijkheden er in Europees verband zijn om (ook) via het GLB dierenwelzijn verder te stimuleren;

• voedselzekerheid als doel van het GLB niet uit het oog te verliezen en sterker te gaan plaatsen in het licht van de genoemde mondiale ontwikkelingen.

Uit recent onderzoek door TNS NIPO blijkt dat 90% van de Nederlanders vindt dat de Europese landbouw «belangrijk» of «zeer belangrijk voor onze toekomst» is (bijlage bij Tweede Kamer 2007–2008, 28 625, nr. 49). Ook recent onderzoek van CPB en SCP heeft laten zien dat er in Nederland meer belang wordt gehecht aan een communautair vormgegeven GLB dan in vrijwel alle andere EU-lidstaten.

Geconstateerd kan worden dat de consultatieronde onder maatschappelijke groeperingen de inzet van het kabinet ondersteunt om een betere koppeling tot stand te brengen tussen de inkomenssteun en het realiseren van maatschappelijke waarden zoals voedselveiligheid, voedselzekerheid, landschap, milieu en dierenwelzijn. Het beleid is dus erop gericht om inkomenssteun nog meer te koppelen aan duurzaam ondernemerschap.

In de Mededeling over de healthcheck (de tussentijdse herziening van het GLB in 2008) geeft de Commissie aan in te zetten op verdere ontkoppeling en moet het GLB een bijdrage leveren aan maatschappelijk actuele en relevante thema’s, zoals klimaat, energie en waterbeheer. De Commissie sluit daarmee aan op thema’s van het Nederlandse kabinet. Ook in verdere vereenvoudiging van regelgeving vinden de Commissie en Nederland elkaar. Ook voor andere lidstaten is de vereenvoudiging een belangrijk aandachtspunt. De Commissie denkt ook aan een verhoogd percentage voor verplichte modulatie, het overhevelen van middelen van de eerste pijler naar de tweede pijler. Nederland staat hier samen met een groot aantal landen kritisch tegenover.

In de Lissabonstrategie staat het versterken van de concurrentiekracht van de Europese economie centraal. Voor de uitvoering van de Lissabonstrategie dragen de Europese Unie en de lidstaten beide verantwoordelijkheid. Aan drie van de vier, door de Voorjaarsraad van 2006 benoemde, prioritaire gebieden leveren LNV en het agrocluster een herkenbare bijdrage:

• het verbeteren van het ondernemingsklimaat (hiervoor is de vermindering van de regeldruk en administratieve lasten één van de speerpunten),

• kennis en innovatie (het faciliteren en stimuleren van de ontwikkeling en toepassing van kennis en innovaties is een van de zwaartepunten op de LNV-begroting),

• energie en klimaatverandering (zowel ten aanzien van mitigatie als adaptatie leveren landbouw en natuur een belangrijke bijdrage aan de EU- en nationale beleidsdoelen).

Beleidsconclusies en consequenties

Hervormingen van het GLB hebben de afgelopen jaren ertoe geleid dat steun in hoge mate is ontkoppeld van productie. De maatschappelijke context werd versterkt via de introductie van randvoorwaardenbeleid (cross compliance). De health check is voor het kabinet een evaluatie van deze hervormingen van het GLB. Afspraken die in de health check worden gemaakt staan vooral in het licht van de 2e helft van de huidige programmeringsperiode die loopt tot 2013. In de brief van 10 december 2007 (Tweede Kamer 2007–2008, 28 625, nr.54) heeft de minister van LNV uitvoerig stilgestaan bij de health check, de mededeling van de Europese Commissie daarover en de consultatieronde die zij heeft uitgevoerd. Het kabinet blijft de vermaatschappelijking van het GLB steunen. Daarnaast heeft het maatschappelijk debat dat, geïnitieerd door LNV, in 2007 over het GLB is gevoerd, aangetoond dat er draagvlak is voor deze beleidslijn.

Het is nu zaak voor het kabinet om in de besluitvorming over de komende health check een Europees kader te creëren waarbinnen invulling kan worden gegeven aan een beleid van inkomenssteun dat meer aan maatschappelijke waarden is gekoppeld.

De Europese Commissie komt in het voorjaar van 2008 met wetgevingsvoorstellen waarop de lidstaten kunnen reageren. In de 2e helft van 2008 zullen hierover besluiten worden genomen onder voorzitterschap van Frankrijk.

Doelstelling nr. 6

Duurzame economische ontwikkeling bevorderen en armoedebestrijding met kracht voortzetten en uitwerken in het project De Millennium Ontwikkelingsdoelen Dichterbij

Resultaten van beleid

Landbouw is de motor voor een bredere economische ontwikkeling in rurale gebieden en daarmee een belangrijk instrument voor honger- en armoedebestrijding. De verhoging van de productiviteit en vergroting van afzetmarkten, onder meer via de ontwikkeling van duurzame (agro-) ketens, zowel lokaal als internationaal is een voor de hand liggend doel, maar tevens geldt ook hierbij dat sociale aspecten (kleine boeren, lokale systemen) en ecologie bij landbouwontwikkeling betrokken moeten zijn.

De betekenis en rol van landbouwontwikkeling en rurale armoedebestrijding staan volop in de belangstelling. Het kabinet wil daarom meer nadruk op de agrarische sector in het ontwikkelingsbeleid. Daartoe komt het kabinet in de 1e helft van 2008 met een nota over landbouw, rurale bedrijvigheid en voedselzekerheid. De nota heeft tot doel de extra inzet van het kabinet op deze onderwerpen, zoals geformuleerd in het regeerakkoord, aan te geven. Bij deze intensivering van beleid zijn vier lijnen van belang: productiviteitsverbetering, duurzame ketenontwikkeling, markttoegang en internationale handel.

In 2007 zijn al veel activiteiten gericht op de ontwikkeling van de agrarische sector in ontwikkelingslanden. De World Summit of Sustainable Development (WSSD) over partnerschappen en markttoegang zijn gericht op een integrale aanpak van knelpunten in de gehele handelsketen, van de primaire productie in onze partnerlanden tot de consumptie in de Europese Unie. Overheden, bedrijven, non gouvernementele organisaties (NGO’s) en kennisinstellingen uit zowel Nederland als de partnerlanden werken hierin samen. Er is aandacht voor de kwaliteit van producten in de brede zin van het woord variërend van voedselveiligheid tot duurzame productie . In totaal verkeren ruim 25 samenwerkingsprojecten in Zuidoost Azië (Indonesië, Maleisië, Vietnam) en Oost-Afrika (Ethiopië, Kenia, Oeganda en Tanzania) in de uitvoeringsfase( i.s.m. Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking). Deze projecten zijn gericht op bewustwording, capaciteitsopbouw, ander bodemgebruik en alternatieve productiewijzen.

Een concreet voorbeeld van zo’n samenwerkingsproject is het project waarbij zowel voor Indonesië, Maleisië als Vietnam een trainingsprogramma is opgezet om laboratoriumanalisten te trainen in het meten van de residuen van antibiotica in garnalen en vis. De trainingen zijn opgezet volgens het train-the-trainer principe om te waarborgen dat de opgedane kennis en vaardigheden ook met collega’s van de cursisten zullen worden gedeeld.

De verduurzaming van internationale agrarische grondstoffen is een belangrijk streven. Daartoe zijn in 2007 diverse initiatieven genomen. De belangrijkste instrumenten die nu voorhanden zijn, betreffen de Round Table on Sustainable Palm Oil (RSPO) en de Round Table on Responsible Soy (RTRS). Deze internationale fora van bedrijven en NGO’s hebben zich gecommitteerd om de ontwikkeling en implementatie van spelregels en criteria voor duurzaamheid in de keten, gericht op de bulkstroom, voortvarend ter hand te nemen. De Nederlandse overheid steunt deze initiatieven financieel. Ook stellen we onze expertise in deze processen ter beschikking. Zo werkt Wageningen Universiteit met het Braziliaanse EMBRAPA-instituut samen aan onderzoek naar duurzame teelt, waaronder die van soja. Ook in Argentinië zijn projecten opgezet met NGO’s en bedrijfsleven om de sojateelt te verduurzamen.

Begin 2007 is een gezamenlijk missie van LNV en Buitenlandse Zaken in Afghanistan op bezoek geweest. Doel van de missie was het inventariseren van de mogelijkheden van een duurzaam alternatief voor papaverteelt. De Universiteit van Wageningen heeft daartoe een voorstel geschreven. In november 2007 heeft de Afghaanse minister van Onderwijs een bezoek aan de minister van LNV gebracht. Hij heeft gevraagd om steun van Nederland bij landbouwkundig onderwijs en training. Afgesproken is dat daartoe in het voorjaar van 2008 een expertmissie naar Afghanistan zal afreizen. Ter ondersteuning van het landbouwonderwijs in Afghanistan op zowel academisch als praktijk niveau heeft de Universiteit van Wageningen, samen met de Agrarische Opleidingen Van Hall/Larenstein en de organisatie van landbouwpraktijkscholen PTC+, een programma geschreven.

Beleidsconclusies en consequenties

De lopende inzet op het gebied van landbouw in ontwikkelingslanden is succesvol. De rapportage over de voortgang van het internationale actieprogramma «duurzame daadkracht» wordt jaarlijks door de minister van Buitenlandse Zaken aan de Kamer aangeboden. De potentie van de landbouwsector in ontwikkelingslanden is groot en daarom wordt er hard gewerkt aan een vernieuwde inzet op de agrarische sector in ontwikkelingslanden. Het kabinet zal daartoe op korte termijn een nota naar de Kamer sturen. Daarna kan met de uitvoering voortvarend gestart worden.

Doelstelling nr. 11

Hoger onderwijs met meer kwaliteit en minder uitval

Resultaten van beleid

LNV volgt het algemeen onderwijsbeleid van OC&W. Als vakministerie stuurt LNV op de inzet en functies van het groen onderwijs voor de sector en effectieve samenwerking. In dit kader wordt hier een beeld gegeven van het groen onderwijs over de volle breedte.

Het groene hoger onderwijs in Nederland is al jaren van uitstekende kwaliteit. Mede door de goede samenwerking tussen onderwijs, onderzoek en de praktijk is het agro-cluster zelfs één van onze sterkste economische sectoren met internationale allure. Toch blijft het streven de kwaliteit van het onderwijs te verhogen en de uitval te verlagen. Uit de in 2007 afgeronde beleidsdoorlichting van het begrotingsartikel Kennis en Innovatie blijkt dat het kennissysteem voor de agrofoodsector en groene ruimte goede prestaties heeft geleverd in termen van kwaliteit van onderwijs, onderzoek en doorgevoerde innovaties. Er zijn ook goede resultaten geboekt op het gebied van de bevordering van samenhang, samenwerking en de verbetering van de programmering van onderzoeksvragen. Tevens blijkt dat de positie van LNV als verantwoordelijk ministerie voor het groene onderwijsstelsel toegevoegde waarde heeft en dat de langdurige relatie tussen LNV en de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) positief uitwerkt voor de instandhouding van funderende kennis. Enkele succesvolle voorbeelden van innovatie en benutting van kennis zijn het programma Flowers en Food, innovatievouchers, smaaklessen en het project «Kas als energiebron». In de beleidsreactie op de doorlichting heeft minister Verburg de ankerpunten beschreven op basis waarvan het LNV-kennis- en innovatiebeleid de komende jaren vorm gaat krijgen (Tweede Kamer 2006–2007, 31 104, nr.1).

LNV heeft in 2007 haar bijdrage geleverd aan het nakomen van de Lissabonafspraken (de vermindering van het voortijdig schoolverlaten, de verhoging van het opleidingsniveau, de deelname aan leven lang leren, het stimuleren van bêta-studies). Het groene onderwijs in de volle breedte heeft ca. 16 000 gediplomeerden en 250 promovendi afgeleverd. Uit de in 2006 uitgevoerde benchmark MBO (zowel de OCW als de LNV-opleidingen) blijkt dat het opleidingssucces (het aantal deelnemers dat de opleiding heeft verlaten met een diploma gedeeld door het totaal aantal deelnemers dat de opleiding heeft verlaten) het hoogst is in de sector landbouw en natuurlijke omgeving.

Benchmark opleidingssucces naar niveau en sector
NiveauEconomieLandbouw en natuurlijke omgevingTechniekZorg en Welzijn
Niveau 133%70%26%45%
Niveau 239%50%43%42%
Niveau 346%70%66%61%
Niveau 467%75%63%68%
Gemiddeld52%66%53%61%

Bron: Benchmark MBO 2006, Price , Waterhouse& Coopers.

De volgende in 2007 genomen maatregelen beogen het groen onderwijs over de volle breedte verder te verbeteren:

• Voor het MBO is in juni 2007 een nieuwe competentiegerichte kwalificatiestructuur ingevoerd. Door te leren via de praktijk neemt de motivatie van leerlingen toe en krijgen zij een betere aansluiting met de arbeidsmarkt.

• Binnen de Groene Kenniscoöperatie zijn vijftien vraaggestuurde kennisprogramma’s in uitvoering. Deze programma’s beogen de onderlinge samenwerking te versterken tussen groene onderwijsinstellingen en tussen onderwijsinstellingen, praktijk en onderzoek. De invulling van projecten binnen deze programma’s is in volle gang.

• LNV bevordert de samenwerking tussen het groene onderwijs en Wageningen UR in een landelijk dekkend en werkend netwerk van regionale kenniscentra. Diverse instellingen, met name Hogere Agrarische Scholen (HAS), experimenteren met loketten voor ondernemers. Hierdoor worden niet alleen kenniscirculatie en innovatie bevorderd maar worden ook de motivatie en praktijkgerichtheid van onderwijsdeelnemers versterkt.

• Praktijkgerichtheid: verdere verbetering van de interactie tussen beroepsonderwijs en de praktijk.

Prestatiegegevens

Kwaliteit onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Kwaliteit onderwijs en wetenschappelijk onderzoekReferentiewaardePeildatumRealisatie 2005Realisatie 2006Streefwaarde 2007Realisatie 2007Bron
Positieve beoordeling van de kwaliteit       
• WO/HBO100%2005100%100%100%100%NVAO/Croho
• Onderzoekscholen100%2005100%100%100%100%KNAW
• MBO/VMBO83%200583%92%92%92%Onderwijsinspectie

De kwaliteit van alle opleidingen WO/HBO-groen wordt gewaarborgd via accreditatie (op basis van positieve beoordelingen in visitatierapporten) en de toets nieuwe opleidingen door de Nederlandse Vlaamse Accreditatie Organisatie. Alle door LNV bekostigde opleidingen WO/HBO waren in 2007 geaccrediteerd. Een indicatie voor de kwaliteit is dat HAS Den Bosch in de Keuzegids Hoger Onderwijs 2008 is gekozen als de op twee na beste hogeschool. Alle onderzoeksscholen zijn erkend. De kwaliteit van de opleidingen VMBO en MBO wordt beoordeeld door de Inspectie van het onderwijs. Op basis van rapporten uit het driejaarlijks beoordelingstraject moet governance (kwaliteitszorg) bij 70% van de MBO-instellingen en 45% van de vmbo-instellingen verbeterd worden. Bij 37% van de VMBO-instellingen wordt niet geheel voldaan aan de wettelijke vereisten, m.n. de minimale onderwijstijd. Het rendement laat bij 38% van de MBO en 31% van het VMBO te wensen over. Volgens het Onderwijsjaarverslag 2006 scoort het groen vmbo beter dan het overig vmbo wat betreft systematisch ingerichte kwaliteitszorg, begeleiding van het leerproces en onvertraagde doorstroom. Het groen vmbo scoort minder wat betreft verantwoording aan belanghebbenden, kwaliteit schoolexamens, voldoen aan minimale onderwijstijd en examenresultaten. De MBO-groen opleidingen laten over het geheel een lagere kwaliteit zien dan de ROC’s.

Deelnemers groen onderwijs

Ontwikkeling aantallen studenten/leerlingen groen onderwijs van 2000 t/m 2014

kst-31444-XIV-3-3.gif

Bron: referentieraming OC&W.

Conclusie: op basis van de referentieramingen zullen de leerlingenaantallen voor het voortgezet beroepsonderwijs en het hoger agrarisch onderwijs afnemen. Het aantal leerlingen voor het leerwegondersteunend onderwijs blijft vanaf redelijk 2007 stabiel terwijl het aantal leerlingen voor de BBL-opleiding en het aantal studenten op het WO licht zal toenemen.

Kwalificaties

Ontwikkeling aantal diploma’s en promoties
Gediplomeerden groen onderwijsReferentie waardePeildatumRealisatie 2005Realisatie 2006Streefwaarde 2007Realisatie 2007Bron
VO (AOC’s)7 2002004/20057 2007 3267 200Nog niet bekendLNV/Cfi
MBO6 5312004/20056 5316 0976 531Nog niet bekendLNV/Cfi
HBO1 8082004/20051 8871 9291 8081 854LNV/Cfi
WO1 0382004/20051 2871 3841 0381 266LNV/Cfi
Aantal promoties WU1922005192224192251WU
Gediplomeerde uitstroom
Gediplomeerde uitstroom als percentage van de totale uitstroomReferentie waardePeildatumRealisatie 2005Realisatie 2006Streefwaarde 2007Realisatie 2007Bron
VO95%2004/200594%98%≥ 95%Nog niet bekendVO-instellingen/Cfi
MBO65%2004/200565%59%≥ 95%Nog niet bekendMBO-instellingen/Cfi
HBO65%2004/200559%65%≥ 65%64%HAO-instellingen/Cfi
WU81%2004/200581%80%≥ 81%Nog niet bekendWU/Cfi

Onderstaande grafiek geeft de ontwikkeling aan van het percentage deelnemers binnen het groen onderwijs dat de opleiding heeft verlaten zonder diploma t.o.v. het totaal aantal deelnemers dat de opleiding heeft verlaten.

kst-31444-XIV-3-4.gif

Bron: Onderwijsinstellingen/CFI

Beroepspraktijk
Afgestudeerden met een baan op minimaal het eigen niveauReferentiewaardePeildatumRealisatie 2005Realisatie 2006Streefwaarde 2007/2008Realisatie 2007
MBO-BBL45%200452%50%45/52%nog niet bekend
MBO-BOL49%200455%60%49/55%nog niet bekend
HBO66%200469%77%66/69%nog niet bekend
WU60%200460%63%60/60%nog niet bekend

Bron: STOAS/IVA

In de kolom referentiewaarde zijn de gerealiseerde cijfers opgenomen in het betreffende jaar (peildatum).In de kolom «streefwaarde 2007/2008» zijn de percentages opgenomen zoals die in de betreffende begrotingen zijn vermeld. Aangezien het aantal afgestudeerden met een baan op minimaal het eigen niveau in 2006 aanzienlijk hoger is uitgevallen dan de betreffende referentiewaarde ligt het ambitieniveau voor 2008 inmiddels hoger dan in de begroting 2008 is aangegeven.

Beleidsconclusies en consequenties

De kwaliteit van het groene hoger onderwijs is hoog. De streefwaarden worden gehaald. Toch is er constant aandacht voor verbeteringen. Belangrijk punt van zorg is de dalende instroom in het groen HBO. Er is meer vraag naar afgestudeerde HBO-ers in de sectoren tuinbouw en voedingsmiddelen dan er aanbod is op de scholen. Daarnaast is de instroom van allochtonen te gering. Daarom is de ontwikkeling van groene beroepsopleidingen die ook voor allochtone jongeren aantrekkelijk zijn een aandachtspunt. Ook is er zorg over een voldoende aanbod van leraren groen onderwijs via de STOAS. Dit vraagt om initiatieven en een vernieuwende aanpak van de instellingen om tot een hogere instroom te komen. Voor de komende periode zal invulling worden gegeven aan de doelen die in de Strategische Agenda Hoger Onderwijs zijn geformuleerd. Met de groene instellingen zal naar een specifieke groene invulling worden gekeken. Er worden prestatieafspraken gemaakt met de instellingen, gekoppeld aan toezichtgesprekken. Belangrijk accent voor de komende periode is ook de internationale profilering van de instellingen voor hoger onderwijs. Blijvende aandacht is er voor doorlopende leerlijnen VMBO-HBO. Tot slot wordt de samenwerking in de onderwijskolom en met onderzoek en beroepspraktijk via de Groene Kennis Coöperatie gestimuleerd. De rol van het hoger onderwijs bij kennisdoorstroming naar de beroepspraktijk wordt versterkt (instellingen HBO-groen dienen als kenniscentrum in de regio).

De kwaliteitszorg en het rendement vraagt op enkele AOC-instellingen de aandacht.

Doelstelling nr. 14

Het versterken van het innovatief vermogen van de Nederlandse economie

Resultaten van beleid

De Nederlandse agrosector is een koploper in de wereld op het gebied van innovatie. Die voorsprong dient zeker behouden te blijven.

LNV draagt hieraan bij door ondernemers te faciliteren bij hun innovaties. Via een goed werkend kennissysteem vindt vervolgens verspreiding van innovatieve ontwikkelingen plaats bij andere ondernemers, onder andere via demonstratieregelingen. Ook wordt via competentieontwikkeling de kwaliteit voor goed ondernemerschap gestimuleerd. Tenslotte vindt gerichte financiële ondersteuning plaats voor innovatieve ondernemers via stimuleringsregelingen.

De innovatieagenda’s van de sectoren melkveehouderij, varkenshouderij en het programma «Winnen aan waarde» voor de tuinbouw hebben sterke aangrijpingspunten voor de samenwerking tussen LNV en de betreffende sectoren.

Op 6 juni 2007 is door de Nederlandse varkensvleessector aan de minister van LNV de innovatieagenda «Naar een duurzame Europese marktleider in vers varkensvlees» aangeboden.

Duurzame inpassing, efficiënt geborgde ketens en consumentgerichte productinnovatie zijn de drie speerpunten op de agenda. Vervolgens is de uitwerking in werkprogramma’s met alle betrokken partijen ter hand genomen. Deze werkprogramma’s monden in 2008 uit in innovatieprojecten.

Het Innovatieprogramma Flowers & Food 2007–2012 «Winnen aan waarde» is door het tuinbouwbedrijfsleven op 5 oktober 2007 aan de ministers van LNV en EZ aangeboden. Het programma is een uitwerking van de innovatieagenda en omvat drie programmalijnen: «Waardecreatie in het tuinbouwcluster», «Duurzame, responsieve ketennetwerken» en «Investeren in competenties». Deze programma’s en onderliggende projecten worden door LNV gefaciliteerd door innovatie gerichte subsidieregelingen (o.a. Samenwerking bij innovatie) en d.m.v. gerichte inzet van onderzoek en onderwijsprogramma’s.

Met name in de tuinbouw worden impulsen voor procesondersteuning zoals competentieontwikkeling ontleend aan de innovatieagenda. Een voorbeeld hiervan is de gecontinueerde inzet van Syntens voor vernieuwing in de tuinbouwsector en plattelands-ontwikkeling. Daarnaast komt facilitering tot uiting via financiële ondersteuning van innovatieve ondernemers (pilot innovatievouchers voor primaire bedrijven). Facilitering komt ook tot uitdrukking in de versterkte inzet voor het interdepartementale Koplopersloket. Het Koplopersloket neemt de ambities van ondernemers als uitgangspunt en zet zich in om over scheidslijnen en remmende regelgeving heen gewenste ontwikkelingen te faciliteren.

Interdepartementaal lag de belangrijkste impuls in de participatie in het traject «Nederland Ondernemend Innovatieland». Voor de uitvoering hiervan is de Interdepartementale Programmadirectie Kennis & Innovatie ingesteld. LNV neemt deel aan alle programmalijnen: de lange termijn strategie, de maatschappelijke innovatieagenda’s en het programma dat moet zorgen voor meer samenhang in het beleid voor kennis, innovatie en ondernemerschap.

Ten behoeve van regionale kenniscirculatie en innovatie is de interactie tussen beroepspraktijk en onderwijs verbeterd en is de samenwerking tussen het groene onderwijs en Wageningen UR in een landelijk dekkend en werkend netwerk van regionale kenniscentra bevorderd. Diverse instellingen, met name Hogere Agrarische Scholen, experimenteren met loketten voor ondernemers.

Binnen het sleutelgebied Flowers & Food zijn in het innovatieprogramma «Food & Nutrition Delta» projecten opgenomen van MKB bedrijven. Een ander onderdeel, het Technologisch Topinstituut Groene Genetica, is in 2007 van start gegaan. Verder heeft met name de verduurzaming van de tuinbouw impulsen gekregen, vooral tot uiting komend in de energietransitie in de glastuinbouw (Kas als energiebron)

Prestatiegegevens

In 2007 is de nieuwe regeling «Kennisvouchers» twee keer opengesteld voor ondernemers in de land- en tuinbouw. Er zijn 3000 aanvragen ingediend, uiteindelijk zijn 732 vouchers (via loting) voor kennisoverdracht aan ondernemers in de land- en tuinbouw beschikbaar gesteld. Met de vouchers, ter waarde van € 3000,–, konden ondernemers kennis inkopen bij kennisinstellingen om vernieuwingen op hun bedrijf door te voeren. Uit de grote belangstelling voor deze regeling blijkt dat er bij veel ondernemers behoefte bestaat aan kennis om de bedrijfsvoering van hun bedrijf te verbeteren. Van de kennisvragen had 53% betrekking op grond of grondstoffen, 33% op procesmatige aspecten van de productie van goederen, 12% op investeringen en 2% op arbeidsvraagstukken en overig. Tevens zijn in 2007 in het kader van de regeling «Samenwerking bij innovatie» 30 projecten goedgekeurd. Het verleende subsidiebedrag bedraagt € 6,2 mln. en de totale projectinvesteringen € 26 mln.

De verspreiding van innovatie in duurzame sectoren heeft LNV ondersteund door de demonstratieregeling. Via deze regeling krijgen ondernemers de kans om demonstratieprojecten uit te voeren waarin vernieuwende aanpakken op het gebied van biologische landbouw, landbouw en energie, en intensieve veeehouderij worden opgezet.

Het totaal aantal aanvragers voor de demonstratieregeling in 2007 bedraagt 104, het aantal begunstigden 17. De totaal verleende subsidie bedraagt € 2,8 mln. en het totale investeringsbedrag bedraagt € 8,1 mln.

Indicatoren inzake versterken innovatief vermogen van de Nederlandse economie
IndicatorReferentiewaardePeildatumRealisatie 2005Realisatie 2006StreefwaardeRealisatie 2007Bron
% innoverende agrarische bedrijven6,5%20049,7%11,5%p.m.11,5%LEI
        
Toegevoegde waarde per werknemer/ fte in Ned.primaire sector€ 42 3002005€ 42 300€ 47 100Hoger dan EU-15€ 47 900LEI
        
Toegevoegde waarde per werknemer/fte in primaire sector van de EU-15€ 22 0002005€ 22 000€ 21 200n.v.t.€ 22 900LEI
        
Overschot agrarische handelsbalans€ 21,8 mld.2005€ 21,8 mld.€ 22,9 mld.Minimaal op peil€ 24,0 mld.LEI
        
Investeringsbedrag garant gesteld door Borgstellingsfonds€ 71,4 mln.2005€ 71,4 mln.€ 83,3 mln.n.v.t.€ 67,1 mln.BF
        
Maatschappelijke appreciatiescore8200587,7p.m.7,7TNS/NIPO

Toelichting bij de tabel:

• De referentiewaarde geeft het bedrag of percentage aan dat in een bepaald jaar (peildatum) is gerealiseerd. Meestal betreft dit het startjaar van het bijhouden van de desbetreffende indicator.De streefwaarde betreft het ambitieniveau dat men wil halen. De gerealiseerde bedragen of percentages in latere jaren en de streefwaarden kunnen met de referentiewaarden worden vergeleken zodat de ontwikkelingen zichtbaar worden.

• Percentage innoverende agrarische bedrijven. Het % innoverende agrarische bedrijven geeft het percentage van de bedrijven weer dat product- of procesinnovaties heeft doorgevoerd in het betreffende jaar. Het gaat hierbij zowel om bedrijven die als eerste bedrijf iets nieuws hebben doorgevoerd alsom innovatieve volgers. Uit de resultaten blijkt dat het aantal bedrijven dat een technische vernieuwing heeft doorgevoerd in 2006 lag op 11,5%. Daarmee wordt een stijgende lijn voortgezet na het dieptepunt in 2004. Voor 2007 zijn de gegevens nog niet bekend, deze komen eind 2008 beschikbaar. De verwachting is dat er sprake zal zijn van een verdere stijging van het aantal vernieuwingen en innovaties.

• Investeringsbedrag garant gesteld door het Borgstellingsfonds. In 2007 is via het Borgstellingsfonds € 67,1 mln. aan garantstellingen op investeringen in de land- en tuinbouw afgegeven. Vanaf 2005 is er sprake van fluctuaties in het bedrag aan garantstellingen. Deze fluctuaties zijn in grote mate het gevolg van het wisselende investeringsklimaat in de desbetreffende jaren en daarmee van de bereidheid van ondernemers om te gaan investeren.

• De maatschappelijke appreciatiescore is gebaseerd op een door TNS/Nipo uitgevoerd onderzoek en geeft in een rapportcijfer uitgedrukt de waardering weer van Nederlandse burgers voor de agrosector. Deze waardering ligt de afgelopen 3 jaren op een nagenoeg onveranderd hoog niveau.

Beleidsconclusies en consequenties

Het gaat goed met de innovatie in de agrosector. Het beleid van het rijk is primair gericht op kennisoverdracht door onderzoek en praktijk sterker aan elkaar te verbinden en door de kennis binnen de sector zich breder te laten verspreiden. Beide zijn succesvol.

Veel activiteiten zijn in de loop van 2007 gestart. De resultaten daarvan zijn nu nog niet bekend. Vergelijkt men de netto toegevoegde waarde per werknemer (full-time equivalent (fte) in Nederland met die van de oorspronkelijke 15 EU-lidstaten, dan blijkt Nederland daarop zeer goed te scoren.

Doelstelling nr. 16

Minder regels, minder instrumenten, minder loketten

Resultaten van beleid

In het coalitieakkoord is een nieuwe reductie van de administratieve lasten afgesproken van 25% in de periode 2007–2011. Eind 2007 waren de administratieve lasten ten opzichte van 2003 met 36,4% gedaald. Vanuit de aspecten administratieve lasten, nalevingslasten, verkrijgingskosten van subsidies, toezichtslasten, dienstverlening (incl. de begrijpelijkheid van formulieren), interbestuurlijke lasten, EU en de burger, wordt informatie verzameld bij de verschillende doelgroepen die het volledige beleidsveld van LNV bestrijken. De door de «LNV-klanten» aangedragen prioriteiten, problemen en oplossingssuggesties zullen waar mogelijk worden vertaald in maatregelen die de regeldruk merkbaar verminderen en tevens het publiek belang goed borgen. Daarnaast zijn het vergroten van de transparantie van de LNV-regelgeving en de vereenvoudiging daarvan lopende programma’s. Voorts is in het licht van de vereenvoudiging en vermindering van vergunningprocedures voortgang geboekt.

Concreet heeft dit onder meer opgeleverd:

1. administratieve lasten

• de landbouwkwaliteitsregelgeving is gemoderniseerd;

• de wet op de openluchtrecreatie is ingetrokken;

• de bestrijdingsmiddelenregelgeving is vervangen door een geheel nieuwe Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

• de regels voor het houden van paarden in de Benelux zijn versoepeld.

2. nalevingslasten

• inrichten van de Gegevensautoriteit Natuur waardoor de gegevensvoorziening aan bedrijven/organisaties wordt verbeterd.

• van het voornemen om 56 vergunningen of vergunningenstelsels af te schaffen of om te zetten in algemene regels is een groot deel gerealiseerd. Zo zijn in 2007 specifieke regels voor de kwaliteit van meststoffen omgezet in algemene regels, en zijn ook op het gebied van de visserij een aantal vergunningen gebundeld of vervallen.

• daarnaast is in een viertal gevallen de lex silencio toegepast.

• in het kader van de opschoning en vereenvoudiging van de LNV-regelgeving is in 2007 het aantal stuks regelgeving met 135 verminderd.

3. toezichtslasten

• door betere samenwerking tussen de inspectiediensten moet de toezichtlast voor het bedrijfsleven met 25% worden verminderd. Als onderdeel hiervan is sinds 16 januari 2007 het inspectieloket primair domein (doelgroep: veeteelt, akker-en tuinbouw, visserij en jacht) in bedrijf.

• er is een start gemaakt met de vernieuwing van het toezicht in de vleesketen.

• in 2007 zijn de fytosanitaire inspecties en de kwaliteitskeuringen groenten en fruit die door de PD werden verricht, overgedragen aan vier keuringsdiensten («Plantkeur»).

4. dienstverlening

• met het programma Elektronische Dienstverlening wordt de dienstverlening aan de doelgroepen verbeterd. Inmiddels is circa 70% van de formulieren voor ondernemers via het Internet beschikbaar. Waar mogelijk worden op deze formulieren al gegevens vooraf ingevuld en worden online geautomatiseerde controles op de juistheid van het invullen uitgevoerd. Bij de Mestregelgeving is als gevolg hiervan een snelle en soepele afhandeling van verplichte opgaven mogelijk gebleken. Deze aanpak heeft in een aantal gevallen geleid tot 80% Internetgebruik. Voor zeer complexe formulieren ligt dit gebruik nog op 25%. Ook is in 2007 gestart met elektronische inzage in de LNV-registers, zodat de relaties de eigen gegevens kunnen inzien.

• de gemeenschappelijke datainwinning (GDI) vond in 2007 voor ruim 20% elektronisch plaats. Streven is dit percentage te verhogen tot 40% in 2008. In dat jaar wordt het ook mogelijk de aanvraag Probleemgebiedenvergoeding via GDI in te dienen.

• het programma Cliënt/exportdeel beoogt een verbetering van administratieve en logistieke processen bij overheid en bedrijfsleven rond import en export van landbouwgoederen. Er komen geautomatiseerde, ondersteunende systemen voor de elektronische exportcertificering van alle landbouwgoederen, met als eerste sectoren pootaardappelen en zuivel. Deze worden in de loop van 2008 en 2009 gevolgd door alle andere landbouwsectoren.

• met TRACES wordt een administratieve lastenvermindering gerealiseerd voor importen en het intraverkeer van dieren en dierlijke producten. Dit gebeurt door in te zetten op elektronische certificering en een volledige elektronische workflow.

5. EU

  De EU is naar Nederlands voorbeeld gestart met de vermindering van de administratieve lasten met 25% in 2012. Voor het LNV domein worden aangepakt:

• regels m.b.t. GLB inkomenssteun;

• de statistiekverplichtingen voor varkens, runderen en fruitteelt;

• vereenvoudiging van de verplichtingen voor telers en verwerkers van energiegewassen;

• regels voor voedselveiligheid en diertransport;

• regels voor import en export certificering;

• regels voor de toekenning van exportrestituties voor bepaalde producten;

• ontwikkelen controlesysteem t.b.v. het gemeenschappelijk visserijbeleid.

Prestatiegegevens

kst-31444-XIV-3-5.gif

De zwarte lijn geeft de kabinetsdoelstellingen aan.

De doelstelling is in 2007 verhoogd met nogmaals 25%

Bron: LNV

Beleidsconclusies en consequenties

Nadat LNV de reductie van – 25% van het vorige kabinet ruim had behaald, is in 2007 van start gegaan met een verdere reductie van de administratieve lasten en regeldruk. Zoals hierboven beschreven zijn daarvoor vele initiatieven gestart.

Zaak is wel dat de gemakkelijkst te behalen reducties behaald zijn en dat verdere verlaging van administratieve lasten en regeldruk moeizamer zal verlopen. Daartoe zal de Kamer in 2008 een nieuw plan van aanpak kunnen verwachten. Ook de extra regeldruk die ontstaat als gevolg van regeldruk verhogende initiatieven (bijvoorbeeld extra eisen aan cross-compliance verplichtingen ten behoeve van weidegang koeien) leiden ertoe dat een verdere verlaging van de administratieve lasten en regeldruk moeizamer zal verlopen. Dat wordt goed bijgehouden.

Doelstelling nr. 22

Het stimuleren van duurzame consumptie en productie

Resultaten van beleid

Het beleid van LNV richt zich vooral op het bijbrengen van kennis over duurzaamheid en gezondheid, het vergroten van het bewustzijn van mensen ten aanzien van duurzame consumptie en het stimuleren van duurzame productie. Naast de producent speelt de consument dus een belangrijke rol met zijn keuzes.

In 2007 heeft LNV op het gebied van duurzaamheid ten aanzien van consumenten en producenten het volgende gerealiseerd:

Energie transitie en glastuinbouw

De snel gestegen energieprijzen zijn een hoge kostenpost in de glastuinbouw. Daarnaast maakt ook het klimaatbeleid een versnelde transitie naar minder gebruik van fossiele brandstoffen dringend gewenst. LNV werkt hier samen met het Productschap Tuinbouw en het bedrijfsleven aan via het programma Kas als Energiebron. Er worden innovatieve energieconcepten ontwikkeld, zoals de semi-gesloten kas. Dit vraagt om forse investeringen. Het kabinet helpt de glastuinbouwsector met een krachtige investeringsimpuls om de transitie mogelijk te maken. Om het gebruik van fossiele brandstoffen te beperken en een efficiënt energiegebruik binnen de glastuinbouw te stimuleren zijn in het afgelopen jaar de regelingen Marktintroductie Energie Innovatie (MEI) en Investeringsregeling Energie (IRE) opengesteld. Op basis van deze regelingen zijn in 2007 subsidieverplichtingen aangegaan voor een bedrag van € 41 mln.

Inzake energiebesparing hebben het kabinet en het bedrijfsleven, waaronder LTO Nederland, het Duurzaamheidsakkoord ondertekend waarin zij overeenkomen om «maximaal aan de slag te gaan» om resultaat te bereiken op de gebieden van reductie van broeikasgassen, energiebesparing en hernieuwbare energie. Bedrijfsleven en overheid zijn overeengekomen om zo spoedig mogelijk tot sectorakkoorden te komen, waaronder een overeenkomst met de land- en tuinbouw.

In de loop van 2007 is gebleken dat telen in een semi-gesloten kas naast ervaring ook nog nadere kennis vraagt. Hiertoe is samen met het productschap Tuinbouw een «versnellingsprogramma implementatie semi-gesloten kas» opgezet. Hiermee is voor de komende drie jaar jaarlijks een bedrag van € 12 mln. gemoeid, de sector neemt hetzelfde bedrag voor haar rekening.

In juni 2007 hebben alle bij Greenports Nederland betrokken partijen, waaronder ook de rijksoverheid, een intentieverklaring ondertekend om gezamenlijk uitvoering te geven aan bestuurlijke afspraken. De afspraken zijn vastgelegd in een actieprogramma dat voortvloeit uit het eerder opgestelde manifest Greenports Nederland en heeft een looptijd tot en met 2011. De ambitie van alle partijen is dat Nederland ook in 2020 een vitaal en concurrerend tuinbouwcluster van wereldformaat heeft.

Prestatiegegevens

Onderstaande grafieken geven inzicht in de ontwikkeling van de energie-efficiëntie in de productieglastuinbouw en de ontwikkeling van de CO2-emissie glastuinbouw. De energie-efficiëntie is een maat voor de duurzaamheid van de productie en de CO2-emissie geeft informatie over de milieu-belasting.

Energie-efficiëntie

In het convenant Glastuinbouw en Milieu is afgesproken dat de energie-efficiëntie, zijnde het primair brandstofverbruik per eenheid product, in 2010 65% lager zal zijn dan in 1980.

Ontwikkeling energie-efficiëntie (=primair brandstofverbruik per eenheid product) in de productieglastuinbouw, uitgedrukt in procenten van het niveau in 1980.

kst-31444-XIV-3-6.gif

Bron: LEI/Wageningen UR Energiemotor van de Nederlandse glastuinbouw 2000–2006, Rapport 2.07.15, oktober 2007

Toelichting:

De energie-efficiëntie (=het primair brandstofverbruik per eenheid product) van de productieglastuinbouw is uitgedrukt in procenten van het niveau in 1980. De doelstelling om in 2010 65% minder energieverbruik te gebruiken per eenheid product ten opzichte van 1980 is in de grafiek zichtbaar gemaakt doordat de efficiëntie-index in 2010 35% bedraagt van het niveau in 1980.

Uit de grafiek blijkt dat tussen 2000 en 2005 de energie-efficiëntie ten opzichte van 1980 verbeterde van 56% in 2000 tot 46% in 2005.

Dit betekent dat er in 2000 sprake was van 44% minder energie-verbruikper eenheid product ten opzichte van 1980 en dat er in 2005 sprake is van 54% minder energie-verbruik per eenheid product ten opzichte van het niveau 1980. De verbetering van de energie-efficiëntie in de periode 2000–2005 is het gevolg van een toename van de productie per m2 kas met 14% en een vermindering van het primair brandstofverbruik per m2 met 7%.

CO2-emissie

Doelstelling is een CO2-streefwaarde van 6,6 Mton per jaar bij een glasareaal van 10 500 ha en 7,2 Mton bij een areaal van 11 500 ha in de periode 2008–2012.

Ontwikkeling van de CO2-emissie van de glastuinbouw zowel zonder als met correctie voor de elektriciteitsverkoop

kst-31444-XIV-3-7.gif

Bron:LEI/Wageningen UR Energiemotor van de Nederlandse glastuinbouw 2000–2006, Rapport 2.07.15, oktober 2007

Toelichting grafiek CO2-emissie:

Bij de CO2-emissie wordt onderscheid gemaakt tussen de totale CO2-emissie en de CO2-emissie exclusief elektriciteitslevering. De totale CO2-emissie nam tussen 2000 en 2005 eerst af en daarna toe. In 2005 bedroeg de totale emissie 6,6 Mton. Dit is 3% minder dan de 6,8 Mton in 1990. Het patroon van afnemende en weer stijgende emissie hangt samen met het gelijkblijvende areaal, een vermindering van het fossiele brandstofverbruik per m2 tot en met 2002 en een toename in de jaren daarna.

De CO2-emissie als gevolg van elektriciteitslevering door de glastuinbouw bedroeg circa o,5 Mton in 2005 en ongeveer 0,8 Mton in 2006. Na correctie voor elektriciteitsverkoop resulteren CO2-emissie van 6,1 Mton in 2005 en 5,7 Mton in 2006. Deze waarden liggen onder de streefwaarden van 6,6 Mton en zijn de laagste sinds 1990. Indien alleen de CO2-emissie voor de teelt wordt meegewogen, dan was de CO2-emissie van de glastuinbouw in 2005 11% lager dan in 1990.

Bio-based Economy

In oktober 2007 is mede namens de ministers Cramer, Koenders en Van der Hoeven, de «Overheidsvisie op de Bio-based Economy in de Energietransitie» aan de Tweede Kamer aangeboden. Hierin wordt de duurzaamheid van biomassa als belangrijk uitgangspunt genoemd. In deze visie worden economie en ecologie met elkaar verbonden en zet de overheid in op vijf paden waarlangs bestaand beleid wordt beschreven en nieuw beleid wordt ontwikkeld:

• bioraffinage door middel van co-productie;

• duurzame productie van biomassa wereldwijd;

• groen gas en duurzame elektriciteit;

• marktontwikkeling;

• onderwerpen van algemene aard.

Tevens is in 2007 een zogenaamde Small Business Innovation Research (SBIR)-pilot uitgevoerd op het terrein van de bio-based economy waarbij de rol van het MKB centraal staat.

Biologische landbouw

Het beleid voor biologische landbouw richt zich vooral op de vraagkant van de biologische markt. Dat begint zijn vruchten af te werpen: de vraag stijgt sneller dan het aanbod. Dit is gerealiseerd via generieke voorlichtingscampagnes, het implementeren van meerjarige opschalingsplannen en het subsidiëren van voorlichtings- en demonstratieprojecten. Van de regeling voor de vergoeding van de certificeringskosten van biologische bedrijven is volop gebruik gemaakt. Ook zijn subsidies verstrekt aan projecten en organisaties (o.a. Biologica) die bijdragen aan de verdere ontwikkeling van de biologische landbouw. Op 7 november 2007 is een intentieverklaring getekend door alle belangrijke marktpartijen en maatschappelijke organisaties over de voortzetting van de samenwerking op basis van de nieuwe beleidsnota Biologische Landbouw 2008–2011. De beleidsnota is op 13 december 2007 aan de Tweede Kamer gepresenteerd (Tweede Kamer 2007–2008, 29 842, nr. 15). In de beleidsnota wordt ingezet op vraagstimulering, ketenverbindingen, ontwikkeling van de sector zelf, het stimuleren van regionale initiatieven en kennis en innovatie om ook de biologische en gangbare landbouw met elkaar te verbinden. Om de productie van biologische producten te stimuleren zal in samenwerking met ketenpartijen getracht worden de groep potentiële omschakelaars te vergroten, waarbij kennis en communicatie ingezet worden. Omschakelen kost echter tijd en geld en daarom zal het aanbod niet altijd het tempo van de gestegen vraag kunnen bijhouden.

Prestatiegegevens

Ontwikkeling aantal biologische bedrijven als percentage van het totaal aantal agrarische bedrijven en ontwikkeling van het marktaandeel van de biologische producten als percentage van de totale omzet van voedingsmiddelen.

kst-31444-XIV-3-8.gif

Bron: Bio-monitor , jaarrapport 06, cijfers en trends

In bovenstaande grafiek is voor de periode 2002 t/m 2007 het aantal gecertificeerde bedrijven opgenomen als percentage van het totaal aantal agrarische bedrijven en de ontwikkeling van het marktaandeel van de biologische voedingsmiddelen in verhouding tot de totale omzet van voedingsmiddelen.

Niet opgenomen in de grafiek is het areaal (in ha) van de biologische landbouw als percentage van het totale landbouwareaal. Deze bedroeg in 2003 2,2% en was in 2004, 2005, 2006 en 2007 stabiel op 2,5%. In die zelfde periode is het aantal gecertificeerde biologische bedrijven gedaald van 1434 in 2003 naar 1372 in 2007. Er heeft zich dus een schaalvergroting voorgedaan waardoor het totaal areaal biologische landbouw niet is afgenomen.

Bewustwording consumenten

In 2007 is door het Voedingscentrum Nederland de campagne over dierenwelzijn gestart. Onder de titel «een kip of varken kan niet kiezen, jij wel!» wordt getracht het bewustzijn van consumenten bij hun keuzes te vergroten. Na 6 maanden campagne is het te vroeg voor het meten van resultaten. Wel is duidelijk dat de campagne effect heeft in de primaire sector. Voedingscentrum Nederland krijgt signalen dat het onderwerp daar bespreekbaar is gemaakt dankzij de campagne. De campagne wordt in 2008 voortgezet.

Via zogenaamde smaaklessen worden kinderen van basisscholen bewuster gemaakt van het voedsel dat ze eten. Kinderen leren op jonge leeftijd waar het voedsel vandaan komt en hoe het geproduceerd wordt. Op die manier kunnen zij later betere afwegingen maken ten aanzien van duurzaamheid en gezondheid.

De Smaaklessen zijn in 2006 gestart en in 2007 succesvol doorgegroeid. In februari 2007 moest al een stop op nieuwe aanmeldingen worden afgekondigd. Het streefaantal van 500 aangemelde basisscholen voor het schooljaar 2006/2007 was op dat moment reeds gehaald. Daarom is besloten voor het schooljaar 2007/2008 meer smaaklessen aan te bieden. Het streefcijfer voor het lopende schooljaar is om op 1 000 scholen (14% van de totale scholen) smaaklessen aan te bieden waarvan 650 nieuwe scholen en 350 scholen behouden uit het vorig jaar. Verder zijn in samenwerking met het ministerie van VWS stappen gezet tot verdere ontwikkeling van Smaaklessen.

Transitie Noordzeevisserij

Voor een goed perspectief van de visserijsector is het van belang dat er een transitie plaatsvindt naar een meer duurzame visserijsector waarbij tegelijkertijd sprake is van een rendementsverbetering. De sector is zich dat bewust en werkt actief mee dit te bereiken.

De transitie is noodzakelijk omdat de Noordzeevisserij economisch onder grote druk staat, er is sprake van negatieve bedrijfsresultaten en weinig eigen vermogen. Daarnaast ziet de sector zich geconfronteerd met vragen over de duurzaamheid van zijn activiteiten. LNV faciliteert het transitieproces. Het kabinet heeft eind 2007 € 30 mln. uitgetrokken voor de sanering van de platvisserijvloot (onder andere tong en schol). Voor de sanering van de vloot is € 29 mln. beschikbaar en voor sociaal-economische maatregelen € 1 mln. Ultimo 2007 waren 23 viskotters aangemeld voor sanering. Met deze sanering wordt 16% van de vlootcapaciteit voor platvis uit de vaart genomen. Dit betreft ca. 8,5% van het aantal vaartuigen. De verplichtingen en de uitbetaling in verband met deze sanering vinden in 2008 plaats.

Onderdeel van de saneringsregeling is dat de schepen worden gesloopt om te voorkomen dat ze op andere plaatsen in de wereld worden gebruikt.

De minister heeft op drie manieren aan de verbetering van de sector gewerkt: innovatie door bijvoorbeeld verbetering van vistuig of het stimuleren van samenwerking in de hele keten, het op peil brengen van de visstand via de vangstquota en als sluitstuk sanering van de vloot om de economische positie van de rest van de vloot te verbeteren.

Om middelen uit het Europees Visserijfonds (EVF) te kunnen gebruiken heeft Nederland in Brussel een Nationaal Strategisch Plan en een Operationeel Programma ingediend. De Europese Commissie heeft de Nederlandse plannen eind december 2007 goedgekeurd.

Duurzame veehouderij

Het debat over de duurzame veehouderij heeft zich nog sterker dan voorheen gericht op het aspect van dierenwelzijn. Daarnaast is de inzet op de vermindering van uitstoot van schadelijke stoffen en van fijn stof van belang.

De aandacht is in 2007 verschoven van innovaties die alleen op het primaire bedrijf toegepast worden naar ketengerichte innovaties waarbij ook maatschappelijke organisaties betrokken zijn. Voorbeeld hiervan zijn de succesvolle introductie in 2007 van de Volwaardkip. Een ander voorbeeld is het starten van de praktijkimplementatie van het Rondeelconcept, een nieuwe duurzame vorm van houden van legkippen.

De Maatlat Duurzame Veehouderij is in werking getreden, waarbij bovenwettelijke investeringen in dierenwelzijn en milieu in de varkens- en pluimveehouderij voor fiscale tegemoetkoming in aanmerking komen (MIA/Vamil). Er is een intentiebesluit van LNV en de legpluimveesector getekend om de regelgeving m.b.t. handelsnormen, dierenwelzijn en hygiëne via een Toezicht op controle arrangement op basis van private certificeringssystemen (IKB) te gaan controleren.

De investeringsregeling gecombineerde luchtwassers (ammoniak èn stof) is in 2007 van start gegaan en kende een grote belangstelling, Het aantal aanvragen overtrof het beschikbare budget. Van de 324 aanvragen zijn er 127 aanvragen toegewezen waarbij voor € 15,8 mln. aan verplichtingen is aangegaan. De regeling wordt ook na 2007 opengesteld. Gelet op het grote succes van de investeringsregeling voor gecombineerde luchtwassers wordt deze regeling in 2008 ook voor pluimveehouders opengesteld, omdat hier meer milieuwinst te boeken is dan bij de varkenshouders. Dit wordt samen met VROM opgepakt.

LNV heeft in januari 2008 een toekomstvisie op de veehouderij naar de Tweede Kamer gezonden. (Tweede Kamer 2007–2008, 28 973, nr.18). Kern van deze visie is dat de veehouderij zich in 15 jaar moet hebben ontwikkeld tot een in alle opzichten duurzame veehouderij met een breed draagvlak in de samenleving. Dat betekent een veehouderij die produceert met respect voor mens, dier en milieu, waar ook ter wereld.

Nieuw Mestbeleid

Het slagen van het nieuwe mestbeleid is vanzelfsprekend sterk afhankelijk van het naleven van de mestgebruiksnormen in de praktijk. LNV heeft hard gewerkt aan een handhavingsystematiek waarmee vermoedelijke overtreders van primaire en secundaire gebruiksnormen over 2007 kunnen worden aangesproken. De evaluatie van de meststoffenwet is afgerond. De evaluatie laat zien dat de sector de mineralenbelasting van grond en oppervlaktewater fors heeft teruggebracht, maar dat de doelstellingen nog niet gehaald zijn, met name voor de mineralenbelasting op de zandgronden. In goed overleg met de sector is gekomen tot de implementatie van de laatste openstaande onderdelen van het derde nitraatactieprogramma en tot een invulling van de aanscherping van de stikstofgebruiksnormen 2008 en 2009.

Een start is gemaakt met de voorbereiding van het vierde nitraatactieprogramma en een nieuw verzoek tot derogatieverlening. Daarbij wordt onder andere gekeken naar de mogelijkheden tot meer afzetruimte voor producten uit verwerkte dierlijke mest. LNV en het bedrijfsleven zijn begonnen om samen de koers uit te zetten voor mestverwerking gedurende de komende jaren.

Prestatiegegevens

Grondwater

Onderstaande figuur laat zien dat sinds 1992 de nitraatconcentratie in het bovenste grondwater is afgenomen voor zowel de zand- als de kleiregio. Daarmee is het doel echter nog niet behaald: in de evaluatie meststoffenwet (Tweede Kamer 2007–2008, 28 385, nr. 93) luidt de conclusie: «In de periode 2003–2005 voldeed ruim de helft van de bedrijven in het zand- en lössgebied nog niet aan de norm van 50 mg nitraat/l. De gemiddelde nitraatconcentratie onder de zandgronden bedroeg in genoemde periode 72 mg nitraat/l. De hoogste concentraties worden gevonden in het oostelijk deel van Noord-Brabant, Oost-Gelderland en Limburg.

De verschillen in nitraatconcentraties per bedrijfstype zijn in de zandregio groot. De melkveebedrijven benaderen de nitraatdoelstelling van maximaal 50 mg nitraat/l in het grondwater, de akkerbouwbedrijven zitten hier gemiddeld genomen nog ruim boven.

Gemiddeld voldoen de klei- en veenregio’s aan de norm van 50 mg nitraat/l.

Trends van de nitraatconcentratie in het bovenste grondwater voor de zand- en kleiregio, na correctie voor neerslaghoeveelhed en steekproefsamenstelling, en voor de veenregio (Bron: Hooijboer et al.2007).

Nitraat in bovenste grondwater

kst-31444-XIV-3-9.gif

Bron: MNP, Werking van de Meststoffenwet 2006, Bilthoven, oktober 2007. Rapportnummer 500124001, pagina 28 resp 35)

Oppervlaktewater

Onderstaande figuur laat zien dat na 1994 de fosforconcentratie in dominant door landbouw beïnvloede wateren overwegend is gedaald.

In de brief van de Minister aan de TK van 3 december 2007 over de evaluatie meststoffenwet wordt het volgende geconcludeerd: «Op grond van monitoringsgegevens blijkt dat grofweg de helft van de oppervlaktewateren al voldoet aan de voorlopige eisen voor de Kaderrichtlijn Water. De uitgevoerde ex-post evaluatie leert verder dat de verbetering van kwaliteit van oppervlaktewater zich voortzet, maar dat er met name voor fosfor grote verschillen bestaan tussen locaties.

Ontwikkeling van de gemeten mediane fosforconcentraties tussen 1986 en 2005 in dominant door landbouw beïnvloed regionaal oppervlaktewater.

Fosforconcentratie regionaal oppervlaktewater, dominant door landbouw beïnvloed

kst-31444-XIV-3-10.gif

Bron: MNP, Werking van de Meststoffenwet 2006, Bilthoven, oktober 2007. Rapportnummer 500 124 001, pagina 28 resp. 35).

Gewasbescherming

Het beleid is erop gericht de milieudoelstellingen van de Nota Duurzame Gewasbescherming te realiseren. Daartoe is de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en biociden aangepast en op 17 oktober 2007 in werking getreden.

De Kabinetsvisie op de tussenevaluatie van de nota duurzame Gewasbescherming is aan de Tweede Kamer gezonden. Het vervolg op de tussenevaluatie van de Nota Duurzame gewasbescherming is in uitvoering. Het betreft de emissieroutes van stoffen en het opnieuw vaststellen van een aantal MTR’s (maximaal toelaatbare stoffen). De MTR’s geven het maximale gehalte aan stoffen aan waaraan de kwaliteit van het water moet voldoen.

De herbeoordeling van middelen conform art. 25d van de nieuwe wet is door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) afgerond. De gevolgen hiervan zijn door de Plantenziektekundige Dienst (PD) in kaart gebracht en aan de Kamer meegedeeld.

De berekende milieubelasting van het oppervlaktewater door gewasbeschermingsmiddelen is in 2005 verminderd met 86% ten opzichte van 1998. Daarmee is de tussendoelstelling van 75% ruimschoots gerealiseerd.

Uit de tussenevaluatie blijkt dat voor het realiseren van de doelstellingen het convenant Duurzame gewasbescherming van bijzonder belang is. Hierin hebben belanghebbenden een akkoord gesloten over de gezamenlijke uitvoering van een pakket aan afspraken dat moet leiden tot een duurzame gewasbescherming.

Het MNP constateert dat de verduurzaming van de gewasbescherming de afgelopen jaren is voortgeschreden en dat mede als gevolg van het convenant bij alle betrokken partijen een goed draagvlak is ontstaan voor geïntegreerde gewasbescherming. Dit geeft vertrouwen dat de komende jaren de noodzakelijke vermindering van de milieubelasting ook daadwerkelijke zal worden gerealiseerd.

Belasting milieucompartimenten door gewasbeschermingsmiddelen

kst-31444-XIV-3-11.gif

Bron: Milieu- en Natuurplanbureau, Evaluatie Duurzame gewasbescherming 2006

Belasting oppervlaktewater door gewasbeschermingsmiddelen

kst-31444-XIV-3-12.gif

Bron: Milieu- en Natuurplanbureau, Evaluatie Duurzame gewasbescherming 2006

De berekende milieubelasting van het oppervlaktewater door gewasbeschermingsmiddelen is in 2005 verminderd met 86% ten opzichte van 1998. Daarmee is de tussendoelstelling van 75% ruimschoots gerealiseerd.

Beleidsconclusies en consequenties

De inspanningen die zich richten op het beïnvloeden van het consumentengedrag zullen pas op de langere termijn effect sorteren. De bewustwordingscampagnes zijn in 2007 van start gegaan en de resultaten ervan zullen onderzocht worden. De beleidsinzet zal de komende jaren gecontinueerd worden.

Ten aanzien van de duurzame productie zijn de effecten eerder te verwachten. Op veel terreinen, zoals bijvoorbeeld de glastuinbouw, is de transitie naar een duurzamere productie al jaren gaande. Daarvoor zijn de resultaten goed te noemen.

De groei van de biologische landbouw blijft achter bij de doelstellingen. Terwijl de vraag naar biologische producten sterk stijgt, blijft de groei van het aanbod achterwege. Het beleid richt zich de komende jaren daarom enerzijds op het verbinden van de biologische sector met de voorlopers op duurzaamheid in de reguliere landbouw en anderzijds op het doen ontstaan van een robuuste zelfstandige sector. Dat is ook beschreven in de Beleidsnota biologische landbouwketen 2008–2011 (Tweede Kamer 2007–2008, 29 842, nr. 15).

De Noordzeevisserij maakt momenteel een grote omslag naar duurzaamheid, in economische, sociale én ecologische zin. Daarvoor heeft het kabinet in 2007 extra middelen uitgetrokken. Tevens is de saneringsregeling ingegaan die ongeveer 25 kotters uit de vaart moet nemen. In 2008 moeten daar echt grote resultaten geboekt worden.

Ten aanzien van de duurzame veehouderij is de aandacht het afgelopen jaar nog sterker komen te liggen op dierenwelzijn. Dat heeft geresulteerd in de toekomstvisie op de veehouderij die in januari 2008 aan de Kamer is verzonden. Er zal met de sector stevig ingezet moeten worden op de implementatie van deze visie.

De doelstellingen van de nitraatrichtlijn zijn fors naderbij gekomen en zullen in het 4e actieprogramma gerealiseerd kunnen worden.

Doelstelling nr. 24

In 2011 moeten Nederlanders meer tevreden zijn over het landschap, zijn groene gebieden gerealiseerd, is het platteland vitaler en dynamischer en wordt geïnvesteerd in natuurgebieden.

Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG)

Het jaar 2007 was het jaar van de inwerkingtreding van het ILG. De budgetten voor natuur, landschap, recreatie en reconstructie staan op de begroting van LNV en worden voor de periode 2007–2013 overgemaakt aan de provincies, die voor de uitvoering zorgdragen. Het Rijk volgt de voortgang in de prestaties (realisatie en uitgaven) via jaarlijkse voortgangsrapportages van de provincies. Deze voortgangsrapportages zullen jaarlijks, voorzien van een analyse van de minister van LNV, aan de Kamer worden aangeboden. De eerste rapportage zal voor Prinsjesdag 2008 verschijnen. Deze voortgangsrapportages betreffen uitdrukkelijk geen jaarlijkse verantwoordingsrapportages van de provincies. De provincies leggen in 2014, na afloop van de ILG-periode, verantwoording af aan het Rijk over de geleverde prestaties over de periode 2007–2013 en over de besteding van de Rijksmiddelen. In 2010 vindt er een tussenevaluatie plaats.

Het bovenstaande betekent dat het Rijk formeel niet eerder dan na afloop van de ILG-periode verantwoording kan afleggen over de rechtmatigheid van de uitgegeven middelen en de gerealiseerde prestaties. Concreet betekent dit dat in het LNV jaarverslag over 2007 geen prestaties zijn opgenomen op het terrein van de ILG-doelen.

Landschap/Nationale Landschappen

In 2007 is een maatschappelijke kosten-batenanalyse landschap uitgevoerd, waaruit bleek dat het lonend is in landschap te investeren. De combinatie van natuurlijke elementen, cultuurhistorische gebouwen en objecten en de toegankelijkheid van het gebied voor recreatief gebruik, zorgen voor een hoge maatschappelijke waardering en verbetering hiervan is nodig om aan de doelstellingen te voldoen. Het probleem is dat de baten die hieruit voortvloeien en lasten om het te realiseren of te behouden, zeer scheef verdeeld zijn. De uitdaging is om de betrokken partijen bij elkaar te krijgen en via financieringsconstructies baten en lasten beter te verdelen. Daarvoor zijn in 2007 twee acties aangekondigd en opgestart: het selecteren van 4 voorbeeldgebieden en de in te stellen task force financiering landschap. De task force zal de minister adviseren over mogelijke financieringsvormen voor investeringen in het landschap.

In de 20 Nationale landschappen zien we die combinatie van natuur, cultuur-historie en toegankelijkheid nu al het meest terug. Dit blijkt ook uit de hogere waardering voor deze gebieden ten opzichte van de rest van Nederland. Deze landschappen zijn onderdeel van de ruimtelijke hoofdstructuur en vertellen het verhaal van het Nederlandse landschap. Maar de druk op deze gebieden door verstedelijking en versnippering neemt ook toe. In 2007 zijn er resultaten geboekt om deze mooie landschappen te behouden, toegankelijker te maken en meer bekendheid te geven. Provincies hebben voor de landschappen een concrete begrenzing uitgewerkt en deels ook al vastgelegd in streekplannen. In uitvoeringsprogramma’s zijn de projecten benoemd die met rijks- en provinciale financiering in de huidige ILG-periode worden uitgevoerd. In het voorjaar is de eerste documentaire-serie over 6 landschappen uitgezonden op TV en is een website (www.nationalelandschappen.nl) gelanceerd waarin rijk en provincies informatie over het gebied beschikbaar maken voor een breed publiek.

Het rijk assisteert gemeenten en provincies ook bij hun algemene landschapsbeleid. Daartoe zijn geslaagde Kwaliteitsdagen Landschap georganiseerd voor gemeenten (1 februari 2007) en provincies (1 november 2007).

Nationale Landschappen

kst-31444-XIV-3-13.gif

Kaart: de Nationale Landschappen. Bron: nota Ruimte (VROM)

EHS

In 2007 is de ecologische evaluatie door het Milieu en Natuurplanbureau van het beheer van de EHS afgerond. Hieruit blijkt dat voor wat betreft de areaalgroei de EHS door verwerving op schema ligt. Het particulier natuur beheer (omvorming van agrarische grond naar natuur) blijft achter bij de planning. Hiervoor zijn maatregelen genomen in de vorm van een intensief communicatie project en door de instelling van het servicepunt EHS.

Voor wat betreft de kwaliteit van het beheer kan worden gesteld dat de kwaliteitsdoelen conform de voorschriften van Programma Beheer worden gerealiseerd. Met name in de delen van de EHS die samen vallen met de Natura-2000 gebieden is nog een stevige kwaliteitsimpuls nodig. Dit betreft vooral de verdrogingbestrijding. Ten behoeve van de verdrogingbestrijding zijn in 2007 de zogenaamde TOP lijsten door de provincies vastgesteld. Met het vaststellen van deze lijsten kunnen de provincies aan de slag met het uitvoeren van de maatregelen.

Er staan veel veranderingen op stapel voor het natuurbeheer. De diverse evaluaties en rapporten bevestigen dat er een noodzaak is om stevig in te zetten om onze ambities voor de natuur te realiseren. Kennis en bewustwording is gegroeid en er is meer bereidheid bij burgers en andere doelgroepen om hieraan mee te werken. De bereidheid bij bedrijven om hierin te investeren neemt toe.

Daarmee zie ik een toekomst ontstaan, waarin het natuurbeheer midden in de samenleving staat. Verschillende soorten beheerders werken dan gelijkwaardig samen aan het beheer van natuur en landschappelijke waarden in het landelijke gebied, waarmee een grote rijkdom aan biodiversiteit in stand wordt gehouden. Deze natuur is te vinden in het landelijk gebied, dat ook verbonden is met stedelijk groen en ruime gelegenheid biedt voor natuurbeleving aan een diversiteit van bevolkingsgroepen.

Met ingang van 2007 hebben de provincies Programma Beheer overgenomen. Tegelijkertijd zijn de provincies onder de coördinerende leiding van het IPO begonnen met het ontwikkelen van een visie over de omvorming van Programma Beheer. In samenwerking met LNV en de provincies heeft het IPO een visie ontwikkeld inzake de herziening van het subsidiestelsel. Uitgangspunt is hierbij dat het een eenvoudig robuust subsidiesysteem voor het beheer van de EHS wordt, met geringe administratieve lasten. De provincies mikken op een start van het herziene systeem in 2009.

Leefgebiedenbenadering

Begin oktober 2007 is de nieuwe beleidsstrategie voor het actieve soortenbeleid, de leefgebiedenbenadering, gepresenteerd aan de Tweede Kamer. De strategie is gezamenlijk met de provincies, soortenbeschermingsorganisaties en terreinbeherende organisaties opgesteld en kent daarmee een groot draagvlak. Het nieuwe soortenbeleid richt zich op de instandhouding en actieve ontwikkeling van leefgebieden voor groepen van soorten.

Daarnaast stond 2007 vooral in het teken van de uitvoering, het testen van de leefgebiedenbenadering in de praktijk. Gesteund door het amendement Waalkens (Tweede Kamer 2006–2007, 30 800 XIV, nr. 38) zijn er maar liefst 41 uitvoeringsprojecten gerealiseerd (circa € 4 miljoen), verspreid over 10 leefgebieden en 12 provincies.

Als voorbeeld noemen we het project stroomdal Drentsche Aa. De maatregelen voor de soorten uit het leefgebied Beekdalen zijn zeer divers zoals het herstel van natuurvriendelijke oevers, het aanleggen van vistrappen en het herstellen van oude meanders. De uitvoeringspartijen werden verrast door de bereidwilligheid van de aangrenzende grondeigenaren (Defensie, zorginstelling). Zij stelden belangeloos ruimte ter beschikking voor de uitvoeringsmaatregelen en traden, net als de deelnemende waterschappen, als co-financier op.

De tussen- en eindrapportages van de 41 projecten bevestigen dit beeld. Het draagvlak voor de leefgebiedenbenadering is groot en de cofinanciering bedroeg ruim € 0,9 mln.

Hiervoor zijn in 2007 de gesprekken met de provincies geopend, zodat vanaf 2009 een structurele aanpak via het ILG gerealiseerd kan worden.

Ondertussen zijn ook verschillende pilots in uitvoering genomen, die vooral gericht zijn op het leren samenwerken van verschillende organisaties op het gebied van soorten. De positieve en zo mogelijk beperkende effecten van de nieuwe soortenaanpak op economische activiteiten zijn nog onderwerp van gesprek tussen LNV en VNO-NCW en dat vormt nog een belangrijk aandachtspunt.

Natura 2000

In 2007 is begonnen met het aanwijzen van de 162 beoogde Natura 2000-gebieden in Nederland. In januari 2007 is gestart met de ontwerp-aanwijzing van de eerste 111 gebieden. In mei 2007 gevolgd door 7 Waddengebieden. De overige gebieden worden in 2008 in ontwerp aangewezen. Om natuurdoelen te bereiken en een evenwicht met economische activiteiten te bewerkstelligen wordt voor ieder gebied een beheerplan opgesteld. In verschillende gebieden werd in 2007 al gewerkt aan het opstellen van beheerplannen. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van LNV, V&W, Defensie en de provincies.

Natura2000-gebieden in Nederlandontwerpbesluiten 1e tranche

kst-31444-XIV-3-14.gif

Bron: Alterra, Wageningen UR

Recreatie om de stad

LNV heeft in 2007 een tussenevaluatie uitgevoerd naar de oorzaken van het te trage tempo in de realisatie van Recreatie om de Stad (RodS).

Uit de tussenevaluatie blijkt dat realisatie van de taakstelling RodS in 2013 niet zonder extra inzet zal worden gehaald. De oorzaken hiervoor zijn enerzijds gelegen in het feit dat het rijksbudget voor verwerving en inrichting ontoereikend is om de restantopgave te realiseren, anderzijds is er de afgelopen jaren stagnatie in de uitvoering geweest als gevolg van onvoldoende bestuurlijke daadkracht (onder andere bij wijziging bestemmingsplannen, grondverwerving en bij het maken van afspraken over financiering van het beheer).

Beschikbaarheid openbaar groen binnen 500 meter

kst-31444-XIV-3-15.gif

Bron: NMP

Basisgegeven voor de berekening is het Bestand Bodemgebruik (BBG) van het CBS en de meest recente versie daarvan bevat gegevens voor het jaar 2003. In 2009 komen gegevens voor 2006 beschikbaar.

Prestatiegegevens

 Taakstellingen (streefwaarden) (ha)EinddatumRealisatie per 31-12-2006 (cumulatief) (ha)Resttaakstelling per 1-1-2007 (ha)Verwachte realisatie ILG 2007–2013
Natuurgebieden     
EHS-verwerving(na omslag)130 904201894 13436 77023 611
EHS-inrichting (inc. Functiewijziging)175 921201852 317123 60456 699
      
Groene gebieden     
Recreatie en de stad-verwerving14 563201310 8713 6921 739
Recreatie en de stad-inrichting14 56320136 4668 0971 739

EHS

Verwerven en inrichting per 1-1-2007

kst-31444-XIV-3-16.gifkst-31444-XIV-3-17.gif

BEHEER EHS PER 1-1-2007

kst-31444-XIV-3-18.gif

Bron: LNV

Beleidsconclusies en consequenties

De onder doelstelling 24 vallende beleidsterreinen zijn bijna alle ondergebracht in het ILG. Dat betekent dat formeel de financiering weliswaar via de rijksbegroting loopt, maar dat de uitvoering naar provincies en gemeenten is gedelegeerd. Daarvoor zijn einddoelen overeengekomen die ultimo 2013 bereikt moeten zijn. De jaarlijkse voortgangsrapportages en vooral de mid-term review zullen inzicht geven in de voortgang. Uit de tussenevaluatie blijkt dat realisatie van de taakstelling RodS in 2013 niet zal worden gehaald.

Doelstelling nr. 25

In 2011 worden productiedieren en gezelschapsdieren beter behandeld en moet 5% van de stallen integraal duurzaam en diervriendelijk zijn, waarbij voldaan wordt aan dierenwelzijneisen die verder gaan dan de huidige wettelijke eisen

Resultaten van beleid

De Nota dierenwelzijn is op 12 oktober 2007 aan de Tweede Kamer gezonden (Tweede Kamer 2007–2008, 28 286, nr. 76). De nota is het dierenwelzijnskompas voor de komende jaren. Begin 2008 wordt een werkprogramma afgerond waarin de in deze nota genoemde acties verder zijn uitgewerkt. De Kamer zal jaarlijks een voortgangsbrief krijgen.

Behalve het verschijnen van de Nota dierenwelzijn zijn de volgende resultaten geboekt ter bevordering van het dierenwelzijn:

• De concept-wet dieren is opgesteld en in oktober 2007 naar de Raad van State gestuurd. De behandeling van deze wet zal in 2008 plaatsvinden.

• Het onderzoek naar comfort stallen is voortgezet in 2007. Dit onderzoek vormt een belangrijke ondersteuning voor de doelstelling van 5% duurzame stallen per 2011.

• De Maatlat Duurzame Veehouderij is in werking getreden, waarbij bovenwettelijke investeringen in dierenwelzijn en milieu in de varkens- en pluimveehouderij voor fiscale tegemoetkoming in aanmerking komen (MIA/Vamil).

• Nieuwe concepten zijn ingevoerd als het rondeelconcept, een nieuwe duurzame vorm van houden van legkippen, en de introductie van de Volwaardkip met meer (buiten)ruimte en verbeterde houderij omstandigheden.

• Eind 2006 is het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapdieren (LICG) opgericht en in 2007 is een start gemaakt met het LICG. Het LICG voorziet in een behoefte aan objectieve informatie over het houden van huisdieren. Het LICG vloeit voort uit de samenwerking van diverse maatschappelijke organisaties (Dierenbescherming, Dibevo, KNMvD, Platform Verantwoord Huisdierbezit) en overheid, en moet uitgroeien tot het centrale punt voor de informatievoorziening over gezelschapsdieren.

• Er is de nodige voortgang geboekt ten aanzien van het stoppen met onverdoofd castreren van biggen. In overleg tussen ketenpartijen en primaire sector is afgesproken om per 1 januari 2009 te stoppen met onverdoofd castreren voor de Nederlandse markt.

Beleidsconclusies en consequenties

Dierenwelzijn heeft een hoge prioriteit bij het kabinet. Het afgelopen jaar is dan ook al veel in gang gezet om dat welzijn te verbeteren. In aansluiting hierop is eind 2007 de Nota Dierenwelzijn verschenen. De implementatie daarvan zal vanaf 2008 meetbare resultaten opleveren. Zoals aangegeven zal de Kamer over de voortgang jaarlijks bericht worden.

Doelstelling nr. 29

Het realiseren van een beperkt aantal complexe, samenhangende ruimtelijke opgaven van nationale betekenis.

Resultaten van beleid

Tijdens de startconferentie op 29 oktober 2007 zijn door een aantal bewindspersonen en regionale bestuurders de overeenkomsten getekend over het Uitvoeringsprogramma Randstad (UPR). De minister van LNV is coördinerend bewindspersoon voor een 4 tal projecten: Greenports, Groene Ruggengraat voor natuur en recreatie (Groene Hart), Mooi en Vitaal Delfland en de Haarlemmermeer. Voorts is in de overeenkomst van de minister van V&W met de regio over A6-A9 afgesproken dat een bijdrage van € 116 mln. voor groene doelen uit de FES-middelen ter beschikking zal worden gesteld.

De UPR contracten betreffen overwegend «verkenningsprojecten» die uit de tranche 2011–2014 van het Nota Ruimte budget gefinancierd worden. De planning van deze projecten wordt bepaald door de Nota Ruimte procedure, conform de brief van de Minister van VROM aan de Kamer (Tweede Kamer 2006–2007 29 435, nr. 192).

Over de UPR-projecten Greenports en Groene Ruggengraat (Groene Hart) wordt hier kort een overzicht gegeven van de resultaten in 2007. Daarnaast wordt de stand van zaken met betrekking tot de Nieuwe Hollandse Waterlinie toegelicht.

Greenport Nederland

Op 21 juni jl. heeft de minister, namens het Rijk, een intentieverklaring getekend met concrete afspraken van de periode 2007–2011 voor de verdere ontwikkeling van Greenport Nederland. Op 16 november jl. heeft het Kabinet besloten om € 27,1 mln. van de Nota Ruimte-middelen toe te kennen aan de versnellingsprojecten (1e tranche) Herstructurering Greenports. Via het ILG zullen deze middelen ter beschikking komen van de gehonoreerde projecten in de greenports Westland-Oostland, Boskoop, Duin- en Bollenstreek en Venlo.

Voor de 2e tranche zijn door LNV integrale gebiedsopgaven in de greenportregio’s Westland-Oostland en de Duin- en Bollenstreek voorgedragen. De opgave in de regio Westland-Oostland is nu in de Verkenningsfase van de procedure voor Nota Ruimte middelen. Duurzame herstructurering van glastuinbouwgebieden is hierin gekoppeld aan de opgaven voor waterberging, woningbouw en groen en recreatie waardoor een robuuste en toekomstgerichte randstedelijke woon- en werkomgeving gecreëerd kan worden.

Via de ILG-bestuursovereenkomsten zijn de resterende STIDUG-middelen ter beschikking gesteld aan de provincies voor de ontwikkeling van de locaties Zuidplaspolder, Terneuzen, West-Brabant en Berlicum-II. Voor de lopende STIDUG-ontwikkelingen worden de uitvoeringstermijnen tijdig verlengd naar de afgesproken nieuwe termijn, zodat de lopende projecten in uitvoering afgerond kunnen worden.

Nationale Landschappen

Groene Hart

In het rijksprogramma Groene Hart is in 2007 voldoende voortgang gerealiseerd. Door de provincies is een nulmeting opgeleverd die een goede basis vormt voor het monitoren van de uitvoering in dit nationale landschap. Verder is afgesproken dat de drie Groene Hart-provincies een gezamenlijke voorloper voor provinciale structuurvisies uitwerken. Hierin zullen de uitgangspunten van de belangrijke opgaven in het Groene Hart (bebouwing, verrommeling, ontwikkelingen veenweiden, water, etc.) gedefinieerd worden. Deze voorloper wordt in juni 2008 opgeleverd.

Op 16 november 2007 heeft het Kabinet besloten om € 35 mln. uit de Nota Ruimte-middelen aan te wenden voor een aantal versnellingsprojecten Westelijke Veenweiden in het Groene Hart en in Laag Holland (1e tranche). De betreffende versnellingsprojecten Krimpenerwaard, Wormer- en Jisperveld en Zegveld-Portengen zijn inmiddels in uitvoering. In deze projecten staan het remmen van de bodemdaling en het verduurzamen van het watersysteem kwalitatief en kwantitatief centraal. De 2e tranche voor de westelijke veenweiden is nu in de verkenningsfase van de procedure voor Nota Ruimte middelen. Nieuwe veenweideprojecten zijn geïdentificeerd en worden nader uitgewerkt. Drie experimenten ten behoeve van het Innovatieprogramma zijn gestart.

Voor de drie projecten Randstad Urgent in het Groene Hart (Groene Ruggengraat, Oude Rijnzone/venster en Groot Mijdrecht Noord) zijn contracten afgesloten. Provincies en rijk zijn hierbij een inspanningsverplichting aangegaan om de uitvoering van de projecten te versnellen. Aan deze uitvoering wordt nu eendrachtig door rijk en regio gewerkt.

Nieuw Hollandse Waterlinie

In de Nieuw Hollandse Waterlinie is de aandacht vooral gericht op het in evenwicht brengen van het ambitieniveau en de beschikbare middelen voor het uitvoeringsprogramma. Hiervoor zijn in 2007 veel inspanningen verricht. Dit heeft ertoe geleid dat op 11 februari 2008 voor de Nieuw Hollandse Waterlinie een pact is gesloten tussen de vijf betrokken departementen (LNV-coördinerend, VROM,V & W, OC&W, en Defensie) en vijf provincies (Utrecht, Noord-Holland, Zuid-Holland, Gelderland en Noord-Brabant). Met dit Pact willen de ondertekenaars ervoor zorgen dat dit unieke onderdeel van de Nederlandse cultuurgeschiedenis herkenbaar en beleefbaar wordt. In dit Pact zijn alleen die projecten opgenomen die naar verwachting in periode 2008–2011 tot uitvoering zullen komen. Er is een inspanningsverplichting aangegaan om 150 projecten te realiseren voor een bedrag van € 150 mln. Naast reguliere middelen wordt daarbij ook ingezet op Nota Ruimte-middelen. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is eveneens toegelaten tot de verkenningsfase van de procedure voor Nota Ruimte middelen. Accent voor de uitvoering komt hiermee meer bij de provincies te liggen. De aansturing van het projectbureau is hierop gericht.

Beleidsconclusies en consequenties

In 2007 is behoorlijke vooruitgang geboekt in die gebieden waarvoor LNV verantwoordelijk is. De bestuurlijke complexiteit van veel van deze gebieden heeft veel overleg gevraagd.

Veel van de projecten zijn qua uitvoering opgenomen in het ILG,daarover zal de Kamer via de provinciale voortgangsrapportages op de hoogte gehouden worden.

De UPR contracten betreffen overwegend «verkenningsprojecten» die uit de tranche 2011–2014 van het Nota Ruimte budget gefinancierd zullen worden. De planning van deze projecten wordt bepaald door de Nota Ruimte procedure, conform de brief van de Minister van VROM aan de Kamer (Kamerstuk 29 435, nr. 192, vergaderjaar 2006–2007).

Op basis van deze procedure zal in de periode 2008–2010 (verkenningsfase) vooral de projectscope en de rijksbetrokkenheid nader worden onderzocht, samen met medeoverheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties. Met behulp van maatschappelijke kosten-baten analyses zal in deze verkenningsfase per project het nut en noodzaak van de Rijksbijdrage worden aangetoond. Het Kabinet zal naar verwachting in 2010 de bijdragen definitief toekennen op basis van business cases/project exploitaties, waarna vanaf 2011 de projecten van start kunnen gaan.

Doelstelling nr. 41

Een maatschappelijke stage voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs

Resultaten van beleid

De minister heeft op 9 oktober 2007 met een aantal belangrijke groene organisaties overeenstemming bereikt over de creatie van bijna 7 500 stageplaatsen om de verplichte maatschappelijke stage voor scholieren gestalte te geven. Zij tekende met staatssecretaris van Bijsterveldt (OCW), verantwoordelijk voor de algehele invoering van de maatschappelijke stage, en de betrokken organisaties hierover een intentieverklaring.

Tot de organisaties die stageplaatsen gaan aanbieden behoren LTO Nederland, het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt en Platform Biologica. Vijf aanbieders – Landschapsbeheer Nederland, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Het Geldersch Landschap en IVN – hebben speciaal met het oog op de maatschappelijke stage een coalitie gevormd. Ondertekenaars zijn verder de AOC Raad (de koepelorganisatie van de groene scholen) en de gemeente Amsterdam, die leerlingen in contact wil brengen met de wereld van landbouw en natuur.

Het is de bedoeling dat de leerlingen in de praktijk ervaring gaan opdoen met alle door het ministerie van LNV bestreken terreinen, zoals natuur- en landschapsbeheer, landbouw en voedselkwaliteit, dierverzorging en zorgboerderijen. Dat kan door stage te lopen in de biologische landbouw of dieren te verzorgen, maar ook door plaggen te steken in een natuurgebied of wilgen te knotten. In 2008 starten de eerste proefprojecten, waarmee bovengenoemde organisaties ervaring kunnen opdoen met het vormgeven van de stages.

Prestatiegegevens

Er is overeenstemming bereikt voor het creëren van 7500 stageplaatsen voor maatschappelijke stages in de groene sector. Het streven is om in 2011 10 000 stageplaatsen te realiseren.

Beleidsconclusies en consequenties

De vooruitzichten voor stages in de groene sector zijn goed. De sector werkt enthousiast mee, waardoor 7500 stageplaatsen verzekerd lijken te zijn. Uiteindelijk is het de bedoeling dat er in 2011 ruim 10 000 stageplaatsen gerealiseerd zullen zijn.

Overzicht kabinetsdoelstellingen beleidsprogramma «Samen werken samen leven» in relatie tot begrotingsartikelen LNV
kabinetsdoelstellingOmschrijving kabinetsdoelstellingBeleidsartikelen/Operationele doelstelling LNV-begrotingOmschrijving beleidsartikel/operationele doelstelling op LNV-begrotingFinancieel belang per kabinetsdoel (x € 1000)
1Draagvlak voor Europa29Algemeen
     
6Duurzame ontwikkeling, armoedebestrijding29Algemeen574
     
11Hoger onderwijs met meer kwaliteit en minder uitval26Kennis en Innovatie687 080
  26.11Waarborgen kennisstelsel608 624
  26.12Benutten samenhang tussen instellingen39 875
  26.13Vernieuwen kennissstelsel38 581
     
14Versterken innovatief vermogen van de Nederlandse economie2126Duurzaam ondernemenKennis en innovatie8 230151 309
  21.11Verbeteren ondernemerschap- en ondernemersklimaat386
  21.12Bevorderen maatschappelijk geaccepteerde productie-voorwaarden en dierenwelzijn1 290
  21.13Bevorderen duurzame productiemethoden6 068
  21.15Bevorderen duurzame ketens486
  26.11Waarborgen kennisstelsel42 938
  26.12Benutten samenhang tussen instellingen3 227
  26.13Vernieuwen kennisstelsel6 465
  26.14Ondersteunen LNV-beleid met kennis98 679
     
16Minder regels, minder instrumenten, minder loketten  
     
22Stimuleren van duurzame consumptie en productie212225Duurzaam ondernemenAgrarische ruimteVoedselkwaliteit en diergezondheid29 2474 4672 171
  21.12Bevorderen maatschappelijk geaccepteerde productie-voorwaarden en dierenwelzijn9 768
  21.13Bevorderen duurzame productiemethoden12 074
  21.14Bevorderen duurzame vangst5 824
  21.15Bevorderen duurzame ketens1 581
  22.11Ruimte voor grondgebonden landbouw4 467
  25.11Bevorderen van kwalitatief hoogwaardig voedsel-aanbod en consumptiepatroon2 171
     
24In 2011 meer tevredenheid over landschap, zijn groene gebieden gerealiseerd,is het platteland vitaler en wordt geïnvesteerd in natuur2324NatuurLandschap en recreatie447 160146 768
  23.11Verwerven EHS85 209
  23.12Inrichten EHS123 040
  23.13Beheren EHS171 093
  23.14Beheer natuur buiten EHS en beschermen internationale biodiversiteit67 818
  24.11Nationale Landschappen15 922
  24.12Landschap algemeen5 728
  24.13Recreatie in en om de stad84 994
  24.14Recreatie algemeen40 124
     
25In 2011 verbetering dierenwelzijn en moet 5% van de stallen duurzaam en diervriendelijk zijn2126Duurzaam ondernemenKennis en Innovatie1 5745 050
  21.12Bevorderen maatschappelijk geaccepteerde productie-voorwaarden en dierenwelzijn1 574
  26.11Waarborgen kennisstelstel250
  26.14Ondersteunen LNV-beleid met kennis4 800
     
29Realiseren van enkele complexe, samenhangende ruimtelijke opgaven van nationale betekenis27Bodem, water en reconstructie zandgebieden63 227
  27.11Reconstructie zandgebieden63 227
     
41Maatschappelijke stages26Kennis en Innovatie383
  26.12Benutten samenhang tussen instellingen215
  26.13Vernieuwen kennissstelsel168
     
 Totaal gerelateerd aan kabinetsdoelen  1 547 240

Toelichting

In bovenstaand overzicht zijn de programmauitgaven van de LNV-verantwoording 2007 opgenomen die kunnen worden toegerekend aan de kabinetsdoelstellingen uit het beleidsprogramma «Samen werken samen leven». Bij de toerekening is als uitgangspunt genomen de uitgaven die verantwoord zijn op de operationele doelstellingen van de beleidsartikelen, uitgezonderd de operationele doelstellingen die betrekking hebben op de apparaatsuitgaven en de bijdrage aan baten-lastendiensten voor uitvoeringskosten van het beleid.

De totale uitgaven op de LNV begroting bedragen € 2 385 mln. Op grond van bovenstaande overzicht kan € 1 547 mln. worden toegerekend aan de kabinetsdoelen uit «Samen werken samen leven».

De niet toegerekende uitgaven ad € 838 mln. betreffen:

• Programma-uitgaven (operationele doelstellingen) op beleidsartikelen ad € 184 mln. Dit betreft uitgaven die betrekking hebben op artikel 21 duurzaam ondernemen (€ 22 mln.), artikel 22 agrarische ruimte (€ 27 mln.), artikel 25 voedselveiligheid en diergezondheid (€ 28 mln.), artikel 26 Kennis en innovatie (€ 57 mln.) en artikel 29 Algemeen (€ 50 mln.).

• Uitvoeringskosten van beleid/ bijdragen aan baten-lastendiensten ad € 393 mln.

• Apparaatsuitgaven ad € 261 mln.

2. BELEIDSARTIKELEN EN NIET-BELEIDSARTIKELEN

ILG-overzicht begrotingsmutaties 2007

In dit hoofdstuk zijn alle begrotingsmutaties 2007 met betrekking tot het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) samengevoegd. De begrotingsmutaties op het terrein van ILG hebben betrekking op meerdere operationele doelstellingen (zie ook onderstaand overzicht). Reden om deze te bundelen in een totaal overzicht is enerzijds het vergroten van de leesbaarheid cq presenteerbaarheid van begrotingsmutaties op het ILG. Anderzijds hebben de mutaties voornamelijk betrekking op technische mutaties in het kader van het herschikken van ILG budgetten op basis van de afgesloten bestuursovereenkomsten. Deze mutaties zijn ook opgenomen in de 1e en/of 2e suppletore begroting 2007. Aangezien het hier om een financiële verantwoording gaat is gekozen om te komen tot een algemeen deel behorend bij de artikelgewijze toelichting in het financieel jaarverslag.

Overzicht uitgaven- en ontvangstenmutaties
12345678
Operationele doelstellingenBegrotingsstand 2007 ILG-deelHerschikking tussen OD’s binnen ILGHerschikking tussen OD’s van/naar niet ILG-onderdelenDesaldering BBL-verkopenOverige mutatiesTotaal ILG-deelOD tegenhanger buiten ILG
22.1116 228– 100   16 128 
22.121 000 3 600 – 1334 46721.13
23.1145 6896 729– 15 581 1 18138 01823.11
23.1277 81920 2345 000 3 500106 55323.12
23.1391 001 5 880 2 23299 11323.13
23.1413 320 1 962 8915 37123.14
24.1120 429– 4 900– 2 780 20512 95424.11
24.122 874    2 874 
24.1354 58038 22 9004 72682 244 
24.1415 758262   16 020 
27.1181 574– 22 263– 13 853  45 45827.11
Totaal420 2720– 15 77222 90011 800439 200 

3) Herschikkingen tussen de Operationele Doelstellingen binnen het ILG.

In de bestuursovereenkomsten zijn met de provincies afspraken gemaakt over de te realiseren prestaties op de beleidsterreinen landbouw, landschap, natuur, recreatie en reconstructie.

Om de meerjarenraming volledig af te stemmen op deze afspraken in de ILG-bestuursovereenkomst hebben budgetverschuivingen plaatsgevonden binnen het ILG-kader. Het budget voor milieukwaliteit is van OD 27.11 verschoven naar OD 23.12 vanwege betere aansluiting bij het operationele doel van OD 23.12

4) Herschikkingen tussen de Operationele Doelstellingen van/naar niet ILG-onderdelen

De verlagingen bij OD23.11 en OD27.11 houden verband met terugbetalingen aan de provincies van in 2006 verworven EHS hectares die de provincies hadden voorgefinancierd. Deze voorfinanciering had in 2006 betrekking op ILG geoormerkte instrumenten, zoals deze bij begroting 2007 zijn opgenomen. Op basis van de afgesloten bestuursovereenkomsten is vastgelegd welke instrumenten wel of niet ILG gerelateerd zijn.

5) Desaldering BBL-verkopen

24.13 Recreatie in en om de stad

Instrument: ILG/Recreatie om de stad (grootschalig groen)

De verkoopopbrengsten van ruilgrond in met name het noorden van het land door het Bureau Beheer Landbouwgronden zijn aan de provincies beschikbaar gesteld voor de aankoop van recreatiegronden om de stad in met name de Randstadprovincies. Dit houdt verband met een herprioritering van het grondaankoopbeleid. De aankoop maakt deel uit van het ILG (€ 22,9 mln.).

6) Overige mutaties op ILG-instrumenten

23.11 Verwerven EHS

Instrument: ILG/Verwerven EHS

Het Ministerie van VROM heeft € 1,2 mln. beschikbaar gesteld voor de aankoop van bufferzones.

23.12 Inrichten EHS

Instrument: ILG/Milieukwaliteit EHS en VHR

Het Ministerie van VROM heeft € 3,5 mln. beschikbaar gesteld voor verdrogingsbestrijding door extensivering van de melkveehouderij. Deze middelen zijn in de Natura 2000 gebieden «het Sarsven»en «de Banen» ingezet in het kader van de milieukwaliteit van de EHS.

23.13 Beheren EHS

Instrument: ILG/Programma Beheer

Aan dit instrument is de loonbijstellingstranche 2007 toegevoegd ad € 2,2 mln.

24.13 Recreatie in en om de stad

Instrument: ILG/Recreatie om de stad (grootschalig groen):

Het Ministerie van VROM heeft € 4,7 mln. beschikbaar gesteld voor de aankoop van bufferzones.

Overzicht verplichtingenmutaties
BeleidsartikelenOmschrijvingStand ontwerpbegroting 2007 verplichtingen ILGwijzigingenRealisatiestand verplichtingen ILG
22Agrarische ruimte16 228156 672172 900
23Natuur227 8291 747 8231 975 652
24Landschap en recreatie93 641523 283616 924
27Bodem, water en reconstructie zandgebieden81 574311 193392 767
Totaal 419 2722 738 9713 158 243

Het verschil in de verplichtingen tussen de begroting en de realisatie over alle op de ILG-gerelateerde beleidsartikelen is grotendeels het gevolg van de 7-jarige verplichtingen op basis van de met de provincies afgesloten bestuursovereenkomsten met betrekking tot het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) welke geheel in 2007 zijn aangegaan.

Hiermee zijn de grootste verschillen tussen de stand ontwerpbegroting en de realisatiestand ten aanzien van de verplichtingen bij de ILG-gerelateerde beleidsartikelen 22, 23, 24 en 27 verklaard.

21 Duurzaam ondernemen

Duurzaam ondernemen

kst-31444-XIV-3-19.gif

Omschrijving

LNV streeft naar een vitaal en duurzaam agrocomplex met inbegrip van de visserij, waarbij:

• de nationale en internationale marktpositie van het agrocomplex wordt versterkt;

• van natuurlijke hulpbronnen en natuurlijke grondstoffen duurzaam gebruik wordt gemaakt;

• betrouwbare en hoogwaardige producten voortgebracht worden.

Deze beleidsdoelstelling richt zich op de verduurzaming van het agrocomplex in Nederland, waarbij zoveel mogelijk de Europese kaders worden gevolgd. De verduurzaming geldt niet alleen voor de milieuaspecten, maar ook de sociale en economische aspecten (bedrijfsontwikkeling en ondernemerschap).

1. Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
21 Duurzaam ondernemenRealisatieVastgestelde begroting 2007Verschil
 2004200520062007  
Verplichtingen217 126303 138382 207326 815289 77537 040
Uitgaven273 992278 591390 184264 536299 472– 34 936
Programma-uitgaven141 40998 769196 48059 934121 249– 61 315
21.11 Verbeteren van ondernemerschap en ondernemersklimaat2 9532 21718 1643 2806 655– 3 375
– Jonge agrariërs1 74857912 3191 0125 400– 4 388
– Ondernemerschap1 2051 6385 8452 2681 2551 013
21.12 Bevorderen van maatschappelijk geaccepteerde productievoorwaarden en dierenwelzijn16 75619 09715 46118 11521 178– 3 063
Verbetering dierenwelzijn13 2291 4712 5234 1234 186– 63
– Nieuw mestbeleid 1 4813 5692 4323 608– 1 176
– Fytosanitair beleid1827591 7592 5142 527– 13
– Gewasbeschermingsbeleid3 3453 4773 3511 8613 315– 1 454
– Overig (RBV, Mineralenheffing)56 31511 9094 2597 1857 542– 357
21.13 Bevorderen van duurzame productiemethoden en bedrijfssystemen w.o. biologische landbouw92 93536 72630 76323 83676 988– 53 152
– Glastuinbouw14 96614 4039 9328 58749 482– 40 895
– Biologische landbouw8 1637 8659 9586 0507 065– 1 015
– Intensieve veehouderij  1 2851 1723 500– 2 328
– Melkveehouderij6 5222 8853 0251 7116 714– 5 003
– Akkerbouw1 3621 3691 6841 6341 773– 139
– Overige sectoren1 2233293421711710
– Innovatie en Samenwerking duurzame landbouw4 3849 8754 5374 5118 283– 3 772
21.14 Bevorderen duurzame vangst en kweek van vis en schelpdieren22 84134 099124 5655 82411 365– 5 541
– Sanering5 324 19 059   
– Onderzoek13 6449 5313 135   
– Innovatie2 8493 6011 400   
– Innovatie, Kennisontw. En verspreiding 3 601 1 4751 700– 225
– Binnenvisserij1 02420 967100 97148140081
– Verduurzaming Noordzeevisserij 9 531 3 8689 265– 5 397
21.15 Bevorderen van duurzame ketens5 9246 6307 5278 8795 0633 816
– Bilaterale economische samenwerking2 6692 9872 7972 6981 3381 360
– Agrologistiek85551276448640086
  ICT Beleidsprogramma’s:      
– Transparantie en ICT01 0401221 100– 978
– CLIENT2218361 9803 50503 505
– Energie en Overig2 4002 1911 9862 0682 225– 157
       
Apparaatsuitgaven132 583179 822193 704204 602178 22326 379
21.21 Apparaat57 56019 06419 44021 33517 2464 089
21.22 Baten-lastendiensten75 023160 758174 264183 267160 97722 290
Ontvangsten57 24233 23051 61923 07716 9386 139

Verplichtingen

De hogere verplichtingen worden voor een deel veroorzaakt door de opengestelde regelingen op het gebied van glastuinbouw. Er zijn in 2007 voor het eerst enkele regelingen opengesteld speciaal gericht op het bevorderen van minder gebruik van fossiele brandstoffen en het efficiënt energiegebruik binnen de glastuinbouw via de Investeringsregeling Energiebesparing (IRE) en de regeling Marktintroductie Energie Innovaties (MEI). In het kader van deze regelingen is in 2007 voor € 41 mln. verplichtingen aangegaan.

Daarnaast is de investeringsregeling gecombineerde luchtwassers van start gegaan. Deze regeling heeft als doel de aanschaf van zogenaamde luchtwassers voor het terugdringen van de uitstoot van ammoniak, geur en fijn stof te stimuleren. Deze regeling kende een grote belangstelling en er is in 2007 voor een bedrag van € 7,7 mln. verplichtingen aangegaan. In de begroting was hiervoor geen budget geraamd.

In het kader van de Investeringsregeling jonge agrariërs is voor € 2,6 mln. meer verplichtingen aangegaan dan geraamd. Met deze regeling ondersteunt LNV jonge agrariërs, die na bedrijfsovername willen investeren in kwaliteitsverbetering, innovatie, dierenwelzijn en milieu. Er werden 666 aanvragen ingediend met een totaal bedrag aan investeringen van € 120 mln. De aanvragen die aan de vereisten voldeden, konden bijna allemaal worden gehonoreerd.

De hogere verplichtingen worden tenslotte verklaard door de hogere bijdrage aan de baten-lastendiensten (zie toelichting op de apparaatsuitgaven).

Programma-uitgaven

21.11 Verbeteren ondernemerschap en ondernemersklimaat

Jonge agrariërs

De lagere uitgavenrealisatie bij de Investeringsregeling jonge agrariërs wordt deels veroorzaakt doordat er vertraging is opgetreden bij het investeringstempo binnen de doelgroep jonge agrariërs. Hierdoor zijn er in 2007 minder uitgaven verricht. De verwachting is dat de verplichtingen ad € 5,4 mln. die in 2007 zijn aangegaan, in 2008 tot uitbetaling komen (deels opgenomen in de 2e suppletore begroting 2007).

Als gevolg van het feit dat met ingang van 2007 de EU-cofinanciering Investeringsregeling jonge agrariërs buiten begrotingsverband is gebracht, is zowel het uitgavenbudget als de ontvangstenraming met € 2,1 mln. verlaagd.

21.12 Bevorderen van maatschappelijk geaccepteerde productievoorwaarden en dierenwelzijn

Verbetering Dierenwelzijn

Voor de uitvoering van onderzoeksprojecten op het gebied van dierenwelzijn (o.a. onderzoek naar verdoofd castreren, welzijn circusdieren en groepshuisvesting vroege dracht zeugen) door de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) is € 0,6 mln. overgeheveld naar en verantwoord op artikel 26 Kennis.

Hiertegenover staan hogere uitgaven voor In Beslag genomen Goederen (IBG). Deze regeling voorziet in de uitgaven die worden gedaan met betrekking tot de bewaring van o.a. in beslag genomen landbouwhuisdieren, gezelschapsdieren en bedreigde in- en uitheemse dieren en plantensoorten (wijzigingen zijn opgenomen in de 2e suppletore begroting 2007).

21.13 Bevorderen van duurzame productiemethoden en bedrijfssystemen w.o. biologische landbouw

Glastuinbouw

Bij begroting 2007 is voor de periode 2007–2009 jaarlijks € 35 mln. verplichten=kas beschikbaar gesteld voor het versneld doorvoeren van innovatieve, energiebesparende maatregelen in de glastuinbouwsector.

Inmiddels zijn in 2007 enkele energieregelingen (Investeringsregeling Energiebesparing, Regeling Marktintroductie Energie-innovaties, Regeling Energienetwerken) ontwikkeld en opengesteld. Om de budgetten in overeenstemming te brengen met de aan te gane verplichtingen en het kasritme van uitfinanciering van deze regelingen, is € 30 mln. verschoven naar volgende jaren.

Voor de uitvoering van deze regelingen door de Dienst Regelingen is € 1,4 mln. overgeboekt naar operationele doelstelling 21.22 Baten-lastendiensten.

Een deel van de lagere uitgaven (€ 1,5 mln.) wordt veroorzaakt doordat een voorgenomen garantstelling voor aardwarmteprojecten niet is doorgegaan.

Voor de uitvoering van diverse onderzoeksprojecten op het gebied van energietransitie (efficiëntie groeilicht gedurende het etmaal, kas als energiebron, kwantitatieve informatie glastuinbouw, on-line monitoring transpiratie en fotosynthese, praktijk mechanische vochtafvoer, teeltbegeleiding paprika in semi-gesloten kassen, berekening broeikaseffecten in de tuinbouw) door de Dienst Landbouwkundig Onderzoek is € 1,4 mln. overgeboekt naar artikel 26 Kennis. Daarnaast heeft LNV voor € 0,4 mln. bijgedragen aan de kosten van de Interdepartementale Programmadirectie Energietransitie, het budget hiervoor is overgeheveld naar de begroting van het ministerie van EZ.

Voor de uitvoering van het project Berlikum in het kader van de Stimuleringsregeling Duurzame Glastuinbouwgebieden (Stidug) is er € 3,6 mln. overgeboekt naar artikel 22 Agrarische ruimte (OD 22.12). De nieuwe Stidug-projecten worden via het Investeringsbudget (ILG) gefinancierd (wijzigingen zijn voor het merendeel opgenomen in de 1e en 2e suppletore begroting 2007).

Melkveehouderij

De middelen die beschikbaar zijn voor de extensivering veehouderij in reconstructiegebieden worden ingezet voor regelingen en projecten, die pas vanaf 2009 tot uitfinanciering komen. Derhalve heeft een kasverschuiving van € 2,5 mln. naar latere jaren plaatsgevonden.

Enkele grote pilotprojecten op het gebied van de herstructurering melkveehouderij, die door de Dienst Landelijk Gebied worden uitgevoerd, hebben vertraging opgelopen. De uitgaven vinden naar verwachting voor het grootste gedeelte in 2009 en 2010 plaats.

Daarnaast was budget gereserveerd voor de Melkveeacademie (€ 0,8 mln.) en het tweede project Koe en Wij (€ 0,5 mln.). Ook deze projecten zijn vertraagd en schuiven door naar 2008 en 2009.

Tenslotte is er circa € 0,8 mln. naar artikel 26 Kennis overgeheveld voor de uitvoering van projecten en onderzoeken (innovatieagenda melkveehouderij, ondersteuning Stichting Weidegang, onderzoek effect weidegang op inkomen melkveehouders, Melkveeacademie) (wijzigingen zijn opgenomen in de 1e en 2e suppletore begroting 2007).

Innovatie en Samenwerking duurzame landbouw

Een deel van de lagere uitgaven komt doordat een betaling ad € 1,5 mln. ten behoeve van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) in het kader van de Regeling Uitvoering Innovatie Landbouw Noord Nederland (UILNN) pas in 2010 zal plaatsvinden. Dit budget (€ 1,5mln.) is door middel van een kasschuif doorgeschoven naar 2010. De kasschuif heeft als doel de uitfinanciering in lijn te brengen met het beschikbaar kasbudget.

Een deel van het beschikbare budget voor de demoregeling duurzame landbouw was bedoeld voor de uitfinanciering van oude verplichtingen uit 2003 en 2004 en van de openstelling voor intensieve veehouderij 2005. Bij de vaststelling van deze beschikkingen is gebleken dat veel meer subsidieontvangers dan gepland niet aan de voorwaarden voor definitieve subsidiering voldeden. Hierdoor zijn er zijn minder uitgaven verricht dan geraamd (wijzigingen zijn opgenomen in de 1e en 2e suppletore begroting 2007).

21.14 Bevorderen duurzame vangst en kweek van vis en schelpdieren

Verduurzaming Noordzeevisserij

Omdat het Operationeel Programma pas eind 2007 door de Europese Commissie is vastgesteld, hebben de maatregelen op het terrein van de verduurzaming van de Noordzeevisserij in 2007 tot minder betalingen geleid. Deze maatregelen vallen binnen het kader van het programma «Europees Visserij Fonds 2007–2013» (EVF). Hierdoor zijn de uitgaven in 2007 met circa € 5,3 mln. vertraagd.

21.15 Bevorderen van duurzame ketens

Bilateraal economische samenwerking

Bilaterale economische samenwerking heeft tot doel handel en investeringen te bevorderen, bilaterale relaties te versterken en het imago van het Nederlandse agrarische product te verbeteren. In 2007 is het budget verhoogd met € 1,3 mln. voor in 2006 aangegane internationale verplichtingen, waaronder grote vakbeurzen, zoals de Grune Woche en de Biologische Vakbeurs.

Cliënt

CLIENT Export heeft als doel de administratieve en logistieke processen bij export van landbouwgoederen te verbeteren door middel van elektronische exportcertificering. In 2007 is het systeem verder ontwikkeld en zijn twee sectoren (pootaardappelen en zuivel) als pilot gestart. Bij de ontwerpbegroting was nog geen budget beschikbaar. In de loop van 2007 zijn bij de 2e suppletore begroting de benodigde middelen ad € 3,5 mln. toegekend.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

De hogere uitgaven hangen samen met prijsstijgingen voor brandstofkosten en investeringen voor de rederij. De vaartuigen van de rederij dienen zonder achterstallig onderhoud overgedragen te worden naar de Kustwacht.

De bijdrage aan de baten-lastendiensten is circa € 22 mln. hoger uitgevallen. De belangrijkste oorzaken zijn:

• In het kader van de uitvoering van het GLB 2006 zijn de toeslagrechten vastgesteld en zijn in 2007 de betalingen op tijd de deur uit gegaan. Vanwege de onervarenheid met de nieuwe (Europese) regelgeving werden er extra (tijdelijke) arbeidskrachten ingehuurd. Dit heeft € 4,4 mln. gekost, maar daarmee is voorkomen dat aan Nederland (in tegenstelling tot andere lidstaten) boetes worden opgelegd.

• Voor het programma Electronische Dienstverlening is de bijdrage aan Dienst Regelingen verhoogd met € 4,8 mln. Deze bijdrage is ingezet om te komen tot een servicegerichte, transparante en toegankelijke uitvoeringsorganisatie, onder meer door het overgaan van papierstroom naar digitale verwerking.

• De bijdrage aan de Plantenziektenkundige Dienst (PD) is in 2007 in totaal € 6 mln. hoger dan geraamd. € 3,1 mln. als gevolg van de uitstel van de transitie Plantkeur, waarbij een groot deel van de import- en exportinspecties, die voorheen door de PD werd uitgevoerd, overgedragen is aan de keuringsdiensten. En € 2,9 mln. in verband met compensatie voor verschil in loon van medewerkers die als gevolg van Plantkeur naar de keuringsdiensten zijn overgegaan.

• € 3,1 mln. hogere uitgaven als gevolg van de toedeling van de loonbijstellingstranche 2007.

• De implementatie van het programma Client-export (+ € 1,0 mln.)

Deze wijzigingen zijn voor het grootste deel opgenomen in de 1e en 2e suppletore begroting 2007.

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen x € 1 000
 Realisatie 2007Begroting 2007
EU-bijdrage jonge agrariërs02 100
EU-bijdrage Biologische Landbouw2921 882
EU-bijdrage overige sectoren603689
Ontvangsten Visserij (o.a. FIOV)7 6867 446
Overige14 4964 821
Totaal ontvangsten23 07716 938

Met ingang van 2007 is de EU-cofinanciering ad € 4,7 mln. voor de LNV-regelingen Investeringsregeling jonge agrariërs en Regeling Stimulering Biologische Productie buiten begrotingsverband gebracht. De gerealiseerde bijdrage ad € 0,3 mln. heeft betrekking op uitgaven die vóór 2007 hebben plaatsgevonden.

De hogere «overige» ontvangsten worden met name verklaard door:

• ontvangsten Mineralenheffing (+ € 3,5 mln.);

• overheveling vanuit het Ontwikkeling- en Saneringsfonds voor de Landbouw voor uitgaven voor schadeclaims Wet Herstructurering mestbeleid en voor de uitvoering van het EZ-innovatieprogramma (+ € 1,2 mln.);

• terugontvangsten van de provincies in het kader van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (+ € 4,1 mln.)

2. Slotwetmutaties

Uitgaven x € 1 000
 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Stand 2e suppletore begroting 2007329 408264 07323 345
Mutaties Slotwet 2007– 2 593463– 268
Stand Slotwet 2007 (realisatie)326 815264 53623 077

De lagere verplichtingenrealisatie wordt voornamelijk veroorzaakt door een technische correctie op de operationele doelstelling «Bevorderen duurzame vangst» welke niet budgettair is verwerkt in de 2e suppletore begroting.

3. Uitgevoerde Evaluatie onderzoeken

 Onderzoek onderwerpNummer AD of ODStartAfgerondVindplaats
Effectenonderzoek ex post– Meststoffenwet 200621.1220072007TK 28 385 nr. 91/93
 – Agrologistiek21.1520062007TK 28 141 nr. 7
      
Overig evaluatieonderzoek– Emancipatie21.1120062007TK 30 420 nr. 37

Toelichting

Er zijn geen beleidsdoorlichtingen gestart of afgerond in 2007.

In 2007 heeft een tussentijdse beleidsevaluatie van de Visie Agrologistiek plaatsgevonden over de periode 2001–2006. Het Platform Agrologistiek heeft zich sterk gericht op verspreiding van het gedachtegoed, kennisontwikkeling en op samenwerking tussen verschillende partijen. Er is sterk ingezet op het benoemen, stimuleren van ondersteunen van A-status(pilot)projecten. Naast bovengenoemde activiteiten richt het Platform zich tevens op onderzoek en onderwijs.

Titels onderzoeken: Meststoffenwet 2006: Werking van de meststoffenwet 2006 Agrologistiek: Tussentijdse beleidsevaluatie Visie Agrologistiek Emancipatie: Emancipatiebeleid en Gender Mainstreaming bij het Ministerie van LNV

22 Agrarische ruimte

Agrarische ruimte

kst-31444-XIV-3-20.gif

Omschrijving

LNV streeft naar een toekomstgerichte, concurrerende landbouw als economische drager in het landelijk gebied.

Een vitale land- en tuinbouw is als producent van kwalitatief goede en veilige producten en als beheerder van het landelijk gebied van belangrijke economische betekenis voor Nederland. De bedrijven hebben een economisch duurzaam perspectief nodig om deze rol ook in de toekomst te kunnen blijven vervullen. Het Rijk wil daarom de positie van de primaire landbouw versterken door optimale condities te scheppen en ontwikkelingsmogelijkheden te bieden.

1. Budgettaire gevolgen van beleid

bedragen x € 1 000
22 Agrarische ruimteRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 20042005200620072007 
Verplichtingen28 39067 544128 838189 11710 913178 204
Uitgaven55 41751 18581 46542 53031 44411 086
Programma-uitgaven46 64542 26772 97031 77120 97810 793
– waarvan juridisch verplicht    20 978 
22.11 Ruimte voor grondgebonden landbouw46 64541 14571 50725 08616 2288 858
Waarvan ILG:      
– Grondgebonden landbouw   16 12816 228– 100
Waarvan niet ILG      
– Landinrichtingsprojecten Landbouw44 84039 70169 7318 958 8 958
– Kavelruil1 8051 4441 776   
22.12 Ruimte voor niet grondgebonden landbouw2 9111 1221 4636 6854 7501 935
Waarvan ILG:      
– Stidug-projecten   4 4671 0003 467
Waarvan niet ILG      
– Infrastructuurregeling Glastuinbouw2 9111 1221 4632 2183 750– 1 532
Apparaatsuitgaven8 7728 9188 49510 75910 466293
22.21 apparaat16019318818212359
22.22 baten-lastendiensten8 6128 7258 30710 57710 343234
Ontvangsten56 17367 55370 25451 14245 9115 231

Toelichting op de programma-uitgaven:

Verplichtingen

Van de verplichtingenverhoging van € 178,2 mln. is € 156,7 mln. toegelicht in het algemene deel van het ILG-overzicht begrotingsmutaties 2007. De resterende verhoging van € 21,5 mln. houdt voornamelijk verband met een bijstelling op de niet-ILG onderdelen die in de 1e suppletore begroting is verwerkt.

Programma

22.11 Ruimte voor grondgebonden landbouw

Niet ILG/Landinrichtingsprojecten Landbouw

De gerealiseerde uitgaven op dit instrument houden verband met het versneld afronden van oude landinrichtingprojecten in het kader van de Task Force landinrichting. Het betreft hier verrekeningen voortvloeiend uit diverse landinrichtingsprocedures zoals over- en onderbedeling, verrekening van landinrichtingsrente e.d. Hier tegenover staan ontvangsten van provincies en waterschappen verantwoord op het ontvangstenonderdeel.

22.12 Ruimte voor niet grondgebonden landbouw

ILG/Stidug

In het kader van de Stimuleringsregeling duurzame glastuinbouwgebieden (Stidug) zijn in 2007 de uitgaven van het project Berlikum verantwoord. Bij dit project wordt bij de verwarming van kassen aardwarmte gebruikt. De uitgaven hiervoor waren in de begroting 2007 geraamd op OD 21.13 (opgenomen in de 2e suppletore begroting 2007).

Niet ILG/IRG

In het kader van de Infrastructuurregeling Glastuinbouw (IRG) is in 2007 € 2,2 mln. uitgegeven. Hiervoor vindt overheveling plaats vanuit het Ontwikkeling- en saneringsfonds voor de Landbouw naar de LNV-begroting (zie ook toelichting bij de ontvangsten).

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen x € 1 000
 Realisatie 2007Begroting 2007
Landinrichtingsrente41 69442 161
O&S-fonds IRG2 1003 750
Bijdragen van derden7 348
Totaal ontvangsten51 14245 911

O&S fonds

Er zijn minder middelen onttrokken aan het O&S-fonds voor de Landbouw voor de Infrastructuurregeling Glastuinbouw (zie ook toelichting bij OD 21.13).

Bijdragen van derden

De gerealiseerde ontvangsten houden verband met bijdragen van onder meer provincies en waterschappen voor het versneld afronden van oude landinrichtingprojecten in het kader van de task-force landinrichting.

2. Slotwetmutaties

Bedragen x € 1 000
 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Stand 2e suppletore begroting 2007194 82836 34343 750
Mutaties Slotwet 2007– 5 7116 1877 392
Stand Slotwet 2007 (realisatie)189 11742 53051 142

Toelichting

De lagere verplichtingenrealisatie is het gevolg van een bijgestelde raming van het verplichtingenbudget. Deze was bij 2e suppletore begroting te hoog geraamd.

De hogere uitgavenrealisatie houdt voornamelijk verband met het versneld afronden van oude landinrichtingprojecten in het kader van de Task Force landinrichting. Het betreft hier verrekeningen voortvloeiend uit diverse landinrichtingsprocedures zoals overen onderbedeling, verrekening van landinrichtingsrente e.d. Hier tegenover staan ontvangsten van provincies en waterschappen verantwoord op het ontvangstenonderdeel.

3. Uitgevoerde Evaluatie onderzoeken

In 2007 zijn geen beleidsdoorlichtingen of effectenonderzoeken ex post gestart of afgerond.

23 Natuur

kst-31444-XIV-3-21.gif

Omschrijving

Natuur is een essentiële levensbehoefte voor de mens. Zij verbindt mensen en functies zoals economisch vestigingsklimaat, luchtkwaliteit, gezondheid en recreatie. Behoud en op termijn verbetering van de biodiversiteit zijn een belangrijke voorwaarde voor de natuur in ons land en daarmee voor een leefbare samenleving. Een sterke biodiversiteit is de levensverzekering voor huidige en toekomstige generaties.

1. Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
23 NatuurRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 20042005200620072007 
Verplichtingen636 804474 938769 1202 325 621406 9691 918 652
– waarvan garanties54 629 75 18683 13474 1668 968
Uitgaven334 893365 890418 103520 330453 76066 570
Programma-uitgaven280 589309 480348 272447 160390 56456 596
– waarvan juridisch verplicht    278 224 
23.11 Verwerven Ecologische Hoofdstructuur74 39981 04575 08085 20980 0755 134
waarvan ILG      
– Verwerven EHS   26 13636 307– 10 171
– Verwerven en inrichten Westerschelde   11 8829 3822 500
waarvan niet ILG:      
– Verwerven droge EHS45 24353 67542 25716 517 16 517
– Rente en aflossing16 16118 35821 44128 93930 558– 1 619
– Grondwaardebepaling3 0003 0003 001   
– Natte natuur9 9956 0128 381   
– NURG en Maaswerken   1 7353 828– 2 093
23.12 Inrichten Ecologische Hoofdstructuur30 16925 99847 373123 04090 09032 950
waarvan ILG:      
– Inrichten EHS   66 76348 77417 989
– Milieukwaliteit EHS en VHR   39 79029 04510 745
waarvan niet ILG      
– Inrichten EHS23 18019 43732 777   
– Natte natuur6 9896 56114 596   
– NURG en Maaswerken   8 0307517 279
– IJsselmeer en Rijkswateren   8 45711 520– 3 063
23.13 Beheren Ecologische Hoofdstructuur116 784139 491164 817171 093150 93820 155
waarvan ILG:      
– Programma Beheer   99 11391 0018 112
waarvan niet ILG:      
– Beheer door SBB53 45352 83150 49353 80647 1976 609
– Beheer door particuliere natuurbeschermingsorganisaties (SN)12 42425 14557 310   
– Particulier natuurbeheer (SN-functiewijziging)3 2454 8186 725   
– Agrarisch natuurbeheer (SAN)44 72654 14447 779   
– Behoud en herstel historische buitenplaatsen2 9362 5532 5102 5313 075– 544
– Overig beheer   15 6439 6655 978
23.14 Beheer van de natuur buiten de EHS en beschermen van de internationale biodiversiteit59 23762 94661 00267 81869 461– 1 643
waarvan ILG:      
– Bijdrage nationale parken   4 2723 922350
– Soorten bescherming   1 2401 20040
– Beheer van natuur buiten EHS   9 8598 1981 661
waarvan niet ILG:      
– Gegevens autoriteit natuur   4 771 4 771
– Beheer door SBB11 3809 89412 50412 34010 9121 428
– Beheer door particuliere natuurbeschermingsorganisaties (SN)3 1786 132    
– Bijdrage nationale parken4 4435 4655 4031 5481 907– 359
– Faunafonds5 35310 25710 6949 5368 700836
– Overige nationale bijdragen32 80129 27730 37515 43217 702– 2 270
– Internationale subsidies en contributies2 0821 9212 0261 0812 488– 1 407
– Natuurbeschermingswet   3 8318 812– 4 981
– Soortenbescherming   3 9085 620– 1 712
Apparaatsuitgaven54 30456 41069 83173 17063 1969 974
23.21 apparaat10 2887 5687 1967 2146 459755
23.22 baten-lastendiensten44 01648 84262 63565 95656 7379 219
Ontvangsten31 89233 69647 41815 2157 8897 326

Toelichting op de programma-uitgaven:

Verplichtingen

Van de verplichtingenverhoging van € 1 918,7 mln. is € 1 747,8 mln. toegelicht in het algemene deel van het ILG-overzicht begrotingsmutaties 2007. De resterende verhoging van € 170,9 mln. houdt voornamelijk verband met een bijstelling op de niet-ILG onderdelen die in de 1e suppletore begroting is verwerkt.

Bovendien is het verplichtingenbedrag bij 2e suppletore begroting verhoogd voor garantieverplichtingen voor leningen ten behoeve van de Particuliere Natuurbeschermingsorganisaties.

De hogere realisatie aan garantieverplichtingen houdt verband met het oversluiten van bestaande leningen die in opdracht van LNV zijn gesloten door het Groenfonds ten behoeve van de realisatie van de EHS (€ 9,0 mln.).

Programma-uitgaven

23.11 Verwerven Ecologische Hoofdstructuur

Niet ILG/Verwerven droge EHS:

De provincies hebben in 2006 een deel (ca. 450 ha) van de voor de EHS verworven hectares voorgefinancierd. In 2007 is dit terugbetaald vanuit dit instrument. De prestaties zijn vóór de in werking treding van de Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG) verantwoord in het Rijksjaarverslag 2006 LNV.

23.12 Inrichten Ecologische Hoofdstructuur

Niet ILG/NURG en Maaswerken:

De hogere uitgavenrealisatie op dit instrument houdt verband met de versnelde inrichting (330 ha) in het kader van de Nota Uitvoering Rivierengebied (NURG).

Niet ILG/IJsselmeer en Rijkswateren

De lagere uitgaven ad € 3,1 mln. houden verband met minder uitgaven als gevolg van een uitgestelde betaling aan Rijkswaterstaat (€ 5 mln.) aangezien de werkzaamheden trager zijn verlopen dan gepland. Voorts is € 5 mln. verantwoord in het algemeen deel (ILG-overzicht begrotingsmutaties 2007). Daartegenover staan hogere uitgaven ten behoeve van het Project Mainport Rotterdam (€ 8,2 mln.). Dit zijn uitgaven voor verwerving en inrichting. Overigens wordt de Tweede Kamer separaat geïnformeerd over het Project Mainport Rotterdam.

23.13 Beheren Ecologische Hoofdstructuur

Niet ILG/Beheer door SBB:

De bijdrage aan Staatsbosbeheer is aangepast aan het reële niveau van de opdrachtverlening 2007. Het betreft hier de uitvoering van de reguliere taken van Staatsbosbeheer. Daarnaast is loon- en prijscompensatie toegekend.

Niet ILG/Overig beheer:

De hogere uitgavenrealisatie houdt verband met uitgaven ten behoeve van de verhoging van de kwaliteit van belangrijke weidevogelgebieden in Noord-Holland en Friesland/Groningen.

Het betreft het bemesten, bekalken, verwijderen van ongewenste begroeiing e.d. om geschikt weidevogellandschap te creëeren. Tevens houdt de hogere realisatie verband met uitgaven aan Natuurlijk Platteland Nederland ten behoeve van beheer met experimenteel karakter in belangrijke weidevogelgebieden ter verhoging van de effectiviteit van het weidevogelbeheer.

Daarnaast zijn de uitgaven voor gedoogovereenkomsten met betrekking tot ganzen hoger uitgevallen (wijzigingen deels opgenomen in 1e en 2e suppletore begroting 2007).

23.14 Beheer van de natuur buiten de EHS en beschermen van de internationale biodiversiteit

Gegevensautoriteit Natuur:

De meeruitgaven ad € 4,8 mln. hebben betrekking op de ontwikkeling van de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) en de Gegevensautoriteit Natuur in het kader van vermindering van administratieve lasten ten gevolge van de natuurwetgeving en betrekking op opdrachten voor het monitoren van natuur in Nederland ten behoeve van beleidseffectrapportages van LNV en het Milieu Natuur Planbureau (MNP).

In de NDFF worden gegevensbestanden van vrijwilligersorganisaties, terreinbeheerders, provincies e.d. gekoppeld zodat beschikbare gegevens optimaal gebruikt kunnen worden. Opdrachten zijn verstrekt voor de ontwikkeling van standaarden en modules waarmee dit gerealiseerd kan worden. De resultaten zijn openbaar. De monitoring wordt uit kosten overwegingen voor een belangrijk deel uitgevoerd door organisaties van vrijwilligers. De Gegevensautoriteit Natuur ziet er op toe dat de betrouwbaarheid van de informatie toereikend is voor het beoogde doel (deels opgenomen in 1e en 2e suppletore begroting 2007).

Natuurbeschermingswet:

De lagere uitgavenrealisatie houdt voornamelijk verband met een budgetoverheveling van € 1,2 mln. naar de Dienst Landelijk Gebied (23.22) ten behoeve van uitvoeringskosten van de Natuurbeschermingswet. Voorts is € 1,7 mln. onder het ILG verantwoord conform de ILG-bestuursovereenkomsten, € 1 mln. ingezet voor soortenbescherming, € 0,7 mln. ingezet voor ganzenbeheer en € 0,4 mln. opgenomen in de DLO programmering (artikel 26).

Toelichting op de apparaatsuitgaven:

23.22 baten-lastendiensten

De hogere bijdrage hangt voor € 6,5 mln. samen met hogere uitvoeringskosten bij de Dienst Regelingen van de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (SAN) en de Subsidieregeling Natuurbeheer (SN) door hogere aantallen af te handelen aanvragen en met betrekking tot het ILG omdat Dienst Regelingen voor de provincies een rapportagesysteem heeft opgezet.

Daarnaast is de bijdrage aan de Dienst Landelijk Gebied met € 1,2 mln. verhoogd voor extra taken in het kader van Natura 2000. Tenslotte is de bijdrage aan de baten-lastendiensten met € 1,2 mln. verhoogd op grond van de loonbijstelling 2007.

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen x € 1 000
 Realisatie 2007Begroting 2007
EU-bijdragen verwerving en inrichting1 296
EU-bijdragen beheer553
EU-bijdragen Stimulering bos op landbouwgronden37
Opbrengst jachtakten1 2521 031
Bijdragen van derden11 8815 000
Overige1 492562
Totaal15 2157 889

Bijdragen van derden:

De hogere ontvangstenrealisatie ad € 7,3 wordt veroorzaakt doordat extra middelen vanuit Fonds Economische Structuurversterking zijn gerealiseerd ad € 2,1 mln. ten behoeve van veiliger, natuurlijker en toegankelijker maken van de Westerschelde door middel van het ontwikkelen van natuur.

Voorts heeft het Ministerie van VROM een bedrag aan LNV betaald voor de aankoop van bufferzones in het kader van het ILG ad € 1,2 mln. en heeft LNV van Staatsbosbeheer een bedrag ontvangen ad € 1,3 mln. in verband met lagere waterschapslasten en opbrengsten uit verkopen en ruilingen van doelstellingsgerichte gronden uit 2006. De overige meerontvangsten houden onder meer verband met een bijdrage van het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking voor het Project «Leren voor duurzaamheid» (€ 0,9 mln.) en meerontvangsten van derden ad € 0,8 mln. voor de uitvoering van projecten het kader van de nota Nadere Uitwerking Rivierengebied (NURG).

2. Slotwetmutaties

Bedragen x € 1 000
 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Stand 2e suppletore begroting 20072 355 838518 33215 159
Mutaties Slotwet 2007– 30 2171 99856
Stand Slotwet 2007 (realisatie)2 325 621520 33015 215

Toelichting:

De lagere verplichtingenrealisatie wordt veroorzaakt doordat de budgettaire technische verwerking van de verplichtingenruimte in het kader van het ILG is aangepast aan de afgesloten bestuursovereenkomsten.

De hogere uitgavenrealisatie houdt voornamelijk verband met hogere uitgaven ten behoeve van de verhoging van de kwaliteit van belangrijke weidevogelgebieden in Noord-Holland en Friesland/Groningen.

3. Uitgevoerde Evaluatie onderzoeken

 Onderzoek onderwerpNummer AD of ODStartAfgerondVindplaats
Effectenonderzoek ex postEffectiviteit Programma Beheer23.13/14 2007TK 29 576 nr. 39
      
Overig evaluatieonderzoekNatuurbalans 200723.11 t/m 1420062007TK 31 146 nr. 1

In 2007 zijn geen beleidsdoorlichtingen gestart of afgerond.

Effectiviteit Programma Beheer

Naam rapport: Ecologische evaluatie regelingen voor natuurbeheer

24 Landschap en Recreatie

Landschap en Recreatie

kst-31444-XIV-3-22.gif

Omschrijving

Het landschap heeft belangrijke waarden voor de samenleving. De verschillende landschappen hebben een eigen identiteit en kwaliteit en vertegenwoordigen belangrijke cultuurhistorische, architectonische en ecologische waarden. Het Rijk wil het Nederlands landschap in al zijn diversiteit voor de toekomst behouden en ontwikkelen.

1. Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
24 landschap en RecreatieRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 20042005200620072007 
Verplichtingen123 265160 115244 588685 225143 518541 707
Uitgaven132 960140 562164 626180 276162 23718 039
Programma-uitgaven103 499110 381130 841146 768130 71516 053
– waarvan juridisch verplicht    114 180 
24.11 Nationale Landschappen20 03319 02026 28115 92225 842– 9 920
waarvan ILG:      
– Nationale landschappen   12 95420 429– 7 475
waarvan niet ILG:      
– Toegankelijkheid nationale landschappen001 339   
– Versterking, beheer en behoud landschapskwaliteiten5 8606 6039 718 1 929– 1 929
– Cultuurhistorie/Belvedere272   440– 440
– Monitoring en onderzoek2 0599525122 9683 044– 76
– Landinrichting11 84211 46514 712   
24.12 Landschap Algemeen5 2466 05512 2765 7288 100– 2 372
waarvan ILG:      
– Landschap generiek   2 8742 874 
waarvan niet ILG:      
– Projectfinanciering2 3463 1553 7722 8545 226– 2 372
– Landinrichting, verbeteren ruimtelijke natuur2 9002 9008 504   
24.13 Recreatie in en om de Stad37 33745 52449 72984 99457 31427 680
waarvan ILG:      
– Recreatie om de stad (grootschalig groen)   82 24454 58027 664
waarvan niet ILG:      
– Verwerving recreatie in en om de stad26 43236 49838 004   
– Inrichting recreatie in en om de stad4 3716 1268 811   
– Kaderwet LNV projectbijdrage2 9002 9002 9142 7502 73416
– ISV-23 634 0   
24.14 Recreatie algemeen40 88339 78242 55540 12439 459665
waarvan ILG:      
– Groene hart impuls en versterking en ontwikkeling toegankelijkheid   10 58210 321261
– Routenetwerken   5 4375 437 
waarvan niet ILG:      
– Verwerving voor toegankelijk-heid buiten nationale landschappen000   
– Inrichting voor toegankelijkheid buiten nationale landschappen6 2004 5103 019   
– Routenetwerken3 0134 8565 301336225111
– Groene Hart impuls4 9421 7932 964   
– Staatsbosbeheer voor recreatieve voorzieningen22 46322 00320 91921 04420 539505
– Midden-Delfland & Grevelingen1 4074 2548 5341 072707365
– Kennis en deskundigheid voor recreatie2 8582 3661 8181 6532 230– 577
– Publiek private samenwerking000   
Apparaatsuitgaven29 46130 18133 78533 50831 5221 986
24.21 apparaat4 7725 1355 4565 5214 1381 383
24.22 baten-lastendiensten24 68925 04628 32927 98727 384603
Ontvangsten4 0413 7278 05723 49075022 740

Toelichting op de programma-uitgaven:

Verplichtingen

Van de verplichtingenverhoging van € 541,7 mln. is € 523,3 mln. toegelicht in het algemene deel van het ILG-overzicht begrotingsmutaties 2007. De resterende verhoging van € 18,4 mln. houdt voornamelijk verband met een bijstelling op de niet-ILG onderdelen die in de 1e suppletore begroting is verwerkt.

Programma-uitgaven

24.11 Nationale Landschappen

Versterking, beheer en behoud landschapskwaliteiten

De lagere realisatie houdt verband met een overboeking van € 1,2 mln. naar artikel 23 ten behoeve van een bijdrage aan het project Mainport Rotterdam (opgenomen in 1e suppletore begroting 2007). Bovendien is € 0,6 mln. door herprioritering onder het instrument «Monitoring en Onderzoek» gebracht.

24.12 Landschap algemeen

Projectfinanciering

De uitgaven voor inrichting in het landelijk gebied zijn lager uitgevallen dan geraamd. Het betreft uitgaven voor de aanleg van groenvoorzieningen die vertraging heeft opgelopen.

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen x € 1 000
 Realisatie 2007Begroting 2007
Overige23 490750
Totaal ontvangsten23 490750

De hogere ontvangsten houden voornamelijk verband met het realiseren van verkoopopbrengsten van ruilgrond in het noorden van het land door het Bureau Beheer Landbouwgronden. Deze opbrengsten bedroegen uiteindelijk € 18,6 mln. Bovendien heeft het Ministerie van VROM via rechtstreekse betaling middelen beschikbaar gesteld voor de aankoop van zgn. bufferzones in het kader van het ILG (€ 4,7 mln.).

2. Slotwetmutaties

Bedragen x € 1 000
 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Stand 2e suppletore begroting 2007686 941184 73221 376
Mutaties Slotwet 2007– 1 716– 4 4562 114
Stand Slotwet 2007 (realisatie)685 225180 27623 490

Toelichting

De lagere uitgavenrealisatie houdt voornamelijk verband met lagere uitgaven voor projecten tot behoud van cultuurhistorische waarden in het landelijk gebied in het kader van de Nota Belvedere.

Voorts zijn de uitgaven voor projecten op het gebied van landschapsverbetering lager uitgevallen in verband met vertraging in de aanleg van groenvoorzieningen.

De hogere ontvangsten houden voornamelijk verband met de verkoopopbrengsten van ruilgrond in het noorden van het land door het Bureau Beheer Landbouwgronden bij 2e suppletore begroting zijn geraamd op € 15,9 mln. Uiteindelijk is € 18,6 mln. gerealiseerd.

3. Uitgevoerde Evaluatie onderzoeken

In 2007 zijn geen beleidsdoorlichtingen of effectenonderzoeken ex post gestart of afgerond.

25 Voedselkwaliteit en Diergezondheid

Voedselkwaliteit en Diergezondheid

kst-31444-XIV-3-23.gif

Omschrijving

De overheid streeft naar een kwalitatief hoogwaardig voedselaanbod en consumptiepatroon en een hoog gezondheidsniveau van de Nederlandse veestapel.

Dierhouders en producenten van voedsel zijn primair verantwoordelijk voor het waarborgen van de diergezondheid en voedselveiligheid. Consumenten hebben een eigen verantwoordelijkheid om op een zorgvuldige en veilige manier met voedsel om te gaan. LNV heeft als taak om – veelal in internationaal en Europees verband – eisen en voorwaarden te stellen waarbinnen partijen hun verantwoordelijkheid kunnen invullen en LNV controleert op transparante en consequente wijze. Zo worden de gezondheidseffecten van voedselrisico’s beheerst, en blijft het vertrouwen in voedsel behouden.

1. Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
25 Voedselkwaliteit en DiergezondheidRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 20042005200620072007 
Verplichtingen149 811109 977150 058115 47975 94739 532
Uitgaven147 834110 856148 196110 58875 94734 641
Programma-uitgaven97 50655 73565 21530 36531 818– 1 453
waarvan juridisch verplicht    14 145 
25.11 Bevorderen van kwalitatief hoogwaardig voedselaanbod en consumptiepatroon42 84427 93242 06917 66910 5427 127
– Risicomanagement4 7791 9041 0345753 446– 2 871
– Voedselveiligheid17 7557 9221 9783 9422 0001 942
– Consument, transparantie en ketenomkering 853 1524 1494 426277
– Destructie20 18117 93435 4148 811 8 811
– Biotechnologie  12123240– 217
– Overig12987370169430– 261
25.12 Handhaven diergezondheidsniveau54 66227 80323 14612 69621 276– 8 580
– Preventieve diergezondheid472448511150300– 150
– I&R7 7544 7154 1831 6044 500– 2 896
– Monitoring, early warning en bewaking7 5399 5463 1354 7975 191– 394
– Handhaving veterinaire veiligheid2 1861 2243132 5956851 910
– Crisisorganisatie en -management4 7813 6911 8722 8176 3003 483
– Overig (BSE, BTW-varkenspest, Vogelpest (AI), schikking fokverbod KVP, overig)31 9308 17913 132733 733
– AI-Vaccinonderzoek    4 300– 4 300
Apparaatsuitgaven50 32855 12182 98180 22344 12936 094
U25.21 Apparaat17 4697 4296 2836 7196 7181
U25.22 baten-lastendiensten32 85947 69276 69873 50437 41136 093
Ontvangsten55 14715 29518 39711 05614 770– 3 714

Toelichting op de verplichtingen:

De hogere verplichtingenrealisatie ten opzichte van de uitgavenrealisatie houdt onder meer verband met lagere uitgaven als gevolg van een vertraging in de bouw van een electronisch Identificatie- en Registratiesysteem van schapen en geiten ad € 2 mln. waarvoor de verplichtingen reeds waren aangegaan. Voorts is een contract met de Gezondheidsdienst voor Dieren B.V. voor veterinaire en laboratoriumdiensten voor 2 jaar aangegaan waardoor € 1,2 mln. meer verplichtingen zijn aangegaan. Tenslotte zijn verplichtingen aangegaan voor de overheidsbijdrage in de tarieven voor het ophalen en verwerken van kadavers door destructiebedrijf Rendac.

Toelichting op de programma-uitgaven:

25.11 Bevorderen van kwalitatief hoogwaardig voedselaanbod en consumptiepatroon

Risicomanagement

De lagere uitgavenrealisatie houdt onder meer verband met het feit dat uitvoering van TSE-testen bij geiten niet meer door de EU verplicht is gesteld (€ 0,3 mln.) en met het feit dat de bijdrage ad € 0,5 mln. aan het Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden (COKZ) vanuit de begroting van VWS is betaald (opgenomen in 2e suppletore begroting 2007). Voorts is een deel van het budget in verband met herprioritering op het instrument voedselveiligheid verantwoord (€ 2 mln.).

Voedselveiligheid

De hogere uitgaven voor voedselveiligheid ad € 1,9 mln. hebben onder andere betrekking op het Programma Alternatieve Verwerkingsmethoden Slachtafvallen dat in 2006 vertraging had opgelopen en op extra uitgaven ten behoeve van het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen.

Destructie

In 2007 is een bijdrage beschikbaar gesteld als overheidsbijdrage in de tarieven voor het ophalen en verwerken van kadavers door destructiebedrijf RENDAC (opgenomen in 1e suppletore begroting 2007) waarvan € 8,8 mln. tot betaling gekomen.

25.12 Handhaven diergezondheidsniveau

I&R

De lagere uitgavenrealisatie wordt voornamelijk veroorzaakt doordat de bouw van een systeem en database voor de electronische identificatie en registratie van schapen en geiten in 2007 later is gestart dan was gepland als gevolg van een door de EU verplicht gestelde latere invoeringsdatum (€ 2 mln.) (opgenomen in 2e suppletore begroting). Deze latere invoerdatum heeft geleid tot uitstel van de aanbestedingsprocedure en tot lagere uitgaven in 2007. Bovendien zijn de kosten voor Identificatie en Registratie Varkensleveringen overgedragen aan het productschap waardoor het uitgavenbudget is verlaagd met € 1,2 mln. (opgenomen in 2e suppletore begroting 2007).

Crisisorganisatie en -management

De lagere uitgavenrealisatie houdt onder meer verband met het feit dat voor de produktie van het MKZ-vaccin € 3,1 mln. is opgenomen in de DLO-programmering (artikel 26) (opgenomen in 1e suppletore begroting).

Verder is € 0,5 mln. toegevoegd aan de Algemene Inspectiedienst (AID) voor het inzetten van mobiele controleteams bij verzamelplaatsen en bij het vervoer van schapen en geiten (opgenomen in 2e suppletore begroting 2007).

AI-vaccinonderzoek

De geraamde uitgaven en daarmee samenhangende ontvangsten ad € 4,3 mln. vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) voor de AI-vaccinontwikkeling zijn opgenomen in de DLO-programmering op artikel 26 Kennis en innovatie (opgenomen in 1e suppletore begroting 2007).

Toelichting op de apparaatsuitgaven:

De hogere bijdrage aan de baten-lastendiensten houdt verband met het volgende:

– De bijdrage aan VWA is met € 28,9 mln verhoogd (opgenomen in 1e en 2e suppletore begroting 2007). Deze verhoging was noodzakelijk gezien het financieringstekort bij de VWA. Dit tekort houdt verband met krimp van de (veterinaire) markt, kostprijsstijgingen en tekorten door uitstel van invoering van kostendekkende tarieven. In de begroting 2008 en bij brief (Kmst 26 991, nr. 158) heb ik u geïnformeerd over de maatregelen om te komen tot begrotingsevenwicht in 2011.

– De bijdrage aan de AID is met € 4,8 mln. verhoogd voor werkzaamheden in het kader van de preventie van dierziekten en handhavingskosten als gevolg van de recente uitbraak van Bluetongue (BT) vanaf juli 2007, de MKZ-dreiging vanaf augustus 2007, de dreiging in 2007 van de hoogpathogene variant van de Vogelgriep (AI) en de inzet van mobiele controleteams bij verzamelplaatsen en bij het vervoer van schapen en geiten (opgenomen in 1e en 2e suppletore begroting 2007).

– De bijdrage aan Dienst Regelingen is € 2,3 mln. hoger uitgevallen. Hiervan heeft € 0,9 mln. betrekking op meer uitvoeringskosten door extra aanvragen met betrekking tot het nieuwe Identificatie en Registratiesysteem (I&R) voor runderen. Bovendien zijn opstart- en voorbereidingskosten gemaakt ad € 0,7 mln. voor de nieuwbouw van het I&R-systeem voor schapen en geiten en is sprake geweest van meerwerk op bestaande regelingen zoals m.b.t. contractbeheer, mailing scrapie en het beheer partnerschap AI Indonesië.

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen x € 1 000
 Realisatie 2007Begroting 2007
EU-bijdrage AI00
Uitvoering I&R varkens7502 040
Overdracht roodvleeskeuring en BTW compensatie8 0008 000
AI-vaccinontwikkeling04 300
Overig2 306430
Totaal11 05614 770

Uitvoering I&R varkens

De ontvangsten inzake de identificatie en registratie van varkens hebben vertraging opgelopen en worden in 2008 ontvangen.

AI-vaccinontwikkeling

De geraamde ontvangsten vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) voor de AI-vaccinontwikkeling zijn opgenomen in de DLO-programmering (artikel 26 Kennis en innovatie).

2. Slotwetmutaties

Bedragen x € 1 000
 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Stand 2e suppletore begroting 2007116 648113 48512 523
Mutaties Slotwet 2007– 1 169– 2 897– 1 467
Stand Slotwet 2007 (realisatie)115 479110 58811 056

Toelichting:

De lagere uitgavenrealisatie wordt voornamelijk veroorzaakt doordat van de € 11,1 mln. die bij Voorjaarsnota 2007 beschikbaar is gesteld voor destructieuitgaven als overheidsbijdrage in de tarieven voor het ophalen en verwerken van kadavers door destructiebedrijf RENDAC € 8,8 mln. tot betaling is gekomen. Het restant komt tot betaling in 2008.

De lagere ontvangstenrealisatie houdt voornamelijk verband met minder ontvangsten voor de identificatie en registratie van varkens dan was geraamd.

3. Uitgevoerde Evaluatie onderzoeken

 Onderzoek onderwerpNummer AD of ODStartAfgerond
BeleidsdoorlichtingVoedselkwaliteit Diergezondheid2520072008
     
Effectenonderzoek ex postVoedselveiligheid25.1120062008
 Diergezondheid25.1220062008

Toelichting:

Het effectenonderzoek ex post, uitgevoerd door een externe opdrachtnemer, heeft eind 2007 de onderzoeksvragen onvoldoende beantwoord. Hierdoor zijn de in de begroting 2007 geplande resultaten vertraagd. Aangezien dit ex post evaluatie-onderzoek als een belangrijke basis zou dienen voor de eveneens in de begroting van 2007 geplande beleidsdoorlichting, kon ook deze beleidsdoorlichting geen doorgang vinden in 2007. De beleidsdoorlichting wordt in 2008 afgerond. Het eerder geplande effectenonderzoek ex-post zal geïntegreerd worden meegenomen in de beleidsdoorlichting.

26 Kennis en Innovatie

Kennis en Innovatie

kst-31444-XIV-3-24.gif

Omschrijving

De algemene beleidsdoelstelling is hoogwaardige kennis voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte en optimale benutting van deze kennis.

1. Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
26 Kennis en innovatieRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 20042005200620072007 
Verplichtingen901 146882 992922 439980 764890 72290 042
Uitgaven830 007864 588889 507914 919897 20417 715
Programma-uitgaven825 190859 640875 442900 736883 89516 841
– waarvan juridisch verplicht    803 694 
26.11 Waarborgen van het kennisstelsel571 819605 666629 579651 812634 68317 130
– Bekostiging WU135 509140 717140 684147 733140 3647 369
– Bekostiging DLO25 01432 58139 80643 18942 1491 040
– Bekostiging groenonderwijs HBO/MBO/VMBO410 024431 504448 041460 196450 8909 306
– Afrika studiecentrum/Akademie-hoogleraren1 2728641 0486941 280– 586
26.12 Benutten van samenhang tussen instellingen31 60534 39029 74043 31733 4199 898
– Bijdrage InnovatieNetwerk3 3823 2203 1083 2273 798– 571
– Bijdrage IPC’s14 84517 77914 88021 27515 0306 245
– AEQUOR 4 2455 1927 6574 2613 396
– Coöperatie incl. ICT 4 0532 7333 9224 048– 126
– Overige subsidies ondersteuningsstructuur13 3785 0933 8277 2366 282954
26.13 Vernieuwen van het kennisstelsel31 51533 38245 68545 21461 167– 15 954
– Onderzoeksvernieuwing1 2002 2042 5326 4659 550– 3 085
– Praktijkleren12 50012 50012 50012 99518 018– 5 023
– Onderwijskundige innovatieprojecten1 5633 3422 5321 5794 070– 2 491
– Subsidies onderwijsvernieuwing16 25215 33628 12124 17529 529– 5 354
26.14 Ondersteunen van LNV-beleid met kennis190 251186 202170 438160 393154 6265 767
– DLO onderzoeksprogramma’s114 474106 41292 60880 95268 79912 153
– Open programmering onderzoek2 5532 2751 8063 0968 601– 5 505
– Stimuleringsprogramma’s6 7095 9668 1738 1398 500– 361
– DLO wettelijke onderzoekstaken55 19763 32160 34356 91453 9422 972
– Regionale innovatie projecten3 1702 7691 2234 0594 077– 18
– Voorlichtingsprojecten8 1485 4596 2855 3429 407– 4 065
– Kenniskringen/lerende netwerken   1 8911 300591
Apparaatsuitgaven4 8174 94814 06514 18313 309874
26.21 apparaat4 4554 18413 20513 14612 699447
26.22 baten-lastendiensten3627648601 037610427
Ontvangsten19 75213 04829 26927 54727 662– 115

Toelichting op de verplichtingen:

De hogere verplichtingenrealisatie hangt samen met de hogere kasuitgaven in 2007, het vastleggen van een meerjarige overeenkomst met IPC’s ter effectuering van gemaakte afspraken over overgangsbekostiging na verzelfstandiging, meerjarige verplichtingen inzake FES-projecten en het feit dat de (met name als gevolg van loon- en prijsbijstellingen gestegen) verplichting 2008 voor bekostiging van het onderwijs en onderzoek ook in 2007 moest worden vastgelegd.

Toelichting op de programma-uitgaven:

26.11 Waarborgen van het kennisstelsel

Bekostiging WU

Vanwege een relatief sterke stijging van het aantal relevante prestaties (getuigschriften onderwijs en onderzoek, alsmede promoties), de bekostiging van een OCW-conforme prijs per prestatie ter handhaving van het kwaliteitsniveau (dit in lijn met de beleidsbrief Groen onderwijs 2010 (TK 2005–2006, 27 417, nr. 10)) (opgenomen in 1e suppletore wet) en loon- en prijsbijstelling (opgenomen in 2e suppletore wet) zijn de uitgaven in 2007 hoger uitgevallen.

Bekostiging groen onderwijs HBO/MBO/VMBO

De hogere uitgaven voor HBO/MBO/VMBO zijn het gevolg van bijstellingen in het kader van lonen en prijzen (opgenomen in 2e suppletore wet.) In het MBO zijn de uitgaven voor voorbereidende en ondersteunende activiteiten (VOA) vanwege een relatief sterke stijging van het aantal leerlingen hoger uitgevallen. (opgenomen in 1e suppletore wet).

Bekostigde aantallen binnen het groene onderwijs in 2007

InstrumentType studenten/getuigschriften/promotiesAantallenPrijs per eenheidBedragKas 2007
Bekostiging WUEerstejaars1 2224,0694 565 
 Ongedeelde getuigschriften36838,56914 193 
 Bachelor getuigschriften27521,6385 951 
 Master getuigschriften65316,93111 056 
 Promoties19272,72413 963 
 Vaste componenten  98 005147 733
Bekostiging HBO-groenstudenten8 2626,92657 22657 226
      
Bekostiging MBO-groenstudenten beroepsopleidende leerweg16 3605,53090 471 
 studenten beroepsbegeleidende leerweg8 3793,22226 997 
 VOA leerlingen nivo 11 8601,9513 629 
 VOA leerlingen nivio 25 9980,7804 678 
 vaste componenten  7 756133 531
      
Bekostiging VMBO-groenleerlingen VMBO/VBO21 4666,013129 077 
 leerlingen VMBO/LWOO15 2669,014137 608 
 Vaste componenten  2 755269 440
      
IPC’sLeerlingcursistweken10 4330,7607 925 
 Vaste componenten  13 35021 275
      
regeling praktijklerenleerlingen25 1630,51612 99512 995

26.12 Benutten van samenhang tussen instellingen

Bijdrage IPC’s

De bijdrage aan de IPC’s is in 2007 hoger uitgevallen. Aan de IPC’s is een overgangsbudget ter beschikking gesteld dat beoogt de met de verzelfstandiging samenhangende beëindiging van de bekostigingsrelatie op een verantwoorde wijze af te bouwen en de organisaties in staat te stellen in te spelen op de marktsituatie die bij volledige vraagsturing zal ontstaan. De uitgaven voor dit overgangsbudget zijn hoger uitgevallen dan geraamd. Uitgangspunt bij het in de raming opgenomen bedrag aan overgangsbudget is een naar rato, i.c. over 5 maanden, beschikbaarstelling van de bedragen. De overschrijding op dit onderdeel is met name een gevolg van de bepaling in de overeenkomst dat het overgangsbudget voor 2007 in één termijn moet worden en is betaald.

Aequor

De uitgaven voor Auquor zijn in 2007 hoger uitgevallen. Middelen voor bedrijfsadviseurs worden rechtstreeks bekostigd aan het kennis- en communicatiecentrum voedsel en leefomgeving Aequor. Deze adviseurs zijn aangesteld ten behoeve van de in de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) aan Aequor opgedragen taak tot regelmatige beoordeling van bedrijven en organisaties waar beroepspraktijkvormingsplaatsen worden gerealiseerd. Voorheen vond bekostiging plaats aan de AOC’s. Tevens is op grond van een in november 2007 gesloten overeenkomst met Aequor de exploitatievergoeding voor de jaren 2007, 2008 en 2009 verhoogd.

IndicatorReferentie waardePeildatumRealisatie 2005Realisatie 2006Streefwaarde 2007Realisatie 2007Bron
– Aantal leerbedrijven23 800200623 80023 32221 50022 653Aequor

26.13 Vernieuwen van het kennisstelsel

Onderzoeksvernieuwing

Lagere uitgaven voor onderzoeksvernieuwing zijn met name het gevolg van een aangepast verloop van het FES-project TTI Groene Genetica. Niet bestede middelen worden in volgende jaren benut.

Praktijkleren

Het betreft het toekennen van budget voor praktijkleerprojecten aan AOC’s. De uitgaven voor praktijkleren vallen lager uit (opgenomen in 2e suppletore wet) omdat er minder BTW betaald werd dan geraamd, omdat:

1. Over de overgangsmaatregelen IPC’s behoeft geen BTW betaald te worden. Dit geldt ook voor het budget praktijkleren dat binnen de AOC’s wordt besteed.

2. de verzelfstandiging van de IPC’s (waarna BTW betaald moet worden) is ingegaan op 1 augustus 2007 in plaats van 1 januari 2007.

Onderwijskundige innovatieprojecten/subsidies onderwijsvernieuwing

Lagere uitgaven zijn het gevolg van:

a) OCW-conforme overboeking van budget naar bekostigingsonderdelen ten behoeve van projecten onderwijsvernieuwing. (€ 4 mln.)

b) Inzet van vernieuwingsmiddelen op de volgende onderwijsonderdelen (€ 4,6 mln.):

1) overgangsbudget IPC’s. (€ 1,7 mln.)

2) overige subsidies ondersteuningsstructuur (€ 0,9 mln.)

3) bekostiging VO (€2 mln.)

IndicatorReferentie waardePeildatumRealisatie 2005Realisatie 2006Streefwaarde 2007Realisatie 2007Bron
– Aantal onderwijskundige innovatieprojecten groen onderwijs55200555558071LNV
– Aantal OCW-conforme projecten gericht op realiseren competentie-gerichte kwalificatiestructuur, doorlopende leerlijnen en verbetering kenniscirculatie*40200540273535LNV

* Het betreft de projecten in het kader van de (OCW-conforme) breedtestrategie. Thema’s zijn doorstroombevordering, praktijkgericht leren, lerarenbeleid, kennisuitwisseling, internationalisering.

26.14 Ondersteunen van LNV-beleid met kennis

DLO onderzoeksprogramma’s/Wettelijke Onderzoekstaken

De hogere uitgaven betreffen met name uitvoering van diverse projecten door DLO op het gebied van dierenwelzijn, gewasbescherming en bemesting. (opgenomen in 1e en 2e suppletore wet.)

DLO onderzoeksprogramma’s Bedragen x € 1 000
Vitaal landelijk gebied7 700
Ecologische hoofdstructuur7 800
Economisch perspectiefvolle agroketens7 200
Biologische landbouw8 900
Mineralen en milieu10 100
Plantgezondheid13 600
Verduurzaming productie en transitie13 600
Voedselkwaliteit en -veiligheid en diergezondheid4 300
Kennis500
Internationaal7 200
DLO Wettelijke onderzoekstaken Bedragen x € 1 000
Besmettelijke dierziekten incl. MKZ vaccinproductie19 900
Voedselveiligheid14 300
Genetische bronnen2 200
Natuur en milieu8 200
Visserij4 500
Economische informatie7 800

Open programmering onderzoek

Lagere uitgaven voor open programmering onderzoek hangen samen met projecten die deel zijn gaan uitmaken van andere begrotingsonderdelen, met name de onderzoeksprogrammering van DLO.

Voorlichtingsprojecten

De lagere uitgaven zijn het gevolg van de inzet van € 2,2 mln. voor de DLO-programmering ten behoeve van de gevolgen van het amendement Waalkens (TK 30 800 XIV nr. 38.) Tevens zijn op dit onderdeel geraamde voorlichtingsprojecten uitgegeven en verantwoord op andere begrotingsonderdelen (artikelen 21, 22, 23 en 26 en de begroting van het ministerie van Economische Zaken.)

IndicatorReferente waardePeildatumRealisatie 2005Realisatie 2006Streefwaarde 2007Realisatie 2007Bron
– Aantal voorlichtingsprojecten44200544544537LNV

Toelichting op de apparaatsuitgaven:

De hogere uitgaven zijn het gevolg van loonbijstelling en aanpassing van het voor uitvoering van onderwijsregelingen en de onderdelen open programmering onderzoek en voorlichting benodigde budget van Dienst Regelingen.

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen x € 1 000
 Realisatie 2007Begroting 2007
Rente en aflossing over de verstrekte lening aan de Stichting DLO inzake aankoop van grond en gebouwen8 9898 802
FES-ontvangsten16 42618 690
Overige ontvangsten2 132170
Totaal ontvangsten27 54727 662

FES-ontvangsten

Lagere FES-ontvangsten zijn een gevolg van aanpassing van het tempo van de projecten TTI Groene Genetica en Potato Genome Sequencing. De ontvangsten worden (in samenhang met de uitgaven) in de komende jaren gerealiseerd.

Overige ontvangsten

Overige ontvangsten hebben betrekking op een ontvangst in het kader van een mede door de EU gefinancierd project en terugvorderingen als gevolg van subsidie-afrekeningen aan onderwijs- en onderzoeksinstellingen.

2. Slotwetmutaties

Bedragen x € 1 000
 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Stand 2e suppletore begroting 20071 003 303928 20738 519
Mutaties Slotwet 2007– 22 539– 13 288– 10 972
Stand Slotwet 2007 (realisatie)980 764914 91927 547

Toelichting:

De lagere verplichtingen-, uitgaven- en ontvangstenrealisaties zijn o.a. het gevolg van een aangepast verloop in de uitgaven van FES-projecten. (Aviaire Influenza, Transitie Duurzame Landbouw, Potato Genome Sequencing, Technologisch Top Instituut Groene Genetica.) Niet bestede middelen worden in volgende jaren benut.

3. Uitgevoerde Evaluatie onderzoeken

 Onderzoek onderwerpNummer AD of ODStartAfgerondVindplaats
Beleidsdoorlichting– Kennis- en Innovatie26.11/26.1420052007TK 31 104 nr. 1
Overig evaluatieonderzoek– Kennisbasis DLO26.112007  
 – Beleidsondersteunend onderzoek26.142007  

Toelichting:

De voor 2007 voorziene evaluatieonderzoeken kennisbasis DLO en beleidsondersteunend onderzoek hebben niet plaatsgevonden vanwege overlapping met de in 2007 afgeronde beleidsdoorlichting.

Er wordt prioriteit gegeven aan de evaluaties van de wettelijke onderzoekstaken. De evaluatie van de WOT Besmettelijke Dierziekten is in uitvoering. De evaluatie van WOT Genetische Bronnen is opgestart. In 2008 start de evaluatie van de WOT Voedselveiligheid. In 2009 wordt de evaluatie van de overige WOT’s ter hand genomen (Natuur Milieu Planbureau, Wettelijk Visserij Onderzoek, Economische Informatievoorziening.)

In 2007 zijn er geen effectenonderzoeken ex post gestart of afgerond.

27 Bodem, water en reconstructie zandgebieden

Bodem, water en reconstructie zandgebieden

kst-31444-XIV-3-25.gif

Omschrijving

Het Rijk geeft prioriteit aan de reconstructie van de zandgebieden in Zuid en Oost-Nederland (Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg). Het doel van deze reconstructie is het realiseren van een goede ruimtelijke structuur, in het bijzonder met betrekking tot duurzame landbouw, de natuur, het milieu en een duurzame waterhuishouding, alsmede het creëren van een aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat in de zandgebieden.

1. Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
27 Bodem, water en reconstructie zandgebiedenRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 20042005200620072007 
Verplichtingen66 46068 974144 824448 919107 307341 612
Uitgaven31 42446 63761 15483 964112 152– 28 188
Programma-uitgaven18 34533 35748 34863 22792 257– 29 030
– waarvan juridisch verplicht    81 576 
27.11 Reconstructie zandgebieden18 34533 35748 34863 22792 25729 030
waarvan ILG      
– Reconstructie zandgebieden   45 45881 574– 36 116
waarvan niet ILG      
– Flankerende maatregelen EHS 31575   
– Duurzaam waterbeheer 277 320   
– Duurzame landbouw 271 838   
– Overige maatregelen 101 257   
– Agenda Vitaal Platteland 4 8004002 5055 975– 3 470
– Rijksacties 4 028 1 2622 614– 1 352
– Landschap  86 2 094– 2 094
– Voorfinanciering UC 2005/2006   14 002 14 002
– Reconstructie algemeen6 417 2 640   
– SGB UC 2001–200411 928 29 650   
– SGB UC 2005–2006 24 4344 582   
27.12 Bodem en Water      
waarvan ILG      
– Duurzaam bodemgebruik      
– Bodemsanering      
– Waterbodemsanering      
Apparaatsuitgaven13 07913 28012 80620 73719 895842
27.21 apparaat16019324423717859
27.22 baten-lastendiensten12 91913 08712 56220 50019 717783
Ontvangsten2864917 1141470147

Toelichting op de programma-uitgaven:

Verplichtingen

Van de verplichtingenverhoging van € 341,6 mln. is € 311,2 mln. toegelicht in het algemene deel van het ILG-overzicht begrotingsmutaties 2007. De resterende verhoging van € 30,4 mln. houdt voornamelijk verband met een bijstelling op de niet-ILG onderdelen die in de 1e suppletore begroting is verwerkt.

Bovendien is het niet ILG verplichtingenbudget technisch gecorrigeerd in verband met het feit dat een deel van de aangegane verplichtingen in 2006 ten aanzien van Milieukwaliteit en Verdroging niet in 2006 is verwerkt en ten laste van 2007 is gebracht.

27.11 Reconstructie zandgebieden

Agenda Vitaal Platteland:

De lagere uitgavenrealisatie van € 3,5 mln. houdt verband met het feit dat € 2,8 mln. van het budget als ILG-onderdeel is aangemerkt (zie algemeen deel ILG-mutaties). Bovendien is € 2,7 mln. overgeheveld naar de begroting van VROM in het kader van de Investeringsimpuls Stedelijke Vernieuwing (ISV) (opgenomen in 2e suppletore begroting). Hiertegenover is een correctie verwerkt van € 2,1 mln. vanuit het instrument Landschap.

Voorfinanciering UC 2005/2006:

De uitgaven houden verband met terugbetalingen aan de provincies van de voorfinanciering die door de provincies in 2006 is betaald in het kader van uitvoeringscontract reconstructie 2005–2006.

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen x € 1 000
 Realisatie 2007Begroting 2007
EU-inkomsten POP-2
Bijdragen van derden147
Totaal ontvangsten147

De incidenteel hoge ontvangsten in 2006 (zie Rijksjaarverslag LNV 2006) zijn het gevolg van ontvangsten uit het Groenfonds ter uitfinanciering van de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid in dat jaar. De gerealiseerde ontvangsten in 2007 hebben betrekking op ontvangen bijdragen van waterschappen en gemeenten voor landinrichtingsprojecten in het kader van reconstructie.

2. Slotwetmutaties

Bedragen x € 1 000
 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Stand 2e suppletore begroting 2007431 77982 670
Mutaties Slotwet 200717 1401 294147
Stand Slotwet 2007 (realisatie)448 91983 964147

Toelichting:

De hogere verplichtingenrealisatie houdt verband met een technische correctie waarbij een deel van de aangegane verplichtingen op het terrein van Milieukwaliteit en Verdroging niet in 2006 maar in 2007 is verwerkt.

De hogere uitgavenrealisatie houdt verband met terugbetalingen aan de provincies van de voorfinanciering die door de provincies in 2006 is betaald in het kader van uitvoeringscontract reconstructie 2005–2006.

3. Uitgevoerde Evaluatie onderzoeken

 Onderzoek onderwerpNummer AD of ODStartAfgerondVindplaats
Overig evaluatie-onderzoekReconstructiewet27.1120052007TK 30 800XIV, nr. 101, 107

In 2007 zijn geen beleidsdoorlichtingen of effectenonderzoeken ex post gestart of afgerond.

Reconstructiewet

Naam rapport: Evaluatie van de reconstructie zandgebieden.

28 Nominaal en onvoorzien

Dit artikel bevat de posten prijsbijstelling, loonbijstelling en onvoorzien.

Budgettaire gevolgen van niet-beleidsartikelen

Bedragen x € 1 000
28 Nominaal en OnvoorzienRealisatieBegroting 2007
 2004200520062007 
Verplichtingen00000
Uitgaven00000
28.21 Prijsbijstelling00000
28.22 Loonbijstelling00000
28.23 Onvoorzien00000
Ontvangsten00000

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen:

De in 2007 bij Voorjaarsnota toegekende Loon- en prijsbijstelling is toegedeeld naar de relevante artikelen en daardoor niet zichtbaar in de bovenstaande tabel.

29 Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven, zowel apparaat als programma, toegelicht die niet vallen onder de beleidsartikelen. Dit betreft de apparaatsuitgaven van een aantal algemene onderdelen van het kerndepartement zoals, internationale contributies en de uitvoering van EU maatregelen door onder meer de productschappen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
29 AlgemeenRealisatieBegrotingVerschil
 20042005200620072007 
Verplichtingen247 143238 409240 044267 442217 44749 995
Uitgaven247 145238 408240 018267 278218 44348 835
Programma-uitgaven43 42249 61247 46250 52643 6806 846
29.11 Internationale contributies6 4068 2568 29710 39910 421– 22
29.12 Uitvoering van EU-maatregelen37 01641 35639 16540 12733 2596 868
Apparaatsuitgaven203 723188 796192 556216 752174 76341 989
29.21 Apparaat171 403188 796184 433206 323166 68039 643
29.22 Baten-lastendiensten32 32008 12310 4298 0832 346
Ontvangsten474 161420 646353 376345 227281 94463 283

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen:

De hogere uitgaven bij het onderdeel Uitvoering van EU-maatregelen is het resultaat van € 10 mln. hogere apurementsuitgaven en € 3 mln. lagere uitgaven medebewind (bijdrage productschappen). De hogere apurementsuitgaven hangen samen met:

• de moderniseringsrichtlijn Plattelandsontwikkelings Programma (POP-1) ad € 5,6 mln.;

• boetes in verband met oninbaar gebleken vorderingen ad € 1,1 mln.;

• een EU-correctie op de bij Brussel ingediende declaraties in het kader van POP-1 ad € 3,6 mln. Deze correctie is een gevolg van onduidelijkheid over afronding van notificaties van de begrotingslijnen.

De uitgaven aan de productschappen zijn circa € 3 mln. lager uitgevallen. Deze lagere uitgaven hangen samen met verminderde activiteiten op het terrein van de exportrestituties.

Toelichting op de apparaatsuitgaven:

Bedragen x € 1 000
 Realisatie 2007Begroting 2007
Personeel algemene leiding en stafdirecties35 70334 145
Personeel overige directies43 97734 356
Materieel29 06423 091
Materieel Ministerie algemeen en huisvesting49 21437 181
Overig personeel en post-actieven48 36537 907
Bijdrage aan AID10 4298 083
Totaal apparaatsuitgaven216 752174 763

De apparaatsuitgaven zijn ten opzichte van de oorspronkelijke begroting circa € 42 mln. hoger uitgevallen. Deze stijging wordt verklaard door:

• De hogere uitgaven bij personeel overige directies (beleids- en projectdirecties) hangen samen met de uitgaven voor herplaatsingskandidaten ad. € 2,7 mln., de fiscale naheffing op buitenland vergoedingen voor de agrarische vertegenwoordiging buitenland ad. € 3,8 mln. en tijdelijke uitgaven voor de projectdirectie (Implementatie Personeelsservicecentrum (IPS) ad. € 3,0 mln. De projectdirectie IPS houdt zich bezig met de kwaliteitsverbetering voor een centrale personeelsadministratie in de aanloop naar de totstandkoming van P-direct.

• De hogere uitgaven bij materieel hangen samen met de ontwikkeling van het nieuwe financiële pakket E-Business Suite (EBS), de start van het project G4P3 (4 gemeenten, 3 provincies), facilitair beheer en voorbereiding kosten voor internationale conferenties en congressen.

• De hogere uitgaven bij materieel ministerie en huisvesting hangen samen met de renovatie van het hoofdgebouw, een gewijzigde verrekeningssystematiek huisvestingsmodel, uitgaven voor het facilitair beheer, het inkoop-project electronisch bestellen, factureren en aanbesteden, en uitgaven ten behoeve van de verdere ontwikkeling van de elektronische dienstverlening.

• De hogere uitgaven bij overig personeel en post-actieven hangen voornamelijk samen met tijdelijke uitgaven voor het vernieuwen van het bedrijfsvoeringsinstrumentarium met als bedoeling om de kwaliteit en efficiency van de bedrijfsprocessen te verbeteren. Het betreft uitgaven aan projecten als: E-procurement, digitalisering van archieven, project documentaire informatie voorziening (DIV-share), architectuur van de informatievoorziening en efficiënt inkopen. Daarnaast zijn additionele uitgaven gedaan in het kader van bemiddeling en bevorderen van mobiliteit van boventalligen.

• De bijdrage aan de AID is € 2,4 mln. hoger uitgevallen, dit hangt samen met extra opdrachten die er op gericht zijn om de AID op een andere wijze te laten werken, opdat de kwaliteit en effectiviteit van de processen wordt verbeterd. Het betreft onder meer het ontwikkelen van verbeterde handhavingsprogramma’s en risicoanalyses.

Toelichting op de ontvangsten:

Bedragen x € 1 000
 Realisatie 2007Begroting 2007
Landbouwheffingen338 658270 000
EU-ontvangsten2 8575 684
Overige ontvangsten3 7126 260
Totaal ontvangsten345 227281 944

De hogere ontvangsten hebben betrekking op hogere landbouwheffingen ad € 69 mln. als gevolg van een toename van de importvolumes. Het betreft hier heffingen op import van landbouwproducten vanuit «derde» landen naar de EU. Deze heffingen komen binnen via de Douane.

2. Slotwetmutaties

Uitgaven x € 1 000
 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Stand 2e suppletore begroting 2007260 275261 271357 476
Mutaties Slotwet 20077 1676 007– 12 249
Stand Slotwet 2007 (realisatie)267 442267 278345 227

De hogere verplichtingen- en uitgavenrealisatie houdt met name verband met hogere apurementsuitgaven (€ 4 mln.) en de bijdrage AID in verband met reëel niveau opdrachtenpakket (€ 2 mln.).

De lagere ontvangstenrealisatie houdt voornamelijk verband met lagere landbouwheffingen in verband met lagere importvolumes (– € 7 mln.) en lagere vervallen waarborgen (– € 2 mln.).

3. BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

Inleiding

In het hoofdstuk Bedrijfsvoering wordt verslag gedaan van relevante aandachtspunten in de bedrijfsvoering van LNV (XIV) en het Diergezondheidfonds. De bedrijfsvoeringsparagraaf heeft conform de Comptabiliteitswet het karakter van een uitzonderingsrapportage. Conform de Rijksbegrotingsvoorschriften wordt in dit hoofdstuk verantwoording afgelegd over achtereenvolgens de financiële rechtmatigheid van de begrotingsuitvoering, de totstandkoming van beleidsinformatie, het financieel en materieel beheer en overige specifieke aspecten in de bedrijfsvoering. De informatie opgenomen in deze bedrijfsvoeringsparagraaf is totstandgekomen vanuit het departementale management control systeem.

Financiële rechtmatigheid en getrouwheid

Vanuit de mij bekende informatie zijn er geen fouten en onzekerheden geconstateerd in de rechtmatigheid van financiële transacties in 2007 en/of de betrouwbare verantwoording daarover in deze jaarrekening die de tolerantiegrens op artikelniveau en/of op saldibalansniveau overschrijden. Dit geldt evenzeer voor de getrouwheid van de cijfers van de jaarrekening op artikelniveau en saldibalansniveau.

Totstandkoming van beleidsinformatie

Vanuit de mij bekende informatie zijn er geen tekortkomingen geconstateerd in de totstandkoming van beleidsinformatie op artikelniveau.

Financieel en materieel beheer

Specifieke opmerkingen en bevindingen:

Project versterking financiële functie

Het bestaande project versterking financiële functie is in 2007 voortgezet omdat bij beleidsdirecties op onderdelen in het financieel beheer verdere verbeteringen nodig zijn. Verdere verbetering is bereikt door benutting van de deskundigheid van uitvoerende diensten, de bundeling van financiële processen voor het kerndepartement in een Financieel Diensten Centrum per 1 juli 2007, de implementatie van één Regeling LNV-subsidies per 14 februari 2007 en het introduceren van periodiek overleg op managementniveau bij relevante tekortkomingen in het financieel beheer bij directies en diensten (ronde tafelgesprekken). In de tweede helft van 2007 zijn de verbeteringen hiervan al geconstateerd. Met de Regeling LNV-subsidies is een grote stap gezet naar vereenvoudiging en harmonisatie van subsidieverlening door LNV. Eénduidige en geharmoniseerde regelgeving is een belangrijke voorwaarde voor goed financieel beheer. In dit kader draagt LNV actief bij aan de vorming van een rijksbreed geharmoniseerd subsidiekader door het ministerie van Financiën en wordt in overleg met betrokken partijen binnen LNV gewerkt aan een harmonisering van criteria welke worden gehanteerd bij subsidieverlening.

Nationale Verklaring

De ministerraad heeft op 6 juli 2006 ingestemd met een «nationale verklaring» bij de Europese geldstromen. Dit is een verklaring op politiek niveau aan de Tweede Kamer waarmee de Minister van Financiën aan de Europese Commissie verklaart dat het financieel beheer van Europese gelden op orde is. Het met mijn verklaring over 2006 gemaakte voorbehoud inzake de implementatie en uitvoering van de handhavingscontrole van specifieke Europese regelgeving (cross compliance) is in aangepaste vorm gehandhaafd omdat de inspanningen voor verbetering pas effectief gaan worden vanaf 2008. In de (concept)verklaring heb ik, op basis van de mij ten dienste staande informatie, de volgende tekst opgenomen:

Met de verklaring over 2006 heb ik aangegeven dat de eisen inzake het Geïntegreerde Beheers- en ControleSysteem (GBCS) voor de uitvoering van controles op randvoorwaarden complex is vanwege het feit dat de regelgeving ingewikkeld is en meerdere partijen (ook buiten LNV) betrokken zijn bij de controles. De uitvoering van controles op randvoorwaarden (het voldoen aan wettelijke bepalingen over milieu, voedselveiligheid en dierenwelzijn, voor betaling van inkomenssteun of bedrijfstoeslag aan agrariërs) in Nederland is in januari 2007 onderworpen aan een onderzoek door de Europese Commissie. De voorlopige bevindingen van de Commissie hebben betrekking op de inzet van medehandhavers bij de controles op randvoorwaarden (cross compliance) en het rekenmodel voor de berekening van de korting bij niet-naleving. Deze bevindingen maakten aanpassing van het Nederlands controlesysteem noodzakelijk.

In 2007 is een aanpassing van het rekenmodel voorbereid, welke per 1 januari 2008 in werking is getreden. De kortingberekening voldoet hiermee aan de Europese eisen. Daarnaast laat de inzet van medehandhavers in 2007 al een duidelijk stijgende lijn zien ten opzichte van 2006. Verdere concrete afspraken met medehandhavers over hun inzet bij de uitvoering van de «cross compliance» wil ik in 2008 bekrachtigen in een samenwerkingsconvenant.

Het punt van voorbehoud in deze verklaring is beperkt tot zaken van materieel belang en/of sluiten aan bij in voorgaande jaren gemaakte punten van voorbehoud en/of vloeien direct voort uit audits en laat onverlet inherente interpretatie van Europese regelgeving. De verklaring verwacht ik binnenkort definitief te kunnen maken.

Overige specifieke aspecten van bedrijfsvoering

LNV zichtbaar laten en zichtbaar doen

Voor het realiseren van de veranderopgave heeft LNV in 2007 een veranderorganisatie ingericht. Er is een begin gemaakt met het dynamisch organiseren van LNV: waar mogelijk worden medewerkers flexibel ingezet. De basis is gelegd voor het mobiliteitsprogramma, het flexibiliseren van het functiegebouw, en het versterken van activiteiten rond Anders Werken (zoals programmatisch en projectmatig werken). Dit moet in 2008 leiden tot de voorgenomen impuls aan een slanker, slimmer en effectiever LNV.

In het kader van arbeidsmarktbeleid en diversiteitbeleid zoekt LNV op verschillende manieren de verbinding met doelgroepen. In het kader van de «digitale generatie» verkent LNV de mogelijkheden de jeugd te betrekken middels de nieuwe communicatiemiddelen. De Minister draagt actief bij aan het imago van LNV door leden van diversiteitdoelgroepen in bijeenkomsten te wijzen op de dagelijkse nabijheid van LNV-beleid en hen te betrekken bij het primair proces van LNV, bijvoorbeeld door ze een dag met haar mee te laten lopen.

P-Direkt

LNV neemt deel aan de interdepartementale samenwerking op het vlak van salarisbetaling en de administratieve personeelsprocessen. Met ingang van 1 januari 2008 is LNV (samen met de Ministeries van Justitie, VROM, BZK en Algemene Zaken) over gegaan op HR-SAP. Voor 2008 zal LNV blijven aansluiten bij de interdepartementaal afgesproken deelprojecten.

Toezicht op de aansturing van externe uitvoering (RWT’s en ZBO’s)

In zijn algemeenheid heeft LNV vorderingen gemaakt ten aanzien van de aansturing van externe organisaties. Er zijn in 2007 aansturingarrangementen opgesteld voor de agrarische opleidingscentra, Stichting DLO, Stichting KCB, Bureau Beheer Landbouwgronden en Raad voor Plantenrassen (voorlopig aansturingarrangement). Op 31 december 2007 ontbrak nog voor vijf externe organisaties een aansturingarrangement. Daarnaast ontbraken voor drie fondsen aansturingsarrangementen. Echter, deze drie fondsen, te weten: het Ontwikkelingsfonds en Saneringsfonds (O&S-fonds) voor de Landbouw, het O&S fonds voor de Visserij en het Borgstellingsfonds voor de landbouw worden begin 2008 opgeheven. Hiervoor in de plaats wordt een specifieke begrotingsreserve gevormd. Het ontwikkelen van aansturingsarrangementen is voor deze organisaties niet opportuun meer. Er is vooruitgang geboekt als het gaat om de beschikbaarheid van verantwoordingsinformatie. Zo beschikken alle externe organisaties inmiddels over een jaarverslag en jaarrekening en een accountantsverklaring omtrent getrouw beeld. Er zijn inmiddels ook rechtmatigheidverklaringen afgegeven voor Stichting DLO, het Faunafonds en het O&S Fonds Visserij. Door het verschijnen van de rechtmatigheidverklaring van Stichting DLO is het materiele risico voor LNV ten aanzien van de rechtmatigheid sterk gereduceerd. Slechts 0,2% van de rechtstreekse bijdrage over 2006 van LNV aan externe organisaties is nog niet gedekt door een rechtmatigheidoordeel.

Erkenning betaalorganen

Vanaf 16 oktober 2006 vindt de financiering van subsidieregelingen inzake de uitvoering van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) plaats uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en de maatregelen inzake plattelandsontwikkeling uit het Europees Fonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). De Dienst Regelingen (DR) en de Dienst Landelijk Gebied (DLG) zijn opnieuw erkend als betaalorganen. De auditdienst heeft een goedkeurend oordeel verstrekt bij de door de betaalorganen over de periode 16 oktober 2006 tot en met 15 oktober 2007 opgestelde rekeningen. Wel zijn ter zake van de blijvende erkenning aanbevelingen geformuleerd welke door beide betaalorganen zijn overgenomen. Mijn directie FEZ houdt toezicht op de toegezegde verbeteringen in de administratieve organisatie van de betaalorganen.

Pilot BLS

Bij LNV vindt in nauwe samenwerking met Financiën de pilot Baten-Lasten plaats. Het doel hiervan is het verwerven van inzicht in de meerwaarde van het baten-lastenstelsel voor de rijksoverheid. Voorts wordt gekeken of de bedrijfsvoering van het kerndepartement doelmatiger wordt en wat de mogelijke consequenties zijn voor een rijksbrede invoering van het baten-lastenstelsel. De pilot heeft betrekking op de verantwoording over 2007. Vanaf 2006 zijn voorbereidingen getroffen voor het uitvoeren van de pilot in 2007. In 2008 wordt naast de reguliere verantwoording tevens een verantwoording 2007 op basis van een baten-lastenstelsel naar de Tweede Kamer gestuurd evenals de toegezegde evaluatie over de meerwaarde.

Informatiebeveiliging

Gezien het toenemende belang van ICT voor de bedrijfsvoering neemt ook het belang van informatiebeveiliging toe en moet dit aan hogere eisen voldoen. Daarnaast stelt de EU eisen aan informatiebeveiliging van Europese geldstromen. In 2007 is extra aandacht gegeven aan het opnieuw vaststellen van het Informatiebeveiligingsbeleid (AKI) en het standaardbeveiligingsniveau (SBNI). Ook voor 2008 is op dit terrein nog extra aandacht nodig.

Digitalisering van Kerndepartement

Het nieuwe programma Digitalisering Kerndepartement is gestart met een besluit door de SG waarmee én de financiering voor 2007 én het karakter van programma werden vastgesteld. Tevens werd bepaald dat digitalisering een impuls is voor innovatief en kwaliteitsverbeterend werken. Het programma Digitalisering Kerndepartement heeft in 2007 goede vorderingen gemaakt bij de inrichting van de digitalisering van het documentenverkeer van het kerndepartement. In 2008 komt het accent te liggen op de implementatie bij de beleids- en stafdirecties. Digitaliseringsprojecten zijn in het algemeen risicovol. Speciale aandacht zal dan ook gegeven worden aan de risicobeheersing.

Elektronisch Inkopen

In 2007 is een start gemaakt met het programma E-procurement. Dit programma moet ervoor zorgen dat het in de toekomst mogelijk is volledig digitaal het inkoopproces te doorlopen. Het programma wordt opgedeeld in een tweetal fasen, in 2008 zullen een drietal productgroepen worden opgenomen en in 2009 de overige elf productgroepen. Er zijn in 2007 goede vorderingen gemaakt en er is aansluiting gezocht en gevonden bij de implementatie van een nieuw financieel systeem voor het ministerie.

Voor 2008 zal het accent komen te liggen op het verbeteren van de processen zodat de eerste baten in 2009 verwacht kunnen worden.

Verbetering financiële bedrijfsvoeringssystemen

LNV kent een groot aantal financiële applicaties dat niet meer aan de huidige Europese en nationaal gestelde kwaliteitseisen voldoen. In het kader van de modernisering van de bedrijfsvoering zijn in 2007 activiteiten gestart die moeten bijdragen aan verbetering van de bestuurlijke financiële informatievoorziening binnen LNV. Randvoorwaarde is minder administratieve handelingen en vergaande harmonisatie van de financiële bedrijfsvoering.

ICT sturing

In 2005 is een start gemaakt met de ontwikkeling van instrumentarium voor besluitvorming over ICT-investeringen. Dit heeft geleid tot een meerjarig investeringsprogramma ICT (MIP ICT) voor heel LNV dat jaarlijks wordt bijgesteld. In 2007 heeft dit MIP ICT zijn plaats gevonden in de sturing op ICT. Middels dit MIP ICT zijn de ICT-investeringen overzichtelijk in beeld gebracht en geprioriteerd voor heel LNV. Dit heeft geleid tot heldere besluitvorming door de Bestuursraad over de ICT-investeringen waarbij het mogelijk was concernbreed afwegingen te maken.

C. JAARREKENING

1. Departementale verantwoordingsstaat

  (1)(2) (3)
ArtOmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijke Vastgestelde begroting
  VerplichtingenUitgavenOntvangstenVerplichtingenUitgavenOntvangstenVerplichtingenUitgavenOntvangsten
 Totaal 2 250 659395 864 2 384 421496 901 133 763101 037
           
 Beleidsartikelen1 925 1512 032 216113 9205 071 9402 117 143151 6743 146 78984 92737 754
21Duurzaam ondernemen289 775299 47216 938326 815264 53623 07737 040– 34 9366 139
22Agrarische ruimte10 91331 44445 911189 11742 53051 142178 20411 0865 231
23Natuur406 969453 7607 8892 325 621520 33015 2151 918 65266 5707 326
24Landschap en recreatie143 518162 237750685 225180 27623 490541 70718 03922 740
25Voedselkwaliteit en diergezondheid75 94775 94714 770115 479110 58811 05639 53234 641– 3 714
26Kennis en Innovatie890 722897 20427 662980 764914 91927 54790 04217 715– 115
27Bodem, water en reconstructie zandgebieden107 307112 1520448 91983 964147341 612– 28 188147
           
 Niet-beleidsarikelen217 447218 443281 944267 442267 278345 22749 99548 83563 283
28Nominaal en onvoorzien000000000
29Algemeen217 447218 443281 944267 442267 278345 22749 99548 83563 283

2. Departementale saldibalans

Saldibalans van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit per 31 december 2007

2.1 Saldibalans per 31 december 2007

1)Uitgaven ten laste van de begroting 20072 384 416 501,18 2)Ontvangsten ten gunste van de begroting 2007496 900 508,87
3)Liquide middelen37 503 639,31 6a)Rekening-courant RIC2 175 282.498,52
       
8)Uitgaven buiten begrotings-verband (=intracomptabele vorderingen)314 633 822,38 9)Ontvangsten buiten begrotingsverband (=intra-comptabele schulden)64 370 955,48
10)Openstaande rechten0,00 10a)Tegenrekening openstaande rechten0,00
11)Extra-comptabele vorderingen1 995 051 390,44  11a)Tegenrekening extra-comptabele vorderingen1 995 051 390,44
12a)Tegenrekening extra-comptabele schulden2 509,01 12)Extra-comptabele schulden 2 509,01 
13)Extra-comptabele Voorschotten1 357 722 210,09 13a)Tegenrekening voorschotten1 357 722 210,09
14a)Tegenrekening garantieververplichtingen402 629 160,71 14)Garantieverplichtingen 402 629 160,71 
15a)Tegenrekening openstaande Verplichtingen4 108 851 488,81 15)Openstaande verplichtingen 4 108 851 488,81 
16)Deelnemingen0,00 16a)Tegenrekening deelnemingen0,00
 Totaal10 600 810 721,93  Totaal10 600 810 721,93

2.2 Toelichting op de saldibalans

Algemeen

De balansposten zijn bepaald en gewaardeerd overeenkomstig de geldende voorschriften van de Comptabiliteitswet. Indien van de geldende voorschriften wordt afgeweken, wordt dit nader toegelicht.

Toelichting per balanspost

Balanspost 1 Uitgaven ten laste van de begroting 2007 2 384 416 501,18

De uitgaven over 2007 zijn gespecificeerd in het jaarverslag van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV), onderdeel verplichtingen en uitgaven.

Balanspost 2 Ontvangsten ten gunste van de begroting 2007 496 900 508,87

De ontvangsten over 2007 zijn gespecificeerd in het jaarverslag van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV), onderdeel ontvangsten.

Balanspost 3 Liquide Middelen 37 503 639,31

De post liquide middelen is onder andere samengesteld uit de saldi van de aan de kasbeheerders en kasvoorschothouders verstrekte gelden. Hierin is opgenomen o.a. het saldo per 31 december 2007 van het Groenfonds ad. € 33 701 080,68.

Balansposten 6a. Rekening-Courant RIC-Financiën 2 175 282 498,52

Deze post geeft de vordering- en schuldverhouding weer tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het Ministerie van Financiën per 31 december 2007

Toelichting\ {begin saldo rekening courant met het Ministerie van Financiën is als volgt samengesteld:}

 Bedrag
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 519 803 766,48
Ministerie van LNV/EOGFL/EM (LEF)655 478 732,04
Totaal2 175 282 498,52

Op de rekening-courant LNV/EOGFL/EM (LEF) vindt verantwoording plaats van de Europese regelingen van het Europees LandbouwGarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor de PlattelandsOntwikkeling (ELFPO). Bij een deel van deze regelingen vindt nationale financiering plaats waardoor de rekening-courant niet gelijk is aan de vordering op de Europese Commissie.

Balanspost 8 Uitgaven buiten begrotingsverband 314 633 822,38

Onder de uitgaven buiten begrotingsverband zijn bedragen opgenomen die niet ten laste van de begroting behoeven te worden gebracht. Dit omdat deze uitgaven met derden zullen worden verrekend.

Toelichting

De uitgaven buiten begrotingsverband zijn als volgt te specificeren:

 Bedrag
Algemeen901 739,75
Te verrekenen met Diergezondheidsfonds12 581 260,15
Te verrekenen projecten20 556 667,81
EU ELGF Garantie uitgaven274 983 445,76
EU-ELFPO Plattelandsontwikkeling2 520 710,50
ILG te verrekenen met Provincies3 089 998,41
Gefinancierde interventievoorraad0,00
Totaal314 633 822,38

EU ELGF en ELFPO – uitgaven

De gelden die het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor de Europese fondsen ELGF en ELFPO voorfinanciert betreffen de declaraties van de maanden november (16/10–30/11) en december. De gedeclareerde bedragen zijn in 2008 ontvangen respectievelijk in de maanden januari en februari. De navolgende tabellen geven inzicht in de totaalbedragen van uitgaven en ontvangsten met betrekking tot het ELGF en ELFPO van de jaren waarvan de declaraties nog niet door de Europese Commissie zijn vastgesteld.

ELGF overzicht
 OmschrijvingBedrag
Restant EU Vordering voorgaande dienstjaren6 774 065,87
 EU boekjaar 2007 in 2006 gerealiseerde uitgaven726 687 145,42
Vordering 31 december 2006733 461 211,29
 EU boekjaar 2007 in 2007 gerealiseerde uitgaven291 849 608,69
 Afrekening EU 2006 ontvangen– 2 422 072,74
 Niet gehonoreerde uitgaven*– 4 351 993,13
 Ontvangst EU-boekjaar 2007– 1 014 343 940,20
Nog te vorderen**4 192 813,91
 EU boekjaar 2008 in 2007 gerealiseerde uitgaven270 790 631,85
Vordering 31 december 2007274 983 445,76

* Deze uitgaven zijn door de EU niet gehonoreerd en zijn derhalve vanuit de LNV-begroting bekostigd.

** Het saldo van het bedrag over 2007 ad. € 4 192 813,91 zal met de goedkeuring van de jaardeclaratie van het betreffende jaar worden verrekend.

ELFPO overzicht
 OmschrijvingBedrag
Gestart in 20060,00
 EU boekjaar 2007 gerealiseerde uitgaven367 924,54
Vordering 31 december 2006367 924,54
 EU boekjaar 2007 in 2007 gerealiseerde uitgaven17 740 607,96
 Ontvangst EU-boekjaar 200718 232 811,00
Nog te vorderen– 124 278,50
 EU boekjaar 2008 in 2007 gerealiseerde uitgaven2 644 989,00
Vordering 31 december 20072 520 710,50
Gefinancierde interventievoorraad
Beginvooraad4 905 308,68
Inkopen0,00
Verkopen– 4 826 267,00
Waardevermindering– 79 041,68
Eindvoorraad0,00

Balanspost 9 Ontvangsten buiten begrotingsverband 64 370 955,48

Onder de ontvangsten buiten begrotingsverband zijn de bedragen opgenomen die niet ten gunste van de begroting behoeven te worden gebracht. Dit omdat deze ontvangsten zullen worden verrekend.

Toelichting

De ontvangsten buiten begrotingsverband zijn als volgt te specificeren:

 Bedrag
Algemeen13 055 729,01
Contante waarborgen produktschappen5 602 507,14
Reservering bezwaar SFSH1 532 266,73
Af te dragen loonheffing en sociale premies10 123 970,92
Werkkapitaal ELFPO Plattelandontwikkeling *34 056 481,68
Totaal64 370 955,48

* Na goedkeuring van het programma voor de plattelandsontwikkeling (2007–2013) heeft de commissie een voorfinanciering toegekend uit het ELFPO van 7% van het Nederlandse programma. De commissie zal bij de afsluiting van het programma deze financiering bij het goedkeuren van de rekeningen betrekken.

Balanspost 11 Extra Comptabele Vorderingen 1 995 051 390,44

De extra comptabele vorderingen hebben betrekking op nog te ontvangen middelen, welke voortvloeien uit uitgaven die ten laste van de begroting zijn gebracht en nog met derden zullen worden verrekend, alsmede opgelegde mestheffingen.

Toelichting

De extra comptabele vorderingen zijn als volgt te specificeren:

 Bedrag
Mineralenboekhouding Bureau Heffingen8 032 668,73
Landbouwgronden1 318 101 564,13
Leningen119 641 580,52
Gestelde zekerheden375 725 100,51
Particuliere Natuurbeschermingsorganisaties62 351 404,09
Vordering Provincies inzake ILG8 902 187,20
Executoriale Beslagen tbv derden6 680 000,00
Vorderingen in het kader van nationale en europese regelgeving bij uitvoeringsorganisatie56 396 611,63
Vordering DLO28 873 000,00
Vordering EU inzake afwikkeling vogelpest 20035 680 138,23
Algemeen4 667 135,40
Totaal1 995 051 390,44

Landbouwgronden

Het saldo van de landbouwgronden bestaat voornamelijk uit een langlopend renteloos voorschot van het Ministerie aan het Bureau Beheer Landbouwgronden van € 742 mln waarvoor door het Bureau Beheer Landbouwgronden zijn verworven die na doorlevering aan eindbeheerders leiden tot doelrealisatie. Daarnaast is er een bedrag van € 383 mln nog te vorderen uit hoofde van landinrichtingsrente door grondeigenaren te betalen in afgesloten landinrichtingsprojecten, welke in het algemeen in 26 jaar worden geïnd. Voorts heeft Dienst Landelijk Gebied nog € 193 mln te vorderen uit hoofde van nog niet afgesloten landinrichtingsprojecten.

Leningen

 Bedrag
St. Groninger landschap11 988,60
WUR (Stichting DLO)93 409 600,68
WUR Praktijkonderzoek21 765 379,03
WUR IAC/ILRI4 454 612,21
Totaal119 641 580,52

Gestelde zekerheden

 Bedrag
PVVE60 886 068,66
PT13 632 269,28
Dienst Regelingen301 206 762,57
Totaal375 725 100,51

Dit betreffen zekerheden die bij de uitvoering van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid worden gevraagd. De uitvoering hiervan vindt plaats bij de Betaalorganen.

Algemeen

Dit betreft o.a. te vorderen douanerechten van de productschappen.

Balanspost 12 Extra comptabele schulden 2 509,01

Betreft een afwikkeling in het kader van de IKAP-regelingen.

Balanspost 13 Voorschotten 1 357 722 210,09

Onder voorschotten wordt verstaan de vooruit verstrekte gelden, welke op 31 december 2007 nog niet waren verrekend.

(x €1000)
Beleidsartikelen20072006200520042003 en eerderTotaal
21 Duurzaam ondernemen37 70982 2167 08317 07411 109155 191
22 Agrarische ruimten20 5950002820 623
23 Natuur405 59533 84911 7268 79115 072475 033
24 Landschap en recreatie140 85032 4234 5255154 904183 217
25 Voedselkwaliteit & Diergezondheid18 2297 6953 6221 0606 00036 606
26 Kennis en innovatie266 67370 28616 2378 98649 317411 499
27 Reconstructie45 74442600046 170
29 Algemeen1 590700300002 590
Medebewindskosten26 793000026 793
Totaal963 778227 59543 49336 42686 4301 357 722
Verloop van de voorschotten gedurende het dienstjaar 2007Bedrag (x € 1000)
Beginstand 1 januari 20071 600 162
Verstrekte voorschotten1 598 129
Eindafgerekende voorschotten incl. technische correcties *1 840 569
Eindstand 31 december1 357 722

* In 2007 is de Wet Inrichting Landelijk Gebied van kracht geworden. In de wet is geregeld dat de Provincies verantwoordelijk zijn voor de uitvoering. Dit heeft tot gevolg gehad dat de lopende verplichtingen die onder deze wet kwamen te vallen aan de Provincies zijn overgedragen. In de administratie heeft daarom een technische verwerking van deze verplichtingen plaatsgevonden die geleid heeft tot afboeking van openstaande voorschotten.

Medebewindskosten (x 1 000)
  Bedrag
Stand 1-1-2007 28 945
Bij: nieuwe voorschotten 200726 793 
Af: afrekende voorschotten 2006– 28 945 
Mutatie– 2 152 
Stand 31-12-2007 26 793
Voorschot medebewindskosten per Productschap  
HPA 10 500
PZ 6 800
PVVE 5 497
PT 3 167
PVIS 829
Totaal 26 793

Op deze post zijn de nog niet afgerekende voorschotten inzake de medebewindkosten opgenomen. Bij de vaststelling van de definitieve bijdrage zullen de voorschotten worden afgeboekt.

Balanspost 14 Garantieverplichtingen 402 629 160,71

Voor de samenstelling wordt verwezen naar paragraaf 2.3, de staat van garantieverplichtingen.

Balanspost 15 Openstaande verplichtingen 4 108 851 488,81

De openstaande verplichtingen per 31 december 2007 kunnen vanaf 2008 tot betaling leiden.

(x € 1 000)
HoofdbeleidsterreinenStand per 01-01-2007In 2007 aangegaan +Negatieve bijstelling -/-Uitgaven -/-Stand per 31-12-2007
21 Duurzaam ondernemen73 450326 8154 116264 536131 613
22 Agrarische ruimte176 494189 117142 11142 529180 971
23 Natuur1 034 9462 242 487804 614520 3301 952 489
24 Landschap en recreatie242 668685 224203 075180 276544 541
25 Voedselkwaliteit & Diergezondheid18 763115 4784 175110 58719 479
26 Kennis en innovatie834 278980 7649 239914 918890 885
27 Reconstructie146 423448 918157 35683 963354 022
29 Algemeen26267 44226267 277165
Subtotaal2 527 0485 256 2451 324 7122 384 4164 074 165
Buiten begrotingsverband45 78118 06920 0359 12934 686
Totaal generaal2 572 8295 274 3141 344 7472 393 5454 108 851

Ook voor de balanspost openstaande verplichtingen heeft de Wet Inrichting Landelijk Gebied belangrijke gevolgen. De subsidieverlening aan de Provincies volgens deze wet is een belangrijke veroorzaker van de stijging van deze balansrubriek. Per balansdatum was de stand openstaande verplichtingen voor de uitvoering van de ILG 2,7 miljard.

De afboeking van de overdracht van de verplichtingen die de Provincies hebben overgenomen, zijn verwerkt onder de post negatieve bijstelling.

2.3 De staat van garantie-verplichtingen

Garantie verplichtingen per 31 december 2007
Artikela) ten behoeve vanb) aanIngangs datumlooptijd in jarenMaximaal verleendLopende verplichting
21a) Stichting Borgstellingsfonds voor de Land- en Tuinbouw  92 200 000,0049 994 000,00
 Subtotaal artikel  92 200 000,0049 994 000,00
23a)Rente en aflossingen van leningen inzake aankoop van natuurgebieden en landschappen    
 b) AMEV16–05–1994145 134 186,28535 376,91
 b) Alg. Spaarbank voor Nederland01–04–1992303 630 241,732 677 192,34
  05–06–1992304 537 802,163 347 756,77
 b) Algemeen burgerlijk pensioenfonds21–12–1989202 722 681,301 864 450,20
  16–07–1990302 722 681,301 714 516,17
  11–07–1997196 096 874,523 744 732,50
  26–05–1998303 176 461,512 659 525,25
 b) Bank Nederlandse Gemeenten02–06–1997185 912 147,703 354 447,44
  22–10–1998304 991 582,384 166 390,85
  15–03–1999304 084 021,943 478 459,68
  15–04–1999104 168 150,38965 712,98
  30–06–1999202 362 505,841 657 094,65
  01–07–1999302 722 681,302 307 966,24
  30–01–2001202 834 516,702 263 088,67
  28–02–2001309 075 604,328 185 286,36
  01–10–2001205 230 000,004 167 088,58
  19–11–2001309 075 000,008 091 600,41
  24–12–2002109 100 000,009 100 000,00
  18–09–20032018 513 818,9714 673 168,46
 b) ASF Graf.Bedr./Telegraaf/Fortis15–12–1997202 359 657,121 509 031,25
 b) Ned. Waterschaps Bank01–09–20021012 942 443,0010 742 442,99
 b) Ministerie van Financiën15–12–2003109 076 000,008 436 000,00
  01–06–20041021 452 780,7217 792 780,72
  15–11–2004109 076 000,008 556 000,00
  15–12–20041024 100 000,0022 690 000,00
  05–01–20051022 100 000,0021 260 000,00
  15–09–20051016 064 658,8415 325 000,00
  30–12–2005109 076 000,008 896 000,00
  19–01–20061045 000 000,0044 100 000,00
  26–01–20061021 110 000,0020 690 000,00
  14–03–2006109 076 000,008 906 000,00
  31–01–20071065 090 000,0065 090 000,00
  31–01–2007109 076 000,009 076 000,00
  02–07–2007108 967 515,498 967 515,49
 Subtotaal artikel  390 658 013,50350 990 624,91
26b) Gebouwen en terreinen voor gesubsidieerde scholen Agrarisch onderwijs  14 103 489,121 579 155,15
 b) Gebouwen Stichting Studenten huisvesting in Deventer  748 737,3665 380,65
 Subtotaal artikel  14 852 226,481 644 535,80
 Totaal generaal  497 710 239,98402 629 160,71

3. Samenvattende verantwoordingsstaat inzake baten-lastendiensten

Bedragen x € 1 000
 (1)(2)(3)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijke vastgestelde begroting
Algemene Inspectiedienst   
Totale baten59 58868 4958 907
Totale lasten59 58867 0897 501
Saldo van baten en lasten01 4061 406
    
Totale kapitaalontvangsten6 3334 742– 1 591
Totale kapitaaluitgaven9 4598 725734
    
Dienst landelijk Gebied   
Totale baten111 365119 9788 613
Totale lasten111 365117 7026 337
Saldo van baten en lasten02 2762 276
    
Totale kapitaalontvangsten16 09510 572– 5 523
Totale kapitaaluitgaven24 24817 844– 6 404
    
Dienst Regelingen   
Totale baten139 204164 29825 094
Totale lasten139 204183 65044 446
Saldo van baten en lasten0– 19 352– 19 352
    
Totale kapitaalontvangsten12 40024 00011 600
Totale kapitaaluitgaven27 23542 62915 394
    
Plantenziektenkundige Dienst   
Totale baten16 98734 09817 111
Totale lasten16 98733 90516 918
Saldo van baten en lasten 193193
    
Totale kapitaalontvangsten2 000542– 1 458
Totale kapitaaluitgaven3 2002 579– 621
    
Voedsel en Warenautoriteit   
Totale baten151 263170 21318 950
Totale lasten151 263166 65215 389
Saldo van baten en lasten03 5613 561
    
Totale kapitaalontvangsten10 3805 307– 5 073
Totale kapitaaluitgaven16 87711 616– 5 261

4. Toelichting bij de samenvattende verantwoordingsstaat inzake baten-lastendiensten

Algemene Inspectiedienst (AID)

Profiel

De Algemene Inspectiedienst (AID) is een handhavingorganisatie van het ministerie van LNV die, door middel van de instrumenten controle, verificatie en opsporing, de naleving van de LNV-regelgeving op programmatische wijze bevordert. Waar effectief uit oogpunt van naleving wordt de inzet van hiervoor bedoelde instrumenten begeleid door handhavingcommunicatie. Op basis van waarnemingen en ervaringen in de handhavingpraktijk adviseert de AID de Minister en beleidsdirecties van LNV over voorgenomen of reeds vigerend beleid en regelgeving. Ten behoeve van de uitvoering van deze taak beschikken de ambtenaren AID over toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden. Deze bevoegdheden worden in onderlinge samenhang ingezet. Opsporing vindt plaats onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Financieel resultaat

De AID heeft over 2007 een positief exploitatieresultaat behaald van € 893 000. Het bedrijfsresultaat uit de normale bedrijfsuitoefening bedraagt € 399 000. Het restant € 494 000 is het gevolg van de incidentele vrijval van het kort- en langlopend deel van in eerdere boekjaren getroffen voorzieningen. De liquiditeitspositie is, afgemeten aan het netto werkkapitaal, afgenomen ten opzichte van de beginbalans. De geleverde productie is hoger dan in de initiële begroting voor 2007 is voorzien. Dit is onder meer het gevolg van de preventieve inzet van de AID ter voorkoming van verspreiding van de dierziektes Aviaire Influenza, Mond- en Klauwzeer en de Bluetongue Disease. Daarnaast hebben gedurende het begrotingsjaar ook mutaties plaatsgevonden in het reguliere opdrachtenpakket van de AID.

De gerealiseerde doelmatigheid van de AID is gemiddeld nagenoeg gelijk aan de norm.

De exploitatiereserve is gebonden aan een maximumomvang van 5% van de gemiddelde jaaromzet ultimo jaar, berekend over de laatste drie jaar. De maximaal toegestane omvang van de exploitatiereserve bedraagt € 3 132 000 (2006: € 3 078 000).

Prestaties

De prestaties van de AID bestaan uit het aantal directe uren per product waartoe de AID een opdracht heeft gekregen en de daarmee bereikte resultaten. Onderstaande tabel geeft per productgroep het aandeel in de omzet van de AID in 2007 weer.

Prestaties per productroep

 Realisatie 2007
ProductgroepPrestaties (in uren)Aandeel in omzet (in %)
Product  
Controle608 00274,3
Verificatie89 01410,9
Opsporing103 05512,5
Beleidsadvisering14 7651,8
Handhavingscommunicatie3 7530,5
Totaal818 589100

Het initiële opdrachtenpakket is medio 2006, als onderdeel van de begrotingsvoorbereiding 2007 bepaald. De omvang en samenstelling daarvan is onderhevig aan politiek-maatschappelijke ontwikkelingen, herprioritering van LNV-beleid en budgettaire schommelingen. Deze aspecten hebben ertoe geleid dat gedurende het begrotingsjaar 2007 wijzigingen in het opdrachtenpakket hebben plaatsgevonden. Voorts is de preventieve handhavinginzet op de dreiging van dierziektecrises niet voorzien. In 2007 heeft de AID hier ruim 16 000 controle-uren aan gespendeerd.

Doelmatigheidsgegevens

Resultaten doelmatigheid
Prestatie-indicatorNorm 2007Meetwaarde 2007
Percentage gegronde klachten op aantal gecontroleerden2 per 10 0000,4 per 10 000
Goedkeurende accountantsverklaring.JaJa
Gemiddelde kostprijs per uur€ 79,00€ 78,03
Percentage gerealiseerde verkoopbare uren100%98%
Ziekteverzuimpercentage4,3%4,97%
Treffers bij (selecte) controles15%22,8%
Tijdigheid verificaties TAB80%80%

Balans per 31 december 2007

(Bedragen x € 1 000)
 31-12-200731-12-2006
Activa  
Immateriële vaste activa2 2161 503
Materiële vaste activa  
* grond en gebouwen00
* installaties en inventarissen1 5491 330
* overige materiële vaste activa9 4248 766
Voorraden00
Debiteuren375644
Nog te ontvangen1 5312 027
Liquide middelen8 3787 912
Totaal Activa23 47322 182
   
Passiva  
Eigen vermogen  
* exploitatiereserve651 872
* verplichte reserves (wettelijke reserve)1 9710
* onverdeeld resultaat1 4061 826
Voorzieningen82588
Leningen bij het ministerie van Financiën8 1457 246
Crediteuren3 4832 737
Nog te betalen kosten8 3217 913
Totaal Passiva23 47322 182

Gespecificeerde Verantwoordingsstaat 2007

(Bedragen x € 1 000)
 (1)(2)(3)
 Oorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Baten   
Opbrengst moederdepartement59 24866 8027 554
Opbrengst overige departement00 
Opbrengst derden300802502
Rentebaten40428388
Vrijval voorzieningen0463463
Totaal baten59 58868 4958 907
    
Lasten   
Apparaatskosten   
* personele kosten38 37243 9545 582
* materiële kosten16 82119 7772 956
Rentelasten547312– 235
Afschrijvingskosten   
* materieel2 9432 522– 421
* immaterieel905524– 381
Overige lasten   
* dotaties voorzieningen000
* bijzondere lasten000
Totaal lasten59 58867 0897 501
    
Saldo van baten en lasten01 4061 406

Kasstroomoverzicht 2007

(Bedragen x € 1 000)
 (1)(2)(3)
 Oorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1. Rekening courant RHB per 1 januari 20073 5707 9114 341
2. Totaal operationele kasstroom2 7224 4491 727
  3a. Totaal investeringen (-/-)6 0835 266– 817
  3b. Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)250630380
3. Totaal investeringskasstroom– 5 833– 4 6361 197
  4a. Eenmalige uitkering aan Moederdepartement (-/-)0703703
  4b. Eenmalige storting door Moederdepartement (+)000
  4c. Aflossingen op leningen (-/-)3 3762 756620
  4d. Mogelijk beroep op Leenfaciliteit (+)6 0834 112– 1 971
4. Totaal financieringskasstroom2 707653– 2 054
5. Rekening courant RHB 31 december 20073 1668 3775 211

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

Profiel

De Dienst Landelijk Gebied (DLG) realiseert groene plannen voor 16 miljoen Nederlanders. DLG zoekt altijd naar samenwerking en oplossingen die passen bij de (bestuurlijke) wensen en de eigenschappen van het gebied. Bij het inrichten van groene gebieden voor recreatie, natuur, water of landbouw, vertaalt DLG abstract beleid naar uitvoering in concrete projecten. Hiervoor verwerft en ontwikkelt de dienst gronden, richt die grond opnieuw in en draagt het gebied vervolgens over aan gebiedsbeherende instanties en individuele agrariërs.

Ook brengt DLG geldstromen bij elkaar en heeft de dienst inzicht in subsidiemogelijkheden. DLG werkt binnen één opdracht voor meerdere overheden. Met de hulp van het uitgebreide netwerk van overheden en organisaties worden projecten gerealiseerd.

DLG is een agentschap van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). De dienst werkt voor bestuurlijke opdrachtgevers en voert wettelijke taken uit.

Financieel resultaat

DLG heeft in 2007 een hoger saldo van baten en lasten bereikt dan begroot. Het verschil in de opbrengsten van het moederdepartement is te verklaren door een uitbreiding van de LNV-opdracht, waaronder de POP bijdrage 2007 à € 1,1 mln. DLG heeft in 2007, in vergelijking met de op basis van voorzichtige uitgangspunten opgestelde begroting, binnen het geformuleerde beleid meer opdrachten van derden kunnen uitvoeren. Hierdoor zijn de opbrengsten van tweeden en derden ongeveer € 1,6 mln. hoger uitgevallen. Daarnaast zijn in de opbrengsten derden ook de niet begrote doorberekende additionele kosten ad € 2,4 mln. opgenomen.

Toename van het aantal opdrachten en van de aanvullende opdrachten van tweeden en derden heeft geleid tot een toename van de personeelskosten.

De stand van de rekening courant met de Rijkshoofdboekhouding per 31 december 2007 is lager dan begroot. Dit is voornamelijk veroorzaakt door een hogere aflossing in 2007 à € 2,3 mln, betreffende de restant aflossing 2006 die valutair in 2007 is verrekend. Daarnaast is het saldo liquide middelen afgenomen door een lagere balanspost nog te betalen bedragen (-/- € 1 mln) en een hoger saldo uitstaande vorderingen per 31 december 2007 à € 2,6 mln.

Prestaties

De producten van DLG ten behoeve van het moederdepartement zijn gericht op het in opdracht uitvoeren van voorgenomen beleid, zoals dat is vastgelegd in de beleidsartikelen van de LNV-begroting:

21 Duurzaam ondernemen

22 Agrarische ruimte

23 Natuur

De prestaties die op deze drie beleidartikelen betrekking hebben zijn hieronder weergegeven.

Inzet in uren en % van totaal uren per productgroep
ProductenRealisatie 2007Begroting 2007
Verwerving en vervreemding grond190 46517%155 80414%
Exploitatie grond17 0181%22 3582%
Planvorming175 61015%119 27011%
Planuitvoering428 66937%532 57548%
Adviezen aanvragen56 8925%68 6616%
Uitvoering subsidieregelingen101 7669%108 94510%
Advisering algemeen en beleid164 28214%81 8127%
Informatieverstrekking8 8301%17 2912%
Totaal1 143 533100%1 106 716100%
Aantallen prestaties per productgroep
ProductenPrestatieRealisatie 2007Begroting 2007
Verwerving grondHa verworven6 6866 500
Vervreemding grondHa vervreemd6 6258 000
Exploitatie grondHa gemiddeld in bezit37 70042 000
PlanvormingHa onderhanden230 379380 000
PlanuitvoeringHa onderhanden615 176700 000
Adviezen aanvragenGeleverde adviezen aanvragen24 2127 000
Advisering algemeen en beleidSchriftelijke Adviesopdrachten 1e, 2e en 3e268100
Informatieverstrekkingn.v.t.  

Ten aanzien het gemiddelde bezit is enerzijds de begroting te hoog ingeschat en heeft anderzijds een correctie op het bezit plaatsgevonden.

Doelmatigheidsgegevens

 Realisatie 2007Begroting 2007
Gemiddeld aantal direct productieve uren per fte werkzaam in de projecten164170
Verhouding tussen directe en indirecte uren66,5%/33,5%66%/34%
Verhouding tussen directe en indirecte uren waarbij financiële toeslag is toegerekend aan de directe uren69,6%/30,4%69%/31%
Gemiddelde prijs per uur (LNV tarief)92,8488,84

Het tarief 2007 van DLG is door de SG vastgesteld op € 93 naar aanleiding van het jaarplan en de begroting van d.d. 5 oktober 2006 (brief d.d. 1 december 2006).

Balans per 31 december 2007

Bedragen x € 1000
 31-12-200731-12-2006
Activa  
Immateriële vaste activa16 2009 603
Materiele vaste activa  
– Grond en gebouwen00
– Installaties en inventarissen1 8521 744
– Overige materiële vaste activa5 4454 890
Voorraden2 9530
Debiteuren6 0596 550
Nog te ontvangen van het moederdepartement1 1160
Overig nog te ontvangen1 3332 311
Liquide middelen5 51413 216
Totaal activa40 47238 314
   
Passiva  
Eigen vermogen  
– Exploitatiereserve– 11 8542 613
– Verplichte reserves15 7590
– Onverdeeld resultaat2 2762 231
Leningen bij het MvF21 28317 619
Voorzieningen5341 623
Crediteuren1 0964 287
Nog te betalen aan het moederdepartement661475
Overige nog te betalen10 7179 466
Totaal passiva40 47238 314

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2007

Bedragen x € 1 000
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
 Oorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Baten   
Opbrengst moederdepartement92 46896 8754 407
Opbrengst overige departementen2 2344 7132 479
Opbrengst derden9 34910 8941 545
Rentebaten51458773
Bijzondere baten000
Exploitatiebijdrage000
Verborgen opbrengsten6 8006 909109
Totaal baten111 365119 9788 613
    
Lasten   
Apparaatskosten   
– personeel75 74683 9018 155
– materieel19 74422 6072 863
Rentelasten823508– 315
Afschrijvingskosten   
– materieel4 0892 262– 1 827
– immaterieel4 0631 413– 2 650
Mutaties in voorzieningen10098– 2
Bijzondere lasten044
Verborgen lasten6 8006 909109
Totaal lasten111 365117 7026 337
    
Saldo van baten en lasten02 2762 276

Kasstroomoverzicht 2007

Bedragen x € 1 000
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1 Rekening-courant RHB 1 januari 200711 79113 2151 424
2 Totaal operationele kasstroom8 153– 429– 8 583
  3a Totaal investeringen (-/-)– 16 095– 10 9365 159
  3b Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)000
3 Totaal investeringskasstroom– 16 095– 10 9365 159
  4a Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)000
  4b Eenmalige storting door moederdepartement (+)000
  4c Aflossingen op leningen (-/-)– 8 153– 6 9081 245
  4d Beroep op leenfaciliteit (+)16 09510 572– 5 523
4 Totaal financieringskasstroom7 9423 664– 4 278
5 Rekening-courant RHB 31 december 2007 (=1+2+3+4)11 7915 514– 6 277

Dienst Regelingen (DR)

Profiel

Dienst Regelingen is per 1 januari 2006 een baten-lastendienst van het Ministerie van LNV. Samen met enkele andere uitvoerende organisaties van het Ministerie is DR de «huisuitvoerder» van LNV regelingen. Het moederdepartement is de belangrijkste opdrachtgever van DR. Daarnaast streeft DR er actief naar om met haar expertise op het gebied van met name de uitvoering van «Europese regelingen» en als facilitair bedrijf bij crisis, ook – op niet-commerciële basis – andere (overheids)opdrachtgevers te verwerven. DR wil daarbij partner in beleid zijn voor opdrachtgevers vanuit een transparante en zakelijke verhouding.

De opdrachten van DR betreffen met name:

• De uitvoering van EU-regelingen, verordeningen en verplichtingen;

• Identificatie en Registratie van dieren, percelen en bedrijven;

• Vergunningen en ontheffingen;

• Subsidieregelingen en financieringsregelingen;

• Het plattelandsontwikkelingsbeleid;

• Het mestbeleid;

• De crisisbestrijding.

Enerzijds gaat het om het uitvoeren van subsidieregelingen (bijvoorbeeld: ooipremieregeling), waarbij de subsidieverkrijger «voordeel» heeft bij de uitvoering. Anderzijds betreft het de uitvoering «regulerende regelingen» (bijvoorbeeld in het mestbeleid, dat gericht is op het bereiken van milieudoelstellingen). Doelgroepen zijn met name agrarische ondernemers, maar ook bijvoorbeeld organisaties als natuurbeschermingsorganisaties.

In 2007 is de Wet Investeringsbudget Landelijk Gebied (WILG) in werking getreden. Hiermee is de provincie een belangrijke opdrachtgever voor Dienst Regelingen geworden. Het uitvoeringsbudget WILG staat nog op de begroting van LNV. De bijdrage aan de uitvoeringskosten WILG zijn daarom opgenomen onder de bijdrage moederdepartement.

Financieel resultaat

Het vaststellen van de financiële verantwoording en resultaatbestemming is de verantwoordelijkheid van de Secretaris-Generaal van LNV, in zijn hoedanigheid van eigenaar van DR. Vooruitlopend op de besluitvorming hieromtrent is het saldo van baten en lasten over het boekjaar 2007 van € 19,4 mln. negatief, gerubriceerd onder het eigen vermogen.

Dit negatieve resultaat is opgebouwd uit een exploitatietekort op de reguliere werkzaamheden van circa € 5,0 mln., onvoorziene kosten met een betrekking tot het Zilveren Domein van € 2,6 mln. die niet meer konden worden doorbelast aan de opdrachtgever, hogere automatiseringskosten dan begroot, ook in relatie tot de gestegen omzet van € 6,2 mln. en afwaarderingen op nog niet in gebruik genomen ontwikkelde software van € 5,6 mln.

De exploitatiereserve is gebonden aan een maximumomvang van 5% van de gemiddelde jaaromzet ultimo jaar, berekend over de laatste drie jaar. De maximaal toegestane omvang van de exploitatiereserve bedraagt € 7,79 mln. (2006: € 7,37 mln.).

Prestaties

In deze paragraaf zijn tabellen met kengetallen en indicatoren opgenomen. Voor de tabel prestaties is de tabel zoals deze in de begroting 2007 is opgenomen gebruikt. Vanwege de invoering van het Bedrijfsprocesmodel (BPM) is in veel gevallen het aantal prestaties op een andere wijze geadministreerd. Zodoende is het aantal prestaties hoger/lager dan in de begroting was opgenomen. Daarnaast is de rubricering per beleidsartikel in de begroting niet volledig correct. Dat is in de onderstaande tabel gecorrigeerd.

Artikel Aantal regelingen per beleidsartikelAantal prestatiesIntegrale kosten (x € mln.)
  2007 begroting2007 realisatie2007 begroting2007 realisatie2007 begroting2007 realisatie
Art. 21 DuurzaamInputgestuurd1017011,61,7
OndernemenOutputgestuurd7279401 956554 45194,8112,2
Subtotaal art. 21 8296401 956554 451106,4113,9
        
Art. 23 NatuurInputgestuurd1600,00,3
 Outputgestuurd234148 67261 56517,923,1
Subtotaal art. 23 244948 67261 56518,023,4
        
Art. 24 Landschap en recreatieInputgestuurd420– 0,20,0
 Outputgestuurd331111 2983 3080,90,7
Subtotaal art. 24 371311 2983 3080,70,7
        
Art. 25 Voedselkwaliteit en diergezondheidInputgestuurd101200,51,1
 Outputgestuurd14149571 2341,00,9
Subtotaal art. 25 24369571 2341,62,0
        
Art. 26 Kennis en InnovatieInputgestuurd20–0 – 0,00,0
 Outputgestuurd1261 4581 0620,61,1
Subtotaal art. 26 1461 4581 0620,61,1
        
Algemeen 4– 464,2
        
Eindtotaal 181202464 341621 666127,2145,3

Om de relatie tussen uitvoeringskosten en prestaties inzichtelijk te houden wordt in bovenstaande tabel onderscheid gemaakt tussen regelingen die inputgestuurd en outputgestuurd zijn.

Kwaliteitsindicatoren/doelmatigheidsgegevens

In de begroting 2007 zijn een aantal kwaliteitsindicatoren/doelmatigheidsgegevens opgenomen. Deze zijn hieronder aangegeven. Tevens is de score van 2006 aangeven.

Percentage gegronde bezwaren

Door DR wordt veel aandacht besteed aan het verbeteren van het bezwaar- en beroeptraject. Tegelijkertijd wordt hiermee energie gestoken in het terugdringen van het aantal gegrondverklaringen. Deze indicator beoogt de kwaliteit van het proces van uitvoering en/of de kwaliteit van regelgeving te meten. Daarbij dient wel de nuance te worden gemaakt tussen gegrondverklaring op basis van wet- en regelgeving of op basis van het uitvoeringsproces. DR verwachtte in de begroting 2007 35% van de bezwaren gegrond te zullen verklaren, waarvan slechts 3% als gevolg van onjuist handelen van DR. Het aantal ontvangen bezwaren over 2007 was ongeveer 6 750 stuks. Een aanzienlijk deel hiervan had betrekking op de vaststelling van de Toeslagrechten in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Het hoge percentage gegrondverklaringen is te verklaren door het feit dat de BTR een nieuwe regeling is, in samenhang met aanloopproblemen met het nieuwe geautomatiseerde systeem.

Omschrijving/jaarRealisatie 2006Begroting 2007Realisatie 2007
Percentage gegrond25%35%31%

Uurtarief

Het richting de opdrachtgevers in rekening gebrachte uurtarief is conform het in de begroting opgenomen bedrag.

Omschrijving/jaarRealisatie 2006Begroting 2007Realisatie 2007
Uurtarief57,3858,3558,35

Score vanuit de omgeving

DR hecht veel waarde aan de tevredenheid van de doelgroep. Deze indicator is het resultaat van een klanttevredenheidsonderzoek. Eens in de twee jaar wordt een klanttevredenheidsonderzoek gedaan. Dit is eind 2005 gedaan en de bedoeling was om eind 2007 wederom zo’n onderzoek te doen. Inmiddels is besloten dat deze meting pas in het eerste kwartaal 2008 te doen. Het laatst bekende cijfer, uit 2005, is een 6,2.

Omschrijving/jaarRealisatie 2006Begroting 2007Realisatie 2007
Score6,27,06,2

Gerealiseerde productiviteit

De productiviteit van de ambtelijke medewerkers zegt iets over de doelmatigheid van de bedrijfsvoering: hoe efficïent is de dienst geweest, gegeven de inzet van ambtelijk personeel, in het realiseren van haar doelstellingen en de uitvoering van haar productenpakket? Directe uren buiten jaarplan en indirect (productieve) uren worden meegenomen. Uren voor ziekte en verlof worden buiten beschouwing gelaten. Hoe hoger het percentage, hoe efficiënter het omzettingsproces beschikbare uren naar productieve uren. Dit heeft een kostenverlagend effect. Ten opzichte van 2006 is de productiviteit onveranderd gebleven.

Omschrijving/jaarRealisatie 2006Begroting 2007Realisatie 2007
Percentage76,3%76,5%76,3

Telefonische bereikbaarheid

Een van de indicatoren die een groot effect heeft op de tevredenheid van de doelgroepen is de telefonische bereikbaarheid. De in de begroting 2007 opgenomen doelstelling voor 2007 is om 70% van de gesprekken binnen 30 seconden te beantwoorden.

Over het jaar 2007 heeft het callcenter 436 000 telefoontjes afgehandeld met een service-level van 59%. (het percentage van de inkomende telefoongesprekken dat binnen 30 seconden is behandeld) en een bereikbaarheid van 89% (percentage binnengekomen calls dat daadwerkelijk wordt opgenomen). De belangrijkste reden voor de daling van de realisatie is dat er sprake is van zo’n 100 000 calls meer aanbod dan begroot.

Met name de Gecombineerde Data Inwinning (GDI) en de uitvoering van de toeslagrechten hebben tot een grote drukte in april en mei 2007 geleid. Om dit goed op te kunnen vangen is ervoor gekozen om verruimde openingstijden toe te passen op werkdagen en op zaterdagen. Daarnaast is sprake geweest van drukte in verband met de afhandeling van telefonische vragen op het gebied van Bluetongue.

Omschrijving/jaarRealisatie 2006Begroting 2007Realisatie 2007
Telefonische bereikbaarheid: Service-level65% binnen 30 seconden70% binnen 20 seconden59% binnen 30 seconden
Bereikbaarheid 90%89%

Aantal klachten

In 2006 heeft DR een nieuwe wijze van klachten en signaalafhandeling in gebruik genomen, waardoor klachten beter in beeld komen en de aandacht voor de kwaliteit van de afhandeling verhoogd wordt. Daarnaast worden brieven uit klantvriendelijke overwegingen eerder als formele klachtenbrief aangemerkt en met de daarbij behorende procedure afgehandeld. Doelstelling voor 2007 was om minder dan 50 formele klachtenbrieven te ontvangen.

Omschrijving/jaarRealisatie 2006Begroting 2007Realisatie 2007
Aantal ontvangen formele klachtenbrieven88< 5077

Aantal incidenten met betrekking tot DR

Door middel van kwartaalrapportages en overige communicatie richting bijvoorbeeld de Tweede Kamer wil DR het aantal incidenten met betrekking tot de uitvoeringsaspecten van diverse regelingen zo veel mogelijk beperken. In 2007 is met betrekking met de BTR twee keer een Algemeen Overleg met de Kamer geweest. Daarnaast is er één keer een technische briefing met betrekking tot de BTR geweest.

Omschrijving/jaarRealisatie 2006Begroting 2007Realisatie 2007
Aantal incidenten waarover gesproken wordt dat te maken heeft met DRbeperktbeperktbeperkt

Doelgroep

Sinds 2004 maakt DR gebruik van praktijkpanels. In deze panels worden vragen voorgelegd aan vertegenwoordigers van de agrarische sector. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om beoordeling van een conceptformulier, een verzoek om mogelijke knelpunten in de uitvoering aan te geven of een keuze te maken uit verschillende uitvoeringsvarianten. Echter niet om beleidsvragen. DR vindt het van belang dat het bij de deelnemers aan de praktijkpanels duidelijk is wat er met de uitkomsten hiervan wordt gedaan. DR gaat de praktijkpanels verder uitbreiden. In maart 2008 vinden de praktijkpanels in de huidige vorm voor de laatste keer plaats. Daarna wordt gestart met een andere vorm van doelgroepparticipatie. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een internetpanel en kunnen deelnemers ook nog voor een fysieke bijeenkomst worden gevraagd. Het grote voordeel van de nieuwe panels is, dat ze meer flexibel zijn in te zetten.

Omschrijving/jaarRealisatie 2006Begroting 2007Realisatie 2007
Tevredenheid praktijkpanels over opvolging adviezenvoldoendevoldoendevoldoende

Balans per 31 december 2007

(x € 1 000)
 31-12-200731-12-2006
Activa  
Immateriële vaste activa47 64039 452
Materiële vaste activa  
– grond en gebouwen1 3351 153
– installaties en inventarissen1 8581 928
– overige materiële vaste activa6 3532 789
Debiteuren5 4389 550
Nog te ontvangen8 22220 630
Liquide middelen75216 829
Totaal activa71 41892 331
   
Passiva  
Eigen Vermogen  
– exploitatiereserve– 44 6318 562
– verplichte reserves47 8280
– onverdeeld resultaat– 19 352– 4 573
Leningen bij het MvF32 84627 000
Schuld aan het Moederdepartement00
Voorzieningen02 528
Crediteuren13 35313 113
Nog te betalen41 37445 701
Totaal passiva71 41892 331

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2007

(x € 1 000)
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Baten   
Opbrengst moederdepartement127 233145 25618 023
Opbrengst overige departementen5872 2301 643
Opbrengst derden10 78416 3345 550
Rentebaten600478– 122
Totaal baten139 204164 29825 094
    
Lasten   
Apparaatskosten   
– personele kosten73 09588 56015 465
– materiële kosten48 73078 42929 699
Rentelasten1 1371 344207
Afschrijvingskosten   
– materieel9343 8832 949
– immaterieel15 30811 434– 3 874
Overige lasten000
– Dotaties voorzieningen000
– Buitengewone lasten000
Totaal lasten139 204183 65044 446
Saldo van baten en lasten0– 19 352– 19 352

Kasstroomoverzicht 2007

(Bedragen x € 1 000)
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1. Rekening-courant RHB 1 januari 200733 22616 826– 16 400
    
2. Totaal operationele kasstroom14 2422 557– 11 685
    
  Totaal investeringen (-/-)– 12 400– 27 794– 15 394
  Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)000
3. Totaal investeringskasstroom– 12 400– 27 794– 15 394
    
  Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)000
  Eenmalige storting door het moederdepartement (+)000
  Aflossingen op leningen (-/-)– 14 835– 14 8350
  Beroep op leenfaciliteit (+)12 40024 00011 600
4. Totaal financieringskasstroom– 2 4359 16511 600
    
5. Rekening-courant RHB 31 december 2007 (=1+2+3+4)32 633754– 31 879

Plantenziektenkundige dienst (PD)

Profiel

De opdracht van de Plantenziektenkundige Dienst is het weren, vrijwaren, bestrijden en beheersen van ziekten en plagen in de plantaardige sector. Dit om een duurzame, concurrerende en veilige land- en tuinbouw te bevorderen, de handel zoveel mogelijk ongestoord te laten plaatsvinden en het Nederlands landschap in stand te houden. Een duurzame, veilige en concurrerende land- en tuinbouw betekent onder andere minder gebruik en minder afhankelijkheid van chemische bestrijdingsmiddelen. Het voorkomen, dan wel beperken van ziekten en plagen levert daaraan een belangrijke bijdrage. De Plantenziektenkundige Dienst voert deze taak uit in het kader van de Plantenziektenwet, Europese regelgeving en internationale verdragen.

Voor de uitvoering van wettelijke taken waarop het profijtbeginsel niet van toepassing is, en voor beleidsondersteuning ten behoeve van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ontvangt de Plantenziektenkundige Dienst een bijdrage van het ministerie van LNV. Voor de uitvoering van wettelijke taken waarop het profijtbeginsel van toepassing is, brengt de Plantenziektenkundige Dienst een in beginsel kostendekkend tarief (retributie) in rekening. Indien de dienst, afgeleid van zijn kerntaken, opdrachten voor derden uitvoert, betreft dat opdrachten die niet conflicteren met de wettelijke taken en bijdragen aan kennis en/of gelijkmatige arbeidsfilm.

Financieel resultaat

Het jaar 2007 sluit af met een positief resultaat van € 193 000. De verschillen met de begroting voor wat betreft de opbrengst moederdepartement, de opbrengst derden en de apparaatskosten zijn groot. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat de overdracht van inspectietaken in het kader van Plantkeur per 1-9-2007 heeft plaatsgevonden in plaats van 1-1-2007. De begroting is uitgegaan van 1-1-2007 als wijzigingsdatum.

De exploitatiereserve is gebonden aan een maximumomvang van 5% van de gemiddelde jaaromzet ultimo jaar, berekend over de laatste drie jaar. De maximaal toegestane omvang van de exploitatiereserve bedraagt € 1 639 (2006: € 1 563).

Prestaties en Doelmatigheidsgegevens

In dit hoofdstuk worden de prestatie-indicatoren (PI’s) zoals vastgesteld in het project Herexamen Agentschap getoond. Voor de implementatie is afgesproken dat niet alle indicatoren tegelijk worden opgepakt, maar dat er per rapportageperiode uitbreiding en verbetering plaatsvindt. De getallen zijn de cumulatieve waarden, ofwel van 1 januari tot en met de rapportageperiode.

Prestaties

ProductEenheidRealisatie 2006Realisatie 2007
BasistariefInspecties74 47049 956
ZendingsinspectiesFactureerbare minuten1 807 9851 029 184
weringsinspecties RC G&FRekenton1 435 8451 337 370
weringsinpsecties RC snijbloemen1 000 rekenstelen2 927 6932 326 121
DocumentcontroleAantal116 91897 276
Bedrijf- en perceelinspecties LNVInspecties/uren15 58714 834
Fytosanitaire beschikkingenAantal9851 341
Enkelvoudige auditsAantal2762
Samengestelde auditsFactureerbare uren2 220708
DiagnosesFactureerbare uren27 40324 152
Derden bedrijf- en perceelinspectiesFactureerbare uren18 4246 584
Certificaten zonder inspectieAantal217 868145 407
GewasbeschermingsbeschikkingenUren7 9153 296
ImplementatieFactureerbare uren10 89316 056
Advies en vertegenwoordiging   
AdviesFactureerbare uren34 431 
LNV beleidFactureerbare uren23 12522 222
DerdenFactureerbare uren4 4194 722
Overige overhedenFactureerbare uren6 8879 044
Kennis   
MethodenontwikkelingUren2 8732 975
Overige kennisontwikkelingUren15 48416 521

Beheersingsindicatoren

Beheersingindicatoren
IndicatorRealisatie 2006Realisatie 2007Begroting 2007
1 Bezetting415198,5168
2 Productiviteit PD47%45%60%
3 Facturabiliteit PDpmpm90%
4 Verhouding vast-inhuur80%95%80%
5 Verzuimpercentage5,41%4,20%<4,7%
6 Meldingssfrequentie1,491,5<1,5
7 Verzuimduur12,6310,34<15,04
8 % p4 gesprekken90%24,3%100%

Definities en Toelichting

1. Bezetting = Aanwezig # fte totaal PD, vast en inhuur. Van de bezetting is ongeveer 67 fte los personeel.

2. Productiviteit = Totale uren organisatie minus niet productieve uren organisatie/totale uren organisatie

3. Facturabiliteit = Totale declarabele uren product/totale uren product

4. Verzuimpercentage = Het «ziekteverzuimpercentage» is het aantal verzuimde kalenderdagen (inclusief weekenden) in de observatieperiode enerzijds, gedeeld door de personeelsomvang vermenigvuldigd met het aantal kalenderdagen in de periode anderzijds.

5. Meldingsfrequentie = De «meldingsfrequentie» geeft het totaal aantal in de observatieperiode aangevangen verzuimgevallen weer ten opzichte van het gemiddeld aantal personeelsleden.

6. Verzuimduur = De «gemiddelde ziekteverzuimduur» geeft het totaal aantal dagen weer dat medewerkers in een bepaalde periode per ziekmelding gemiddeld hebben verzuimd. De gemiddelde verzuimduur in een periode is gelijk aan de som van verzuimduren van de verzuimgevallen die in de periode geëindigd zijn, gedeeld door het aantal van deze gevallen. Het betreft het 12 maands gemiddelde uit Emplaza.

7. Aantal P4 gesprekken = aantal geregistreerde P4 gesprekken met medewerkers in vaste of tijdelijke dienst per afdeling en PD totaal.

• De bezetting is een stuk lager dan de referentiewaarde, omdat de referentiewaarde gebaseerd is op de oude PD. De afgelopen maanden zijn veel medewerkers vertrokken waardoor de bezetting gedaald is naar 207 FTE eind december.

• Tegelijk met de daling van de bezetting is ook de verhouding inhuur–vast gedaald doordat voor een groot deel losse krachten vertrokken zijn.

Kwalitatieve indicatoren

Fytosanitair systeem

IndicatorRealisatie 2006Realisatie 2007Begroting 2007
1 Weren0,87%Zie toelichting0,88%
2 Monitoren0,64%Zie toelichting1%
3 Vrijwaren0,01%Zie toelichting1%
4 Notificaties (inkomend)0,61%269 (zie toelichting)1%
5 Aantal quick scans613276
6 Aantal PRA’s435
7 Tijdigheid opgelegde maatregelpmpm8 dgn

Definities en Toelichting

1. Weren = Aantal Q-vondsten bij weren/aantal zendingsinspecties weren x 100%

2. Monitoren = Aantal Q-vondsten bij monitoren/aantal bedrijfsen perceelinspecties monitoring x 100%

3. Vrijwaren = Aantal Q-vondsten bij vrijwaren/aantal zendingsinspecties vrijwaren x 100%

4. Notificaties = Aantal zendingen afgekeurd door landen/aantal zendingen naar landen x 100%

5. Quickscans = Aantal uitgevoerde Quickscans

6. Aantal PRA’s = aantal uitgevoerde PRA’s

7. Tijdigheid opgelegde maatregel = Tijd tussen vastgestelde diagnose en opleggen (= wegsturen naar betrokken team of direct naar lijdend voorwerp) standaardmaatregel

• De indicatoren weren, monitoren en vrijwaren hebben betrekking op het gehele fytosanitaire stelsel en bevat daarmee ook de activiteiten van de Keuringsdiensten. In afwachting van de benodigde informatie is hier geen kengetal opgenomen. De PD kan niet zoals voorheen snel beschikken over de benodigde cijfers.

• De notificaties zijn weergegeven als het aantal notificaties om dezelfde reden als het ontbreken van de indicatoren weren, monitoren en vrijwaren. Het aantal notificaties eind 2007 ligt lager dan in 2006 (397 stuks).

Kennis

Kennis
IndicatorRealisatie 2006Realisatie 2007Begroting 2007
1 Expertbijdragen274581150
2 Publicaties564725
3 Eliminatiescenario’s22434
4 Diagnostische protocollen368223

Definities en Toelichting

1. Expert bijdragen = # bijdragen aan vastgestelde expertgroepen

2. Publicaties = # publ. + voordr in/aan vastgestelde lijst vakbladen/congressen-fora Eliminatiescenario’s = Aantal eliminatiescenario’s t/m periode X

3. Diagnostische protocollen = Aantal diagnostische protocollen t/m periode X

• Het aantal expertbijdragen ligt erg hoog. Het criterium waarop iets een expertbijdrage genoemd mag worden is aan verandering onderhevig, waardoor in de afgelopen jaren een verandering in de interpretatie van het aantal expertbijdragen is ontstaan.

• Het aantal eliminatiescenario’s is niet toegenomen in de laatste vier maanden om dezelfde redenen als de PRA’s; door gebrek aan capaciteit.

Klanttevredenheid

IndicatorRealisatie 2006Realisatie 2007Begroting 2007
1 Bezwaar161416
2 Klachten1338
3 Klanttevredenheid productadvies55>3,5
4 Afgehandelde diagnosesn.v.t.16 986pm
5 Doorlooptijd notificaties (in dagen)105

Definities en Toelichting

1. Bezwaar = Het cumulatief aantal schriftelijk ingediende klachten tegen een beschikking (o.a. een factuur)

2. Klachten = Het cumulatief aantal schriftelijk ingediende klachten.

3. Klanttevredenheid/klachten product advies = aantal ontvangen klachten per product (inspecties, audits, diagnoses), aantal juridische procedures (beschikkingen)

4. Doorlooptijd notificaties (werkdagen) = Het gemiddelde aantal werkdagen tussen diagnose van een Q-vondst en het uitsturen van een notificatie naar het exporterende land.

• Er zijn drie bezwaarschriften binnengekomen naar aanleiding van aanzeggingen aardappelmoeheid. De bezwaren zijn afgehandeld. Twee bezwaren zijn na overleg met de bezwaarden ingetrokken, het andere bezwaar was niet-ontvankelijk gezien een termijn overschrijding.

Op 20 juli 2007 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) het beroep gegrond verklaard dat was ingediend door een aantal groenten & fruitimporteurs tegen de door de PD gehanteerde retributies. Na verschillende correspondentie over-en-weer is door de bezwaarde afgezien van een hoorzitting. De PD steunt R&R actief in de voorbereiding van een nieuwe beslissing op bezwaar.

• Het aantal diagnoses is lager dan in 2006 (22 709 stuks) omdat er in 2007 zijn minder surveymonsters genomen, met name voor Medfly en Diabrotica.

• De doorlooptijd notificaties is weergegeven als een gemiddelde over de maanden september tot en met december. Dit gemiddelde ligt nu op 10 dagen, wat een forse verbetering is t.o.v. de vorige periode, door procesaanpassingen en scherpe voortgangsbewaking.

Balans per 31 december 2007

(Bedragen x € 1 000)
 31-12-200731-12-2006
Activa  
Immateriële vaste activa1 6021 104
Materiële vaste activa  
– grond en gebouwen  
– installaties en inventarissen1 8042 337
– overige materiële vaste activa214390
Voorraden263 
Debiteuren7361 905
Nog te ontvangen8092 056
Liquide middelen4 0464 631
Totaal Activa9 47412 423
   
Passiva  
Eigen vermogen  
– exploitatiereserve– 1 602 
– verplichte reserves1 602 
– onverdeeld resultaat193 
Leningen bij het ministerie van Financiën1 5843 183
Voorzieningen181196
Crediteuren7021 113
Nog te betalen kosten6 8147 931
Totaal Passiva9 47412 423

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2007

(Bedragen x € 1 000)
 (1)(2)(3)
 Oorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Baten   
Opbrengst moederdepartement14 78723 4198 632
Opbrengst derden2 15010 5088 358
Rentebaten50171121
    
Totaal baten16 98734 09817 111
    
Lasten   
Apparaatskosten   
– personele kosten8 87720 54311 666
– materiële kosten6 80011 3164 516
Rentelasten280121– 159
Afschrijvingskosten   
– materieel600875275
– immaterieel400679279
Overige lasten   
– dotaties voorzieningen 365365
– bijzondere lasten306– 24
    
Totaal lasten16 98733 90516 918
    
Saldo van baten en lasten 193193

Kasstroomoverzicht 2007

(Bedragen x € 1 000)
 (1)(2)(3)
 Oorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1. Rekening courant RHB per 1 januari 20079734 6243 651
2. Totaal operationele kasstroom1 0201 459439
  -/- totaal investeringen– 2 000– 1 485515
  + totaal boekwaarde desinvesteringen 142142
3. Totaal investeringskasstroom– 2 000– 1 343657
  -/- eenmalige uitkering aan moederdepartement   
  + eenmalige storting door moederdepartement   
  -/- aflossingen op leningen– 1 200– 1 094106
  + beroep op leenfaciliteit2 000400– 1 600
4. Totaal financieringskasstroom800– 694– 1 494
5. Rekening courant RHB 31 december 20077934 0463 253

Voedsel en Warenautoriteit (VWA)

Profiel

De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) is binnen de rijksoverheid integraal verantwoordelijk voor het toezicht, de risicocommunicatie en de onafhankelijke risicobeoordeling op het terrein van voedsel- en productveiligheid en diergezondheid. Door de koppeling van deze drie kerntaken wil de VWA haar missie «zichtbare risicoreductie» realiseren.

De VWA bestaat uit 4 dienstonderdelen, namelijk de directie Toezichtbeleid & Communicatie, de Dienst Uitvoering, het bureau Risicobeoordeling en de directie Bedrijfsvoering.

Voor de uitvoering van een deel van de postmortem-keuringen huurt de VWA officiële assistenten in, die in dienst zijn van KDS. De officiële assistenten voeren hun werkzaamheden uit onder gezag en verantwoordelijkheid van de VWA.

De facturering van deze ingehuurde diensten vindt door de VWA plaats. De VWA draagt het debiteurenrisico voor de geleverde diensten door KDS. De opbrengsten van deze geleverde diensten en de kosten die de inhuur van KDS met zich brengt, zijn niet in het resultaat van de VWA meegenomen omdat deze activiteiten tot de bedrijfsvoering van KDS behoren. Alleen de vergoeding voor het debiteurenrisico, is gezien het feit dat de VWA risicodrager is, wel in de jaarrekening van de VWA opgenomen.

Financieel resultaat

De opbrengsten LNV zijn ruim € 24,705 mln. hoger dan opgenomen in de begroting. Dit wordt verklaard uit de volgende bijdragen:

• ontvangen loon- en prijsbijstelling ad € 0,411 mln.

• frictiekosten afbouw veterinaire werkzaamheden ad € 4,200 mln.

• bijdrage tijdelijke formatie ad € 1,900 mln.

• project Cliënt/Traces ad € 1,097 mln.

• bijdrage in kader van roodvleesconvenant ad € 2,700 mln.

• bijdrage voor niet kostendekkende tarieven € 8,850 mln.

• ontvangen VWS bijdrage voor frictiekosten (afbouw werkzaamheden) ad € 5,170 mln.

• overige opdrachten ad € 0,377 mln.

De opbrengsten VWS zijn totaal € 75,138 mln. Deze kunnen als volgt worden gespecificeerd:

• structurele bijdrage VWS ad € 66,692 mln.

• uitbesteed onderzoek RIVM ad € 6,774 mln.

• loon en prijscompensatie 2007 ad € 0,800 mln.

• overige opdrachten ad € 0,872 mln.

De opbrengsten DGF bedragen € 0,724 mln. en betreft vergoeding voor de afhandeling van volgende verdenkingen en kleine uitbraken:

• Blue Tongue € 0,478 mln.

• Mond- en klauwzeer € 0,085 mln.

• Aviaire influenza € 0,023 mln.

• Overige verdenkingen € 0,138 mln.

De opbrengsten derden zijn aanzienlijk lager dan begroot. Dit wordt veroorzaakt doordat de tarieven niet op kostendekkend niveau zijn. Het verschil tussen kostprijs en tarief wordt gedekt door aanvullende opdrachtgeverbijdragen. De opbrengsten voor keuringen import zijn in 2007 verder toegenomen. De overige opbrengsten liggen op het niveau van voorgaande jaren.

De liquiditeitspositie van de VWA is ten opzichte van 2006 beduidend verbeterd. Door o.a. hogere ontvangsten derden zijn de ontvangsten uit operationele activiteiten met een bedrag van € 11,775 mln. beduidend hoger dan begroot.

Onder de investeringen in materiële vaste activa zijn alleen opgenomen de investeringen waarvoor in 2007 geldmiddelen zijn opgeofferd. De totale investeringskasstroom is lager dan begroot. Oorzaak hiervan is het temporiseren van investeringen als gevolg van bezuinigingen en de geplande fusie van de inspectiediensten AID, PD en VWA.

Per saldo is ultimo december 2007 de liquiditeitspositie € 13,551 mln. (2006 – € 0,071 mln.).

De exploitatiereserve is gebonden aan een maximumomvang van 5% van de gemiddelde jaaromzet ultimo boekjaar, berekend over de laatste drie jaar. De maximaal toegestane omvang van de exploitatiereserve over het gemiddelde van de laatste twee jaar bedraagt € 8,488 mln.(2006: € 8,465 mln.).

Prestaties

Klachten over handelen VWA

Deze indicator heeft betrekking op de uitvoering van het beleid door VWA medewerkers (inclusief facturering). Het beleid zelf is vastgesteld door de beide opdrachtgevers, de ministeries van LNV en VWS. In de onderstaande tabel staat behalve het absolute aantal klachten ook het relatieve belang ervan weergegeven in de kolom %. Dit percentage is berekend door het aantal klachten te delen door het aantal inspecties respectievelijk monsteranalyses en – voor de keuringen – door het aantal uren.

werkzaamhedenstreefwaarde 2007realisatie 2007
 aantal%aantal%
inspecties1020.07530.05
monsteranalyses800.0690.00
keuringen2150.021870.04

Bron: regio, MCS, meldkamer, JZ

Afhandelsnelheid informatieverzoeken en klachten/incidentmeldingen

Het streven is dat de informatieverzoeken en klachten/incidentmeldingen die bij de meldkamer van de VWA binnenkomen binnen 6 weken worden afgehandeld. Voor een deel van deze verzoeken kan de behandeltermijn van 6 weken vaak niet worden gehaald, omdat het handhavingstraject langer is.

 streefwaarde 2007realisatie 2007
Totale hoeveelheid verzoeken en klachten/meldingen40 00034 482
waarvan klachten over voedsel, producten en dieren6 5005 151
Percentage behandeling verzoeken, klachten/meldingen < 6 weken90%94%

Bron: MCS DU Centraal/IMD, opgave meldkamer

Bekendheid

Met betrekking tot de naamsbekendheid van de VWA wordt een onderscheid gemaakt tussen spontane en geholpen naamsbekendheid. Op middellange termijn wordt gestreefd naar een spontane naamsbekendheid van 25% en van een geholpen naamsbekendheid van 50%.

 streefwaarde 2007realisatie 2007
spontaan10%8%
geholpen50%54%
totaal60%62%

Bron: Externe MCS

Gevoel van product- en voedselveiligheid

Algemene doelstelling is dat het gevoel van veiligheid niet achteruit gaat.

De indicator voedselveiligheid heeft betrekking op het vertrouwen van de consument in de veiligheid van voedingsmiddelen (consumentenmonitor). De indicator heeft een schaal van 1 (helemaal niet mee eens) tot 5 (helemaal mee eens). De VWA meet de onderstaande drie stellingen.

voedselveiligheidstreefwaarde 2007Raming 2006Realisatie 2006Onderzoek 2007 (*)
Voedingsmiddelen worden steeds veiliger3.43.43.4
Ik maak me zorgen over de veiligheid van voedingsmiddelen2.72.72.7
Ik voel me onbehaaglijk over de veiligheid van voedingsmiddelen2.52.52.5

Bron: (*) VWA Consumentenmonitor 2003–2006, Den Haag, juni 2007

Balans per 31 december 2007

(Bedragen x € 1 000)
 31–12–0731–12–06
Activa  
Immateriële vaste activa2 3582 256
Materiële vaste activa  
– grond en gebouwen4 4485 252
– installaties en inventarissen5 0056 612
– overige materiële vaste activa6 6016 558
Voorraden1 5321 339
Debiteuren10 6098 245
Overlopende activa6 14813 862
Liquide middelen13 551– 71
Totaal activa50 25244 053
   
Passiva  
Eigen Vermogen  
– exploitatiereserve– 3 9420
– verplichte reserves1 9480
– onverdeeld resultaat3 561– 156
Leningen bij het MvF23 14625 484
Voorzieningen4 079200
Crediteuren5 2365 333
Overlopende passiva16 22413 192
Totaal passiva50 25244 053

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2007

(Bedragen x € 1 000)
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
 Oorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Baten   
Opbrengst moederdepartement22 05746 76224 705
Opbrengst overige departementen73 35675 1381 782
Opbrengsten DGF0724724
Opbrengst derden55 75047 078– 8 672
Rentebaten100511411
Bijzondere baten000
Totaal baten151 263170 21318 950
    
Lasten   
Apparaatskosten   
– personele kosten95 122106 61611 494
– materiële kosten45 18752 2797 092
Rentelasten1 235999– 236
Afschrijvingskosten   
– materieel6 3285 022– 1 306
– immaterieel1 9831 371– 612
Overige lasten   
– Mutatie voorzieningen408365– 43
– Bijzondere lasten1 0000– 1 000
Totaal lasten151 263166 65215 389
    
Saldo van baten en lasten03 5613 561

Kasstroomoverzicht 2007

(Bedragen x € 1 000)
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatie 31–12–2007Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1. Rekening-courant RHB 1 januari 20072 068– 71– 2 139
2. Totaal operationele kasstroom8 31119 93111 620
  3a. Totaal investeringen (-/-)– 10 380– 4 2786 102
  3b. Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)0151151
3. Totaal investeringskasstroom– 10 380– 4 1276 253
  4a. Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)000
  4b. Eenmalige storting door moederdepartement (+)0156156
  4c. Aflossingen op leningen (-/-)– 6 497– 7 338– 841
  4d. Beroep op leenfaciliteit (+)10 3805 000– 5 380
4. Totaal financieringskasstroom3 883– 2 182– 6 065
5. Rekening-courant RHB 2007 (=1+2+3+4)3 88213 5519 669

D. BIJLAGEN

1. Toezichtrelaties en ZBO’s/RWT’s

InstellingRWTZBOBijdrage LNV 2007(x € 1 000)(Beleids-)artikel(en)
   RealisatieBegroting 
1. Hogere Agrarische Onderwijsinstellingen (HAS) (6)jn57 22656 92326
2. Wageningen Universiteitjn147 733140 36426
3. Agrarische Opleidingscentra (AOC’s) (13)jn402 971393 96726
4. Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst Tuinbouwjj   
5. Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdiensten (Zaaizaad en Pootgoed Landbouwgewassen) (NAK)jj   
6. Stichting Bloembollenkeuringsdienst (BKD)jj   
7. Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (COKZ)jj50025
8. Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en eiproducten(CPE)jj   
9. Stichting Kwaliteitscontrolebureau voor Groente en Fruit (KCB)jj24821
10. Stichting Kwaliteitscontrole Alternatieve Landbouwproductiemethoden (SKAL)jj   
11. Staatsbosbeheerjj87 19077 44523 en 24
12. Faunafondsjj9 5368 70023
13. Bureau Beheer landbouwgrondenjj37 75151 99123 en 24
14. Commissie Beheer Landbouwgrondennj   
15. Centrale Grondkamernj15329
16. Regionale Grondkamers Z, ZW, NW, N, Onj   
17. Reconstructiecommissie Midden Delflandnj1 07270724
18. College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB)jj1 54026121
19. Stichting Landelijke Inspectie Dienst voor Dieren (LID)nj30018221
20. Raad voor Plantenrassennj1 7171 24929
21. Voedselvoorzienings in- en verkoopbureaujj   
22. Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw (BF)jj1 45521
23. Stichting Ontwikkelings- en saneringsfonds voor de Landbouwjj   
24. Stichting Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Visserijjj  
25. Kamer voor de Binnenvisserijnj  
26. Stichting examens vakbekwaamheid honden en kattenbesluit (SEV)jj   
27. Erkende stamboekverenigingen (28x)nj   
28. Stichting DLOjn181 055164 89026
29. Rendacjn8 81125
30. Stichting Nationaal Groenfondsjn23,24 en 27

2. Toezeggingen aan de AR

Opvolging van de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer

In deze bijlage wordt ingegaan op de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer op gesignaleerde onvolkomenheden in de bedrijfsvoering bij het departementale jaarverslag LNV en het Diergezondheidsfonds (DGF) 2006 en de maatregelen die zijn getroffen om de geconstateerde tekortkomingen in het verslagjaar en de jaren daarna te voorkomen. De Algemene Rekenkamer heeft in het rapport bij het jaarverslag over 2006 een tweetal «onvolkomenheden» in de bedrijfsvoering geconstateerd, namelijk het subsidiebeheer en (het toezicht op) de interne controle. In de bestuurlijke reactie is toegezegd deze onvolkomenheden in 2007 op te lossen.

Subsidiebeheer

De Algemene Rekenkamer heeft, evenals over 2005, het subsidiebeheer als een «onvolkomenheid» aangemerkt.

Reactie LNV:

De nieuwe «Regeling LNV-subsidies» die op 14 februari 2007 in de Staatscourant is gepubliceerd, bestaat uit algemene bepalingen en toegespitste modules. Met de Regeling LNV-subsidies is een grote stap gezet naar vereenvoudiging en uniformering van subsidievoorwaarden. Eénduidige en uniforme regelgeving is een belangrijke voorwaarde voor een goed financieel beheer. In dit kader draagt LNV actief bij aan de vorming van een rijksbreed subsidiekader en wordt in overleg met betrokken partijen binnen LNV gewerkt aan harmonisering van criteria welke door beleidsdirecties worden gehanteerd bij incidentele vormen van subsidieverlening.

Toezicht op het functioneren van de interne controle

De Algemene Rekenkamer heeft, evenals over 2005, (het toezicht op) het functioneren van de interne controle als een «onvolkomenheid» aangemerkt.

Reactie LNV:

In 2007 is mijn directie FEZ in nauwe samenwerking met de Auditdienst gestart met het introduceren van een periodiek overleg op managementniveau met directies en diensten over aandachtspunten in de financiële bedrijfsvoering. Voort is medio 2007 gestart met het Financieel Dienstencentrum (FDC). Het FDC zet in op een kwalitatieve verbetering van het financieel beheer binnen het kerndepartement.

Met de ingezette verbetermaatregelen is de toezegging om deze resterende onvolkomenheden in 2007 op te lossen naar de mij bekende informatie in voldoende mate ingevuld.

3. EU-bijlage

1. Inleiding

Deze EU-bijlage biedt inzicht in de Europese geldstromen die relevant zijn voor de beleidsterreinen van het ministerie van LNV. Zij bevat een samenhangend overzicht van deze geldstromen en de co-financiering met LNV-middelen en middelen van andere overheden en private partijen. De betreffende EU-middelen zijn gestoeld op het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) en het Structuurbeleid.

Binnen het GLB zijn twee pijlers te onderscheiden. De eerste pijler bestaat voor een klein deel nog uit het klassieke markten prijsbeleid en voor het grootste deel uit de zgn. (al dan niet ontkoppelde) inkomenssteun. De tweede pijler is het plattelandsbeleid. Het markt- en prijsbeleid richt zich op het stabiliseren van de landbouwprijzen en -inkomens. Hiervoor worden instrumenten ingezet als exportrestituties en interventiemaatregelen. Dit klassieke markt- en prijsbeleid is de laatste jaren stap voor stap afgebouwd en inmiddels grotendeels vervangen door een generiek systeem, de van de productie ontkoppelde directe inkomenssteun, die is verbonden aan maatschappelijke prestaties op het gebied van milieu, natuur, voedselveiligheid en dierenwelzijn. Het plattelandsbeleid richt zich op versterking van de concurrentiekracht van de landbouw, op diversificatie van de plattelandseconomie en op het zorgdragen voor natuur- en landschapsbeheer.

Het GVB is in de eerste plaats gericht op de ontwikkeling van een verantwoorde visserijketen waarmee een evenwichtige en duurzame exploitatie van de visstand wordt bevorderd. Hiertoe zijn in EU-verband regels opgesteld onder andere ten aanzien van minimummaaswijdten, minimum maten, gesloten tijden en gebieden en beperkingen voor bepaalde visserijmethoden. Tevens zijn afspraken gemaakt ter bevordering van stabiliteit van de vismarkt.

Het structuurbeleid is tot slot gericht op versterking van de sociale en economische cohesie tussen de regio’s in de EU. Naast het plattelandsbeleid uit de 2e pijler van het GLB, zijn ook vanuit dit beleid maatregelen gericht op de ontwikkeling van het platteland aan de orde.

2. Geldstromen

Aan de genoemde elementen van het Europese beleid op het terrein van LNV zijn geldstromen naar de lidstaten verbonden. De subsidies uit hoofde van de eerste en tweede pijler van het GLB kwamen voor het boekjaar 16 oktober 2005–15 oktober 2006 nog uit dezelfde Europese financieringsbron, te weten het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL, afdeling Garantie.)Vanaf 16 oktober 2006 bestaan er twee fondsen voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, te weten het Europese Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europese Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELPO.)De geldstromen uit de eerste pijler hebben voornamelijk betrekking op prijs- en inkomensondersteunende instrumenten en worden volledig Europees gefinancierd. Bij de plattelandsmaatregelen uit de 2e pijler dient er sprake te zijn van nationale co-financiering door de overheid.

Het GVB bestaat voornamelijk uit gezamenlijke afspraken en regelgeving op communautair niveau. De gezamenlijke afspraken en regelgeving uit het GVB worden vanuit Brussel ondersteund door subsidies verbonden aan het Europees Visserij Fonds (EVF.)Voor de uitvoering van het Europees structuurbeleid zijn meerjarige afspraken over doelstellingen gemaakt (Doelstelling 2) De afspraken verbonden aan Doelstelling 2 worden deels medegefinancierd vanuit het Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling (EFRO).

In tabel 1 is een overzicht van de ontvangen programmagelden vanuit de EU opgenomen. De uitgaven uit hoofde van het markt- en prijsbeleid en de inkomenssteun geschieden buiten begrotingsverband en komen via officieel erkende betaalorganen in Nederland rechtstreeks vanuit de EU bij de belanghebbende terecht. Deze uitgaven worden door de betaalorganen (buiten de LNV-begroting) verantwoord richting de Europese Commissie. Uitgaven en ontvangsten voor plattelandsbeleid die behoren tot het Plattelandsontwikkelingsplan (POP) worden voor wat betreft de uitgaven door LNV wel op de LNV-begroting verantwoord.

Via de Jaarbrief Structuurfondsen zal de Tweede Kamer in het najaar van 2008 afzonderlijk worden geïnformeerd over de realisatiecijfers in 2007.

Tabel 1 Programma-uitgaven voor het jaar 2007 (x € 1 mln.)
 Begroting 2007Realisatie 2007
Financieringsbron BeleidEU**LNVOverig*EU**LNVOverig*
GLB      
Inkomens- en productiesteun/markt- en prijsbeleid1 100n.v.t.n.v.t.1 050***n.v.t.n.v.t.
       
Plattelandsontwikkelingsprogrammapmpmpm20,53,916,6
Verbetering van het concurrentievermogen van de land- en bosbouwsector (as 1)pmpmpm2,82,8–,–
       
Verbetering van het Milieu en het platteland (as 2)pmpmpm17,11,116,0
De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie (as 3)pmpmpm0,6–,–0,6
Ontw. Plaatselijke capaciteit (Leader +) (as 4)pmpmpm–,––,––,–
       
Overig      
OD-nr 21.131,22,0–,–0,61,5–,–
– Biologisch beleef je0,60,6–,–0,10,3–,–
– Set aside0,41,2–,–0,31,0–,–
– Verbetering honingproductie0,20,2–,–0,20,2–,–

* overig, zijnde provincies, gemeenten, waterschappen en private partijen

** EU-bijdragen worden buiten begrotingsverband geraamd en verantwoord. De EU-ontvangsten betreffen de bij de EC gedeclareerde uitgaven.

*** realisatie cf. Europees boekjaar (16–10–2006 t/m 15–10–2007)

In bovenstaande tabel zijn de gerealiseerde financieringsstromen voor het jaar 2007 die samenhangen met het plattelandsbeleid afgezet tegen de begroting 2007. Uitgaven en ontvangsten voor plattelandsbeleid die zijn ondergebracht in het Plattelandsontwikkelingsplan (POP) worden voor wat betreft de uitgaven door LNV op de LNV-begroting verantwoord. In POP-2 zijn vier doelstellingen te onderscheiden die in zogenaamde «assen» zijn geformuleerd. Ter uitvoering van de maatregelen uit de Verordening, worden rijksregelingen en provinciale programma’s ingezet.

Ten aanzien van de realisatie jonge agrariërs is de verwachting dat het grootste deel in 2008 zal plaats vinden. De kasritmes worden hierop aangepast in de toekomst; zodanig dat 85% in het tweede jaar na verlening wordt gepland.

POP-2 is op 20 juli 2007 door de Europese Commissie goedgekeurd. De daardoor achterblijvende uitgaven kunnen middels de N+2-regeling worden ingelopen.

Tegenover de Europese subsidie-uitgaven staan ook afdrachten aan de EU. De voor LNV relevante afdrachten zijn de zogenaamde douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen, die onderdeel uitmaken van de Eigen Middelen van de Europese Unie. Deze ontvangsten worden verantwoord op artikel 29 van de LNV-begroting. Tabel 2 bevat de gerealiseerde ontvangsten in 2007. Deze ontvangsten worden onder aftrek van een perceptiekostenvergoeding (25%) afgedragen aan de EU.

Tabel 2 Ontvangsten in 2007 uit hoofde van heffingen en douanerechten op landbouwproducten (in € mln.)
 BegrotingRealisatie
Douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen245339

3. De eerste pijler van het GLB (markt- en prijsbeleid, inkomenssteun)

Het markt- en prijsbeleid richt zich op de stabilisatie van landbouwprijzen en -inkomens. Sinds 1992 is er sprake van continue hervormingen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. In hoofdlijnen kan worden gesteld dat de klassieke instrumenten als exportrestituties, productiesteun en interventie getransformeerd worden naar vormen van inkomenscompensatie.

In juni 2003 is een nieuwe fase ingegaan in het proces van de hervorming van het GLB. Het belangrijkste kenmerk van deze hervorming is dat de inkomenssteun ontkoppeld wordt van de productie en omgezet wordt in de bedrijfstoeslagregeling. Andere kenmerken zijn:

• Om in aanmerking te (blijven) komen voor de inkomenssteun moet de agrarische producent voldoen aan maatschappelijke randvoorwaarden (ten aanzien van dierenwelzijn, voedselveiligheid, milieu, etc.), de zogeheten cross-compliance, Bij onvoldoende naleving wordt de producent gekort op zijn inkomenssteun.

• Verplichte afroming (modulatie) van middelen van de eerste pijler (markt- en prijsbeleid) ten behoeve van de tweede pijler (plattelandsbeleid) van het GLB.

De controle op cross-compliance is per 2005 gestart. In 2006 heeft de ontkoppeling van de productie plaatsgevonden. Een groot aantal steunregelingen (zoals akkerbouw, dierlijke regelingen met uitzondering van slachtpremies) zijn daarbij opgenomen in de bedrijfstoeslagregeling.

Het jaar 2007 is het tweede toepassingsjaar van de Bedrijfstoeslagregeling (ontkoppelde steun) in Nederland. Toch is het om diverse redenen als overgangsjaar te beschouwen. De melkpremie, welke van 2004 tot en met 2006 werd gekoppeld aan de zuivelquota is per 2007 ontkoppeld en opgenomen in de Bedrijfstoeslagregeling. Verder werden in 2007 diverse invoeringstrajecten afgehandeld, zoals de aanvragen nationale reserve en bezwaar en beroe op de initiële toedeling van de toeslagrechten uit 2006. Ook werden compenserende betalingen voor suiker verrekend. In 2007 werd voor het eerst de extra steun uitbetaald, dat wil zeggen de terugbetaling van de modulatie-vrijstelling over de eerste € 5000 uit 2006. Door de eerder genoemde forse inspanningen in de uitvoering liep de uitbetaling in 2007 vertraging op.

In november van 2007 presenteerde de Europese Commissie de zogeheten Health Check mededeling. Het document evalueert de impact van de hervorming van 2003 en doet voorstellen tot een verdere aanpassing van het GLB in de richting van een eenvoudiger stelsel van inkomenssteun «towards a flatter rate». Eind 2007 heeft het Nederlandse kabinet haar inzet bepaald, gericht op een verdere vermaatschappelijking van inkomenssteun en eenvoudiger uitvoering.

Ten aanzien van het markt- en prijsbeleid is LNV verantwoordelijk voor een recht- en doelmatige uitvoering.

De programma-uitgaven (zie ook tabel 1 met de programma-uitgaven voor het jaar 2007) worden ten laste van het Europese Landbouwgarantiefonds (ELGF) gebracht en worden buiten begrotingsverband verantwoord. De nationale uitvoering van het markt- en prijsbeleid is aan stringente Europese voorwaarden gebonden die met name de rechtmatigheid van de uitvoering moeten waarborgen. Het aantal en de omvang van financiële correcties (apurement) geven een indicatie van de mate van rechtmatigheid van de uitvoering. Daarnaast wordt ingezet op een doelmatige uitvoering van het markt- en prijsbeleid.

4. De tweede pijler van het GLB (plattelandsbeleid)

Het Plattelandontwikkelingsprogramma (afgekort POP) is een Europees subsidieprogramma dat gericht is op de ontwikkeling van het platteland in brede zin. Het POP 2007–2013 (ook wel POP2) volgt op de eerste periode 2000–2006.

Programmadocument POP2

Nederland heeft voor de programmeringperiode 2007–2013 een landsdekkend POP opgesteld, zonder opdeling in regionale of provinciale programma’s. Dit programma is op 20 juni 2007 goedgekeurd door de Europese Unie. Op 20 juli volgde de beschikking van de Europese Commissie. MetBeschikking C(2007)3464 heeft de Europese Commissie het POP2 voor Nederland officieel goedgekeurd.

De uitvoering van dit programma loopt in grote lijnen via twee sporen: een sectoraal spoor (via het ondernemersprogramma) en een gebiedsgericht programma (deels via het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG.))

Europese verordening plattelandsontwikkeling (nr.) 1698/2005

Een belangrijk document dat op 20 september 2005 door de Europese Commissie is vastgesteld, is de Verordening (nr.) 1698/2005 waarin de kaders voor het nieuwe Europese plattelandsontwikkelingsbeleid staan. Nederland heeft op basis van deze verordening het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007–2013 opgesteld waarin we als lidstaat duidelijk maken welke doelen we ondersteunen.

In de verordening is sprake van vier doelstellingen. Voor iedere doelstelling zijn zogenaamde «assen» geformuleerd waarbinnen Europa een aantal maatregelen voorstelt. Elke lidstaat maakt een programma waarin de vier assen terugkomen. Lidstaten zijn verplicht om aan elke prioritaire as een bepaald minimum aandeel van het Europese budget te besteden. Aan as 1 en 3 minimaal 10%, aan as 2 minimaal 25% en aan de LEADER-as minimaal 5%.

As 1. Verbetering van het concurrentievermogen van de land- en bosbouwsector.

As 2. Verbetering van het milieu en het platteland.

As 3. De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie.

As 4: Invoeren van de Leader-aanpak

NB: Doelstelling Leader kan bijdragen aan doelstellingen van assen 1–3. Als acties onder het Leader-programma corresponderen met maatregelen uit assen 1–3 dan zijn de betreffende voorwaarden van toepassing.

Financiële verordening (EG) nr. 1290/2005

Bij de (inhoudelijke) verordening hoort de verordening m.b.t. financiering van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid die op 21 juni 2005 door de Europese Commissie is vastgesteld. In de financiële verordening is onder meer bepaald dat voor POP het N+2 regime gaat gelden. De financiële verordening bevat daarnaast (gedetailleerde) bepalingen met betrekking tot toezicht, evaluatie, beheer en controle.

Nederland ontvangt in de periode 2007–2013 ruim € 486 miljoen EU financiering. Daarbij heeft Nederland gekozen voor een verdeling over de assen 1 t/m 4 van 30%, 30%, 30% en 10%. Dat betekent dat Nederland voor as 1 t/m 3 per jaar ongeveer € 20 miljoen ontvangt. Aangezien de EU financiering maximaal 50% mag bedragen dient Nederland de Europese gelden altijd op te hogen met een minstens even grote bijdrage. In het programmadocument is hierin voorzien.

5. De structuurfondsen: Doelstelling 2 en EVF

Vanuit de structuurfondsen zijn voor LNV Doelstelling 2 en het Europees Visserij Fonds (EVF) van belang. Doelstelling 2 levert een bijdrage aan de ondersteuning van de economische en sociale omschakeling van in structurele moeilijkheden verkerende zones. Het EVF gericht op het ondersteunen van de herstructurering van de visserijsector.

Voor de bovengenoemde verschillende instrumenten uit de structuurfondsen worden binnen de lidstaten meerjarige uitvoeringsprogramma’s opgesteld. Deze programma’s, op basis waarvan de subsidies uit de structuurfondsen worden toegekend, worden veelal opgesteld en uitgevoerd door andere overheden in samenwerking met private partijen op regionaal of lokaal niveau. De coördinerende verantwoordelijkheid voor de besteding van de middelen, zowel richting de Europese Commissie als richting de Tweede Kamer, ligt echter bij de rijksoverheid.

De structuurprogramma’s binnen D2 ontvangen vanuit de EU bijdragen uit het Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling (EFRO). Rijk, provinciale en lokale overheden en private partijen nemen de co-financiering vanuit Nederland voor hun rekening.

In Nederland is er sprake van een zekere samenhang tussen het plattelandsbeleid van het GLB zoals dat is uitgewerkt in het plattelandsontwikkelingsprogramma (POP, opgesteld op grond van Verordening 1698/2005 en het regionale beleid dat gevoerd wordt in het kader van de Doelstelling 2 (voor zover dit betrekking heeft op plattelandsontwikkeling) De acties in het kader van Doelstelling 2 (agrarisch luik) hebben een aanvullend karakter t.a.v. de acties in het kader van het POP.

Doelstelling 2

Het kabinet beoogt onder meer via Doelstelling 2 een impuls te geven aan de noodzakelijke reconstructie van delen van Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg. Dit gebeurt door ruimtelijke, economische en sociale ontwikkelingen te stimuleren.

De Enkelvoudige Programmerings Documenten (EPD’s) voor Oost- en Zuid Nederland die onder doelstelling 2 vallen betreffen zowel een industriële als plattelandscomponent. Inhoudelijk zijn respectievelijk EZ en LNV hiervoor gezamenlijk verantwoordelijk. LNV heeft echter alleen coördinerende verantwoordelijkheid ten aanzien van het EPD Oost-Nederland. EZ heeft dit ten aanzien van het EPD Zuid-Nederland.

De nationale uitgaven die in het kader van Doelstelling 2 als co-financiering onder het EDP Oost- of Zuid-Nederland vallen komen ten laste van artikel 27 Reconstructie.

Bij D2 is LNV verantwoordelijk voor EPD Oost Nederland. Het algemene beeld over de uitvoering van de programma’s is wat betreft de committeringen, de toekenning van de subsidies, positief. De programma’s 2000–2006 hebben een uitlooptijd tot einde 2008. Dat wil zeggen dat het toekennen en uitbetalen van de middelen mogen doorlopen tot aan het einde van 2008.

Tabel 3 Europees Visserij Fonds (EVF) (x € 1 mln.)
 Begroting 2007Realisatie 2007
Financieringsbron Beleid GVBEULNVOverigEULNVOverig
Europees Visserijfonds (EVF)6,5349,265
OD-nr U 21.14      
– Verduurz. Noordzee Visserij6,5349,265
       
FIOV (N+2-regeling)2,8193,30014,124
OD-nr U 21.14      
– F-project biol & vissers 0,443 
– Innov. Platf. Aquacult 0,436 
– Best. Inz. & vistechnieken 1,443 
– Techn. Mtr/ond.kotter 0,978 

Europees Visserij Fonds (EVF)

De Europese Commissie heeft, in het kader van Europees Visserij Fonds (EVF), een communautaire bijdrage van € 48,6 miljoen toegekend aan Nederland. Daarnaast levert Nederland een nationale bijdrage van € 72,1 miljoen. In het operationeel programma EVF is het volledig financieel overzicht voor de gehele programmeringsperiode 2007–2013 opgenomen.

Onderstaand tabel bevat de verdeling van de financiële verplichtingen over de jaren. De daadwerkelijke uitgaven vallen mogelijk in andere jaren (de n+2 regel). Nederland hanteert in het overzicht de jaartranches zoals de Europese Commissie deze heeft aangegeven. Deze zijn gebaseerd op het huidig prijsniveau.

Tabel 4 Financiële verplichtingen over de jaren EVF/EU (x € 1 mln.)
JaarEVF/EU
20076,534
20086,665
20096,798
20106,934
20117,073
20127,214
20137,360
Totaal EVF48,578

Door de late goedkeuring van het operationeel programma voor uitvoering van EVF is het niet meer mogelijk geweest om in 2007 uitgaven te verrichten in het kader van EVF.

FIOV 2000–2006

In de begroting van 2007 is geen bedrag opgenomen voor uitfasering van FIOV 2000–2006. Een deel van het voor co-financiering van EVF begroot bedrag is dan ook ingezet voor co-financiering van het FIOV programma.

Het EU deel is niet toebedeeld aan de instrumenten van de begroting, maar buiten begrotingsverband geboekt.

4. Overzicht niet-financiële informatie over inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel

Uitgaven voor inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel (inhuur externen)conform definitie Informatiestatuut 2007 – bijlage 4.

Uitgaven (in € x 1 000)
apparaat en programmakostentotaal LNV
1. Interim-management2 424
2. Organisatie- en Formatieadvies2 122
3. Beleidsadvies1 421
4. Communicatieadvisering789
  Beleidsgevoelig (som 1 t/m 4)6 756
5. Juridisch Advies610
6. Advisering opdrachtgevers automatisering6 884
7. Accountancy, financiën en ao4 289
  (Beleids)ondersteunend (som 5 t/m 7)11 783
8. Uitzendkrachten (formatie & piek)21 297
  ondersteuning bedrijfsvoering (som 8)21 297
Totaal uitgaven inhuur externen (som 1 t/m 8) en voor circa 29,3 mln. op de agentschappen.39 836

De inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel heeft voor 10,5 mln betrekking op staf- en beleidsdirecties en voor circa 29,3 mln. op de agentschappen.

Het betreft hier de inhuur externen conform de definitie uit het informatiestatuut 2007.

5. Lijst met gebruikte afkortingen

AIAviaire influenza
ADAlgemene Doelstelling
AIDAlgemene Inspectiedienst
AOCAgrarische Onderwijs Centra
BBLBureau Beheer Landbouwgronden
BLSBaten-lastendiensten
BTBluetongue
BZKMinisterie van Binnenlandse Zaken
BPMBedrijfsprocesmodel
BSEBovine Spongiform Encephalopathy
CLIENTControle Landbouwgoederen Import Export naar een Nieuwe Toekomst
CBbCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
COKZCentraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden
DLODienst Landbouwkundig Onderzoek
DIV-shareDocumentaire Informatie Voorziening
DRDienst Regelingen
DLGDienst Landelijk Gebied
EUEuropese Unie
EHSEcologische Hoofdstructuur
ELGFEuropees Landbouwgarantiefonds
ELFPOPlattelandsontwikkeling uit het Europees fonds voor Plattelandsontwikkeling
EVFEuropees Visserij Fonds 2007–2013
EBSE-business Suite
EZMinisterie van Economische Zaken
EFROEuropees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling
FIOVFinancieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij
FDCFinancieel Dienstencentrum
FESFonds Economische Structuurversterking
G4P34 Gemeenten, 3 Provincies
GBCSGeïntegreerde Beheers- en Controlesysteem
GLBGemeenschappelijke Landbouwbeleid
GDIGecombineerde Data Inwinning
HAOHoger Agrarisch Onderwijs
HBOHoger Beroeps Onderwijs
I&RIdentificatie en Registratie
IPSImplementatie Personeelservicecentrum
ILGInvesteringsbudget Landelijk Gebied
IBGIn Beslag genomen Goederen
IREInvesteringsregeling Energiebesparing
ICTInformatie Communicatie Technologie
IRGInfrastructuurregeling Glastuinbouw
ISVInvesteringsimpuls Stedelijke Vernieuwing
INGRAInnovatieNetwerk Groene Ruimte en Agrocluster
IPCInnovatie Praktijkcentra
KVPKlassiek Varkenspest
LNVLandbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
MBOMiddelbaar Beroeps Onderwijs
MEIMarktintroductie Energie-Innovaties
MNPMilieu Natuur Planbureau
MKZMond- en Klauwzeer
NURGNadere uitwerking Rivierengebied
NDFFNationale Database flora en Fauna
ODOperationele Doelstelling
OCWMinisterie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
PDPlantenziektenkundige Dienst
POPPlattelandsontwikkelings Programma
RBVRegeling beëindiging Veehouderijtakken
RWTRechtspersoon met een Wettelijke taak
STIDUGStimuleringsregeling Duurzame Glastuinbouwgebieden
SNNSamenwerkingsverband Noord-Nederland
SBBStaatsbosbeheer
SBNIStandaardbeveiligingsniveau
SNSubsidieregeling Natuurbeheer
SANSubsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer
SGB UCSubsidie Gebiedsgericht beleid
UILNNRegeling Uitvoering Innovatie Landbouw Noord-Nederland
VROMVolkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu
VHRVogel- en habitatrichtlijn
VWSMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
VOVoortgezet Onderwijs
VMBOVoortgezet Middelbaar Beroeps Onderwijs
VWAVoedsel en Warenautoriteit
WEBWet Educatie en Beroepsonderwijs
WOTWettelijke Onderzoeks Taken
WOPTWet Openbaarmaking uit Publieke middelen gefinancierde Topinkomens
WILGWet Inrichting Landelijk Gebied
WUWageningen Universiteit
WURWageningen Universiteit en Researchcentrum
ZBOZelfstandig bestuursorgaan
Naar boven