31 444 IXA
Jaarverslag van Nationale Schuld (IXA) over het jaar 2007

nr. 1
JAARVERSLAG VAN NATIONALE SCHULD (IXA)

Aangeboden 21 mei 2008

Aandeel in uitgaven IXA (x € 1000)

kst-31444-IXA-1-1.gif

Aandeel in ontvangsten IXA van de beleidsartikelen (x € 1000)

kst-31444-IXA-1-2.gif

Inhoudsopgave blz.

AAlgemeen6
   
1Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening6
2Leeswijzer11
   
BBeleidsverslag12
   
3Beleidsprioriteiten12
3.1Algemeen12
3.2Financieringsbeleid en beleidsprioriteiten 200713
3.3Kasbeheer en beleidsprioriteiten 200714
4Beleidsartikelen15
4.1Financiering Staatsschuld15
4.2Kasbeheer22
5Niet-beleidsartikel27
5.1Budgettaire gevolgen niet-beleidsartikel27
6Bedrijfsvoeringsparagraaf28
   
CJaarrekening29
   
7Verantwoordingsstaat van Nationale Schuld29
8Saldibalans30
8.1Toelichting op de saldibalans30
   
DBijlage34
   
9.1Lijst met afkortingen34
9.2Begrippenlijst35

A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING VAN HET JAARVERSLAG EN VERZOEK TOT DECHARGEVERLENING

Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening van de minister van Financiën aan de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik het jaarverslag van Nationale Schuld over het jaar 2007 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de minister van Financiën decharge te verlenen over het in het jaar 2007 gevoerde financiële beheer met betrekking tot de uitvoering van de begroting van Nationale Schuld en met betrekking tot het financieel beheer over de centrale kassen van ’s Rijks schatkist.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld van haar bevindingen en haar oordeel met betrekking tot:

a. Het gevoerde financieel en materieelbeheer;

b. De ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

c. De financiële informatie in het jaarverslag;

d. De saldibalans;

e. De totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

f. De in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

van Nationale Schuld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen, naast het onderhavige jaarverslag en het hierboven genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer, de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

a. Het Financieel Jaarverslag van het Rijk over 2007; dit jaarverslag wordt separaat aangeboden;

b. De slotwet van Nationale Schuld over het jaar 2007; de slotwet is als afzonderlijk kamerstuk gepubliceerd.

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen;

a. Het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2007 met betrekking tot de onderzoeken, bedoeld in artikel 83 van de Comptabiliteitswet 2001. Dit rapport, dat betrekking heeft op het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel Jaarverslag van het Rijk, wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aangeboden;

b. De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel Jaarverslag van het Rijk over 2007 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2007 alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2007 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De minister van Financiën,

Wouter Bos

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

Algemeen

In het jaarverslag Nationale Schuld (IXA) worden de gerealiseerde beleidsdoelen, beleidsprestaties en de ingezette middelen ten opzichte van de begroting 2007 verantwoord. In de begroting wordt onderscheid gemaakt tussen schuld die extern wordt gefinancierd en de schulden of tegoeden die verschillende aan de schatkist gelieerde instellingen hebben bij het ministerie van Financiën. Het jaarverslag IXA is daarom opgebouwd uit twee beleidsartikelen:

1. Financiering staatsschuld

2. Kasbeheer

Opbouw jaarverslag

De kern van het verslag bestaat uit het beleidsverslag. In het beleidsverslag wordt allereerst een overzicht van enkele kerncijfers met toelichting gegeven (rentekosten, staatsschuld en opbouw en dekking financieringsbehoefte). Daarna volgt een overzicht met bereikte resultaten van de beleidsprioriteiten uit de begroting 2007. Daarna worden per beleidsartikel de volgende onderdelen behandeld:

– Algemene doelstelling;

– Budgettaire gevolgen van beleid met een toelichting. Op grond van de Comptabiliteitswet 2001 zijn voor de Nationale Schuld de verplichtingen gelijkgesteld aan de uitgaven. Daarom zijn de verplichtingen hierin niet meegenomen. Tevens wordt er, gezien de totale omvang van de uitgaven en ontvangsten op begroting IXA, afgerond in miljoenen;

– Operationele doelstellingen. Hierbij wordt een toelichting gegeven op de doelbereiking en de gebruikte instrumenten en activiteiten. Waar relevant is een tabel met prestatiegegevens toegevoegd;

– Overzicht afgeronde onderzoeken.

Tot slot bevat het beleidsverslag het niet-beleidsartikel en de bedrijfsvoeringsparagraaf.

Het jaarverslag bevat naast het beleidsverslag de Jaarrekening en bijlage. De Jaarrekening bevat de verantwoordingsstaat en de saldibalans met een toelichting daarop. De bijlage bevat een begrippenlijst.

B. BELEIDSVERSLAG

3. BELEIDSPRIORITEITEN

3.1 Algemeen

Staatsschuld

In 2007 bedroegen de rentekosten over de staatsschuld € 9,1 mld. Dit is ca. 1,6 % BBP. De staatsschuld conform EMU-definitie bedraagt ultimo 2007 € 211,8 mld. Dit is 37,8% van het BBP.

Interne schuldverhouding

De interne schuldverhouding is de schuld van de Staat aan de deelnemers aan het geïntegreerd middelenbeheer. De interne schuldverhouding is € 2,4 mld hoger dan eerder geraamd. De belangrijkste oorzaak hiervoor vormt de realisatie in 2006 van € 5,6 mld terwijl de begroting is uitgegaan van € 3,9 mld. Deze realisatie werkt door in 2007. Met andere woorden de raming voor 2007 zou hoger zijn geweest als de realisatie 2006 bekend was geweest.

Tabel 1: Kerncijfers ontwerpbegroting en realisaties 2007 (in mld. euro’s)
 RealisatieOntwerpbegrotingVerschil
EMU-schuld254265– 11
Staatsschuld conform EMU-definitie211,8218,6– 6,8
Interne schuldverhouding14,82,42,4
Rentekosten staatsschuld (artikel 1)9,19,3– 0,2
Rentekosten interne schuldverhoudingen (artikel 2)10,20,00,2
Rentekosten FES (artikel 2)0,60,60
Rentekosten AOW-spaarfonds (artikel 2)1,21,20
Totaal11,111,10

1 Exclusief FES en AOW-spaarfonds.

Rentekosten

De totale rentekosten die zijn verantwoord op IXA bedroegen in 2007 € 11,1 mld. De rentekosten zijn de rentelasten minus de rentebaten.

De rentekosten voor de staatsschuld zijn € 0,2 mld lager dan begroot. Daar tegenover staat dat de rentekosten van de interne schuldverhoudingen (exclusief FES en AOW-spaarfonds) € 0,2 mld hoger zijn dan begroot. De lagere realisatie op de rentekosten voor de staatsschuld is hoofdzakelijk het gevolg van lagere rentelasten op de vaste schuld. Dit wordt veroorzaakt doordat in 2007 iets minder op de kapitaalmarkt is gefinancierd dan was geraamd. Daarnaast was er sprake van iets hogere rentebaten over tijdelijk op de geldmarkt uitgezette liquiditeiten als gevolg van positieve schatkistsaldi. De rentekosten voor de interne schuldverhouding zijn € 0,2 mld hoger dan begroot. Dit is het gevolg van een toename van de rekening courant saldi van de sociale fondsen en de hogere korte rente.

Opbouw en dekking financieringsbehoefte

In 2007 is in totaal een bedrag van € 27,0 mld aan kapitaalmarktleningen afgelost en geherfinancierd. Daarnaast is een deel van de schuld gefinancierd op de geldmarkt. De geldmarktstand per ultimo 2006 (€ 14,0 mld) moest in 2007 opnieuw worden gefinancierd. Het feitelijk tekort op kasbasis, waarin ook de mutatie van de interne schuldverhouding is meegenomen, draagt eveneens bij aan de financieringsbehoefte. In 2007 was vanuit het geïntegreerd middelenbeheer sprake van een daling van de interne schuldverhouding van € 0,8 mld (van € 5,6 mld in 2006 naar € 4,8 mld in 2007).

In de dekking is als volgt voorzien. In 2007 is als gevolg van uitgifte van kapitaalmarktleningen € 21,4 mld werkelijk op kasbasis ontvangen (de uitgifte bedroeg nominaal € 21,6 mld). De netto uitstaande schuld op de geldmarkt was ultimo 2007 € 19,4 mld.

Tabel 2: Opbouw en dekking van de financieringsbehoefte van het Rijk in 2007, inclusief de geldmarkt (in mld. euro’s) op kasbasis1
 Realisatie
Opbouw: 
Aflossingen kapitaalmarkt27,0
Geldmarkt ultimo 200614,0
Feitelijk tekort– 0,6
Totaal40,3
  
Dekking door: 
Kapitaalmarktuitgifte21,4
Geldmarkt ultimo 200719,4
Mutatie overige banksaldi– 0,5
Totaal40,3

1 In tegenstelling tot de overige tabellen worden in deze tabel cijfers op kasbasis weergegeven. Voor een vergelijking van de realisatiecijfers op transactiebasis en de ramingen in de ontwerpbegroting wordt verwezen naar tabel 3: Budgettaire gevolgen van beleid. Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

3.2 Financieringsbeleid en beleidsprioriteiten 2007

Het financieringsbeleid heeft betrekking op de regels en gebruiken die de Staat in acht neemt bij het beheren van de bestaande schuld en de uitgifte van nieuwe schuld. In de ontwerpbegroting zijn op dit terrein een aantal beleidsprioriteiten geformuleerd. In onderstaande tabel zijn deze beleidsprioriteiten opgenomen en wordt gerapporteerd over de resultaten van het beleid en de verder te ondernemen activiteiten.

BeleidsprioriteitBeleidsmatige conclusie/Resultaat in 2007Te nemen maatregelen en te ondernemen activiteiten
Afronden van de herijking van het risicomanagement, teneinde het beleidskader voor 2008 tot en met 2011 vast te stellen.In 2007 is de herijking van het risicomanagement afgerond. Op basis van de herijking is gekozen voor de invoering van een benchmark voor financiering van de staatsschuld. Hiermee is het beleidskader voor de periode 2008–2011 vastgesteld. De benchmark die is vastgesteld is een 7-jaars gecentreerde portefeuille.Implementatie van de benchmark voor de staatsschuld (beleidsprioriteit 2008).
Het sturen, met de uitgifte van staatsleningen in 2007, op een risicobedrag in 2008 van circa 9% BBP. Hierbij geldt als randvoorwaarde dat het bereiken van 9% in latere jaren niet mag worden bemoeilijkt.Door introductie van het nieuwe risicokader is in 2007 het basisrisicobedrag van 9% BBP voor 2008 niet klaargezet. Voor 2008 geldt namelijk het nieuwe risicokader.Geen.

3.3 Kasbeheer en beleidsprioriteiten 2007

De rijksoverheid en de aan haar gelieerde instellingen streven ernaar de hen toegewezen middelen zo efficiënt mogelijk te beheren. Een belangrijk instrument daartoe is geïntegreerd middelenbeheer. Kenmerk hiervan is het bundelen van geldstromen van rijksoverheid en instellingen, waarmee zowel een doelmatig als risicoarm kasbeheer mogelijk wordt. Geïntegreerd middelenbeheer wordt thans toegepast op ministeries, baten-lastendiensten, begrotingsfondsen (onder andere AOW Spaarfonds), sociale fondsen, een aantal rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s) en een aantal subsidie-regelingen. Naast een doelmatig beheer van de middelen streeft de rijksoverheid naar een efficiënte en betrouwbare afwikkeling van haar betalingsverkeer. De basis hiervoor vormen contracten met het commerciële bankwezen.

In de ontwerpbegroting zijn op dit terrein een aantal beleidsprioriteiten geformuleerd. Onderstaand zijn deze beleidsprioriteiten opgenomen en wordt aangegeven welke conclusie is getrokken over de resultaten van het beleid en de verder te ondernemen activiteiten.

BeleidsprioriteitResultaat in 2007Te nemen maatregelen en te ondernemen activiteiten
Verdere uitbreiding van geïntegreerd middelenbeheer met RWT’s.Het aantal vrijwillige deelnemers (onderwijsinstellingen) is toegenomen. De toename is lager dan eerder geraamd. Hier staat tegenover dat de gemeenten die in 2007 subsidie hebben ontvangen vanwege het project spoorse doorsnijdingen de subsidiebedragen hebben ingebracht in de schatkist.Er zal meer aandacht komen voor andere groepen dan de onderwijsinstellingen, namelijk verzelfstandigde rijksmusea en particuliere justitiële inrichtingen. Voorts zal het aantal contacten met onderwijsinstellingen worden opgevoerd.
Betrouwbaar en efficiënt betalingsverkeer van de Rijksoverheid.Het stukstarief van de binnenlandse betalingen is gelijk aan de streefwaarde. Ook de verhouding met het markttarief is uitgekomen op de streefwaarde.In 2007 is een nieuw contract afgesloten voor het buitenlands betalingsverkeer van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.In 2008 zal een Europese aanbesteding worden gedaan voor het betalingsverkeer van alle departementen (met uitzondering van het buitenlands betalingsverkeer van buitenlandse zaken en de belastingdienst). Het nieuwe contract zal ingaan per 1 mei 2009.

4. BELEIDSARTIKELEN

4.1 Financiering Staatsschuld

4.1.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het voorzien in de financieringsbehoeften van de Staat en een effectief en efficiënt beheer van de staatsschuld.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Om de staatsschuld zo goedkoop mogelijk te financieren bij een acceptabel niveau van risico voor de rijksbegroting neemt het ministerie van Financiën het beheer van de staatsschuld en de activiteiten die hieruit voortvloeien voor zijn rekening.

Succesfactoren

Fluctuaties in het renteniveau bepalen mede de rentekosten en het risico op mogelijke mee- of tegenvallers daarin. Door het financieringsbeleid en het risicomanagement wordt geprobeerd dit risico en de omvang van de rentekosten te beperken.

Daarnaast kunnen als gevolg van het algemene budgettaire beleid en de conjunctuur, via het begrotingssaldo, veranderingen optreden in de financieringsbehoeften van de Staat. In het financieringsbeleid wordt door een deel van de schuld te financieren op de geldmarkt getracht een buffer aan te brengen die onverwachte meevallers in de financieringsbehoeften kan opvangen.

4.1.2 Budgettaire gevolgen artikel 1 Financiering Staatsschuld

Tabel 3: Budgettaire gevolgen van beleid art.1 Financiering staatsschuld (x € 1 mln.)1
Algemene beleidsdoelstelling: Het voorzien in de financieringsbehoeften van de Staat en een effectief en efficiënt beheer van de staatsschuld.2003200420052006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Uitgaven33 93433 99241 68937 24536 31936 416– 97
        
Programma-uitgaven33 92433 97841 67037 23436 30736 395– 88
        
Totaal rentelasten schuld10 1339 8459 6629 3129 3419 434– 93
 Rentelasten vaste schuld9 1799 1769 0138 4448 0938 289– 196
 Rentelasten vlottende schuld8146545047621 2461 145101
 Uitgaven voortijdige beëindiging14114145106202
        
Aflossing vaste schuld23 79118 86426 86227 92226 96626 9615
Mutatie vlottende schuld05 2695 1460000
        
Apparaatuitgaven101419111221– 9
 Personeel en materieel6444430
 Overige kosten schulduitgifte410157818– 10
        
Ontvangsten36 42633 68032 33725 12627 27725 1662 111
        
Programma-ontvangsten36 42633 68032 33725 12627 27725 1662 110
        
Totaal rentebaten schuld17314119723724715493
 Rentebaten vaste schuld1019488136109118– 9
 Rentebaten vlottende schuld69471029613836102
 Ontvangsten voortijdige beëindiging2075000
        
Uitgifte vaste schuld34 20533 54032 11123 22021 56925 012– 3 443
Mutatie vlottende schuld2 048001 6695 46105 461
        
Openingsbalans00290000

1 Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

4.1.3 Toelichting tabel budgettaire gevolgen van beleid

De rentelasten zijn het gevolg van de ontwikkeling van de staatsschuld. De staatsschuld is de resultante van de beleidsprioriteiten en de beleidsafwegingen van het kabinet en voorgaande kabinetten. Het toerekenen van de uitgaven en ontvangsten aan de operationele doelstellingen (zie paragraaf 4.1.4) geeft geen extra cijfermatig inzicht en wordt daarom achterwege gelaten.

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid worden zowel de rentekosten als de uitgaven en ontvangsten die samenhangen met de uitgifte en aflossing van de schuld verantwoord. Conform Europese voorschriften (ESR 95) worden inkomsten en uitgaven voor de staatsschuld op transactiebasis verantwoord.

Uitgifte vaste schuld en mutatie vlottende schuld

De netto uitstaande schuld op de geldmarkt was ultimo 2007 ca. € 5,5 mld hoger dan ultimo 2006. Dit heeft twee oorzaken. In de eerste plaats is de bufferfunctie van de geldmarkt hersteld door financiering te verschuiven van kapitaalmarkt naar geldmarkt. De uitgifte van de vaste schuld is hierdoor € 3,4 mld lager dan vastgesteld in de begroting. In de tweede plaats bleek in 2007 het overschot op kasbasis lager dan begroot. Deze tegenvaller is eveneens opgevangen in de geldmarkt.

Rentelasten

De rentelasten vaste schuld zijn € 0,2 mld lager dan vastgesteld in de begroting. Hiervan is ca. € 0,15 mld gevolg van de lagere uitgifte van vaste schuld. Ca. € 0,05 mld is het gevolg van een lagere rente dan de rekenrente die is gebruikt in de begroting. Doordat in 2007 meer op de geldmarkt is gefinancierd dan was geraamd in de begroting zijn de rentelasten vlottende schuld € 0,1 mld hoger dan vastgesteld in de begroting. Per saldo resulteert een meevaller van € 0,1 mld in de totale rentelasten van de schuld.

Rentebaten

De rentebaten voor de vlottende schuld zijn € 0,1 mld hoger dan vastgesteld in de begroting. Deze rentebaten bestaan voornamelijk uit een vergoeding over tijdelijk op de geldmarkt uitgezette liquiditeiten als gevolg van positieve schatkistsaldi. In de begroting is uitgegaan van een gemiddeld saldo voor uitgezette liquiditeiten, in de realisatie 2007 was het gemiddeld uitstaande saldo ruim twee keer hoger. Bovendien lag het werkelijke rendement hoger dan de rekenrente. Door deze twee factoren zijn de totale rentebaten fors hoger dan geraamd.

Overige kosten schulduitgifte

De overige kosten voor schulduitgifte zijn lager dan in de begroting is vastgesteld. Deze post bestaat voornamelijk uit kosten voor Dutch Direct Auctions (DDA’s). In de begroting was rekening gehouden met twee DDA’s. In 2007 heeft echter één DDA plaatsgevonden.

4.1.4 Operationele doelstellingen

Operationele doelstelling 1

Lenen van lange gelden tegen zo laag mogelijke kosten binnen een aanvaardbaar risico.

Doelbereiking

Om de staatsschuld zo goedkoop mogelijk te financieren bij een acceptabel niveau van risico voor de rijksbegroting is in de periode 2003–2007 jaarlijks gestreefd naar een basisrisicobedrag van 9% BBP. Het basisrisicobedrag is een ex-ante doelstelling. Dit betekent dat het basisrisicobedrag in enig jaar als het ware wordt klaargezet door het financieringsbeleid in de jaren ervoor. In 2006 is het basisrisicobedrag voor 2007 klaargezet.

Tabel 4: Risicobedrag 2005, 2006 en 2007 (in mld. euro’s)
Prestatie-indicatorRealisatie 2007
Basisrisico van 9% BBP voor de jaren 2003 t/m 2007  Ja
 200520062007
Herfinanciering kapitaalmarkt24,825,727,0
Geldmarktportefeuille17,412,314,0
Swappportefeuille– 0,14,07,6
Basisrisicobedrag42,142,048,6
Basisrisicobedrag in % BBP19%8%9%

1 BBP uit Macro Economische Verkenning 2005, 2006 en 2007, CPB.

In 2007 is een nieuw risicokader voor de periode 2008–2011 vastgesteld. Met ingang van 2008 wordt gewerkt met een benchmark voor de staatsschuld. Dit draagt bij aan een transparante verantwoording doordat prestaties van het Agentschap in termen van kosten en risico kunnen worden vergeleken met die van de benchmark. Het schuldbeleid wordt nog iets efficiënter ingericht door te sturen op een gecentreerde portefeuille. Dit is een portefeuille die gekenmerkt wordt door een gelijkmatig aflosprofiel dat in stand gehouden kan worden door voortdurend in één en dezelfde looptijd leningen uit te geven. De benchmark voor 2008–2011 is een 7-jaars gecentreerde portefeuille (Kamerstuk 31 273, nr. 1, vergaderjaar 2007–2008).

De benchmark schrijft precies voor hoe en tegen welk rendement in theorie zou moeten worden gefinancierd. In praktijk zal de financiering afwijken van wat de benchmark voortschrijft. De jaarlijkse uitgifte bestaat uit een combinatie van DSLs, DTCs, CP en deposito’s, met een focus op geldmarkt en een 3- en 10-jaars lening. Elke keuze zal resulteren in een afwijking van de benchmark; met gevolgen voor de kosten en het risico. Het renterisico van de staatsschuldportefeuille wordt mede bepaald door de looptijd van staatsleningen waarin wordt uitgegeven. Renteswaps kunnen worden ingezet om dit renterisico bij te sturen.

Het risicoprofiel van de staatsschuldportefeuille inclusief swaps kwam ultimo 2006 niet overeen met dat van een 7-jaars gecentreerde portefeuille. Door het afsluiten van swaps in de tweede helft van 2007 is het risicoprofiel bijgestuurd zodat ultimo 2007 het risicoprofiel van de staatsschuldportefeuille inclusief swaps gelijk is aan dat van een 7-jaars gecentreerde portefeuille (zie figuur).

Figuur 1: Risicoprofiel van de staatsschuld per ultimo 2006 en ultimo 2007 (in mld. euro’s)1

kst-31444-IXA-1-3.gif

1 Het risicoprofiel is de omvang van de schuld waarvoor in enig jaar de rente opnieuw moet worden vastgesteld.

Instrumenten/activiteiten

In 2007 zijn er € 58,1 mld receiverwaps en € 75,8 mld payerswaps afgesloten om het risicoprofiel van de staatsschuld bij te sturen tot dat van een 7-jaars gecentreerde portefeuille. Payerswaps zijn swaps waarbij de Staat een vaste rente betaalt en een variabele rente ontvangt. Bij receiverswaps betaalt de Staat een variabele en ontvangt een vaste rente. De swapportefeuille per ultimo 2007 bestaat uit € 82,8 mld receiverswaps en € 92,9 mld payerswaps. In 2007 bedroegen de rentebaten op de swapportefeuille € 109 mln.

In 2007 is een nieuwe 10-jaars lening uitgegeven. Door heropeningen is eind 2007 de omvang van de lening gestegen tot € 12,2 mld. Daarnaast is de 3-jaars lening die is geïntroduceerd in 2006 in 2007 nogmaals heropend en is de totale omvang van de lening opgehoogd met € 3,3 mld naar € 10,8 mld. Ook is de oude 10-jaars lening uit 2002 door heropening opgehoogd met € 1,9 mld naar € 12,4 mld. Tot slot is de 30-jaars lening uit 2005 door twee heropeningen verhoogd met € 4,2 mld naar ruim € 12 mld.

Operationele doelstelling 2

Lenen en uitlenen van korte gelden tegen zo laag mogelijke kosten respectievelijk zo hoog mogelijke opbrengsten binnen een aanvaardbaar risico.

Doelbereiking

Om ervoor te zorgen dat het kastekort of kasoverschot op dagbasis op een efficiënte wijze wordt geleend respectievelijk wordt uitgezet in de geldmarkt.

Het lenen en uitlenen van korte gelden op de geldmarkt vormt een regulier onderdeel van het financieringsbeleid. Daarnaast kan in de geldmarkt het verschil in kasstromen rond uitgifte en aflossing van staatsleningen op de kapitaalmarkt worden opgevangen en dient de geldmarkt als buffer.

Instrumenten/activiteiten

In 2007 is voor € 69,5 mld aan nieuwe DTC’s uitgegeven in looptijden variërend van 3 tot 12 maanden. Er is € 66,6 mld aan DTC’s afgelost. Daarnaast is het bedrag aan opgenomen deposito’s toegenomen. Voor 1 dag tot maximaal 1 maand wordt geld geleend respectievelijk uitgezet bij marktpartijen in de geldmarkt (deposito’s). Bij het uitzetten van geld worden procedures ter beperking van het kredietrisico gebruikt. Deze zijn in 2007 aangescherpt naar aanleiding van de kredietcrisis.

Medio 2007 is Commercial Paper (CP) geïntroduceerd. CP verbreedt het geldmarktinstrumentarium met flexibele looptijden van 1 week tot 3 maanden. Hierdoor kan beter worden ingespeeld op de korte termijn financieringsbehoefte en de schommelingen daarin. Naar verwachting zal de noodzaak tot het uitzetten van geld verminderen. CP leidt daardoor tot beperking van het kredietrisico en tot kostenbesparing. In 2007 is € 5,0 mld aan CP in euro’s uitgegeven en afgelost.

CP kan ook in vreemde valuta worden uitgegeven. Hierdoor kunnen nieuwe groepen beleggers bereikt worden en kan geprofiteerd worden van verschillen in swapspreads. Bij de uitgifte van CP in vreemde valuta wordt het valutarisico volledig afgedekt met valutaswaps. In 2007 is USD 1,2 mld (€ 0,8 mld) en GBP 0,2 mld (€ 0,3 mld) aan CP in vreemde valuta uitgegeven en afgelost.

EONIA swaps worden gebruikt om het renterisico van de geldmarktportefeuille bij te sturen.

Sinds 2002 werkt de Staat voor financiering op de geldmarkt met een benchmark, die bestaat uit financiering van de geldmarktportefeuille tegen het daggeldtarief (EONIA). Deze benchmark zou gemiddeld genomen, over een periode van vier jaar, een besparing opleveren ten opzichte van het oude beleid (uitgifte van geldmarktleningen met een looptijd tot 1 jaar). Van jaar op jaar hoeft van een besparing geen sprake te zijn. In 2007 is de benchmark voor de geldmarkt geëvalueerd (Kamerstuk 30 800 IXA, nr. 6, vergaderjaar 2006–2007).

Tabel 5: Resultaten geldmarktbenchmark 2002 tot en met 2007 (in mln. euro’s)
Prestatie-indicatorRealisatie 2007 
Voor het meten van prestaties in de geldmarkt wordt gebruik gemaakt van een benchmarkJa 
 200220032004200520062007Cumulatief
Resultaat EONIA-benchmark t.o.v. oude beleid29,617,0– 2,6– 17,3– 25,6– 9,1– 8,0
Outperformance t.o.v. benchmark2,711,98,212,021,030,486,2
Totaal resultaat32,328,95,6– 5,3– 4,621,378,2

Het resultaat kan worden uitgesplitst naar het resultaat van de benchmark ten opzichte van het oude beleid en de outperformance van de benchmark. Dit laatste geeft onder meer aan hoeveel is bespaard door op de geldmarkt niet met daggelddeposito’s, maar met een combinatie van DTC’s en EONIA swaps te financieren. Overigens maakt ook een beperkte positiename van de dealers op de geldmarkt onderdeel uit van de outperformance. Cumulatief is over de afgelopen jaren het resultaat positief geweest: € 78,2 mln. Van jaar op jaar kunnen de resultaten fluctueren.

Het totale resultaat voor 2007 is € 21,3 mln. Dit is opgebouwd uit de netto gerealiseerde rentelasten en de verandering in de marktwaarde van de swapportefeuille. Op de EONIA swaps zijn netto rentebaten gerealiseerd in 2007. Deze bedroegen € 9,5 mln.

Operationele doelstelling 3

Bevordering van distributie, promotie, verhandelbaarheid en liquiditeit van staatsleningen.

Doelbereiking

Om voor beleggers de aantrekkelijkheid van Nederlandse staatsleningen te vergroten, hetgeen bijdraagt aan het realiseren van lage rentekosten.

Instrumenten/activiteiten

Primary Dealers en Single Market Specialists leveren een bijdrage aan de promotie en de primaire afname van DSL’s en DTC’s. Daarnaast zijn Primary Dealers en Single Market Specialists verantwoordelijk voor het onderhouden van een secundaire markt.

Om de rol van de eindbelegger bij de primaire uitgifte van DSL’s te vergroten, maakt de Staat gebruik van de Dutch Direct Auction (DDA). In 2007 is een nieuwe 10-jaars lening geïntroduceerd met behulp van een DDA. Als voorbereiding op de DDA is er contact gezocht met beleggers door roadshows en presentaties.

Daarnaast zijn beleggers en overige geïnteresseerden geïnformeerd over het financieringsbeleid en de producten die in dat kader worden uitgegeven door middel van een jaarbericht en kwartaalberichten. Actuele informatie wordt gepresenteerd op het internet (www.dsta.nl)

Om de liquiditeit van staatsleningen te bevorderen, wordt voor nieuwe leningen gestreefd naar een minimale omvang van € 10 mld per lening. In 2007 hebben door heropening de nieuwe 10-jaars lening, de oude 3-jaars lening uit 2006 en de 2037 lening die is geïntroduceerd in 2005 een omvang groter dan € 10 mld bereikt.

Om de liquiditeit te bevorderen is er een inkoopfaciliteit voor oude leningen met een zeer laag uitstaand volume. Door in te kopen daalt de resterende schuld die uitstaat in kleine en relatief illiquide leningen en kan er meer worden uitgegeven in nieuwe leningen met een omvang van ten minste € 10 mld. In 2007 is er € 17 mln vervroegd afgelost. Ondertussen zijn de meeste oude leningen met laag uitstaand volume afgelost. Hierdoor is per ultimo 2007 ca. 95% van de langlopende staatsschuld geconcentreerd in leningen met een minimale omvang van € 10 mld.

Tabel 6: Prestatiegegevens
Prestatie-indicator   Realisatie 2007
Meer dan 90% van de langlopende staatsschuld in leningen met een minimale omvang van € 10 mldJa
Indicator20052006Streefwaarde 2007Realisatie 2007
Het percentage van de langlopende staatsschuld in leningen groter dan € 10 mld.87%89%90%95%

4.1.5 Overzicht afgeronde onderzoeken

Type onderzoekOnderzoek onderwerpAD of OD4StartAfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingBeleidsdoorlichting1AD20072007www.minfin.nl/nl/actueel
Effectenonderzoek ex-post     
Overig evaluatie onderzoek– Herijking risicomanagement2– Evaluatie geldmarktbenchmark3OD 1OD 22006200620072007www.dsta.nlwww.dsta.nl

1 Kamerstuk 2007–2008, 31 273, nr. 1, Tweede Kamer (AGT 2007–868 M, d.d. 22 oktober 2007)

2 Tevens bijlage bij beleidsdoorlichting

3 Kamerstuk 2006–2007, 30 800 IXA, nr. 6, Tweede Kamer (AGT 2007–298 M, d.d. 3 april 2007)

4 AD = algemene beleidsdoelstelling, OD = operationele beleidsdoelstelling

Het voor 2007 geplande onderzoek naar de mogelijkheid van een benchmark voor de kapitaalmarkt maakt onderdeel uit van de herijking van het risicomanagement. In 2007 is er geen effectenonderzoek ex-post gestart of afgerond.

4.2 Kasbeheer

4.2.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het optimaliseren van het kasbeheer van het Rijk en van de instellingen, die aan de schatkist zijn gelieerd.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De doelstelling wordt bereikt door geldstromen te bundelen en het aanbieden van een infrastructuur waarmee het betalingsverkeer van het Rijk en van de instellingen, die aan de schatkist zijn gelieerd, zo efficiënt mogelijk wordt afgewikkeld. Belangrijkste oogmerk hierbij is het voorkomen van financiële risico’s bij het beheer van publieke geldstromen en het doelmatig beheren van publieke middelen.

De algemene doelstelling is vertaald naar een aantal operationele doelstellingen, die in 2007 gedeeltelijk zijn gerealiseerd. De operationele doelstellingen worden in paragraaf 4.2.4 nader toegelicht.

Succesfactoren

Het behalen van bovenstaande doelstelling hangt af van:

– Het onderkennen van de voordelen van geïntegreerd middelenbeheer door daarvoor in aanmerking komende instellingen;

– De kwaliteit van de dienstverlening van het commerciële bankwezen ter afhandeling van het betalingsverkeer van de rijksoverheid.

4.2.2 Budgettaire gevolgen artikel 2 Kasbeheer

Tabel 7: Budgettaire gevolgen van beleid art.2 Kasbeheer (x € 1 mln.)1
Algemene beleidsdoelstelling:Het kasbeheer van het Rijk en van de instellingen, die aan de schatkist zijn gelieerd, optimaliseren.2003200420052006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Uitgaven3 6082 3972 8393 6254 0284 365– 337
Programma-uitgaven3 6072 3962 8383 6234 0264 364– 338
        
Rentelasten1 3991 5701 8362 1342 4852 303182
Verstrekte leningen1 3358261 0011 3791 2101 337– 127
Mutaties in rekening-courant en deposito’s287300110330724– 394
Uitgaven bij voortijdige beëindiging0010000
        
Apparaatuitgaven1112210
        
Ontvangsten6392 2492 9611 0461 1981 085113
Programma-ontvangsten6392 2492 9611 0461 1981 085113
Rentebaten357399485464462469– 7
Ontvangen aflossingen281562472579736616120
Mutaties in rekening-courant en deposito’s201 2881 9970000
Ontvangsten bij voortijdige beëindiging1073000

1 Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

2 De posten uitgaven mutaties in rekening-courant en deposito’s en ontvangsten mutaties in rekening-courant en deposito’s zijn gesaldeerd weergegeven.

4.2.3 Toelichting tabel budgettaire gevolgen van beleid

Omdat het toerekenen van de uitgaven en ontvangsten aan de operationele doelstellingen (zie paragraaf 4.2.4) geen extra cijfermatig inzicht geeft, wordt dit onderdeel van het beleidsartikel achterwege gelaten.

Rentelasten

De rentelasten zijn € 0,2 mld hoger dan begroot, omdat de korte rente in 2007 hoger was dan begroot. De rentelasten worden voor een groot deel bepaald door de rentevergoedingen op rekening courant tegoeden en kortlopende deposito’s.

Verstrekte leningen en ontvangen aflossingen

De nieuw verstrekte leningen zijn € 0,1 mld lager dan begroot. De aflossingen zijn € 0,1 mld hoger dan begroot.

Mutaties in rekening-courant en deposito’s

De saldi van de rekening-courant en deposito’s zijn gedaald. De daling is € 0,4 mld kleiner dan in de begroting is geraamd. De belangrijkste oorzaak hiervoor is de toename van de rekening courant saldi van de sociale fondsen. In de begroting was uitgegaan van een afname van de saldi.

4.2.4 Operationele doelstellingen

Operationele doelstelling 1

Het kasbeheer van de rijksoverheid en de aan haar gelieerde instellingen doelmatig inrichten.

Doelbereiking

Om publieke middelen risicoloos en met zo laag mogelijke rentelasten te beheren.

Instrumenten/activiteiten

• De verplichting tot het in de schatkist aanhouden van de middelen van Rijk, baten-lastendiensten, sociale fondsen en een deel van de RWT’s;

• Het via centrale financiering voorzien in de leenbehoefte van aan geïntegreerd middelenbeheer deelnemende instellingen;

• Het begeleiden en adviseren van de deelnemende instellingen.

Tabel 8: Prestatiegegevens
Prestatie-indicatorRealisatie 2007  
• Het aantal aan geïntegreerd middelenbeheer deelnemende RWT’sNee1  
• Het kwantitatieve voordeel van de deelname voor het RijkJa1  
• Het kwantitatieve voordeel van de deelname voor de RWT’sNee1  
IndicatorRealisatie 20052006Streefwaarde 2007Realisatie 2007
Aandeel deelnemende RWT’s95110155122
Voordeel Rijk (x € 1mln.):    
– jaarlijks4924317
– cumulatief1902142172231
Voordeel RWT’s (x € 1mln.):    
– jaarlijks54677057
– cumulatief1762433132300

1 Voor toelichting zie tekst onder de tabel.

2 Cumulatieve streefwaarde is aangepast aan de realisaties van 2006 (die waren bij de opstelling van de begroting nog niet bekend).

Het aantal aan geïntegreerd middelenbeheer deelnemende RWT’s is uitgekomen op 122: 97 verplichte deelnemers en 25 vrijwillige deelnemers (alle onderwijsinstellingen). De streefwaarde van 155 is hiermee niet gehaald. Hiervoor zijn twee oorzaken aan te wijzen. De eerste oorzaak betreft de lagere realisatie in 2006. In het begin van 2007 bedroeg het aantal deelnemers hierdoor geen 125 (zoals ingeschat in de begroting), maar 110. Daarnaast speelt mee dat er in 2007 veel verloop bij de afdeling Centraal Kasbeleid was. Deze afdeling is verantwoordelijk voor het accountmanagement van de RWT’s.

Verder is van belang dat met 17 gemeenten (niet meegeteld als RWT) afspraken zijn gemaakt over het project spoorse doorsnijdingen. De subsidies die gemeenten krijgen ten behoeve van dit project worden aangehouden in de schatkist.

Het voordeel voor de RWT’s en het Rijk wordt berekend met behulp van aannames en realisaties.

Voordeel voor de RWT’s

De Staat vergoedt interbancaire tarieven zonder op- of afslagen. De RWT’s hebben daarom voordeel bij de rente-vergoedingen op aangehouden rekening-courant tegoeden en ingelegde depositobedragen. Uitgegaan wordt van een voordeel voor de RWT’s van 1,0% van het rekening-courant tegoed en 0,5% voordeel van de deposito-inleg. Er is ook voordeel voor RWT’s bij leningen. De RWT’s profiteren van de voordelige tarieven waartegen de Staat zelf kan lenen, omdat de Staat de tarieven hanteert waartegen zij zelf leent. Dit geeft een voordeel voor RWT’s op het leenbedrag van 0,8%.

Uitgaande van bovenstaande veronderstellingen en de gerealiseerde tegoeden en leningen komt het voordeel voor de RWT’s uit op € 57 mln. Begroot werd een bedrag van € 70 mln. Het verschil van € 13 mln wordt veroorzaakt doordat er minder deelnemers zijn en minder inleg in de schatkist is dan begroot.

Voordeel voor het Rijk

Het voordeel voor het Rijk wordt berekend als een saldo van twee effecten. Dankzij de inbreng van middelen door de RWT’s hoeft het Rijk minder te lenen. Hier staat tegenover dat het Rijk een vergoeding geeft voor de inbreng. Per saldo ontstaat er winst voor het Rijk, omdat het Rijk veelal langlopende leningen afsluit en de tegoeden meer kortlopend zijn. Het voordeel vanwege de lagere leenbehoefte van het Rijk wordt berekend met behulp van een jaargangenmodel. De jaarlijkse inbreng van de RWT’s wordt gewaardeerd tegen de gemiddelde rentetarieven van de nieuwe staatsleningen in dat jaar. Optelling van de opgebouwde jaareffecten geeft een benadering van de baten van de lagere financieringsbehoefte als gevolg van het geïntegreerd middelenbeheer.

Het voordeel voor het Rijk is gelijk aan de opbrengsten (volgens het model) verminderd met het saldo van de gerealiseerde rente-uitgaven (vanwege rekening courant en deposito’s) en rente-ontvangsten (vanwege verstrekte leningen).

Het voordeel voor het Rijk komt dit jaar uit op € 17 mln. Dit is hoger dan begroot. Het verschil wordt onder meer veroorzaakt door aanpassing van het model. De aanpassing is nodig, omdat het oorspronkelijke model de baten van de lagere financieringsbehoefte onderschat.

In de komende evaluatie (gepland in 2008) van het geïntegreerd middelenbeheer zullen de gehanteerde veronderstellingen aan de orde komen. Ook het jaargangenmodel zal verder ontwikkeld worden.

Operationele doelstelling 2

Het betalingsverkeer van het Rijk betrouwbaar en efficiënt afwikkelen.

Doelbereiking

Om de kwaliteit van de dienstverlening bij het uitvoeren van het betalingsverkeer van het Rijk en de aanvaardbaarheid van de daaraan verbonden kosten te waarborgen.

Instrumenten/activiteiten

Regelmatig lopende contracten betalingsverkeer evalueren en opnieuw aanbesteden.

Toelichting instrumenten/activiteiten

Er worden twee prestatie-indicatoren gepresenteerd die een indicatie geven over de doelmatigheid waarmee het betalingsverkeer van de rijksoverheid wordt afgewikkeld:

1. Gemiddeld stukstarief: gerealiseerd gemiddeld stukstarief van de binnenlandse betalingen van de rijksoverheid. Het gemiddeld stukstarief heeft betrekking op de – qua aantallen – belangrijkste binnenlandse betaalproducten van de rijksoverheid: acceptgiro’s, incasso’s, gewone overschrijvingen en verzameloverschrijvingen.

2. Stukstarief als percentage van het markttarief: gemiddeld stukstarief van de binnenlandse betalingen van de rijksoverheid als percentage van het gemiddelde markttarief. Voor de berekening van het gemiddeld markttarief (het ijkpunt) wordt uitgegaan van de officiële zakelijke tarieven van vier grote banken (ING-Bank, Postbank, Rabobank, ABN AMRO Bank).

De realisatie van het gemiddeld stukstarief in 2007 bedroeg 3,0 eurocent. Dit blijkt neer te komen op 36% van het vergelijkbare markttarief. Hiermee zijn de streefwaarden gehaald.

Tabel 9: Prestatiegegevens
Prestatie-indicatorRealisatie 2007 
• gemiddeld stukstarief van de binnenlandse betalingen van de rijksoverheidJa 
• gemiddeld stukstarief van de binnenlandse betalingen van de rijksoverheid als percentage van het gemiddeld markttariefJa 
IndicatorRealisatie20052006Streefwaarde 2007*Realisatie 2007 
Gemiddeld stukstarief:      
– absoluut (in eurocenten) 4,33,03,03,0 
– als % van het markttarief 54373736 

* de streefwaarden zijn aangepast (van 4,1 naar 3,0 en van 52% naar 37%) op grond van de realisaties in 2006

4.2.5 Overzicht afgeronde onderzoeken

Type onderzoekOnderzoek onderwerpAD of OD1StartAfgerondVindplaats
Beleidsdoorlichting     
Effectenonderzoek ex-post     
Overig evaluatie onderzoekAccountmanagementOD 120082008 

1 AD = algemene beleidsdoelstelling, OD = operationele beleidsdoelstelling

Het voor 2007 geplande organisatieonderzoek dienstverlening/accountmanagement is naar 2008 doorgeschoven en zal onderdeel uitmaken van de evaluatie van het schatkistbankieren. In 2007 zijn er geen beleidsdoorlichtingen en effectenonderzoeken ex-post gestart of afgerond.

5. NIET-BELEIDSARTIKEL

5.1 Budgettaire gevolgen niet-beleidsartikel

Tabel 10: budgettaire gevolgen nominaal en onvoorzien (x € 1000)
Nominaal en onvoorzien    RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2003200420052006200720072007
Verplichtingen0000000
        
Uitgaven0000000
Prijsbijstelling0000000
Loonbijstelling0000000

5.2 Toelichting tabel budgettaire gevolgen van beleid

De bij de eerste suppletore begroting 2007 beschikbaar gestelde loon- en prijscompensatie (€ 114 000) is bij de tweede suppletore begroting verdeeld over de artikelen. De realisatie op dit artikel is derhalve nihil.

6. BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

Inleiding

Er wordt op een gestructureerde wijze aandacht besteed aan de bedrijfsvoering. Op basis van periodieke informatie over de beleids- en bedrijfsvoeringsprocessen en de risico’s die daarbij naar voren komen, wordt systematisch bewaakt of de doelstellingen op doelmatige en rechtmatige wijze worden gerealiseerd. Waar nodig wordt bijgestuurd.

Rechtmatigheid

Op basis van de mij beschikbare informatie zijn er geen onrechtmatigheden en/of onzekerheden geconstateerd die de tolerantiegrens op artikelniveau cq. hoofdstukniveau overschrijden.

Totstandkoming van niet-financiële beleidsinformatie

Op basis van de mij beschikbare informatie zijn er geen belangrijke tekortkomingen geconstateerd in de totstandkoming van niet-financiële beleidsinformatie.

Conclusie

Met inachtneming van de hierboven genoemde zaak, is over het begrotingsjaar 2007 sprake geweest van beheerste bedrijfsprocessen. Deze bedrijfsprocessen voorzien tevens in waarborgen voor een rechtmatige begrotingsuitvoering.

C. JAARREKENING

7. VERANTWOORDINGSSTAAT VAN NATIONALE SCHULD DEPARTEMENTALE VERANTWOORDINGSSTAAT (JAARVERSLAG) 2007 VAN DE NATIONALE SCHULD (IXA)

De financiële en niet-financiële toelichting op de departementale verantwoordingsstaat is opgenomen in het beleidsverslag.

Departementale verantwoordingsstaat (jaarverslag) 2007 van de Nationale Schuld (IXA)(x € 1000)
  (1)(2)(3)=(2)-(1)
Art.OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatie1Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
  VerplichtingenUitgavenOntvangstenVerplichtingenUitgavenOntvangstenVerplichtingenUitgavenOntvangsten
 TOTAAL 40 781 78326 251 509 40 346 58428 475 614 – 435 1992 224 105
           
 Beleidsartikelen 40 781 78326 251 509 40 346 58428 475 614 – 435 1992 224 105
01Financiering Staatsschuld36 416 22636 416 22625 166 33036 318 96936 318 96927 277 208– 97 257– 97 2572 110 878
02Kasbeheer4 365 5574 365 5571 085 1794 027 6154 027 6151 198 406– 337 942– 337 942113 227
           
 Niet-beleidsartikelen 00 00 00
03Nominaal en onvoorzien000 00000

1 De gerealiseerde bedragen zijn steeds naar boven afgerond.

Mij bekend,

De Minister van Financiën,

8. SALDIBALANS

NATIONALE SCHULD (IXA)

SALDIBALANS PER 31 DECEMBER 2007 (bedragen x € 1000)
DEBET CREDIT
OMSCHRIJVING31-12-200731-12-2006 OMSCHRIJVING31-12-200731-12-2006
1.Uitgaven t.l.v. de begroting 2006 41 692 982 2.Ontvangsten t.g.v. de begroting 2006 26 994 755
 Uitgaven t.l.v. de begroting 200740 346 583   Ontvangsten t.g.v. de begroting 200728 475 613 
3.Liquide middelen2011 6.Ontvangsten buiten begrotingsverband7 966 2936 500 236
4.Rekening-courant RHB(8 085 488)(10 275 246)     
5.Uitgaven buiten begrotingsverband4 180 7902 077 243     
 Sub-totaal36 441 90633 494 990  Sub-totaal36 441 90633 494 990
8.Extra-comptabele vorderingen12 540 8039 017 100 8a.Tegenrekening extra-compt.vorderingen12 540 8039 017 100
9a.Tegenrekening extra-compt. schulden228 966 362226 185 398 9.Extra-comptabele schul- den  228 966 362  226 185 398
10.Voorschotten00 10a.Tegenrekening voorschotten00
 Totaal-generaal277 949 070268 697 488  Totaal-generaal277 949 070268 697 488

8.1 Toelichting op de saldibalans

Algemene Toelichting

Alle bedragen zijn opgenomen tegen nominale waarden en vermeld in duizenden euro’s tenzij anders aangegeven. Relevante posten worden hieronder nader toegelicht. Hierbij is de nummering van de saldibalans aangehouden. Door afronding van bedragen op duizenden euro’s, kunnen totaaltellingen niet aansluiten bij de som der delen.

Specifieke toelichting per saldibalanspost

3. Liquide middelen.

De liquide middelen bestaan uit de saldi op bank- en girorekeningen en bij de kasbeheerders aanwezige kasgelden.

4. Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding.

Deze post geeft de financiële verhouding met de Rijkshoofdboekhouding weer. Er zijn twee rekening-courantverhoudingen, namelijk Geïntegreerd Middelen Beheer en het Agentschap. De bedragen zijn per 31 december 2007 niet in overeenstemming met de opgaven van de Rijkshoofdboekhouding.

In de saldibalans is het juiste bedrag opgenomen. De verschillen zijn volledig verklaarbaar. De rekeningen-courant Rijkshoofdboekhouding kunnen om technische redenen niet meer in het boekjaar 2007 worden gecorrigeerd. De correctie zal plaatsvinden in 2008.

5. Uitgaven buiten begrotingsverband.

Deze post kan als volgt worden gespecificeerd.

 Ultimo 2007Ultimo 2006
Te realiseren (dis)agio910 126893 172
Vooruitbetaalde rente onderhandse leningen385397
Te ontvangen rente swaps2 570 669701 695
Vooruitbetaalde disconto223 111131 820
Te ontvangen rente vlottende schuld344 353211 614
Te ontvangen rente m.b.t. GMB132 147138 544
Totaal4 180 7912 077 243

6. Ontvangsten buiten begrotingsverband.

Deze post kan als volgt worden gespecificeerd.

 Ultimo 2007Ultimo 2006
Te betalen rente onderhandse leningen53 46452 162
Te betalen rente openbare schuld5 063 0805 508 799
Te betalen rente swaps2 430 487580 456
Te betalen rente vlottende schuld353 524206 034
Derden van het Agentschap16 386112 977
Te betalen rente m.b.t. GMB49 35238 804
Overige01 004
Totaal7 966 2936 500 236

8. Extra-comptabele vorderingen.

Deze post kan als volgt worden gespecificeerd.

 Ultimo 2007Ultimo 2006
Callgeldleningen u/g3 050 0000
Overige vorderingen6060
Verstrekte leningen baten-lastendiensten6 497 6956 346 043
Verstrekte leningen RWT’s en derden2 993 0482 670 997
Totaal12 540 8039 017 100

9. Extra-comptabele schuld.

Deze post kan als volgt worden gespecificeerd.

 Ultimo 2007Ultimo 2006
Vaste schuld  
– Staatsschuld192 238 800197 638 599
   
Vlottende schuld  
– Dutch Treasury Certificates16 810 00013 950 000
– Callgeldleningen o/g5 075 0000
– Sell/Buy back transacties586 1839 968
– RC baten-lastendiensten873 3371 345 178
– RC RWT’s en derden1 822 2951 983 608
– RC Sociale Fondsen7 756 7897 572 324
– Overig183144
   
Overige schuld  
– Deposito’s baten-lastendiensten206 000109 700
– Deposito’s RWT’s en derden3 597 7753 575 876
Totaal228 966 362226 185 398

De extra-comptabele schulden hebben betrekking op in het verleden binnen begrotingsverband geboekte ontvangsten, waarvan op termijn nog verrekening met derden zal plaatsvinden. Deze post betreft voornamelijk de staatsschuld (vaste schuld € 192,2 mld. en vlottende schuld € 22,5 mld.). Daarnaast bevatten de extra-comptabele schulden ook de schulden die betrekking hebben op de verhoudingen tussen de RHB en de deelnemers aan geïntegreerd middelenbeheer.

De rekening-courant tegoeden vallen onder de vlottende schuld omdat ze direct opvraagbaar zijn.

Instellingen die deelnemen aan het geïntegreerd middelenbeheer kunnen lenen. De afgesloten leningen zijn vorderingen van de Staat op de deelnemers (publieke instellingen).

Deze vorderingen bedragen ultimo 2007 € 9,5 mld., 70% van de vorderingen zijn ontstaan voor 2005 en 30% is ontstaan in de afgelopen 3 jaar. In elk jaar ongeveer een gelijk deel (10%).

Deelnemers aan het geïntegreerd middelenbeheer kunnen ook deposito’s plaatsen. Hierdoor ontstaat een schuld van de Staat aan de deelnemers. De deposito’s zijn voor het overgrote deel kortlopende deposito’s. Circa 95% van de lopende deposito’s zijn gestart in 2007.

Totaal is per ultimo 2007 een bedrag van € 3,8 mld. via deposito’s ingebracht.

Voor een specificatie naar uitgiftejaar van de stand van de vaste schuld per 31 december 2007 wordt verwezen naar onderstaand overzicht.

Specificatie van de vaste schuld naar jaar van uitgifte1per 31 december 2007 (bedragen x 1 mln. euro)
Jaar van uitgifteOpenbaarOnderhandsTotaal
Vóór 199129,880,0109,8
19910258,5258,5
19920784,0784,0
19939 806,5198,010 004,5
1994028,528,5
1995529,576,3605,8
1996013,313,3
1997000
199820 004,827,820 032,6
199911 063,0011 063,0
200010 227,4010 227,4
200112 455,0012 455,0
200212 427,0012 427,0
200322 799,4022 799,4
200423 831,3023 831,3
200532 349,2032 349,2
200623 094,5023 094,5
200712 155,0012 155,0
Totaal2190 772,41 466,4192 238,8

1 Jaar van eerste uitgifte betekent dat ingeval van een heropening van een lening, het bedrag wordt opgenomen bij het oorspronkelijke jaar van eerste uitgifte van de (heropende) lening.

2 Door afronding kan de som van de componenten afwijken van het totaal.

D BIJLAGE

9.1 Lijst met afkortingen

AOWAlgemene Ouderdomswet
BBPBruto Binnenlands Product
CPCommercial Paper
DDADutch Direct Auction
DSLDutch State Loan
DTCDutch Treasury Certificate
EMUEconomic and Monetary Union
EONIAEuropean OverNight Index Average
FESFonds Economische Structuurversterking
GMBGeïntegreerd Middelen Beheer
RWTRechtspersoon met een Wettelijke Taak
SEPASingle Euro Payments Area

9.2 Begrippenlijst

Agio

De premie die wordt betaald boven op de nominale waarde van een obligatie. Als de couponrente van een lening hoger is dan de marktrente, heeft de betreffende lening een agio.

AOW-spaarfonds

Fonds waarin de, voor de toekomstige AOW-uitgaven geoormerkte schuldreductie wordt bijgehouden. Hiertoe vinden vanaf 1997 stortingen in het fonds plaats en over de als geheel ten gunste van het fonds geboekte bedragen wordt jaarlijks rente bijgeboekt. Het fonds maakt deel uit van de collectieve sector.

Basisrisicobedrag

Het bedrag waarover in een bepaald begrotingsjaar de rente opnieuw moet worden vastgezet. Dit bedrag is de stuurvariabele uit het risicokader voor 2003–2007. Het basisrisicobedrag in een jaar is gelijk aan het her te financieren bedrag (de aflossingen op bestaande staatsleningen vermeerderd met de stand van de geldmarkt ultimo van het vorige jaar) plus het bedrag aan renteswaps waarvoor de rente opnieuw moet worden vastgesteld.

Baten-lastendienst

Een onderdeel van de rijksoverheid waarvoor afwijkende beheersregels gelden gericht op het bevorderen van bedrijfsmatig werken. Belangrijk aspect hierbij is dat het batenlastenstelsel wordt toegepast en de dienst toegang heeft tot een leen- en depositofaciliteit bij de minister van Financiën.

Commercial Paper (CP)

Schuldbewijzen met een korte looptijd die kunnen worden ingezet om tijdelijke kastekorten van het Rijk te financieren. CP is een geldmarktinstrument dat wordt uitgegeven en verhandeld op discontobasis. CP kent flexibele uitgiftemomenten en looptijden. Bovendien bestaat de mogelijkheid uit te geven in vreemde valuta. CP is een aanvulling op het DTC programma voor wat betreft de kortere looptijden.

Comptabiliteitswet 2001

In de Comptabiliteitswet 2001 is het beheer van de financiën van het Rijk vastgesteld. De diverse hoofdstukken in deze wet gaan in op onder andere de begroting, het begrotingsbeheer en de bedrijfsvoering van het Rijk, het toezicht van de ministers en de verantwoording van het Rijk.

Deposito

Het deposito is geld dat door een belegger voor een bepaalde rentevaste periode tegen een rentevergoeding is ondergebracht bij een bank of – in het geval van geïntegreerd middelenbeheer – bij de schatkist van de Rijksoverheid. De looptijd van een deposito kan variëren van een dag (zogeheten daggeld) tot meerdere jaren.

Dutch State Loans (DSL’s)

Engelse benaming voor Nederlandse staatsleningen.

Dutch Treasury Certificates (DTC’s)

Engelse benaming voor Nederlands schatkistpapier. Schuldbewijzen met een korte looptijd uitgegeven door het Rijk om tijdelijke kastekorten van het Rijk te financieren. DTC’s worden uitgegeven en verhandeld op discontobasis. DTC wordt uitgegeven in looptijden van 3 tot en met 12 maanden op vooraf vastgestelde data.

EMU-schuld

Het totaal van de uitstaande leningen ten laste van de gehele collectieve sector. Dit is de optelsom van de uitstaande leningen ten laste van het Rijk, de sociale fondsen en de lokale overheid, minus de onderlinge schuldverhoudingen tussen deze drie subsectoren. De EMU-schuld is een brutoschuldbegrip.

Eonia-swap

Een Eonia-swap is een specifieke vorm van een renteswap, waarbij een vaste rente wordt geruild tegen de variabele Eonia rente (European OverNight Index Average). Eonia is de gemiddelde daggeld rente, die dagelijks word vastgesteld door de ECB.

FES

Het Fonds Economische Structuurversterking wordt gevoed met een deel van de aardgasbaten, alsmede met de rentevrijval (na dividendderving) samenhangend met de ontvangsten uit de verkoop van staatsdeelnemingen, of uit opbrengsten van veilingen van etherfrequenties. De middelen uit het FES worden gereserveerd voor investeringsprojecten van nationaal belang die de economische structuur versterken. Het betreft een verdeelfonds: vanuit het fonds worden bijdragen toegekend aan andere begrotingen van het Rijk.

Gecentreerde portefeuille

Een portefeuille die gekenmerkt wordt door een gelijkmatig aflosprofiel dat in stand gehouden kan worden door voortdurend in één en dezelfde looptijd leningen uit te geven.

Geïntegreerd middelenbeheer

Het bundelen van publieke middelen gericht op een doelmatig kasbeheer. Publieke middelen zijn middelen die verkregen zijn bij of krachtens de wet ingestelde heffing(en).

Gevestigde schuld

Leningen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar. Wordt veelal aangeduid met de term vaste schuld.

Liquiditeit

In een markt met voldoende liquiditeit kunnen grote aan- en verkooporders verhandeld worden zonder dat dit een substantieel effect op de prijs (koers) heeft.

Nationale schuld

Vaste (gevestigde) en vlottende schuld van de Staat zoals die samenhangt met het artikel Financiering staatsschuld en het artikel Kasbeheer in deze begroting.

Primary Dealers

Sinds 1999 maakt de Staat gebruik van een stelsel van Primary Dealers voor de distributie en promotie van Nederlandse staatsleningen. Het stelsel bestaat uit 13 banken. Bij het samenstellen van de groep Primary Dealers wordt veel aandacht besteed aan een goede balans tussen banken die zijn gericht op de lokale, de regionale, en de mondiale markten. Deze balans is gewenst met het oog op het bereiken van een brede spreiding aan eindbeleggers in Nederlandse staatsobligaties.

Het belangrijkste doel van de samenwerking met de Primary Dealers is om de markt voor Nederlandse staatsleningen liquide te houden. Met alle Primary Dealers is een éénjarig contract aangegaan. De Primary Dealers verplichten zich om DSL’s af te nemen, te verspreiden en te promoten. Tot de verplichtingen hoort ook een maandelijkse rapportage over de verrichte activiteiten. Tegenover deze verplichtingen staat het exclusieve recht om DSL’s bij het Agentschap af te nemen en gebruik te maken van de repo- en stripfaciliteit. De Primary Dealers ontvangen daarnaast een financiële vergoeding die afhankelijk is van de afgenomen hoeveelheid DSL’s bij emissies.

Rechtspersoon met een Wettelijke Taak (RWT)

Een zelfstandige organisatie die in een wet geregelde taak uitvoert met behulp van publiek geld, welk geld is verkregen bij of krachtens de wet ingestelde heffing.

Rekening-courant

Een rekening waarover in de regel giraal betalingsverkeer wordt afgewikkeld en waaruit (een deel van) de onderlinge financiële verhouding is op te maken tussen de houder van de rekening en de instelling alwaar de rekening wordt aangehouden.

Rekenrente

Boekhoudkundig veronderstelde rente in begroting en meerjarencijfers.

Renteswap

Een renteswap is een contract tussen twee partijen waarin wordt overeengekomen om gedurende de looptijd een vaste rente te ruilen tegen een variabele rente (meestal 6 of 3 maanden).

Repofaciliteit

Een instrument om de liquiditeit van staatsleningen en DTC’s te garanderen. Onder bepaalde condities kunnen Primary Dealers (en in het geval van DTC’s ook Single Market Specialists) in geval van schaarste staatsleningen of DTC’s lenen van de Staat tegen een vergoeding.

Schatkistsaldo

Saldo op de rekening van het Rijk bij De Nederlandsche Bank.

SEPA betaalproducten

SEPA (Single Euro Payments Area) is een marktgedreven initiatief en dient er voor te zorgen dat burgers en bedrijven in de Eurozone met dezelfde betaalmiddelen (giro-enbankoverschrijvingen, automatische incasso en kaartbetalingen) en onder dezelfde voorwaarden hun betalingen kunnen afhandelen binnen de gehele Eurozone. In dat kader hebben de Europese banken Europese standaarden opgesteld waaraan zij hun betaalproducten willen laten gaan voldoen.

Single Market Specialists

Een aantal geselecteerde banken die naast de Primary Dealers deelnemen aan het DTC-marktstelsel, een in 2001 op initiatief van de Nederlandse Staat gestart marktstelsel. Onderdeel van het stelsel is de quotering van DTC’s op MTS Amsterdam. In het stelsel nemen zowel Primary Dealers als een aantal geselecteerde banken deel, die zich Single Market Specialists mogen noemen. Naast de verplichting tot het quoteren krijgen deze partijen exclusief toegang tot de elektronische veilingen DTC’s. Ook kunnen de partijen beroep doen op een repofaciliteit voor DTC’s.

Staatsschuld

Het totaal van de uitstaande geldelijke leningen van de Staat (vaste en vlottende schuld) is de bruto staatsschuld. Leningen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar vormen de vaste (gevestigde) staatsschuld. Leningen met een oorspronkelijke looptijd van maximaal één jaar vormen de vlottende staatsschuld. Soms wordt een ruimere definitie gebruikt voor de vlottende staatsschuld, namelijk bestaande uit leningen met een oorspronkelijke looptijd van maximaal twee jaar. De staatsschuld is niet gelijk aan de EMU-schuld, die een breder begrip meet.

Strip- en destripfaciliteit

Een stripfaciliteit stelt beleggers in staat een bepaalde lening te ontbinden. Dat betekent dat de hoofdsom en elk van de coupons van de specifieke lening apart verhandeld kunnen worden. Een destripfaciliteit daarentegen biedt de mogelijkheid om een reeks van coupons aan een hoofdsom te binden en op deze manier een nieuwe lening te creëren.

Vaste schuld

Leningen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar. Wordt ook wel gevestigde schuld genoemd.

Vlottende schuld

Leningen met een oorspronkelijke looptijd van maximaal één jaar.

Naar boven