31 421
Besluit houdende wijziging van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. en enige andere besluiten in verband met het afleggen van centraal examen in een vak op hoger niveau, de vereenvoudiging van aanwijzing van gecommitteerden en enige andere aanpassingen

nr. 2
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 8 mei 2008

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 hebben enkele fracties de behoefte om enkele vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mw. Van Bijsterveldt-Vliegenthart van 9 april 2008 inzake het besluit van 31 maart 2008, houdende wijziging van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. en enige andere besluiten in verband met het afleggen van centraal examen in een vak op hoger niveau, de vereenvoudiging van aanwijzing van gecommitteerden en enige andere aanpassingen (Kamerstuk 31 421, nr. 1).

Bij brief van 8 mei 2008 heeft de staatssecretaris deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van de Camp

Adjunct-griffier van de commissie,

Arends

Inhoudsopgave

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties 2

1.1 Algemeen 2

1.2 Vervangend vak 2

1.3 Extra vak 3

1.4 Fries 3

1.5 Tweede correctie 3

II Reactie van de staatssecretaris 4

I VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

1.1 Algemeen

De leden van de PvdA-fractie hebben met enige zorg kennisgenomen van de onderhavige wijziging in het examenbesluit. Deze leden juichen toe dat het mogelijk wordt gemaakt dat vmbo-leerlingen examens kunnen afleggen op een hoger niveau, maar betreuren dat nog altijd rigide wordt vastgehouden aan het idee dat de zwakste vakken het niveau van het gehele diploma bepalen.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris en van het achterliggende besluit. Zij zijn tevreden over het feit dat scholen meer maatwerk kunnen gaan leveren, bijvoorbeeld door leerlingen een vak op een hoger niveau te laten volgen. Hoewel zij groot voorstander zijn van maatwerk, hebben zij nog wel enkele vragen en opmerkingen over de uitvoering.

1.2 Vervangend vak

De leden van de CDA-fractie zien de mogelijkheid om vakken op een hoger niveau te kunnen afsluiten in het vmbo dit als een uitdaging aan leerlingen om te excelleren op die vakgebieden waar zij hun talenten hebben. Zij hebben deze mogelijkheid al vaker aangedragen en zijn daarom verheugd dat het nu echt mogelijk wordt. De vraag is nog wel of deze mogelijkheid er ook is voor havo-leerlingen om een vak op vwo-niveau te doen, zo vragen zij.

De leden van de SP-fractie constateren dat het nog steeds niet mogelijk is om een vak te volgen op een lager niveau. Als een leerling in het vmbo alleen op één vak het niveau niet haalt, moet hij gedwongen alle andere vakken ook op een lager niveau te volgen. In haar brief van 21 december 20071 stelt de staatssecretaris dat «het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt zouden hierdoor geen scherp zicht meer hebben op de kennis en kunde van leerlingen, wat de overgang van vmbo naar mbo allesbehalve ten goede komt». Voor welke vakken gaat dit op, zo vragen zij. Is de staatssecretaris ook deze mening toegedaan wanneer het gaat om vakken die niet of minder relevant zijn voor de vervolgopleiding op het middelbaar beroepsonderwijs (mbo)? Deze leden zijn benieuwd naar de ernstige uitvoeringsproblemen waar de staatssecretaris over schrijft in haar brief van 21 december 2007 in reactie op de vraag van de Kamer of een leerling die een vak op een hoger niveau heeft gevolgd, maar het examen niet heeft gehaald, de herkansing mag doen op het oude niveau.2 De staatssecretaris wijst in dit verband op de voorschriften voor «een juiste registratie van de examengegevens bij de IB-Groep ten behoeve van de toezichthoudende taak van de Inspectie».3 Om welke voorschriften gaat het en waarom zijn de problemen hiermee zo ernstig wanneer iemand een herexamen zou doen op een ander niveau dan het originele examen, zo vragen zij. Zij vragen tevens wat er nodig zou zijn om deze voorschriften te wijzigen zodat een herkansing op het oude niveau wel mogelijk is en wat de kosten zijn die hieraan verbonden zijn.

1.3 Extra vak

De leden van de CDA-fractie merken op dat bij het kiezen van een extra vak het niet mogelijk is om een beroepsgericht «extra vak» uit een hogere leerweg te kiezen. Zij vragen wat hiervan de reden is. Is dit een technische onmogelijkheid of een onwenselijke keuze, zo vragen zij. Zij wensen graag een nadere toelichting.

1.4 Fries

De leden van de CDA-fractie merken op dat de mogelijke toevoeging van de Friese taal en cultuur tegemoet komt aan de door hen gewenste aandacht voor de levende streektalen. De Friese taal is immers ook Europees erkend.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering ook nader kan verhelderen wat de relevantie voor het vervolgonderwijs en voor de arbeidsmarkt is, dat vmbo-leerlingen voortaan het vak Fries als extra vak kunnen kiezen in de vrije ruimte van de beroepsgerichte leerwegen. Kan de regering melden in hoeverre dit extra vak in de vrije ruimte bij de beroepsgerichte leerwegen voorziet in een behoefte, zo vragen zij.

1.5 Tweede correctie

De leden van de CDA-fractie constateren dat het nakijken van het centraal examen zeer consciëntieus wordt gedaan. Velen nemen een steekproef als ze de tweede correctie moeten doen. Pas als daaruit blijkt dat de eerste correctie niet in orde is, gaat men alles helemaal nakijken. Dat is tot nu toe in de praktijk een veel gebruikt systeem gebleken. Dit is met name ingegeven door de grote hoeveelheden correctie die deze groep leraren in heel korte tijd moet verrichten. Moet uit de toelichting bij het besluit worden afgeleid, dat de tweede correctie niet langer bij steekproef kan worden uitgevoerd en er derhalve sprake dient te zijn van een volledige tweede correctie, zo vragen deze leden. Dit zal leiden tot een verzwaring van de taak van de leraren. De vraag is of hiervoor maatregelen moeten worden getroffen, zodat de belasting van de groep leraren met een correctietaak niet onevenredig zwaar wordt. Verder is de vraag of het aanwijzen van de gecommitteerde door het bevoegd gezag voldoende onafhankelijkheid waarborgt.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat docenten de eerstbetrokkenen zijn bij de correctie van de eindexamens. Dat blijkt niet in het voorstel van de regering. In de nota van toelichting schrijft de regering dat er overleg heeft plaatsgehad met «de betrokken organisaties, te weten: Inspectie, CEVO, Cito en de VO-Raad» en dat dit heeft geleid tot een gezamenlijk plan van aanpak van OCW «met alle betrokken organisaties». Maakt de regering hierbij een onderscheid tussen «de betrokken organisaties» en «alle betrokken organisaties», zo vragen deze leden. Zo ja, waarom zijn de overige organisaties dan niet in een eerder stadium betrokken? Zo neen, waarom zijn dan bijvoorbeeld de vakinhoudelijke verenigingen niet betrokken, zo vragen zij.

Zij vragen welke voordelen de regering erin ziet dat niet de schoolleiding van een vestiging, maar het bevoegd gezag, dat meestal op duidelijk grotere afstand van de onderwijspraktijk staat, contact moet opnemen indien de examinator en de gecommitteerde niet tot overeenstemming kunnen komen over de beoordeling van examenwerk. Is het niet beter om het meningsverschil dicht bij de professionals te leggen in plaats dat het een kwestie wordt tussen bevoegde gezagen, zo vragen zei. Deze leden krijgen berichten dat het voor verschillende vakken ondoenlijk zou zijn als men bij de tweede correctie niet zou mogen volstaan met een steekproefsgewijze controle, maar al het werk van de eerste correctie opnieuw zou moeten nakijken. Zij wijzen in dit verband op een ontvangen brief van mw. Hommel-Rozendaal, ruim dertig jaar docent in het voortgezet onderwijs. Kan de staatssecretaris zich voorstellen dat een leraar de bepalingen ervaart als beleid «over de leraar, zonder de leraar», zo vragen zij. Wat is in het bijzonder de reactie van de staatssecretaris op haar stelling: «Een generieke maatregel die veel hardwerkende mensen treft om een kleine groep die niet goed functioneert in het gareel te houden, is meestal een slechte oplossing. De groep die niet goed functioneert vindt wel een oplossing om er onderuit te komen, de hardwerkende, serieuze groep is de dupe».1 Is het de bedoeling dat tweede correctoren al het werk minutieus nakijken of dat ze middels een steekproef de kwaliteit van de eerste correctie beoordelen, zo vragen zij. Als het eerste het geval is, realiseert de staatssecretaris zich dan hoe werkdrukverhogend dit werkt in de korte periode die beschikbaar is en dat dit eigenlijk een motie van wantrouwen richting de examinatoren is, zo vragen zij.

Als een school vakbekwame docenten voor de klas zet, dan moet ze erop kunnen vertrouwen dat dezen de centrale examens nauwgezet nakijken. Kan de staatssecretaris daarom nader toelichten wat de meerwaarde ervan is dat voortaan een handtekening van het bevoegd gezag wordt vereist naast de handtekening van de docent, zo vragen deze leden. Wat moet zo’n handtekening betekenen zolang wij niet verlangen dat het bevoegd gezag er weer een volgende correctieronde aan wijdt, zo vragen zei.

II REACTIE VAN DE REGERING

Met belangstelling heeft de regering kennis genomen van de reacties van de fracties op het besluit van 31 maart 2008, houdende wijziging van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. en enige andere besluiten in verband met het afleggen van centraal examen in een vak op hoger niveau, de vereenvoudiging van aanwijzing van gecommitteerden en enige andere aanpassingen. In deze nota naar aanleiding van het verslag, mede uitgebracht namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, zal de regering ingaan op de vragen die over het onderhavige besluit zijn gesteld. Daarbij wordt de indeling van het verslag als uitgangspunt genomen. Daar waar dat een adequate beantwoording van de vragen ten goede komt, zijn vragen bijeengenomen en gezamenlijk beantwoord.

1.1 Algemeen

Het verheugt de regering dat de fractieleden van de PvdA, SP, CDA met tevredenheid kennis hebben genomen van de mogelijkheid dat vmbo-leerlingen examens kunnen afleggen op een hoger niveau. De leden van de PvdA-fractie betreuren het dat de zwakste vakken het niveau van het gehele diploma bepalen. De leden van genoemde fracties hebben nog enkele vragen en opmerkingen.

1.2 Vervangend vak

De leden van de CDA-fractie zien de mogelijkheid om vakken op een hoger niveau te kunnen afsluiten in het vmbo als een uitdaging aan leerlingen om te excelleren op die vakgebieden waar zij hun talenten hebben. Zij hebben deze mogelijkheid al vaker aangedragen en zijn daarom verheugd dat het nu echt mogelijk wordt. Wel vragen deze leden of het ook mogelijk is voor havo-leerlingen om een vak op vwo-niveau te doen.

Met ingang van 1 augustus 2007 is de Wet op het voortgezet onderwijs gewijzigd door de wet van 27 april 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs ter aanpassing van de profielen in de tweede fase van het vwo en het havo (Stb. 251) (Zie Kamerstukken II, 2005/06, 30 187, nr. 3 voor de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.) Met deze wetswijziging is voorzien in de mogelijkheid dat een havo-leerling een havo-vak mag vervangen door het overeenkomstige vwo-vak. De wijziging per 1 augustus 2007 op o.a. het Eindexamenbesluit bij het Besluit van 22 december 2006 in verband met wijziging van de wettelijke bepalingen over de tweede fase van het havo en vwo (Stb. 24, 2007), geeft hier uitvoering aan.

De leden van de SP-fractie constateren dat het nog steeds niet mogelijk is om een vak te volgen op een lager niveau. Zij trekken hieruit de conclusie dat een leerling in het vmbo gedwongen alle andere vakken ook op een lager niveau moet volgen als hij alleen op één vak het niveau niet haalt.

Onder verwijzing naar de vmbo-brief van de staatssecretaris d.d. 21 december 2007 (Kamerstukken II, 2007/08, 30 079, nr. 9), waarin zij stelt dat «het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt hierdoor geen scherp zicht meer zouden hebben op de kennis en kunde van leerlingen, wat de overgang van vmbo naar mbo allesbehalve ten goede komt, vragen zij voor welke vakken dit opgaat en of de staatssecretaris deze mening ook is toegedaan wanneer het gaat om vakken die niet of minder relevant zijn voor de vervolgopleiding op het mbo.

Vooraleer is het voor de regering van belang dat de werkgever of het ontvangend onderwijs zicht heeft op de structuren van het vmbo. Het behoud van de identiteit van de leerweg met elk een eigen niveau en alle examenvakken daarbinnen is daarbij onontbeerlijk. De onduidelijkheid van de kennis en kunde van leerlingen door de mogelijkheid om vakken af te sluiten op een lager niveau is dan ook met de invoering van de leerwegen, die elk hun eigen niveau kennen, komen te vervallen. De intentie van de voorliggende maatregel is de leerling met behoud van de bestaande onderwijsstructuren de mogelijkheid te bieden één of meer vakken op een hoger niveau af te sluiten en daarmee te excelleren.

Door dit samenhangende geheel gaat de doorstoomrelevantie dan in principe ook op voor alle examenvakken binnen een leerweg. Ook voor de vakken die niet of minder relevant zouden zijn voor de vervolgopleiding op het mbo. Indien een leerling op onderdelen van het onderwijsprogramma van zijn leerweg kan excelleren door examen in vakken van een hoger niveau af te leggen, komt dit tot uitdrukking op de cijferlijst behorend bij het diploma van de leerweg waarvoor de leerling is geselecteerd en in is geplaatst: het niveau waarop hij ten minste in alle vakken kan presteren. De leerling creëert door wat hij meer presteert extra kansen bij de aansluiting op het vervolgonderwijs.

De leden van de SP-fractie zijn benieuwd naar de ernstige uitvoeringsproblemen waar de staatssecretaris over schrijft in haar brief van 21 december 2007 (Kamerstuk 30 079, nr. 9) in reactie op de vraag van de Kamer of een leerling die een vak op een hoger niveau heeft gevolgd, maar het examen niet heeft gehaald, de herkansing mag doen op het oude niveau. Deze leden vragen aansluitend naar de voorschriften waar zij op wijst voor een juiste registratie van de examengegevens bij de IB-Groep ten behoeve van de toezichthoudende taak van de Inspectie en waarom het afleggen van een herexamen op een ander niveau dan het originele examen problemen op zou leveren.

Een en ander volgt uit de huidige examensystematiek. In de meeste gevallen wordt het eindcijfer van een vak bepaald door het cijfer van het schoolexamen en het cijfer van het centraal examen volgens het examenprogramma van een vak in één en hetzelfde niveau. Voorwaarde voor toelating tot het centraal examen in een vak is dat het desbetreffende schoolexamen is afgesloten voor de aanvang van het eerste tijdvak van het centrale examen. Scholen leveren derhalve volgens bedoeld voorschrift ten minste drie dagen voor de aanvang van de centrale examens in het eerste tijdvak de behaalde resultaten voor het schoolexamen van de kandidaten aan bij de Inspectie (via het onderwijsnummer/IB-Groep) ten behoeve van haar toezichthoudende taak. Na registratie staan deze behaalde resultaten en het niveau vast. Deze aanlevering is bepalend voor het niveau waarin het centrale examen wordt afgelegd. Het nog wijzigen na dit moment zou de validiteit en betrouwbaarheid van het eindexamen ondermijnen. Bovendien zou de inspectie bij het toezien op de kwaliteit van de uitvoering van de examens en handhaving van de wet- en regelgeving ernstig belemmerd worden. Voorts wordt gelegenheid geboden om «opnieuw» centraal examen af te leggen in één vak waarin al examen is afgelegd. Hieruit vloeit voort dat de herkansing niet anders dan op hetzelfde niveau kan plaatsvinden. Het wijzigingen van deze systematiek ondermijnt de grondslag van het huidige stelsel en een verantwoord examensysteem dat een maatschappelijk geaccepteerde status heeft.

1.3 Extra vak

De leden van de PvdA-fractie zien graag toegelicht waarom het niet mogelijk is om een beroepsgericht vak als extra vak uit een hogere leerweg te kiezen.

Het examenprogramma beschrijft zoveel stof dat de gemiddelde omvang van een beroepsgericht programma 960 uren omvat in de basis- en kaderberoepsgerichte leerweg. Dit maakt ook het volgen van een extra beroepsgericht vak dus feitelijk al onmogelijk.

1.4 Fries

De leden van de PvdA-fractie vragen verheldering over de relevantie voor het vervolgonderwijs en voor de arbeidsmarkt dat vmbo-leerlingen voortaan het vak Fries als extra vak kunnen kiezen in de vrije ruimte van de beroepsgerichte leerwegen.

De behoefte hieraan ontstaat bij de uitoefening van stage/werk in dienstverlenende beroepen, zoals bijvoorbeeld de zorg, in de provincie Friesland. In beroepen waarbij communicatie essentieel is voor betrokken partijen (zowel verzorgers als clientèle) is men erbij gebaat als de Friese taal verstaan en gesproken wordt.

1.5 Tweede correctie

De leden van de CDA-fractie constateren dat het nakijken van het centraal examen zeer consciëntieus wordt gedaan. Tegelijkertijd geven zij aan wat tot nu toe in de praktijk een veel gebruikt systeem is gebleken. Namelijk dat velen een steekproef nemen als ze de tweede correctie moeten doen. Pas als daaruit blijkt dat de eerste correctie niet in orde is, gaat men alles helemaal nakijken. Dit zou met name zijn ingegeven door de grote hoeveelheden correctie die deze groep leraren in heel korte tijd moet verrichten.

De leden van de CDA-fractie vragen of uit de toelichting bij het besluit moet worden afgeleid dat de tweede correctie niet langer bij steekproef kan worden uitgevoerd, maar er sprake dient te zijn van een volledige tweede correctie. Bij een volledige tweede correctie gaan zij uit van een verzwaring van de taak van de leraren met de vraag of daar geen maatregelen voor getroffen moeten worden.

De leden van de PvdA-fractie krijgen berichten dat het voor verschillende vakken ondoenlijk zou zijn als men bij de tweede correctie niet zou mogen volstaan met een steekproefsgewijze controle, maar al het werk van de eerste correctie opnieuw zou moeten nakijken. Zij wijzen in dit verband op een ontvangen en bijgesloten brief van mw. Hommel-Rozendaal (nr. OCW0800418), ruim dertig jaar docent in het voortgezet onderwijs. Deze fractieleden vragen of de staatssecretaris zich voor kan stellen dat een leraar de bepalingen ervaart als beleid «over de leraar, zonder de leraar» en wat in het bijzonder de reactie van de staatssecretaris is op de stelling uit de brief: «Een generieke maatregel die veel hardwerkende mensen treft om een kleine groep die niet goed functioneert in het gareel te houden, is meestal een slechte oplossing. De groep die niet goed functioneert, vindt wel een oplossing om er onderuit te komen, de hardwerkende, serieuze groep is de dupe». Is het de bedoeling dat tweede correctoren al het werk minutieus nakijken of dat ze middels een steekproef de kwaliteit van de eerste correctie beoordelen, zo vragen zij. Als het eerste het geval is, realiseert de staatssecretaris zich dan hoe werkdrukverhogend dit werkt in de korte periode die beschikbaar is en dat deze eigenlijk een motie van wantrouwen richting de examinatoren is, zo vragen zij.

De tweede correctie is een tweede beoordeling (van het «examenwerk» en niet van de examinator). Deze moet dus volledig worden uitgevoerd. Dit werk kan niet steekproefsgewijs worden uitgevoerd vanwege de gelijke behandeling van de individuele leerling. Het is nooit de bedoeling geweest dat de tweede correctie bij steekproef wordt verricht. Juist de constatering hiervan heeft mede geleid tot maatregelen ter verbetering van de tweede correctie bij de centrale examens. Dit besluit wijzigt of verzwaart dan ook niet de wijze waarop aan de tweede correctie inhoudelijk vorm wordt gegeven noch de taak van een docent. Het uitvoeren van een tweede correctie bij de eindexamens heeft altijd een onderdeel uitgemaakt van het takenpakket van de docent. Destijds opgenomen in de taakomschrijving van de docent in het Kaderbesluit rechtspositie Voortgezet Onderwijs, Bijlage 3 Taakkarakteristiek leraren voortgezet onderwijs, onderdeel 4b. In verband met de verdere decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden is het bevoegd gezag van de school verantwoordelijk voor zowel de functiewaardering als de functiebeschrijving. Volgens de CAO-VO formuleert de werkgever personeelsbeleid waarin in elk geval aandacht wordt besteed aan «taakbeleid». Hiermee wordt een evenwichtige spreiding van de werkzaamheden beoogd om zo de werkdruk van individuele docenten te verlagen.

Voorts is de vraag van de leden van de CDA-fractie of het aanwijzen van de gecommitteerde door het bevoegd gezag voldoende onafhankelijkheid waarborgt.

Hier is sprake van een logistieke wijziging die de uitvoering van de correctie niet raakt. Daar waar de Informatie Beheer Groep overging tot aanwijzing van de gecommitteerde op voordracht van de school, kan de school nu rechtstreeks en zelf overgaan tot de aanwijzing. De gecommitteerden blijven de correctie verzorgen zoals voorgeschreven. De maatregel heeft dan ook geen invloed op het werk van de gecommitteerden, noch wat betreft de objectiviteit en onafhankelijkheid, noch op de kwaliteit. De Informatie Beheer Groep blijft de koppeling van de scholen verzorgen.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat docenten de eerstbetrokkenen zijn bij de correctie van de eindexamens en vinden dit niet blijken uit het voorstel van de regering.

Deze leden vragen waarom bijvoorbeeld de vakinhoudelijke verenigingen niet zijn betrokken bij het overleg dat heeft geleid tot een plan van aanpak ter vergroting van de kwaliteit van de tweede correctie. Ook zij menen dat bij het niet volstaan van een steekproefsgewijze tweede correctie er sprake zou zijn van werkdrukverhoging.

Zoals aangegeven hebben de wijzigingen geen invloed op de taak van de docent bij de uitvoering van de tweede correctie. De wijzigingen vinden plaats op stelselniveau voor wat betreft de procedure ervan. De taak van de docent wordt niet gewijzigd of verzwaard.

Deze leden vragen voorts welke voordelen de regering erin ziet dat niet de schoolleiding van een vestiging, maar het bevoegd gezag, dat meestal op duidelijk grotere afstand van de onderwijspraktijk staat, contact moet opnemen indien de examinator en de gecommitteerde niet tot overeenstemming kunnen komen over de beoordeling van examenwerk. Is het niet beter om het meningsverschil dicht bij de professionals te leggen in plaats dat het een kwestie wordt tussen bevoegde gezagen, zo vragen zij. Aansluitend vragen deze leden een nadere toelichting op de meerwaarde van de handtekening van het bevoegd gezag op de verklaring van de tweede corrector. Als een school vakbekwame docenten voor de klas zet, dan moet ze erop kunnen vertrouwen dat dezen de centrale examens nauwgezet nakijken, zo menen zij. Wat moet zo’n handtekening betekenen zolang wij niet verlangen dat het bevoegd gezag er weer een volgende correctieronde aan wijdt, zo vragen zij.

Het eindexamen wordt afgenomen onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Getuige het Onderwijsverslag van de Inspectie van het Onderwijs blijft het bevoegd gezag formeel te veel op de achtergrond bij het toezicht op de zorgvuldigheid van het correctieproces en bij problemen tussen correctoren. Het gaat hierbij om de aanscherping van de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag voor de gang van zaken rond de examens. Op deze manier komen alleen serieuze zaken bij de inspectie terecht. Bij onverantwoordelijk handelen wordt uiteindelijk ook het bevoegd gezag aangesproken door de inspectie. De maatregel strekt ertoe dat, ook al machtigt het bevoegd gezag iemand daartoe, de rol van het bevoegd gezag in deze benadrukt wordt en zij te allen tijde eindverantwoordelijk is. Aangezien het bevoegd gezag dit ook is voor het taakbeleid krijgt, door deze voorgeschreven betrokkenheid bij de correctie, deze taak van de docent wellicht meer aandacht daarbinnen.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), voorzitter, Depla (PvdA), Slob (CU), Remkes (VVD), Joldersma (CDA), De Vries (CDA), Van Dijk (CDA), Aptroot (VVD), Leerdam (PvdA), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk), Van Leeuwen (SP), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Van Dijk (SP), Besselink (PvdA), De Rooij (SP), Ouwehand (PvdD), Dibi (GL), Vacature (CDA) en Vacature (SP).

Plv. leden: van der Staaij (SGP), Ferrier (CDA), Gill’ard (PvdA), Anker (CU), Van Miltenburg (VVD), Atsma (CDA), Uitslag (CDA), Schinkelshoek (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Dijken (PvdA), Hamer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg (VVD), Gesthuizen (SP), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Ten Broeke (VVD), Leijten (SP), Bouchibti (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD), Peters (GL), Vietsch (CDA) en Van Bommel (SP).

XNoot
1

Kamerstuk 30 079, nr. 9.

XNoot
2

Kamerstuk 30 079, nr. 9.

XNoot
3

Kamerstuk 30 079, nr. 9, p. 7.

XNoot
1

Brief nr. OCW0800418.

Naar boven