31 404
Wijziging van een aantal belastingwetten en enkele andere wetten

nr. 17
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 mei 2008

Tijdens de plenaire behandeling van het voorstel van wet inzake Wijziging van een aantal belastingwetten en enkele andere wetten (Kamerstukken II 2007/08, 31 404) op dinsdag 27 mei 2008, heb ik toegezegd de Kamer per brief op een aantal punten nader te informeren. Deze brief doe ik u hierbij toekomen.

De heer Remkes heeft gevraagd hoeveel de vrijstelling voor kinderen in het successierecht zou moeten worden verlaagd om dekking te bieden voor zijn amendement (nr. 14), dat er toe strekt successierechtschulden en -vorderingen mee te nemen in box 3. De budgettaire derving van dat amendement is geraamd op € 14 mln. Om aan een bedrag van € 14 mln te komen, zou de vrijstelling in het successierecht voor kinderen ouder dan 23 jaar (in 2008 € 10 150) moeten worden verlaagd met € 5 500 (voor het jaar 2009). Daarmee zou de vrijstelling in 2009 uitkomen op ongeveer € 4 800.

De heer Omtzigt heeft opgemerkt dat het niet in aanmerking nemen van successierechtschulden in box 3 mogelijk effecten heeft voor het recht op huurtoeslag. Dit effect zou zich kunnen voordoen bij iemand die door het verkrijgen van een nalatenschap boven het heffingsvrije vermogen uitkomt, maar daar door een aftrek van de belastingschuld weer onder zou komen.

Om te kunnen bepalen in hoeveel gevallen zich dat voordoet zou een microkoppeling moeten worden gelegd tussen het successierecht en het box 3 vermogen van belastingplichtigen. Een dergelijke koppeling is op dit moment niet beschikbaar. Hoewel hierover dus geen harde cijfers beschikbaar zijn, heb ik het gevoel dat zich dat slechts in een gering aantal gevallen voordoet.

Met betrekking tot de drempel in de bijleenregeling zijn tijdens het debat vragen gesteld met betrekking tot het beleidsbesluit, op grond waarvan die drempel in de praktijk niet meer wordt toegepast. Hierna ga ik nader in op dat besluit en de motieven die daaraan ten grondslag hebben gelegen.

In het besluit van 20 februari 2007 van de minister van Financiën, nr. CPP2006/1942M, Stcrt. 2007, 42, is met toepassing van de hardheidsclausule (op grond van artikel 63 Algemene wet inzake rijksbelastingen) de grens van € 5 000 van artikel 3 119a, vijfde lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor kosten van verbetering en onderhoud van een eigen woning buiten werking gesteld. Daarmee is gebruik gemaakt van de wettelijke bevoegdheid een van de wet afwijkende maatregel te treffen, omdat onverkorte toepassing van het wettelijke voorschrift tot uitkomsten leidt die de wetgever, zou hij deze gevolgen bij het maken van het wettelijk voorschrift hebben onderkend, naar het oordeel van de minister van Financiën niet zou hebben gewild en anders zou hebben geregeld.

De ongewenste effecten en gevolgen van het wettelijk voorschrift worden ook genoemd als toelichting bij het besluit hier de hardheidsclausule toe te passen. De voordelen van de drempel zoals opgenomen in het wettelijke voorschrift, te weten een minder complexe uitvoering van een naar zijn aard al ingewikkelde regelgeving, wegen naar mijn oordeel niet op tegen de nadelen voor de belastingplichtigen. Ik noem hier het verschil in behandeling en daarmee het verschil in de fiscale uitkomst van een situatie met een woning die al in verbouwde staat wordt verkocht tegenover de situatie dat pas na de aankoop een verbouwing plaatsvindt. Dat verschil wordt door het laten vervallen van de drempel opgeheven.

Voor de uitvoering geldt dat het al dan niet hanteren van een drempel niet van belang is voor de vraag of alle kosten door belastingplichtige zullen moeten worden bijgehouden: in de situatie dat er wel een drempel is, zal met alle gedane uitgaven door de Belastingdienst getoetst moeten worden of de drempel wel overschreden wordt en in de situatie dat er geen drempel is zijn de werkelijk gedane uitgaven evenzeer van belang voor de hoogte van de afboeking op de eigenwoningreserve. De voordelen van een drempel zijn derhalve destijds overschat. Deze drempel brengt geen verlichting voor de uitvoering, maar creëert daarentegen materieel een ongelijke behandeling van (bijna) gelijke gevallen.

Daarnaast is de drempel een complicerende factor in de berekening van de eigenwoningreserve en dus ook voor de aangifte en de toelichting daarop. Met het afschaffen van de drempel zoals voorgesteld, wordt dus een belangrijke vereenvoudiging bereikt in de complexiteit van de bijleenregeling op dit punt. Het verminderen van de complexiteit van de bijleenregeling is ook uitdrukkelijk een wens van de Kamer.

Gelet op het bovenstaande blijf ik voorstander van het wettelijk laten vervallen van de drempel en wil ik het amendement dan ook ontraden.

Overigens zal ik zoals is toegezegd in het AO bijleenregeling voor het einde van het jaar een brief aan de Kamer sturen waarin ik nader zal ingaan op de bijleenregeling.

Ten slotte is er een vraag gesteld over de aanvraagtermijn van toeslagen.

Naar aanleiding van een passage in de nota naar aanleiding van het verslag informeerde de heer Tang naar mogelijke verschillen in de aanvraagtermijn voor inkomensafhankelijke toeslagen. Hij doelde daarbij op de volgende situatie, waarin wordt uitgegaan van een toeslag over het berekeningsjaar 2007.

Iemand komt aanvankelijk niet in aanmerking voor een aangifte inkomstenbelasting 2007. Voor hem geldt dan het belastbare loon als toetsingsinkomen voor de toeslagen. Dit belastbare loon is zodanig hoog dat hij niet kwalificeert voor toekenning van toeslagen. Hij heeft daarvoor dan ook geen aanvraag ingediend.

Nadat de aanvraagtermijn voor toeslagen is verstreken – op 1 april 2008 – ontvangt hij alsnog een aangifte voor de inkomstenbelasting. Vanaf dat moment geldt zijn verzamelinkomen als toetsingsinkomen voor toeslagen. Door enkele aftrekposten is dit verzamelinkomen zodanig laag, dat hij wél zou kwalificeren voor bepaalde toeslagen. Hij kan echter geen aanvraag meer doen omdat de aanvraagtermijn is verstreken.

De heer Tang veronderstelde dat hier een verschil bestond tussen de kindertoeslag en de overige toeslagen. Dit is echter niet het geval. Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag is vermeld, kent de kindertoeslag in afwijking van de overige toeslagen wel de mogelijkheid van een ambtshalve toekenning. Dit houdt in dat de belanghebbende geacht wordt een aanvraag te hebben gedaan als hij in enig jaar aanspraak heeft op de kindertoeslag en daarnaast voor dat jaar al een andere toeslag krijgt. Hiermee wordt voorkomen dat mensen bij de geboorte van hun eerste kind kindertoeslag zouden moeten aanvragen terwijl de Belastingdienst reeds beschikt over alle gegevens daarvoor.

Omdat een ambtshalve toekenning alleen kan plaatsvinden in de situatie waarin ook andere toeslagen zijn verleend, kan zich geen samenloop voordoen met de beschreven situatie. Dat betekent dat de aanvraagtermijn voor alle toeslagen dezelfde is.

De staatssecretaris van Financiën,

J. C. de Jager

Naar boven