31 403
Duurzame landbouw

nr. 2
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 30 juli 2008

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 en de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer2 hebben op 26 juni 2008 overleg gevoerd met minister Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over:

– de brief van de minister van LNV d.d. 1 april 2008 over het monitoringstraject duurzame landbouw (31 403, nr. 1);

– de brief van de minister van LNV d.d. 21 mei 2008 inzake het onderzoek «Maatschappelijke effecten van de intensieve veehouderij: een vergelijking van productiesystemen» en de beleidsinzet (28 973, nr. 28);

– de brief van de minister van LNV d.d. 19 mei 2008 met een afschrift van het antwoord op de brief van de Stichting Aquarius Alliance (LNV0800330);

– de brief van de minister van LNV d.d. 19 mei 2008 naar aanleiding van de mediaberichten «Verplichte mestinjecties schaden landbouwgrond» en «Vitaminen weg uit groenten» (28 385, nr. 107);

– de brief van de minister van LNV d.d. 12 juni 2008 over het gezondheidsonderzoek naar levensmiddelen en diervoeders (29 842, nr. 34);

– de brief van de minister van LNV d.d.13 juni 2008 in reactie op het WUR-rapport «Klimaat en veehouderij» naar aanleiding van de film «Meat the Truth» (28 973, nr. 29);

– de brief van de minister van LNV d.d. 24 juni 2008 over de stand van zaken van enkele relevante beleidstrajecten en de motie-Polderman over experimenten met gesloten kringloopsystemen (28 973, nr. 30);

– de brief van de minister van LNV d.d. 24 juni 2008 ter begeleiding van het LEI-rapport «Waardering duurzaamheidsprestaties biologische landbouw» (29 842, nr. 35).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Naar de opvatting van mevrouw Ouwehand (PvdD) gaan duurzaamheid en intensieve veehouderij eigenlijk niet samen en lijkt de minister ten aanzien van de bio-industrie de kool en de geit te willen sparen.

– Hoe worden de huidige plannen voor megabedrijven gerijmd met het voornemen, ervoor te zorgen dat landbouwbedrijven over vijftien jaar compleet duurzaam zijn?

– Hoe verhouden varkensflats zich tot de begrippen «integraal», «diervriendelijk», «duurzaam» en «maatschappelijk geaccepteerd»?

– Wat is de reactie op de onderzoeksanalyse van het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) dat niet wordt voldaan aan de specifieke voorwaarden om eventuele positieve effecten van megastallen te verzilveren op het gebied van ammoniak, stank, fijnstof en landschap, en dat megastallen slechter scoren op het punt van dierenwelzijn, diergezondheid en volksgezondheid?

– Op welke wijze wordt de motie-Thieme over concrete indicatoren en afrekenbare doelstellingen (31 444-XIV, nr. 9) uitgevoerd?

– Welke conclusies worden getrokken uit het rapport van de Algemene Rekenkamer ten aanzien van dierenwelzijn?

– Moet er niet een plan komen om de intensieve veehouderij uit Nederland weg te saneren en over te gaan op 100% biologische veehouderij?

– Eenzijdig inzetten op klimaatmaatregelen kan leiden tot spanningen op andere terreinen, zoals dierenwelzijn, de voedselverdeling in de wereld en beschikbare hulpbronnen. Ziet de minister in dat mes en vork de belangrijkste wapens zijn om klimaatverandering tegen te gaan en een duurzame toekomst te garanderen?

De heer Koopmans (CDA) geeft de inzet van de minister om te komen tot een duurzame veehouderij, absoluut een voldoende; er is aandacht voor versterking van de innovatie, duurzaam ondernemerschap wordt in Europees verband geagendeerd en het belonen van groene en blauwe diensten wordt goed opgepakt.

– Berusten alle verwijzingen naar het Nationaal Milieuplan-4 niet op een droom, omdat dit plan nooit geaccordeerd is door de Kamer?

– Hoe wordt ruimte gegeven aan het gezinsbedrijf om zich naar eigen wens te ontwikkelen?

– Berust de conclusie van de Algemene Rekenkamer dat er te weinig wordt gecontroleerd op de boerderij, niet alleen op een papieren werkelijkheid die niet overeenkomt met de realiteit?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD) stelt vast dat de verduurzaming en de verbeteringen in de landbouw in de periode 2001 tot 2006 echt tot resultaten hebben geleid, dat de milieubelasting duidelijk is gedaald en dat deze trend doorzet.

– Waar blijft de markt in de ambitie om de externe maatschappelijke kosten van alle veehouderijsectoren binnen vijftien jaar tot een maatschappelijk breed aanvaard niveau te ontwikkelen? Is het niet zo dat de kostprijs nadrukkelijk meetelt bij de marktpositie?

– Is de film Meat the Truth niet grotendeels ongenuanceerd?

– Kan de behandeling van de antwoorden op vragen met betrekking tot mestinjecties gecombineerd worden met de bespreking van de evaluatie van het uitrijden van dierlijke mest? Wanneer is deze evaluatie beschikbaar?

De heer Polderman (SP) vraagt zich af hoe de minister duurzaamheidseisen kan opleggen aan een boer, als deze tegelijkertijd moet concurreren op een vrije wereldmarkt.

– Klopt het dat innovatie alleen een kans van slagen maakt als goede prijzen voor het product gegarandeerd zijn?

– Hoe wordt bewerkstelligd dat de eisen aan de landbouw op Europees niveau geharmoniseerd worden?

– Moet aan de onderzochte productiesystemen niet een vierde scenario worden toegevoegd van grondgebonden landbouw met in Europa geteeld veevoer? Kan er ruimte komen voor experimenten?

– Klopt het dat het stimuleren van de vraag naar duurzaam geproduceerde producten via bewustwording tot mislukken gedoemd is en dat sturend overheidsoptreden noodzakelijk is? – Hoe kan de overheid bijdragen aan een werkelijk duurzame veehouderij?

– Hoe kunnen duurzaamheidseisen in de prijs van dierlijke producten tot uiting komen?

– Zijn er mogelijkheden om maatschappelijke eisen mee te nemen in de vrije handelsverdragen binnen en buiten het verband van de World Trade Organization (WTO) en, zo ja, op welke termijn kan dit succesvol zijn?

– Is het instrument van «border tax adjustments» geschikt om de import van veevoer en dierlijke producten te verduurzamen?

– Hoe wordt de mogelijkheid beoordeeld om importheffingen binnen de WTO te verhogen om op deze wijze de regionale markt voor voedsel en veevoer beter te beschermen?

Mevrouw Jacobi (PvdA) ziet een mogelijke tegenstelling in de uitspraak van de minister dat zij ten aanzien van landbouwontwikkelingsgebieden (LOG’s) geen blauwdruk wil opleggen aan provincies en gemeenten enerzijds en het belang dat het ministerie van VROM hecht aan inpassing in het landschap en aan duurzaamheid anderzijds.

– Zijn LOG’s bestemd voor veebedrijven die uit kwetsbare gebieden gehaald moeten worden of moeten ze gaan functioneren als bedrijfsterreinen met megastallen op het platteland?

– In hoeverre gaat het Rijk zich bemoeien met de regie; moet er geen contact gezocht worden met die provincies waarbinnen weerstand bestaat tegen de komst van LOG’s?

– Is het niet verstandig om megastallen te bouwen op bedrijfsterreinen met een agrarische functie?

– Kan samen met de minister van VROM een bedrijfsterreinenstrategie voor grootschalige veehouderij overwogen worden, waarbij het voorkomen van verrommeling van het landschap en de volksgezondheid belangrijke aandachtspunten zijn?

De heer Van de Vlies (SGP) is positief over het beleid dat de afgelopen jaren gevoerd is. De sector moet tijd en ruimte krijgen om zich aan te passen aan de moderne vereisten: wel stimuleringsprogramma’s, maar geen «top-downbenadering».

– Is de minister bereid om in het onderzoek naar de consequenties van verruiming en afschaffing van het melkquotum ook de weidegang als parameter mee te nemen? Wanneer zal dit onderzoek afgerond zijn?

– Klopt het dat de rijksoverheid de kaders stelt ten aanzien van de agroproductieparken, maar dat gemeenten en provincies verantwoordelijk zijn voor de nadere invulling ervan?

– Wat is de stand van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van een dierenwelzijnsindex en etikettering? In hoeverre wordt op EU-niveau gelet op draagvlak bij producenten en andere marktpartijen? In hoeverre gaat de nota over voedselbeleid in op het hanteren van een dierenwelzijnsindex en van etikettering?

– Wordt in het onderzoek naar eiwittransitie ook gekeken naar de potentie van plantaardige eiwitproductie op het Europese continent?

Antwoord van de minister

De minister merkt op dat het door eenieder gedeelde ideaal van een volledig duurzame veehouderij gekoppeld moet worden aan een realistische route. Behalve de primaire sector spelen ook de verwerkende industrie en maatschappelijke organisaties een belangrijke rol. De overheid heeft een rol in het stimuleren en faciliteren, maar moet geen blauwdruk opleggen. Opereren op basis van draagvlak is beter dan opleggen door middel van wetgeving, ook al kost dit tijd. Verduurzaming moet op Europees niveau verder aangejaagd worden. Het Europese netwerk voor kennis en onderzoek kan hieraan bijdragen.

– De rapporten van de rekenkamer worden ervaren als een ondersteuning en een aanmoediging van het beleid.

– Biologische landbouw en veehouderij is niet de enige duurzame methode en bovendien heeft de biologische sector ook duurzaamheidsuitdagingen. De gangbare landbouw kan iets leren van de biologische en andersom. Door het gesloten karakter van intensieve veeteelt kunnen emissies voor de omgeving beter beperkt worden en door de betere efficiency per eenheid product is het ruimtebeslag van de verbouw van veevoer minder dan in het biologische systeem. De bedrijven binnen de landbouw en de veehouderij moeten zelf kiezen langs welke weg zij zich ontwikkelen.

– Duurzaamheid moet door de markt kunnen worden gedragen. Systeeminnovaties en productinnovaties zijn hierbij van belang. Ondernemers moeten kunnen rekenen op een reële prijs voor hun product; de kostprijs mag niet te hoog zijn. Daarnaast moet bewust consumeren gestimuleerd worden, maar wel zo dat een goed voedselpakket voor een redelijke prijs verkregen kan worden.

– Milieu en dierenwelzijn verdragen elkaar niet altijd; het is een uitdaging om deze spanning weg te nemen. Innovaties in houderijsystemen moeten gestimuleerd worden.

– Varkensflats passen niet in de Nederlandse agrarische cultuur.

– Het CLM geeft alleen ontwikkelpunten aan voor megastallen. Er is ruimte voor megastallen, maar er dient rekening gehouden te worden met de wensen van de samenleving. De verantwoordelijkheid voor de inpassing van megastallen in het landschap ligt bij de gemeente, die desgewenst het Rijk kan vragen om ondersteuning en advies bij de besluitvorming. Samen met minister Cramer moet in het kader van de Maatlat Duurzame Veehouderij bezien worden of de lat in geval van megastallen iets hoger gelegd kan worden, maar het ontwikkelen van een bedrijfsterreinenstrategie is niet de bedoeling. Het bij elkaar plaatsen van bedrijven kan leiden tot het ontstaan van een kringloop, zoals in de gemeente Horst aan de Maas.

– Verduurzaming kan bevorderd worden via «non trade concerns» in WTO-kader. Dit punt moet geagendeerd worden binnen de Raad. Het opleggen van importheffingen op basis van kwaliteit of bepaalde criteria kan problemen opleveren voor de export vanuit ontwikkelingslanden.

– In de jaarlijkse rapportage aan de Kamer over de stand van zaken met betrekking tot het werkprogramma van de nota Dierenwelzijn zal de invulling van de motie-Thieme worden meegenomen.

– In het tegengaan van klimaatverandering gaan innovatie en verduurzaming hand in hand. Daarnaast is menselijk gedrag een factor van belang. De overheid wil echter op dit gebied niets voorschrijven.

– Als gevolg van de stijgende voedselprijzen en een toenemend aanbod van nieuwe eiwitproducten, zal het voedselpatroon enigszins verschuiven naar een groter aandeel van plantaardige producten. Er dient echter rekening gehouden te worden met de voedselbehoeften in opkomende economieën.

– Grondgebonden landbouw met in Europa geteeld veevoer past in het beleid om de voer- en mineralenkringloop meer te sluiten en te verkleinen. Initiatieven kunnen binnen de bestaande kaders gefaciliteerd worden.

– Het is een goed idee om de behandeling van de antwoorden op vragen met betrekking tot mestinjecties te combineren met de bespreking van de evaluatie van het uitrijden van dierlijke mest. De evaluatie is toegezegd voor eind 2008.

– De weidegang is op dit moment geen parameter in het onderzoek naar de consequenties van verruiming en afschaffing van het melkquotum. Weidegang vraagt echter wel aandacht en moet aantrekkelijk zijn.

– De criteria voor de diverse diercategorieën, volgens welke het dierenwelzijn op een bedrijf kan worden gemeten, worden momenteel gevalideerd en zullen in 2009 opgeleverd worden. In de nota over voedselbeleid zal aandacht besteed worden aan de manier waarop consumenten op een verantwoorde manier kunnen kiezen. Hierbij speelt etikettering een rol.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Ouwehand (PvdD) merkt op dat de prijsverschillen tussen duurzaam en niet duurzaam geproduceerde producten vanzelf kleiner worden, als de maatschappelijke kosten van de voedselproductie in de prijs doorberekend worden.

– Hoe kan de spanning tussen milieu en dierenwelzijn worden opgelost?

– Klopt het dat er allerlei middelen denkbaar zijn om het consumptiegedrag te beïnvloeden zonder dat de overheid gedrag voorschrijft?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD) vraagt zich af of «non trade concerns» en andere afspraken staande blijven, als de wereldmarkt leidend is.

De heer Polderman (SP) wil weten of en, zo ja, hoeveel gemeenten zich gemeld hebben voor ondersteuning en advies met betrekking tot het inplannen van megastallen.

– Kan ingeval van het agroproductiecentrum in Horst aan de Maas wel gesproken worden van een gesloten kringloop, aangezien de aanvoer van veevoer buiten de kringloop blijft?

Mevrouw Jacobi (PvdA) wil weten of Twenterand zich voor advies bij het ministerie heeft aangemeld en, zo ja, welk advies er verstrekt is.

Mevrouw Schreijer-Pierik (CDA) vraagt de minister, bij de landschappelijke inpassing van megastallen te kijken naar mogelijkheden als het opwekken van zonne-energie.

– Moet ten aanzien van het beïnvloeden van consumentengedrag niet gekeken worden naar bijvoorbeeld Duitsland?

De minister bevestigt de regierol van de overheid ten aanzien van het beïnvloeden van consumentengedrag. Het creëren van draagvlak is een beter traject dan het doorrekenen van de kosten.

– Voor het wegnemen van de spanning tussen dierenwelzijn en milieu is geen pasklare oplossing voorhanden.

– Producten die voldoen aan kwaliteitseisen kunnen vermarkt worden. In de hogere marktsegmenten is sprake van een groeiende vraag.

– Met Horst aan de Maas en met Twenterand heeft alleen een informatief gesprek plaatsgevonden. Met andere gemeenten is niet gesproken.

– Het volledig sluiten van de kringloop in Horst aan de Maas zou een belangrijke ontwikkeling zijn.

– De daken van megastallen lenen zich uitstekend voor zonnepanelen. De mogelijkheden daartoe worden nader uitgewerkt.

– Met de buurlanden vindt al kennisuitwisseling plaats.

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid,

Schreijer-Pierik

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Koopmans

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Dortmans


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), voorzitter, Atsma (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Waalkens (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Jager (CDA), Ormel (CDA), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), De Krom (VVD), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Neppérus (VVD), Jansen (SP), Jacobi (PvdA), Cramer (ChristenUnie), Koppejan (CDA), Graus (PVV), Vermeij (PvdA), Zijlstra (VVD), Thieme (PvdD) en Polderman (SP).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Mastwijk (CDA), Ten Hoopen (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Luijben (SP), Tang (PvdA), Boekestijn (VVD), Bilder (CDA), Biskop (CDA), Koşer Kaya (D66), Van Leeuwen (SP), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Eijsink (PvdA), Depla (PvdA), Van Baalen (VVD), Kant (SP), Blom (PvdA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Van Heugten (CDA), Brinkman (PVV), Kuiken (PvdA), Ten Broeke (VVD), Ouwehand (PvdD) en Lempens (SP).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van Gent (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Poppe (SP), Snijder-Hazelhoff (VVD), ondervoorzitter, Depla (PvdA), Van Bochove (CDA), Koopmans (CDA), voorzitter, Spies (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Haverkamp (CDA), De Krom (VVD), Samsom (PvdA), Boelhouwer (PvdA), Roefs (PvdA), Neppérus (VVD), Van Leeuwen (SP), Jansen (SP), Van der Burg (VVD), Van Heugten (CDA), Vermeij (PvdA), Madlener (PVV), Ouwehand (PvdD), Bilder (CDA) en Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie).

Plv. leden: Duyvendak (GroenLinks), Van der Vlies (SGP), Polderman (SP), Remkes (VVD), Jacobi (PvdA), Hessels (CDA), Koppejan (CDA), Ormel (CDA), Koşer Kaya (D66), Leijten (SP), Schreijer-Pierik (CDA), Kamp (VVD), Timmer (PvdA), Waalkens (PvdA), Vos (PvdA), Zijlstra (VVD), Langkamp (SP), Gerkens (SP), Van Beek (VVD), Schermers (CDA), Besselink (PvdA), Agema (PVV), Thieme (PvdD), Vietsch (CDA) en Ortega-Martijn (ChristenUnie).

Naar boven