nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 april 2008
De afgelopen jaren is er in de jaarlijkse milieubalans van het Milieu
en Natuur Planbureau (MNP) feitelijk gerapporteerd over de transitie naar
een duurzame landbouw. Het werken aan de transitie duurzame landbouw is gestart
bij het uitkomen van het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP-4) in 2001. In
aanvulling op de milieubalans is een monitoringstraject ingezet dat het afgelopen
jaar geleid heeft tot drie rapporten. Met deze brief bied ik u de drie rapporten
aan1 en geef daarbij een reactie op de uitkomsten.
Monitoring duurzame landbouw
Het monitoringstraject duurzame landbouw kent drie onderdelen:
• de feitelijke informatie op het terrein van people, planet, profit2;
• het oordeel over deze informatie van de landbouwsectoren3;
• en een synthese van deze twee rapporten geplaatst in een historische
context (vanaf 2000)4.
De oordeelvorming is georganiseerd in de vorm van een dialoog met de verschillende
landbouwsectoren. De sectoren waarmee gesproken is zijn: akkerbouw, melkveehouderij,
glastuinbouw, varkenshouderij, pluimveehouderij en duurzame open grondteelten.
Conclusies
Belangrijke conclusies uit de rapportages zijn:
• De cijfers over duurzaamheid van de landbouw laten geen grote veranderingen
zien in de periode 2001 tot 2006, maar deze tonen grosso modo wel een ontwikkeling
naar een landbouw die meer in overeenstemming is met de wensen van de samenleving.
De milieudruk is tussen 2001 en 2006 gedaald, er is meer agrarisch natuurbeheer
en meer transparantie richting de samenleving.
Er zijn ook zorgpunten. Het aantal innovaties in de primaire land-
en tuinbouw is in de periode 2001–2006, mede door minder goede economische omstandigheden afgenomen. Daarnaast is er minder interesse bij
de jeugd om te werken in de land- en tuinbouw. De milieudoelen uit het NMP-4
zullen bij de huidige trends niet worden gehaald, aangezien de meeste agrariërs
de makkelijke en goedkopere maatregelen inmiddels hebben genomen.
• De ambities van de landbouwsector om te komen tot een duurzamere
landbouw zijn vooral toegenomen op het vlak van «people» aspecten. «Profit»
is en blijft het belangrijkste thema. De ambitie op het gebied van «planet»
is over het algemeen niet toegenomen, met uitzondering van duurzame energie.
• De ambities van de sector liggen echter vooral bij verbetering
van rentabiliteit en imago in het heden en minder bij doelen voor de lange
termijn en bij doelen «elders». Dit verklaart waarom de ambities
om te luisteren naar de wensen van burgers en consumenten zijn toegenomen,
maar de milieuambities (langere termijn) niet.
• De milieuambitie van de sector hangt samen met de beleidsdruk.
Alleen als de overheid de ambitie van de sector prikkelt met regelgeving en
financiële instrumenten verbetert de milieukwaliteit en blijven collectieve
goederen zoals natuur en landschap behouden.
Reactie en vervolg
Deze conclusies spreken voor zichzelf en geven een eerste beeld van het
realiseren van de doelstellingen in het NMP-4. Ook ontstaat een duidelijker
beeld van de ambities van de sectoren. Bij hen ligt de primaire verantwoordelijkheid
om de ontwikkeling en de taakstelling te realiseren. De overheid heeft de
rol om de maatschappelijke visie te geven, zodat de ambities van de sectoren
op het terrein van duurzaamheid gericht zijn. Binnen de overheid is samenwerking
van groot belang. Een goed voorbeeld hiervan zijn de activiteiten in het kader
van het project «Schoon en Zuinig», waarin nauw wordt samengewerkt
met het ministerie van Economische Zaken.
Voor een aantal thema’s zijn we goed op weg en dat brengt bijvoorbeeld
doelstellingen op het terrein van milieu verder binnen handbereik. Voor andere
thema’s liggen nog forse opgaven die nieuwe ingrijpende maatregelen
zullen vergen bijvoorbeeld op het terrein van dierenwelzijn, biologische landbouw
en klimaat. Voor een aantal opgaves zoals klimaat («Schoon en Zuinig»)
is het beleid al aangepast om de doelstellingen te kunnen halen.
Voor de veehouderij constateer ik dat een duurzaamheidssprong noodzakelijk
is. Deze opgave heb ik recentelijk benoemd in een brief aan de Kamer.
Daarin geef ik aan dat de veehouderij zich binnen 15 jaar moet ontwikkelen
tot een in alle opzichten duurzame veehouderij. Systeeminnovaties zijn daarbij
cruciaal. Naast de visie geef ik aan wat mijn ambities zijn voor deze kabinetsperiode
met daarbij een aanpak. Aan het einde van de kabinetsperiode zijn de opgaven
en het tijdpad naar een integraal duurzame veehouderij binnen 15 jaar duidelijk
voor samenleving, sector en overheid.
Nog voor de zomer van 2010 zal ik de voortgang richting duurzaamheid evalueren
in overleg met de sector en maatschappelijk organisaties. Op basis van de
uitkomsten zal ik bezien of een verandering van aanpak en ambitie nodig is.
Ik zal het traject van de «monitoring transitie duurzame landbouw»
voortzetten. Het biedt naar mijn mening belangrijke informatie om te beoordelen
of er voortgang is in de transitie naar een duurzame landbouw. In de
voorliggende periode zal ik de Kamer op de hoogte houden van de resultaten.
De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
G. Verburg