31 374
Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt

nr. 16
GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN DE LEDEN HESSELS EN SAMSOM TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 11

Ontvangen 5 juni 2008

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

I

In artikel I, onderdeel L, artikel 31, vervalt onderdeel 3.

II

In artikel I, onderdeel W, artikel 95cb, vierde lid, wordt «verjaren door verloop van twee jaren.» vervangen door de zinsnede: worden gedaan binnen twee jaren nadat de vordering opeisbaar is geworden. Bij gebreke hiervan vervalt de vordering.

III

In artikel II, onderdeel D, artikel 12b, vervalt onderdeel 2.

IV

In artikel II, onderdeel L, artikel 44b, vierde lid, wordt «verjaren door verloop van twee jaren.» vervangen door de zinsnede: worden gedaan binnen twee jaren nadat de vordering opeisbaar is geworden. Bij gebreke hiervan vervalt de vordering.

Toelichting

In de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet is opgenomen dat een vordering op een afnemer terzake een door een netbeheerder verleende dienst vervalt na twee jaar te rekenen vanaf het moment dat de prestatie door de netbeheerder is geleverd. Deze vervaltermijn moet afnemers beschermen tegen hoge facturen die na verloop van meerdere jaren, veelal op een onverwacht moment, alsnog door de netbeheerder in rekening worden gebracht. De vervaltermijn is een maatregel die betalingsachterstanden bij afnemers moet verkleinen en netbeheerders moet prikkelen tijdig te factureren. Een belangrijk kenmerk van vervaltermijnen is dat een vervaltermijn niet kan worden gestuit en dus kan worden verlengd. Dit in tegenstelling tot verjaringstermijnen die wel door een eenvoudig briefje van de netbeheerder aan de afnemer kunnen worden gestuit. De voorgestelde omzetting van een vervaltermijn in een verjaringstermijn doet afbreuk aan de doelstelling oplopende schulden van afnemers (in tijd) te voorkomen en neemt ook de bedoelde doelmatigheidsprikkel voor netbeheerders om tijdig te factureren weg. Tevens is van belang dat bij overschrijding van een vervaltermijn de rechtsbetrekking waarop de vordering tot betaling is gebaseerd van rechtswege komt te vervallen. Een na de vervaltermijn gedane betaling door een afnemer geldt derhalve altijd als een onverschuldigde betaling die kan worden teruggevorderd bij de netbeheerder. Dit in tegenstelling tot een verjaringstermijn, waar een betaling na verloop van de verjaringstermijn geldt als een verschuldigde en dus rechtmatig gedane betaling. Anders dan een vervaltermijn heeft een verjaringstermijn slechts tot gevolg dat de netbeheerder de betaling niet langer kan afdwingen, maar de onderliggende rechtsverhouding waarop de vordering tot betaling is gebaseerd in stand blijft (zogeheten «natuurlijke verbintenis»). Een betaling ter voldoening van een natuurlijke verbintenis geldt derhalve als een door een afnemer verschuldigde betaling die dus niet kan worden teruggevorderd. Met name kleinverbruikers zullen niet altijd goed op de hoogte zijn van een beperkte verjaringstermijn van twee jaren. Teneinde te voorkomen dat deze afnemers onbedoeld na twee jaar alsnog door de netbeheerder achteraf in rekening gebrachte bedragen betalen is handhaving van de vervaltermijn te prevaleren boven de voorgestelde verjaringstermijn. Daarnaast draagt een vervaltermijn bij aan de rechtsbescherming van met name kleinverbruikers, doordat de rechter een vervaltermijn ambtshalve moet toetsen. In tegenstelling tot een vervaltermijn zal de rechter een vordering van een netbeheerder slechts toetsen aan een verjaringstermijn, indien de afnemer zich in de procedure uitdrukkelijk op verjaring beroept. Omwille van de bescherming van afnemers en ter bevordering van het doelmatig handelen van netbeheerders verdient de handhaving van een vervaltermijn de voorkeur boven de invoering van de voorgestelde verjaringstermijn. Met de voorgestelde wijziging wordt de wettelijke vervaltermijn in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet gehandhaafd.

Hessels

Samsom

Naar boven