nr. 8
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 februari 2009
Deze brief behelst een reactie op de motie van het lid Pechtold c.s. (Kamerstukken
II 2008–2009, 31 363, nr. 7), ingediend tijdens de behandeling
in uw Kamer van het jaarverslag over 2007 van de Nationale ombudsman en aangenomen
door de Kamer op 18 september 2008 (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar
2007–2008, nr. 103, blz. 7368–7388). De motie overwoog dat
de ombudsman in zijn jaarverslag constateert dat de overheid voor veel burgers
een groter domein vertegenwoordigt dan het strikt juridische en dat het kabinet
in zijn reactie op deze constatering een terughoudende positie innam ten aanzien
van de reikwijdte van de bevoegdheid van de Nationale Ombudsman bij aan de
overheid gelieerde organisaties. De motie verzocht de regering in gesprek
te gaan met de Nationale ombudsman over de vraag hoe deze onduidelijkheid
kan worden weggenomen. Dat laatste heb ik gedaan. De inhoud van deze brief
is tot stand gekomen in nauw overleg met de Nationale ombudsman en heeft zijn
instemming.
Krachtens artikel 78a, eerste lid, van de Grondwet heeft de Nationale
ombudsman als taak het doen van onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen
van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
Het begrip «gedraging» is niet nader gedefinieerd. Het omvat
al het handelen en nalaten van een bestuursorgaan. Het begrip «bestuursorgaan»
is gedefinieerd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb, artikel 1:1, eerste
lid):
a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld,
of
b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.
Bij de publiekrechtelijk vorm gegeven bestuursorganen (onderdeel a van
de omschrijving), moet kort gezegd gedacht worden aan alle organen die overduidelijk
tot de overheid behoren. Zij worden in het juridisch spraakgebruik aangeduid
als «a-organen». Op het niveau van de rijksoverheid is de
Nationale ombudsman bevoegd over alle bestuursorganen. Naast de ministers
vallen daar ook de publiekrechtelijk vorm gegeven zelfstandige bestuursorganen
en de bestuursorganen van de politie onder. Op het niveau van de decentrale
overheid is de Nationale ombudsman bevoegd over de bestuursorganen van de
provincies, gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen, tenzij
voor het betreffende bestuursorgaan een eigen voorziening voor de behandeling
van verzoekschriften is ingesteld. Een en ander vloeit voort uit artikel 1a
van de Wet Nationale ombudsman. De ombudsman mag bij deze organen in beginsel
oordelen over alle gedragingen.
Daarnaast is de ombudsman bevoegd te oordelen over gedragingen van een
groot aantal organisaties die een privaatrechtelijke grondslag hebben. De
motie spreekt in dit verband van «aan de overheid gelieerde organisaties».
Voor zover een dergelijke organisatie met enig openbaar gezag is bekleed,
wordt zij aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van onderdeel b van de aangehaalde
Awb-bepaling. In het juridisch spraakgebruik worden dit soort bestuursorganen
gewoonlijk aangeduid met de term «b-organen». Bij de vaststelling
of voldaan is aan het criterium «met enig openbaar gezag bekleed»
heeft de bestuursrechter het gemakkelijker dan de Nationale ombudsman. Bij
de bestuursrechter komt het er vooral op aan of een instantie «besluiten»
kan nemen in de zin van de Awb. De rechter heeft daardoor in het Awb-begrip «besluit»
als het ware een extra hulpcriterium dat de Nationale ombudsman, die te oordelen
heeft over «gedragingen», moet missen. Omdat «b-organen»
in veel gevallen nog eigen bezigheden hebben naast de openbaar-gezagtaken,
rijst voor de ombudsman bovendien al gauw de vraag welke gedragingen meer
precies vallen onder het uitoefenen van openbaar gezag en welke niet meer1.
Het jaarverslag van de Nationale ombudsman over 2007 bevat een uiteenzetting
over de bevoegdheden van de Nationale ombudsman ten opzichte van deze zogenoemde «b-organen»
en over de lastige vragen die daarbij in de praktijk voor hem kunnen rijzen,
met name bij het vaststellen welke gedragingen onder zijn bevoegdheid vallen
en bij het uitleggen van een en ander aan burgers die een klacht hebben ingediend.
Deze kwestie is voor de Nationale ombudsman van belang, onder andere omdat
in toenemende mate overheidstaken door deze «b-organen» worden
uitgeoefend. De beschouwingen hierover in het jaarverslag hadden bij het kabinet
de indruk gewekt dat de ombudsman zijn bevoegdheid ten aanzien van de «b-organen»
uitgebreid wilde zien buiten het domein waarbinnen die organisaties met «openbaar
gezag» zijn bekleed. De Nationale ombudsman heeft mij verzekerd dat
deze lezing op een misverstand berust.
We hebben vervolgens nog van gedachten gewisseld over mogelijkheden om
de bevoegdheden van de Nationale ombudsman in de Wet Nationale ombudsman op
een duidelijker manier vast te leggen, maar de mogelijkheden daartoe lijken
beperkt en de nadelen ervan lijken vooralsnog groter dan de voordelen. In
dit verband is ook overwogen dat het aantal gevallen waarin bevoegdheidsvragen
rijzen, in de praktijk tot nu toe zeer gering is en dat deze tot nu toe steeds
oplosbaar bleken. Mochten zich echter in de toekomst op dit punt toch knelpunten
voordoen, dan zal de Nationale ombudsman dat aan mij laten weten.
Hiermee is in onze ogen de in de motie Pechtold c.s. gesignaleerde onduidelijkheid
weggenomen.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
G. ter Horst