31 345
Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een monumentenvergunning

nr. 6
VERSLAG

Vastgesteld 1 april 2008

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

I. ALGEMEEN 1

1. Inleiding 1

2. Huidige systematiek van de wetgeving 2

3. Nieuwe systematiek 3

3.1. Beperking adviesplicht minister 3

3.2. Deskundige commissie 3

3.3. Geen adviesplicht provincie 4

3.4. Overgangsbepaling in artikel 64 van de wet 4

3.5. Verzoeken om aanwijzing als beschermd monument 4

4. Bestuurslasten 4

5. Advies van de Raad voor cultuur 4

6. Financiële gevolgen 5

II. ARTIKELEN 5

I. ALGEMEEN DEEL

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Zij onderschrijven de hoofdlijnen van het wetsvoorstel om te komen tot een eenvoudigere procedure van vergunningverlening en het verruimen van de rol van de gemeenten op dit terrein. Wel hebben deze leden nog enkele vragen over dit wetsvoorstel.

In de memorie van toelichting stelt de regering dat het wetsvoorstel los staat van de beleidsvoornemens tot modernisering van de monumentenzorg. Graag zouden zij een toelichting krijgen waarom de regering deze mening is toegedaan. Niets voor niets – zo zou je zeggen – wordt het monumentenbestand momenteel tegen het licht gehouden. Dit wetsvoorstel leidt ertoe dat artikel 3 Monumentenwet zodanig wordt aangepast dat geen aanvragen meer in behandeling worden genomen van monumenten gebouwd vóór 1 januari 1940. Daarmee gaat de regering er impliciet vanuit dat het monumentenbestand van vóór 1940 al representatief is. Waarom zou dan het monumentenbestand nog moeten worden herzien? Zowel de Raad van State, als de Raad voor Cultuur, de IPO en Monumentenkontakt wijzen hierop. De timing van het wetsvoorstel lijkt niet logisch. Graag ontvangen deze leden een reactie.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling van het onderhavige wetsvoorstel kennisgenomen. Zij onderschrijven het doel om te komen tot vereenvoudiging van de vergunningverlening maar willen dat de kwaliteit te allen tijde wordt gegarandeerd. Voorts hebben deze leden nog enkele vragen.

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd te horen waarom de dubbele adviesplicht ooit in het leven is geroepen. Als het slechts om het verminderen van regelgeving gaat, waarom zouden de gemeenten dan nu wel in staat zijn om de vergunningaanvragen zonder tussenkomst van het Rijk af te doen.

De leden van de SP hebben kennisgenomen van dit wetsvoorstel met het advies van de Raad van State en het nader rapport.

Voor vragen en opmerkingen van deze leden over dit wetsvoorstel verwijzen zij graag naar de reeds gestelde vragen en gemaakte opmerkingen over de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 februari 2008 inzake de adviespraktijk voor rijksmonumenten (Kamerstuk 29 314, nr. 24).

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel hetgeen beoogt de Monumentenwet 1988 te wijzigen in verband met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een monumentenvergunning. Zij hebben op een enkel punt nog wel behoefte aan een toelichting op dit wetsvoorstel.

Deze leden onderkennen het nut van het vereenvoudigen van de procedure van vergunningverlening met betrekking tot beschermde monumenten en het geven van meer verantwoordelijkheid aan gemeenten.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel tot wijziging van de Monumentenwet. Het streven om te komen tot vermindering van de bestuurlijke lasten verdient ondersteuning. Daarbij zal wel een voldoende bescherming van het gehele monumentenbestand – ook van de monumenten vóór 1940 – gewaarborgd dienen te blijven. Zeker met het oog op de aangekondigde modernisering van het monumentenstelsel is doorvoering van deze wijziging wellicht niet het juiste moment.

2. Huidige systematiek van de wetgeving

Alle gemeenten dienen voortaan een monumentenverordening te hebben en te beslissen over vergunningaanvragen. De leden van de PvdA-fractie willen weten wat de status is van de overgang en vragen of alle gemeenten voor 2009 voorbereid en klaar zijn.

3. Nieuwe systematiek

3.1 Beperking adviesplicht minister

De leden van de CDA-fractie merken op dat het voorkomt dat gemeenten zelf eigenaar zijn van een monument. Hoe denkt de regering, zo vragen genoemde leden, in die gevallen de objectieve deskundigheid te kunnen waarborgen bij de gemeentelijke beoordeling van een aanvraag?

Het baart de leden van de CDA-fractie zorgen dat er nog steeds een aantal gemeenten is, die geen eigen monumentenbeleid hebben geformuleerd. Om welke gemeenten gaat het, wat is daarvan de reden en wat heeft het ministerie in het verleden ondernomen om deze gemeenten wel zo ver te krijgen? Op welke termijn, zo vragen deze leden, moeten alle gemeenten een eigen monumentenbeleid hebben geformuleerd? Op welke wijze gaat de minister dat verwezenlijken?

Hoe moet worden gehandeld, zo vragen deze leden tenslotte, als een eigenaar van de gemeente een vergunning ontvangt, vervolgens subsidie aanvraagt bij het Rijk voor restauratie en het Rijk oordeelt dat er sprake is van «niet gewenste werkzaamheden», waardoor derhalve geen subsidie zal worden verstrekt? Is de regering het eens met genoemde leden dat deze situatie moet worden voorkomen?

De Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) zal de gemeenten meer ondersteunen, merken de leden van de PvdA-fractie op. Hoe bereidt de RACM zich voor op de verzwaring en vergroting van de taak om meer gemeenten intensiever te ondersteunen?

Deze leden vragen daarbij ook om hoeveel adviezen het ging in de afgelopen drie jaar.

De gemeente krijgt binnen de voorgestelde systematiek meer verantwoordelijkheid ten aanzien het monumentenstelsel. Hoe is dit voorstel in overeenstemming te brengen met de signalen die erop wijzen dat monumentenzorg bij veel gemeenten juist niet de hoogste prioriteit geniet, zo vragen de leden van de SGP-fractie. Welke aanvullende richtlijnen zijn er om een gezond monumentenaanbod op lokaal niveau te blijven garanderen?

In het wetsvoorstel blijft er ruimte voor de minister om uit eigen beweging tot toekenningen te komen. De leden van de SGP-fractie vragen of die bevoegdheid voldoende om het lijf heeft. Hoe houdt de minister echter rekening met het gegeven dat het belang van veel monumenten vaak uit de lokale gemeenschap opkomt? Monumenten die voor een lokale gemeenschap van waarde zijn, genieten immers vaak geen bekendheid bij de minister.

3.2. Deskundige commissie

De leden van de CDA-fractie onderschrijven de nieuwe eisen van deskundigheid en onafhankelijkheid die worden gesteld aan de deskundige commissie. Wegens het beperken van de ministeriële adviesplicht en het wegvallen van de provinciale adviesplicht moet de deskundige inbreng van gemeenten op een andere manier worden verzekerd. Twijfels hebben deze leden of in het bijzonder in de kleinere gemeenten wel voldoende deskundigheid aanwezig is. Alhoewel gebruik kan worden gemaakt van een regionale commissie of een gecombineerde welstands- en monumentencommissie, is dit nog onvoldoende waarborg dat in alle gevallen gebruik wordt gemaakt van de benodigde specialistische kennis. Er zijn nu eenmaal specialistische onderwerpen, zoals orgels en carillons, bijzondere materialen en interieurs, die om zeer specifieke kennis vragen. Bovendien kan een monument specifieke streekgebonden kenmerken hebben die door iemand zonder kennis van deze streekkenmerken moeilijk op de juiste waarde zou kunnen worden geschat. Kan de regering meedelen hoe dit straks wordt gewaarborgd?

3.3. Geen adviesplicht provincie

Tegenover het verdwijnen van de adviesplicht van de provincie staat dat er een zwaardere rol voor de provinciale steunpunten komt; zij zullen het aanspreekpunt voor de gemeenten worden. De leden van de CDA-fractie vragen of de provinciale steunpunten qua menskracht en kennis voldoende zijn toegerust om deze rol op zich te nemen. Graag ontvangen zij een reactie.

3.4. Overgangsbepaling in artikel 64 van de wet

Ongeveer 25 gemeenten beschikken momenteel niet over een monumentenverordening. De leden van de SGP-fractie vragen binnen welke termijn dit overgangsrecht beëindigd zal worden en alle gemeenten over een monumentenverordening dienen te beschikken.

3.5. Verzoeken om aanwijzing als beschermd monument

Het monumentenbestand is volgens de minister voldoende representatief. Daarbij baseert hij zich voornamelijk op de beleidslijn van de afgelopen tien jaar. Een beroep hierop heeft onvoldoende draagkracht, zo vinden de leden van de SGP-fractie. Ook de Raad van State heeft hierover opmerkingen gemaakt. Welke criteria worden gehanteerd om tot een conclusie van representativiteit te komen? Hoe wordt recht gedaan aan ontdekkingen binnen het monumentenbestand voor 1940 die ons nu niet bekend zijn?

In een modern stelsel van monumentenzorg acht de minister het vanzelfsprekend dat een voldoende representatief bestand voldoende is. Hoe is dit uitgangspunt te rechtvaardigen, zo vragen de leden van de SGP-fractie. Op welke wijze wordt recht gedaan aan de uniciteit van monumenten die niet binnen de bestaande representatieve afspiegeling vallen? Moet er vanuit lokaal perspectief niet de ruimte zijn om aanvullingen op het monumentenbestand te vragen, ook als dat geen vergrote representativiteit van het landelijke monumentenbestand zou opleveren?

4. Bestuurslasten

De leden van de fractie van de ChristenUnie verzoeken de regering toe te lichten in hoeverre deze aanscherping van beleid leidt tot vermindering van bestuurs- en administratieve lasten.

5. Advies van de Raad voor cultuur

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd waarom deze wijziging niet wordt meegenomen met de modernisering van de monumentenzorg.

Ingevolge dit wetsvoorstel zouden verzoeken van belanghebbenden voor aanwijzing van monumenten van voor 1940 niet meer kunnen worden gehonoreerd, aldus de leden van de fractie van de ChristenUnie. In reactie op het advies van de Raad voor cultuur stelt de regering dat naar huidig inzicht natuurlijk verbeteringen zijn te benoemen in het monumentenbestand, maar dat dat niet wegneemt dat met alle voorbehouden van dien de ongeveer 52 000 beschermde rijksmonumenten als de meest beschermingswaardige werken van het totale bouwareaal kunnen worden beschouwd.

De leden van de fractie van de ChristenUnie verzoeken om toe te lichten op welke wijze de minister voornemens is van de bevoegdheid om ambtshalve monumenten uit de periode van voor 1940 aan te wijzen, gebruik te maken om gestructureerd te kunnen werken aan verbeteracties.

In zijn reactie op het advies van de Raad voor cultuur stelt de regering dat het wetsvoorstel niet leidt tot een fundamentele wijziging van beleid, maar slechts een aanscherping is van de bestaande situatie. Is dit standpunt te rechtvaardigen in het licht van het feit dat monumenten uit de periode voor 1940 door dit wetsvoorstel niet meer ontvankelijk zijn, zo vragen de leden van de SGP-fractie. Gaat deze maatregel niet verder dan enkel vermindering van bureaucratie en administratieve lasten?

6. Financiële gevolgen

De leden van de PvdA-fractie willen weten hoeveel geld er wordt bespaard en op welke wijze het ambtelijke apparaat wordt verkleind. Zijn er, behalve een kortere doorlooptijd, nog andere positieve gevolgen voor de burger te verwachten?

II ARTIKELEN

Artikel I, onderdeel D

De leden van de SGP-fractie vragen waarom in onderdeel D – in navolging van onderdeel A – gekozen is voor de frase «uit eigen beweging» in plaats van de term «ambtshalve». Is een inhoudelijke of taalkundige achtergrond daarvoor de reden? Welke meerwaarde heeft de voorgestelde frase?

Artikel I, onderdeel J

Op welke wijze wordt voorzien in een bevoegdheid voor de minister als het onwaarschijnlijke geval zich voordoet dat er een beslissing moet worden genomen over een kerkelijk monument? Is het niet wenselijk dat de minister een bevoegdheid behoudt met betrekking tot fundamentele belangen als het belijden van godsdienst of levensovertuiging, zo vragen de leden van de SGP-fractie.

De voorzitter van de commissie,

Van de Camp

De griffier voor dit verslag,

De Gier


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), voorzitter, Depla (PvdA), Slob (CU), Remkes (VVD), Joldersma (CDA), De Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Dijk (CDA), Aptroot (VVD), Leerdam (PvdA), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk), Abel (SP), Van Leeuwen (SP), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Van Dijk (SP), Besselink (PvdA), De Rooij (SP), Ouwehand (PvdD) en Dibi (GL).

Plv. leden: van der Staaij (SGP), Ferrier (CDA), Gill’ard (PvdA), Anker (CU), Van Miltenburg (VVD), Atsma (CDA), Sterk (CDA), Vietsch (CDA), Schinkelshoek (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Dijken (PvdA), Hamer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg (VVD), Van Bommel (SP), Gesthuizen (SP), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Ten Broeke (VVD), Leijten (SP), Bouchibti (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD) en Peters (GL).

Naar boven