31 239 Stimulering duurzame energieproductie

Nr. 442 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 januari 2026

De Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking (hierna: SCE) is in 2025 opengesteld van 3 maart tot en met 1 oktober. Deze regeling is speciaal voor coöperaties en VvE’s die door middel van lokale zon-, wind- of waterkrachtprojecten willen bijdragen aan de energietransitie. Deze brief gaat eerst in op de resultaten van de openstelling in 2025, dan op de aanstaande openstellingsronde van 2026 en vervolgens op overige ontwikkelingen. In de bijlage worden de wijzigingen voor de openstellingsronde van 2026 in meer detail toegelicht.

Resultaten openstellingsronde 2025

In 2025 was er 100 miljoen euro beschikbaar binnen de SCE. Er is in totaal voor 28,8 miljoen euro aan subsidie gevraagd, waarvan bijna 24,3 miljoen euro aan subsidiebeschikkingen is afgegeven. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) heeft de beoordeling van aanvragen begin december afgerond. Het resultaat van de openstellingsronde is te zien in Tabel 1.

Hoewel de budgetclaim in 2025 hoger is dan in de openstellingsronde van 2024, is een aanzienlijk deel van het budget onbenut gebleven. Er zijn verschillende factoren die dit verklaren. Zo zijn er steeds meer momenten met negatieve elektriciteitsprijzen, waardoor de business case van met name zon-PV verslechtert. Het aantal vollasturen en de basisbedragen voor 2025 zijn hierop aangepast zodat de impact van negatieve prijzen wordt beperkt. Ook is een jaar «banking» toegevoegd, een extra jaar waarin ongebruikte productie-uren uit eerdere jaren nog kunnen worden gedraaid en gesubsidieerd. Deze aanpassingen kunnen echter niet voorkomen dat in elk geval in de nabije jaren, waarin het aantal negatieve prijsuren naar verwachting nog hoog blijft, negatieve elektriciteitsprijzen een grote impact hebben op nieuwe en bestaande projecten. Ook netcongestie speelt een rol bij het lagere aantal aanvragen omdat de netcapaciteit beperkt is.

Tabel 1: Aanvragen en beschikkingen SCE 2025

Categorieën

Aanvragen

Beschikkingen

Beschikt vermogen (MW)

Beschikt budget (€)

Zon-PV op dak kva >= 15 kW en <= 100 kW

138

123

10,80

13.416.740

Zon-PV op dak gva >= 15 kW en < 500 kW

12

7

1,22

1.339.264

Zon-PV op veld gva >= 15 kW en < 500 kW

5

4

2,00

2.186.058

Zon-PV groot veld >= 500 kW en <= 6.000 kW

2

2

7,74

3.867.629

Zon-PV groot veld natuur >= 500 kW en <= 6.000 kW

2

1

6,00

3.463.200

Totaal

159

137

27,76

24.272.891

         

Aanvragen door coöperaties

155 (waarvan 135 beschikt)

Aanvragen door VvE’s

4 (waarvan 2 beschikt)

(kva = kleinverbruikersaansluiting, gva = grootverbruikersaansluiting)

Openstellingsronde 2026

Het kabinet is voornemens de SCE van 2 maart tot 1 oktober 2026 open te stellen. Het openstellingsbudget is 78 miljoen euro, wat naar verwachting ruim genoeg is voor alle projecten die in 2026 een aanvraag willen doen. Het kabinet voert verschillende verbeteringen door binnen de SCE. Zo zullen de basisbedragen van verschillende categorieën worden verhoogd op basis van het advies van PBL om passend te stimuleren. Daarnaast is het kabinet voornemens de volgende wijzigingen door te voeren:

  • Verruiming categoriegrens kleinschalige zon-PV op een grootverbruikersaansluiting;

  • Toevoeging van categorieën voor zon-PV op zwakke daken;

  • Geen beperking meer op eigen verbruik bij zon-PV op een kleinverbruikersaansluiting;

  • Versoepeling eisen bij vervangende windmolen (repowering);

  • Waterkrachtprojecten niet langer in de SCE;

  • Onbalanskosten van het correctiebedrag naar het basisbedrag.

Deze wijzigingen worden in de bijlage bij deze brief nader toegelicht.

Basisbedragen SCE 2026

Het basisbedrag voor de verschillende categorieën productie-installaties wordt vastgesteld in het openstellingsbesluit voor 2026. Dit is het bedrag dat per geproduceerde kWh nodig is om de productie-installatie rendabel te exploiteren. De basisbedragen zijn gebaseerd op het bij deze brief gevoegde eindadvies van het PBL voor de SCE 2026. Het PBL heeft bij de voorbereiding van het advies voor de SCE-openstelling van 2026 de sector wederom nauw betrokken om een zo volledig en actueel mogelijk beeld te verkrijgen van de omstandigheden en kosten waar projecten mee te maken hebben. Het PBL heeft in het advies onder meer rekening gehouden met gestegen investeringskosten en operationele kosten. Naast de basisbedragen biedt dit onafhankelijke advies ook de basis voor de gekozen categorieën productie-installaties.

Overige ontwikkelingen

Evaluatie SCE 2021–2025

Momenteel wordt een evaluatie uitgevoerd van de SCE, op basis van de openstellingsrondes van de jaren 2021 tot en met 2025, op grond van de verplichting om subsidieregelingen elke vijf jaar te evalueren. De doelmatigheid en doeltreffend van de SCE, de consistentie van de SCE met andere beleidsinstrumenten en de ervaringen die gebruikers hebben met de SCE worden onderzocht. De evaluatie over de huidige vorm van de SCE wordt naar verwachting in februari 2026 afgerond. Conclusies en aanbevelingen die uit het evaluatierapport naar voren komen zullen bij de besluitvorming over de periode na 2026 worden meegenomen.

Tweerichtingscontracten

Op 14 juli jl. heeft het kabinet de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over de invoering van tweerichtingscontracten voor de verrekening van verschillen. Deze tweerichtingscontracten vervangen vanaf 2027 de SDE++ voor de stimulering van zon-PV en wind op land. Voor de SDE++ en de SCE geldt dat de huidige vorm van subsidie vanaf 17 juli 2027 niet meer is toegestaan voor nieuwe zon- en windprojecten vanaf een bepaalde ondergrens. In plaats daarvan moet op grond van de gewijzigde Elektriciteitsmarktverordening steun voor deze projecten in de EU verleend worden in de vorm van tweerichtingscontracten, waarmee in het geval van hoge elektriciteitsprijzen ook inkomsten kunnen worden gevorderd. Om tweerichtingscontracten tijdig te kunnen inzetten voor nieuwe projecten voor zon-PV en wind op land en zee is een spoedige behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer van belang.

Pilots voor collectieve opslag en zonne-energie

In het notaoverleg over de Klimaat- en Energieverkenning van 2 oktober jl. is aan het lid Kröger de toezegging1 gedaan om te kijken naar pilots voor collectieve energieopslag en het delen van zonne-energie. Het ondersteunen van energieopslag binnen de SCE is niet goed mogelijk, omdat de inkomsten van uitgestelde levering niet goed zijn in te schatten voor het bepalen van een correctiebedrag. Dit is essentieel voor de systematiek van de SCE. Dit kwam onder meer naar voren uit de analyse van het PBL in het Eindadvies basisbedragen SDE++ 20212, waar van dezelfde systematiek gebruik gemaakt wordt als voor de SCE. De SCE, met een steunperiode van 15 jaar, leent zich daarnaast niet goed voor pilotprojecten. Wel kunnen innovatieve pilotprojecten voor coöperatieve energieopslag in aanmerking komen voor subsidie uit innovatieregelingen zoals de DEI+. Afgelopen jaren zijn al enkele projecten op het gebied van coöperatieve energieopslag ondersteund via deze subsidieregelingen, waaronder de projecten «COOP-STORE»3 en «WattFlex»4.

Ook kan een pilot met collectieve energieopslag en zonne-energie worden opgenomen in het vervolg van het Local4Local-programma. Zoals in de Kamerbrief over de rol van energiegemeenschappen in het energiesysteem5 is benoemd, verkent het kabinet de voortzetting van het Local4Local-programma met ondersteuning voor het verder ontwikkelen van pilots naar volwassen multicommodity-energiehubs of -energiegemeenschappen. Energie Samen werkt tot eind maart 2026 aan een gedragen plan voor de doorontwikkeling van Local4Local. De doorontwikkeling gaat zowel over de opschaling van het aantal initiatieven als over de integratie van energiesystemen van bedrijven en de gebouwde omgeving. Het kabinet wil hiermee ruimte geven om te experimenteren met het combineren van opwek van duurzame energie met opslag en/of conversie naar andere energiedragers. Een pilot waarin collectieve energieopslag gecombineerd wordt met zonne-energie kan inzichten bieden in de impact van een dergelijke integrale benadering op de business case en belasting van het elektriciteitsnet.

De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.T.M. Hermans

Bijlage – toelichting bij belangrijkste wijzigingen SCE 2026

Verruiming categoriegrens kleinschalige zon-PV op grootverbruikersaansluiting

Het PBL adviseert op basis van de marktconsultatie voor 2026 een verruiming van de categorieën voor kleinschalige zon-PV op een grootverbruikersaansluiting (gva). Deze grens ligt nu op 500 kWp en wordt verhoogd naar 1 MWp. De grens van 500 kWp werd als beperkend ervaren, waardoor projecten die groter zijn in verschillende delen over meerdere jaren worden gerealiseerd om binnen deze grens te vallen. Het kabinet vindt verruiming wenselijk, omdat het bij projecten tot 1 MWp nog gaat om relatief kleinschalige projecten en omdat de verruiming naar verwachting bijdraagt aan een effectievere stimulering van deze projecten. Daarbij wordt de eis om bij de aanvraag een «verklaring geschiktheid dak of gevel»6 mee te sturen voortaan van toepassing op projecten tot 1 MWp (i.p.v. 500 kWp). De eis van het meesturen van een dakconstructieverklaring7 die gold voor projecten vanaf 500 kWp, geldt voortaan voor projecten vanaf 1 MWp.

Zon-PV op zwakke daken

Het kabinet had het PBL gevraagd om te onderzoeken in hoeverre in de SCE behoefte is aan subsidie voor zon-PV op zwakke daken. Met zo’n subsidie worden de kosten vergoed voor versterking van de dakconstructie die nodig is om zonnepanelen te kunnen plaatsen. Steun voor zon-PV op zwakke daken is al opgenomen in de SDE++. Voor alle categorieën zon-op-dakprojecten heeft het PBL op basis van de marktconsultatie geadviseerd dergelijke steun aan de SCE toe te voegen. Het kabinet neemt dit advies over.

Geen beperking meer op eigen verbruik bij zon-PV op kva

Tot nu toe werd bij de categorie zon-PV op een kleinverbruikersaansluiting (kva) vereist dat 100% van de stroom aan het net geleverd wordt, om te voorkomen dat sprake zou zijn van overcompensatie als ook van de salderingsregeling gebruik gemaakt wordt. De salderingsregeling wordt per 2027 afgeschaft. Het kabinet heeft het PBL gevraagd te adviseren over de implicaties hiervan voor projecten.

Eigen verbruik van stroom heeft een gunstig effect op het energiesysteem en kan helpen om periodes met negatieve prijzen te verminderen en de impact van zonne-energie op netcongestie te beperken. Daarom wordt eigen verbruik voor productie vanaf 2027 voor zowel bestaande als nieuwe installaties toegestaan. Eigen verbruik komt niet in aanmerking voor subsidie bij projecten op een kleinverbruikersaansluiting (kva). Kleinverbruikers vermijden bij gebruik van eigen stroom in plaats van stroom van het net namelijk dermate veel kosten dat er geen sprake is van een onrendabele top.

Versoepeling eisen bij vervangende windmolen (repowering)

Het kabinet kiest ervoor om de eisen bij vervanging van een bestaande windmolen door een nieuwe windmolen op dezelfde locatie te versoepelen en gelijk te trekken met de SDE++. Tot nu toe werd vereist dat de te vervangen windmolen er op het moment van vervanging minimaal 15 jaar heeft gestaan, en het vermogen van de vervangende windmolen minimaal 1 MW hoger is. Vanaf 2026 hoeft maar aan één van beide eisen te worden voldaan.

Waterkrachtprojecten niet langer in SCE

Al sinds de SCE voor het eerst in 2021 is opengesteld zijn er geen projecten voor waterkracht geweest. Uit de marktconsultatie van het PBL is gebleken dat er nog altijd geen concrete projecten voor waterkracht in voorbereiding zijn. Het kabinet besluit daarom om de categorie voor waterkracht niet langer open te stellen in de SCE. Mocht in de toekomst uit de marktconsultatie blijken dat er wel concrete projecten voorbereid worden, dan kan er in een toekomstige openstellingsronde overwogen worden weer een categorie voor waterkracht in de SCE op te nemen.

Onbalanskosten van het correctiebedrag naar het basisbedrag

Uit gesprekken met de Europese Commissie in het kader van de SDE++ is gebleken dat het niet is toegestaan om onbalanskosten van zon-PV en wind te vergoeden middels het correctiebedrag. Dit geldt ook voor de SCE. Op basis van de Elektriciteitsmarktverordening8 moeten producenten namelijk de volledige financiële verantwoordelijkheid dragen voor onbalanskosten, ook als het gaat om energiecoöperaties. De onbalansfactor wordt daarom niet langer meegenomen in het correctiebedrag. Om tegemoet te komen aan de onbalanskosten heeft het PBL een inschatting van de onbalanskosten meegenomen in het basisbedrag. Deze aanpassing in het correctie- en basisbedrag geldt alleen voor beschikkingen die vanaf 2026 worden afgegeven.

In de uitgangspunten die jaarlijks aan het PBL worden meegegeven, staat onder meer dat het basisbedrag voor categorieën in de SCE wordt afgetopt op € 0,15 per kWh. Dit in verband met de kosteneffectiviteit van de uitgaven, die binnen de SCE al beperkt is in vergelijking met de SDE++, onder andere omdat bij SCE-projecten minder sprake is van eigen verbruik van stroom. De verschuiving van de onbalanskosten van het correctiebedrag naar het basisbedrag leidt er bij een aantal categorieën in de SCE toe dat het basisbedrag (verder) boven de € 0,15 per kWh komt te liggen. Om te voorkomen dat projecten hier nadeel van ondervinden, wordt de aftopping verhoogd met de onbalanskosten, naar € 0,157 per kWh.


X Noot
1

Toezegging met nummer TZ202510-123.

X Noot
2

Zie Eindadvies basisbedragen SDE++ 2021, bijlage F.

X Noot
5

Brief van 29 september jl. met Kamerstuk 30 196, nr. 854.

X Noot
6

Waarbij de schouw van dak of gevel door de aanvrager zelf mag zijn uitgevoerd.

X Noot
7

Waarbij de dakconstructie door een constructeur moet zijn beoordeeld conform het Besluit bouwwerken leefomgeving.

X Noot
8

Artikel 5 van verordening (EU)2019/943 betreffende de interne markt voor elektriciteit.


X Noot
1

Toezegging met nummer TZ202510-123.

X Noot
2

Zie Eindadvies basisbedragen SDE++ 2021, bijlage F.

X Noot
5

Brief van 29 september jl. met Kamerstuk 30 196, nr. 854.

X Noot
6

Waarbij de schouw van dak of gevel door de aanvrager zelf mag zijn uitgevoerd.

X Noot
7

Waarbij de dakconstructie door een constructeur moet zijn beoordeeld conform het Besluit bouwwerken leefomgeving.

X Noot
8

Artikel 5 van verordening (EU)2019/943 betreffende de interne markt voor elektriciteit.

Naar boven