31 200 VI
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2008

nr. 104
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 23 januari 2008

De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 28 november 2007 overleg gevoerd met minister Hirsch Ballin van Justitie over:

– de brief van de minister van Justitie d.d. 13 april 2007 over de bescherming van journalistieke bronnen (30 800 VI, nr. 82);

– de lijst van vragen en antwoorden d.d. 13 juli 2007 inzake het verschoningsrecht van journalisten (30 800 VI, nr. 117);

– de brief van de minister van Justitie d.d. 27 november 2007 over het verschoningsrecht van journalisten (31 200 VI, nr. 92).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De voorzitter stelt vast dat er in de commissie geen bezwaar tegen bestaat dat de heer Brinkman, die geen lid is van de commissie, zijn collega Van Roon vervangt. Voorts zullen de heer Brinkman en mevrouw Koşer Kaya de vergadering om 11.30 uur verlaten in verband met verplichtingen elders in het gebouw.

De heer Van de Camp (CDA) bedankt de minister voor de heldere stukken van 13 april en 13 juli 2007. Hij kan zich vinden in de daarin weergegeven lijn dat het verschoningsrecht van journalisten en de bronbescherming zich in eerste instantie langs de lijn van de jurisprudentie zouden moeten ontwikkelen. Het is goed dat de minister onmiddellijk het initiatief heeft genomen toen het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op 21 november uitspraak heeft gedaan in de zaak Voskuil. Nederland heeft in 1950 niet voor niets het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) ondertekend en dat de uitspraak van het Hof aanleiding is om een wetsvoorstel te laten uitwerken, is niet meer dan normaal. Wanneer kan de Kamer dat wetsvoorstel verwachten? Hoe zet de minister de consultatieronde op? Het wetsvoorstel zal een aantal elementen bevatten die een nadere definitie behoeven, bijvoorbeeld het begrip journalist. Vormt de Aanwijzing toepassing dwangmiddelen bij journalisten, gepubliceerd in de Staatscourant in 2002, de basis of mede de basis voor het op te stellen wetsontwerp?

Er is discussie ontstaan in de pers over nut en noodzaak van wetgeving op dit punt. Arendo Joustra, de voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, meent dat de ontwikkeling in de jurisprudentie wellicht meer ruimte laat dan wetgeving dat zou doen. Hoe denkt de minister daarover? Wie het verschoningsrecht van journalisten en de bronbescherming serieus en juridisch verantwoord vorm wil geven, moet nadenken over de bescherming van de journalist en over de omschrijving van het begrip journalist. De heer Van de Camp pleit voor een wel omschreven begrip. Hij staat niet afwijzend tegenover het idee om het lidmaatschap van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) als uitgangspunt te nemen. Hij is altijd voorstander geweest van een zekere mate van zelfregulering in de branche.

In de Belgische wet is een poging gedaan tot definiëring van het begrip journalist, maar die definitie blijkt in de praktijk niet altijd even goed hanteerbaar. Het kan niet de bedoeling zijn dat iemand die een weblog bijhoudt over zijn cavia als journalist wordt aangemerkt. In de afgelopen decennia is het begrip journalist en de uitleg van het verschoningsbegrip ontwikkeld via de jurisprudentie. De rechter heeft dat op zeer behoorlijke wijze gedaan. Nu het verschoningsrecht wettelijk vastgelegd wordt, is een beschrijving nodig van het begrip journalist, tenzij de wetgeving zo open wordt dat de rechter ook in het vervolg bepaalt wie als journalist in aanmerking komt en wie niet.

Een ruime definitie heeft niet de voorkeur: het gaat om rechten, om grondrechten zelfs, en dan moet duidelijk zijn aan wie die toekomen. Weet de minister al in welke gevallen er sprake is van uitzonderingsgronden, zodat men geen beroep kan doen op het verschoningsrecht? Artikel 10, lid 2 van het EVRM zou daarbij als uitgangspunt moeten dienen. Het zou bezwaarlijk zijn, bij iedere wet weer nieuwe uitzonderingsgronden te formuleren. Hoe wil de minister dat gaan doen?

Een specifiek aspect van de bronbescherming is de kwestie van het strafrechtelijke onderzoek. Journalisten beroepen zich er terecht op dat door hen vergaard materiaal niet te snel onderdeel mag gaan uitmaken van het strafrechtelijk onderzoek. Wordt dit een apart onderdeel van het aankomende wetsvoorstel? Tot slot heeft de vicepresident van de Raad van State in een recente redevoering gewezen op het feit dat journalisten niet alleen rechten hebben, maar ook plichten. Hij constateerde dat de brenger van het nieuws recentelijk wel belangrijker geworden schijnt te zijn dan het nieuws zelve. Het zou interessant zijn, een reflectie te horen van de minister op de vraag hoe om te gaan met het vak van journalist.

De heer Heerts (PvdA) is verheugd dat de minister nu het verschoningsrecht wettelijk wil regelen. In de jaren 90 is al een initiatiefwetsvoorstel daarover ingediend door de heer Jurgens en recentelijk heeft de heer Wolfsen er eveneens voor gepleit. Een goede regeling is nodig omdat vrije nieuwsgaring deel uitmaakt van een democratisch land zoals Nederland. Er zijn allerlei machten en de positie van de journalistieke macht dient duidelijk te zijn. Het hoort bij een democratie dat misstanden aan de kaak worden gesteld, hetzij door de Kamer zelf, hetzij door de journalistiek. Er moeten zaken boven water komen, en daar hebben journalisten een belangrijke rol in.

Jurisprudentie mag dan in de afgelopen periode een leidend principe zijn geweest, de PvdA-fractie is toch voor een duidelijk wetgevend kader, ook als een uiterst belangrijk signaal tegenover de beroepsgroep. Vrije nieuwsgaring is essentieel en moet geborgd zijn; daar hoort ook bronbescherming bij. De minister zei na de uitspraak in de zaak Voskuil dat hij een wetgevingstraject in gang wilde zetten. Aan welke termijnen denkt de minister? Wordt de beroepsgroep zelf daar ook bij betrokken?

Hoe wordt bepaald wie journalist is? Een afbakening van dit begrip is noodzakelijk, zodat niet iedere blogger een beroep kan doen op bronbescherming. Denkt de minister bijvoorbeeld aan het bezit van een perskaart als criterium? Zo ja, wie mag zo’n kaart dan uitgeven? De NVJ kan daar een belangrijke rol in spelen, maar of het goed is dit exclusief via één organisatie te regelen, is de vraag. Gaat de minister het begrip journalist omschrijven in het wetsvoorstel?

Wanneer moet een journalist zijn bron wel vrijgeven? Volgens de heer Heerts moet dat indien een terroristisch aanslag kan worden voorkomen of moord en doodslag. Denkt ook de minister dat de bronbescherming in dat kader moet worden opgeheven?

De heer Teeven (VVD) memoreert dat deze discussie al sinds het voorjaar speelt. De gang van zaken wekt bevreemding. Op 13 april stuurt de minister de Kamer een brief met daarin de mededeling dat hij geen enkele aanleiding ziet om met wetgeving te komen. De voorzitter van het College van Procureurs-Generaal zegt op 3 mei, de dag van de persvrijheid, dat het goed geregeld is via de jurisprudentie. Toch zegt de minister dan binnen 24 uur na het arrest Voskuil dat er wel wetgeving nodig is. De codificatie van jurisprudentie kan een bijdrage leveren en dat lijkt de heer Teeven zeker nodig, maar vanwaar de draai van de minister van geen wetgeving naar wel wetgeving?

De ellende van de laatste maanden is niet begonnen om het verschoningsrecht van journalisten an sich, maar om het gijzelen van journalisten, het ultieme dwangmiddel tegen een getuige. Moeten de artikelen 221 tot en met 224 van de Wetboek van Strafvordering niet zo aangepast worden dat de gijzeling van verschoningsgerechtigden niet langer door één rechter gebeurt, maar door drie rechters? Gijzeling is immers een ingrijpend dwangmiddel. Het is raar dat in Nederland een enkele rechter daarover kan beslissen. De toepassing van andere dwangmiddelen is ook zo geregeld dat in eerste instantie de raadkamer beslist en daartegen is appel mogelijk bij de raadkamer van het gerechtshof. Dat zou de ergste druk van de gijzeling van verschoningsgerechtigden afhalen.

Ligt het wetsvoorstel waar de minister mee zal komen in de lijn van het initiatiefwetsvoorstel-Jurgens dat ooit door deze Kamer is behandeld? Dat was een heel duidelijk voorstel, maar het is in maart 2005 ingetrokken, omdat het achterhaald werd door het Goodwinarrest van 27 maart 2005. Na dat arrest was er geen aanleiding meer voor een initiatiefwetsvoorstel.

De omvang van het verschoningsrecht baart de heer Teeven grote zorgen. Naar aanleiding van de discussie van het voorjaar is navraag gedaan bij het Belgische parlement en bij leden van het Belgische OM. De Belgische wetgeving kent een zeer breed en ruim verschoningsrecht, wat voor opsporings- en vervolgingsinstanties tot gevolg heeft dat zij per geval moeten overwegen of iemand nu journalist is of niet. Om de bescherming van journalisten goed te regelen, moet het begrip journalist wel ingekaderd worden. Het kan ook niet zo zijn dat allerlei beunhazen een beroep kunnen doen op bronbescherming.

De heer Teeven adviseert de minister om het onderwerp dat het meest zeer doet, de gijzeling, het eerst te regelen. Dat zou snel kunnen, te meer daar ook de top van het OM daar niet onwelgevallig tegenover staat, al geschiedden de laatste gijzelingsgevallen helemaal niet op verzoek van het OM, maar van de verdediging van een verdachte. Misschien kan de minister dit eerst regelen en dan pas beginnen aan een regeling voor de ingewikkelde materie van het verschoningsrecht.

Mevrouw Koşer Kaya (D66) constateert dat de minister naar aanleiding van de uitspraak van het Europees Hof een wettelijke regeling noodzakelijk acht, terwijl hij die noodzaak daarvoor heeft ontkend. Waarom deed de minister die mededeling eerst aan de journalisten en niet per brief aan de Kamer? Het zou prettig zijn als de Kamer op de hoogte werd gesteld van de redenen waarom de minister deze draai heeft gemaakt.

Persvrijheid is essentieel in een open, vrije, liberale democratie als Nederland. De functie van public watchdog van journalisten is niet te onderschatten. Zij stellen vaak misstanden aan de kaak, waarop er kan worden gezocht naar oplossingen. Het belang van een gedegen bronbescherming voor een vrije nieuwsgaring staat buiten kijf. Bij het verschoningsrecht van journalisten staat de vraag voorop hoe die belangen het beste behartigd kunnen worden. Mevrouw Koşer Kaya waarschuwt voor simplificatie. Een wettelijke verankering lijkt sympathiek, maar moet er alleen komen als dat meerwaarde heeft. Wat is die meerwaarde volgens de minister? Een wettelijke regeling versterkt wellicht de waarborgen, maar kan ook vrijheden inperken. Het is niet wenselijk dat de politiek bepaalt wie een goede journalist is en wie niet.

Uit onderzoek van de heer Wijfjes blijkt dat tussen 1850 en 2000 maar zeven journalisten werden gegijzeld. De indruk bestaat dat de frequentie toeneemt. Is dat juist? Wil de minister de zaak daarom wettelijk regelen, of toch vanwege de uitspraak van het Hof? Een wettelijke verankering kan duidelijkheid scheppen, maar zij kan ook slechts van symbolische waarde zijn. Het is van belang dat de rechter uiteindelijk bepaalt wanneer een beroep op het verschoningsrecht mogelijk is en wanneer niet.

Acht de minister het juist dat de politiek gaat bepalen wie er precies onder het begrip journalist valt? Of moet het veld daarin zeggenschap krijgen? Welke consequenties kan het vastleggen van het begrip journalist hebben? Het lidmaatschap van een beroepsorganisatie of vakbond verplicht stellen voor journalisten lijkt mevrouw Koşer Kaya niet opportuun.

De heer De Wit (SP) acht de persvrijheid een belangrijk goed, dat in een democratische samenleving gekoesterd en goed geregeld moet worden. Toen Koen Voskuil in 2000 werd gegijzeld, werd er in de Kamer een debat gevoerd over verschoningsrecht en gijzeling. De heer De Wit vond toen al dat het verschoningsrecht wettelijk geregeld moest worden. Dan weten de journalisten waar zij aan toe zijn en dan hebben de rechters een richtsnoer om hun belangenafweging te structureren. De toenmalige minister Korthals was evenals deze minister tot voor kort van mening dat een wettelijke regeling niet nodig zou zijn, omdat de jurisprudentie heel erg duidelijk is.

Volgens de mensenrechtenorganisatie Privacy International hebben circa 100 landen in de wereld het verschoningsrecht van journalisten wettelijk vastgelegd. In landen waar dat niet het geval is, ontstaan regelmatig problemen rondom dat verschoningsrecht.

Het Europees Hof is in de zaak Voskuil tot een duidelijke uitspraak gekomen. Het Hof is kritisch over Nederland en maakt duidelijk hoe groot het belang is van journalisten om hun bron te beschermen, niet om de waarheidsvinding te frustreren, maar om die te stroomlijnen. De kernvraag is: wie is journalist? De NVJ heeft een duidelijk standpunt ingenomen en wil een zo ruim mogelijke definitie, verwijzend naar de zeer ruime omschrijving die in de Belgische wet is opgenomen; zij komt neer op iedereen die informatie verzamelt en verspreidt via een publiek medium en omvat ook medewerkers van de redactie.

In de memorie van toelichting op het initiatiefwetsvoorstel-Jurgens uit 1992 wordt gewaarschuwd voor een monopolie voor «de journalist»; er staat dat er een zo breed mogelijke omschrijving moet komen van hen die zich bezighouden met nieuwsgaring en daarover publiceren. De heer De Wit is het van harte eens met de ruime formulering van toen. Het eerste het beste clubblad zal niet gauw verwikkeld zijn in problemen rondom het verschoningsrecht. Wat is erop tegen om de schrijver van een artikel in zo’n blad dezelfde bescherming te bieden als aan «de grote journalist»? De bescherming niet van toepassing verklaren op de clubbladschrijver lost het probleem niet op. Hij of zij kan zich toch beroepen op een zwijgrecht.

De situatie in 1992 is geenszins te vergelijken met die in 2007. De samenleving is totaal veranderd wat publiceren en schrijven betreft. Iedereen kan op het internet vrijelijk publiceren. Alleen wie dat in gedachten houdt, ziet de zaak in het juiste perspectief.

Wat de toelaatbaarheid betreft van inbreuken op de bescherming die de journalist geniet, is het verstandig om te kijken naar artikel 10, lid 2 van het EVRM. Ook in de Duitse wetgeving staat heel gedetailleerd uiteengezet welke belangen tegenover elkaar staan. De heer De Wit is benieuwd naar de keuze die de minister zal maken.

Een wetsvoorstel over dataretentie ligt bij de Kamer voor. Als in het kader van de dataretentie niets wordt geregeld, kan dat het verschoningsrecht totaal ondergraven. Immers, een officier van justitie die telefoonnummers, adressen of e-mails opvraagt, kan in feite precies zien wie de bron is. De heer De Wit zit hierin een probleem dat nu aan het ontstaan is en daar moet een oplossing voor komen.

De heer Brinkman (PVV) acht onbelemmerde nieuwsgaring een essentiële voorwaarde voor het verwezenlijken van de vrijheid van meningsuiting, maar het recht op onbelemmerde journalistieke nieuwsgaring is niet absoluut. De overheid moet inbreuk kunnen maken op dat recht als zwaarder wegende belangen in het geding zijn.

Het recht op onbelemmerde journalistieke nieuwsgaring is niets anders dan een afgeleide van de vrijheid van meningsuiting en het recht daarop is in artikel 10 van het EVRM geclausuleerd. Bij wet kan worden geregeld dat de uitoefening van dat recht aan bepaalde voorwaarden, beperkingen of sancties wordt verbonden in het belang van nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van gezondheid of goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

In beginsel zijn deze wettelijke beperkingsmogelijkheden dus ook van toepassing op de onbelemmerde journalistieke nieuwsgaring. Welke van die beperkingen vindt de minister opportuun genoeg om inbreuk te kunnen maken op het verschoningsrecht? Het lijkt de heer Brinkman een goede zaak als er meer duidelijkheid in de wet komt over het journalistieke verschoningsrecht. Het kan niet zo zijn dat telkens journalisten gegijzeld worden en dat vervolgens de rechter moet nagaan of een beroep op het verschoningsrecht terecht was of niet. De vrijheid van meningsuiting is er niet mee gediend als journalisten zich laten intimideren door de vrees voor een onduidelijke uitkomst van rechterlijke procedures.

Helderheid is goed, en zij begint met de wettelijke erkenning van het journalistieke verschoningsrecht. Blijkens recente berichtgeving wil de minister dat in de wet vastleggen. Geldt dat ook voor het begrip journalist an sich? Hoe komt die definitie eruit te zien? De echte vuurproef ligt in het treffen van een wettelijke regeling voor die gevallen waarin het verschoningsrecht kan worden ingeperkt. Wanneer is er naar de mening van de minister sprake van een dusdanig zwaarwegend belang dat het verschoningsrecht moet worden doorbroken? Verwacht de minister die gevallen zo helder te kunnen omschrijven dat er inderdaad houvast komt voor journalisten? Hoe wil de minister voorkomen dat journalisten onnodig in gijzeling worden genomen? Hoe denkt hij die groep journalisten af te bakenen?

Mevrouw Azough (GroenLinks) memoreert dat Nederland al eeuwen een traditie heeft op het gebied van het vrije woord. Terwijl de rest van Europa zuchtte onder overheidscensuur en boekenverbrandingen, konden vrijdenkers in de Republiek der Nederlanden hun bijdrage leveren aan wat vandaag te boek staat als een democratische rechtsstaat. Ook nu nog zijn er landen te over waar mensen niet durven te zeggen wat zij denken, laat staan dat media vrijelijk kunnen berichten. De democratische rechtstaat vergt altijd en overal onderhoud en journalisten spelen daarbij een belangrijke rol. Misstanden moeten onverkort aan de kaak kunnen worden gesteld. Dat vond het Europees Hof al in het verleden en dat werd in het Voskuilarrest van vorige week herhaald.

Het Hof toonde zich getroffen door de gijzeling en spreekt een behoorlijke waarschuwing uit aan het adres van Nederland. Mevrouw Azough verwelkomt de snelle inkeer van de minister in dezen. Zij wenst zelf ook een wettelijke verankering van het verschoningsrecht van journalisten, maar wat is de verklaring voor de verbazingwekkend snelle ommekeer in het denken van de minister?

Wie de jurisprudentie van de afgelopen jaren bekijkt, zal zien dat de bescherming van journalisten vooral vanuit Europa moet komen. Zo werd tot voor kort altijd beweerd dat het welbekende Goodwinarrest voor voldoende bescherming zorgt, hoewel onduidelijk bleef in welke mate de toepassing van dwangmiddelen tegen journalisten gerechtvaardigd was. Die vraag moet zorgvuldig worden beantwoord. In hoeverre komt journalisten een recht op bronbescherming toe? Mogen journalisten onderworpen worden aan dwangmiddelen zoals huiszoeking, aftappen, het vorderen van materiaal of gijzeling? Deze middelen worden steeds vaker toegepast en de fractie van GroenLinks heeft daar bezwaar tegen. Zal het aankomende wetsvoorstel daar iets aan veranderen?

Het kan volgens mevrouw Azough niet al te moeilijk zijn om een wettelijk kader op te stellen voor het journalistieke privilege. Er zijn goede voorbeelden. Het grootste probleem zal de definitie van het begrip journalist zijn. Natuurlijk is de situatie in 2007 geheel anders dan voor de komst van internet en de weblogjournalistiek. Daar mag niet aan voorbij worden gegaan. Gewenst is een ruime, door de rechter te beoordelen definitie van het begrip journalist.

Antwoord van de minister

De minister zegt zich na het bekend worden van het arrest van het Europese Hof opnieuw beraden te hebben op wat hem te doen stond. In de brief van 13 april stond dat de minister vooralsnog geen aanleiding zag voor een wettelijke regeling, aangezien er in de OM-richtlijnen, in de goede praktijk enzovoorts terdege rekening kon worden gehouden met het Goodwinarrest en met andere jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het was ook duidelijk dat die brief niet het eindpunt van de discussie kon zijn. De zaak-Voskuil was immers nog aanhangig bij het Europees Hof.

Naar aanleiding van het arrest in de zaak-Voskuil is nagedacht over de lijn die zich inzake het verschoningsrecht van journalisten in de loop der jaren heeft afgetekend. Nederland is partij bij het EVRM en als het Hof een uitspraak doet, wordt die serieus genomen. Dan wordt er dus ook bezien welke stappen nodig zijn om situaties waarin door het Hof een schending van de mensenrechten is geconstateerd, zoveel mogelijk te voorkomen. Het verschoningsrecht is geen gemakkelijk onderwerp van wetgeving.

De minister heeft in de week voor dit overleg in een AO over een ander onderwerp de mededeling gedaan dat het bestuderen van het arrest-Voskuil mogelijk zou leiden tot heroverweging van het standpunt dat wetgeving niet nodig was. Dat is opgemerkt en later vermeld door enkele journalisten, waarop de minister de Kamer op de avond voor dit overleg een brief deed toekomen ter bevestiging van het reeds bekende voornemen om naar aanleiding van het arrest een wettelijke regeling voor te bereiden.

De minister zal na overleg met de NVJ naar een definitie van het begrip journalist kijken. Er is consensus over de noodzaak van enige afbakening van de groep die een beroep kan doen op het verschoningsrecht. Consensus is er eveneens over het feit dat de uitwerking van die wettelijke regeling een antwoord vereist op een aantal lastige vragen. De minister is blij met de verschillende gezichtspunten die de Kamer naar voren heeft gebracht. Het is zeer behulpzaam om die mee te kunnen nemen in de voorbereiding van een wetsvoorstel.

Het denken over het onderwerp is niet bij nul begonnen. Dankzij de lijnen die bijvoorbeeld het OM heeft uitgezet, is er het een en ander bekend over de strafvordelijke benadering tot nog toe. Het is de bedoeling om vroeg in het voorjaar van 2008 een conceptwetsvoorstel in consultatie te geven. De NVJ wordt daar uiteraard bij betrokken. De reacties van verschillende zijde worden dan verwerkt, waarna het wetsvoorstel de gewone loop van de wetgeving kan nemen.

Er is aanleiding om te kijken naar de strafvorderlijke bepalingen. Artikel 291 van het Wetboek van Strafvordering houdt nu een verplichting in voor de getuige om bij zijn verklaring zoveel mogelijk aan te geven wat hij heeft waargenomen en ondervonden, en wat de redenen zijn van zijn wetenschap. In artikel 294 is de regeling te vinden voor een getuige die niet voldoet aan zijn verplichtingen. Daar zal een afwegingskader voor moeten worden neergelegd in het wetsvoorstel, aansluitend bij jurisprudentie van het Europese Hof in de zaak-Goodwin en nu dus ook in de zaak-Voskuil.

Terecht is opgemerkt dat de afbakening van de doelgroep een tamelijk lastig, maar niet onoplosbaar probleem is. Er zijn beroepsgroepen met een wettelijk vastgelegd verschoningsrecht, alleen betreft dat wettelijk geregelde beroepen met tuchtrecht en dergelijke. De groep van de journalisten is lastiger, al is er ook een journalistiek tuchtrecht. Mogelijk kan juist in een goed afwegingskader een antwoord worden gevonden.

Er is gevraagd naar de aanwijzing van het College van procureurs-generaal. De beschrijving van de jurisprudentie van het Europees Hof, het strafvorderlijk beleid en de praktijk ten opzichte van journalisten is daarin goed beschreven. Over het strafrechtelijk onderzoek tegen journalisten als mogelijke verdachten – wat een totaal ander onderwerp is – staat wel iets in de aanwijzing van het College van procureurs-generaal, maar dat is hier niet aan de orde.

Het zou nog wel eens kunnen dat er bij de regeling van gijzeling in het Wetboek van Strafvordering nog knelpunten kunnen opgespoord en opgelost. Ik zal deze betrekken bij de voorbereiding van het conceptwetsvoorstel.

De aard en intensiteit van het gepleegde delict spelen in het kader van de belangenafweging een rol, maar deze zijn niet goed bruikbaar om met verwijzing naar strafmaxima een afbakening tot stand te brengen. Vooralsnog ziet de minister niet veel in de gedachte van een afbakening naar gelang van de ernst van gepleegde delicten.

De minister heeft er geen aanwijzing voor dat de frequentie van het gijzelen van journalisten bij toepassing van artikel 294 van het Wetboek van strafvordering toeneemt. Over een periode van 150 jaar zijn er zeven gevallen van gijzeling te vermelden. Echter, het gaat minder om de aantallen dan om het gewicht van de conflicten die zich daarbij voordoen.

Nadere gedachtewisseling

De heer Van de Camp (CDA) is zich bewust van het feit dat er sprake is van een soort overgangsfase tussen het besef dat er wetgeving moet komen en het daadwerkelijke uitwerken daarvan. Hij wenst de minister sterkte met het concipiëren van het wetsvoorstel ter zake. Er moet een definitie komen van het begrip journalist. Die definitie moet ruim zijn waar het de vrijheid van meningsuiting betreft, maar tegelijkertijd moet duidelijk in te kaderen zijn wie zich op het verschoningsrecht mag beroepen. Het aankomende wetsontwerp moet naar de mening van de heer Van de Camp ook regels bevatten omtrent de inbeslagname van beeld- en geluidsmateriaal dat kan bijdragen aan de opsporing.

De heer Heerts (PvdA) is het eens met de minister dat het wegingskader en de belangenafweging vele malen belangrijker zijn dan de strafmaat. In de kern moet nu een fatsoensnorm wettelijk geregeld worden. In samenwerking met de NVJ zal het de minister zeker lukken om te bepalen wanneer een journalist zijn bron dusdanig mag beschermen dat die niet in justitiële kanalen belandt. De heer Heerts heeft er alle vertrouwen in dat het wetsontwerp de Kamer in het vroege voorjaar zal bereiken. Het beroep van journalist moet vrij blijven, maar wellicht kan er enige vorm van zelfregulering komen en is men bereid zich tuchtrechtelijk aan strengere spelregels te onderwerpen.

De heer Teeven (VVD) deelt de mening dat journalist een vrij beroep moet blijven, maar zou enige zelfregulering binnen de beroepsgroep ter voorkoming van beunhazerij wel op prijs stellen. Neemt de minister de vraag mee of het besluit over de gijzeling van een verschoningsgerechtigde voortaan door een meervoudige kamer genomen moet worden?

De heer De Wit (SP) wijst nogmaals op het gat dat er zijns inziens bestaat op het gebied van de dataretentie. In haar preadvies over het wetsvoorstel met Kamernummer 31 045 over dataretentie heeft de Adviescommissie Strafrecht geconstateerd dat er beperkingen zitten aan het huidige verschoningsrecht. De commissie roept op tot een bezinning op de wijze waarop het verschoningsrecht in het telecommunicatietijdperk effectiever kan worden vormgegeven. Er moet geen definitie komen, maar wel een aanduiding van wie er onder het verschoningsrecht valt. Het mag niet zo zijn dat gegevens straks via dataretentie bekend worden, terwijl zij eigenlijk onder de wettelijk geregelde bronbescherming vallen. Bij het uitwerken van het wetsvoorstel dient tevens bezien te worden of de inbeslagname van materiaal ook geregeld moet worden.

Mevrouw Azough (GroenLinks) is het met de minister eens dat er actie moet volgen nu het Europees Hof een schending van het EVRM heeft geconstateerd. Het wettelijk vastleggen van de bronbescherming mag niet leiden tot een verschuiving naar het gebruik van andere dwangmiddelen. Wil de minister daar zorgvuldig naar kijken? Mevrouw Azough memoreert dat er al vormen van zelfregulering bestaan. Zo is er de Raad voor de Journalistiek en veel media hebben tegenwoordig een ombudsman. De door de minister aangekondigde aanduiding van het begrip journalist kan in combinatie met een heel duidelijke belangenafweging soelaas bieden. Hopelijk moet de Kamer het nieuws over de vorderingen van het wetsvoorstel niet weer uit de krant halen, maar wordt zij direct geïnformeerd.

De minister zal inderdaad uitwerking moeten geven aan de vraag wie wel en wie niet als journalist beschouwd moet worden. Daarbij zal er rekening gehouden worden met technologische ontwikkelingen en met vragen rondom dataretentie. De toepassing van een dwangmiddel kan alleen geschieden op basis van een wet. Daarmee staat echter nog niet vanzelf vast dat de toepassing rechtmatig is. Eerst moeten de proportionaliteit en subsidiariteit van die toepassing getoetst worden. Dat zijn dan ook goede aanknopingspunten voor een wettelijke regeling, die de minister zal meenemen. Ook het belang van een regeling van de inbeslagneming ziet de minister onder ogen. Zelfregulering van de beroepsgroep is zeker van belang, maar kan bij de beroepsgroep van journalisten niet afgedwongen worden. Dat ligt anders bij artsen, notarissen en advocaten. Eerder dan in het tuchtrecht als zodanig ziet de minister een mogelijk aangrijpingspunt in de plichten en verantwoordelijkheden die in het tweede lid van artikel 10 van het EVRM zijn genoemd. Gijzeling is bij uitstek een dwangmiddel dat aan de orde moet komen, maar de minister ziet vooralsnog geen aanleiding om gijzeling in algemene zin opnieuw te regelen.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Nava


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Kamp (VVD), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Velzen (SP), Azough (GroenLinks), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), Kalma (PvdA), De Roon (PVV), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Weekers (VVD), Smeets (PvdA), Schinkelshoek (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Jan de Vries (CDA), Abel (SP), Halsema (GroenLinks), Dezentjé Hamming (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Dijsselbloem (PvdA), Fritsma (PVV), Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Van Gijlswijk (SP), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) en Slob (ChristenUnie).

Naar boven