31 059
Algemene bepalingen met betrekking tot de erkenning van EG-beroepskwalificaties (Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN DEEL

1. INLEIDING

Op 7 september 2005 hebben het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie richtlijn nr. 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepkwalificaties vastgesteld (PbEU 2005, L 255). Deze richtlijn (hierna: de nieuwe richtlijn) heeft tot doel de grensoverschrijdende toegang tot gereglementeerde beroepen in EU-lidstaten te vergemakkelijken door te waarborgen dat EU-onderdanen die hun beroepskwalificaties in een lidstaat hebben behaald toegang hebben tot hetzelfde gereglementeerde beroep in een andere lidstaat en dit kunnen uitoefenen met dezelfde rechten als de onderdanen van die lidstaat.

De nieuwe richtlijn strekt ertoe de huidige drie richtlijnen betreffende het algemeen stelsel van erkenning van beroepskwalificaties alsmede een twaalftal sectorale richtlijnen betreffende de beroepen van arts, verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, beoefenaar der tandheelkunde, dierenarts, verloskundige, apotheker en architect, in één richtlijn onder te brengen, teneinde te voorzien in een eenvoudiger en duidelijker geheel van voorschriften voor de betrokken beroepen. De nieuwe richtlijn handhaaft de beginselen en waarborgen van de vrijheid van vestiging die ten grondslag liggen aan het algemeen en sectorale stelsel, maar beoogt daarnaast een vereenvoudiging van de structuur en een betere werking van het systeem van erkenning van beroepskwalificaties.

De lidstaten hebben de verplichting de nieuwe richtlijn binnen twee jaar na de datum van vaststelling te implementeren, dat wil zeggen in hun nationale rechtsorde uit te voeren. Dat betekent dat het implementatietraject uiterlijk op 20 oktober 2007 dient te zijn afgerond. Met een brief van 24 oktober 2005 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de Tweede Kamer op de hoogte gesteld van het in gang gezette implementatietraject voor de nieuwe richtlijn (Kamerstukken II 2005/06, 30 300 VIII, nr. 49). Met het onderhavige wetsvoorstel vindt een belangrijk deel van de implementatie van de nieuwe richtlijn plaats. Vrijwel alle ministeries zijn bij het implementatietraject betrokken.

Voor deze memorie van toelichting is, daar waar dit nuttig en noodzakelijk voorkwam, gebruik gemaakt van de tekst van de preambule van de nieuwe richtlijn, de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter beschikking gestelde Transpositionguide (MARKT D/3412/2006), en van de memories van toelichting (Kamerstukken II 1991/2, 22 543, nr. 3 en Kamerstukken II 1992/3, 23 169, nr. 3) bij de twee wetten waarmee in de jaren negentig het algemeen stelsel in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd, namelijk de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s (Stb. 1994, 29) en de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen (Stb. 1994, 640).

In hoofdstuk 2 van het algemeen deel van deze toelichting wordt een schets gegeven van de beginselen en waarborgen van het huidige sectorale en algemeen stelsel.

Daarna komt in hoofdstuk 3 de nieuwe richtlijn aan de orde. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de kenmerken van de nieuwe richtlijn. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 aandacht besteed aan de wijze van implementatie van de nieuwe richtlijn in de Nederlandse wet- en regelgeving.

2. ACHTERGROND

2.1. EG-Verdrag en vrij verkeer

In het verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap worden – onder meer – de afschaffing tussen de lidstaten van hinderpalen voor het vrije verkeer van personen en diensten en het vrije recht van vestiging als middelen genoemd om de doeleinden van de Gemeenschap te bereiken. Vrij verkeer van personen en het recht van vrije vestiging leiden tot een verhoging van de mobiliteit van Europese burgers binnen de Gemeenschap.

Voor de realisering van vrij personenverkeer en vrije vestiging vormde de onderlinge erkenning van diploma’s al vanaf de beginfase van de Europese Gemeenschap een grote hinderpaal.

Oorzaak hiervan was de uiteenlopende historische ontwikkeling die de vrije beroepen in de diverse lidstaten hadden doorgemaakt: zowel de beroepsprofielen als de voor de beroepen vereiste opleidingen varieerden sterk per lidstaat.

Gereglementeerd beroep

Voor een migrerende beroepsbeoefenaar die over een nationale kwalificatie beschikt kan het met name lastig zijn om zijn beroep in een andere lidstaat uit te oefenen als het desbetreffende beroep daar is gereglementeerd. Gereglementeerde beroepen zijn beroepen waarvoor geldt dat de toegang daartoe of uitoefening daarvan wettelijk is geregeld. Dat wil zeggen dat ze alleen mogen worden uitgeoefend als men een in regelgeving vastgelegde nationale kwalificatie heeft behaald. Voorbeelden van gereglementeerde beroepen in Nederland zijn leraar, architect en arts. Om het voor migrerende beroepsbeoefenaars mogelijk te maken hun beroep zonder belemmeringen in een andere lidstaat uit te oefenen is in het EG-Verdrag bepaald dat de onderlinge erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels in richtlijnen zal worden vastgelegd.

Een niet-gereglementeerd beroep is in beginsel voor iedereen vrij toegankelijk.

2.2. Sectoraal stelsel

In het begin van de jaren zestig werd in EEG-verband een eerste stap gezet tot het opheffen van de bestaande belemmeringen voor het vrije verkeer, met de totstandkoming van de algemene programma’s van de Raad van de Europese Gemeenschappen voor de opheffing van de beperkingen van respectievelijk de vrijheid van vestiging en de vrijheid van diensten (PbEG 32/62 en PbEG 36/62 van 15 januari 1962). Het doel van deze programma’s was harmonisatie van studieprogramma’s voor specifieke gereglementeerde beroepen. Dit gebeurde door het vaststellen van zogenaamde sectorale richtlijnen. Daarmee werden inhoud en duur van de opleidingen grotendeels geharmoniseerd en konden de diploma’s die tot die specifieke beroepen toegang geven automatisch worden erkend. Wel diende (en dient) de migrerende beroepsbeoefenaar zich bij de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat te laten registeren.

In de jaren zeventig en tachtig kwamen achtereenvolgens voor de volgende zeven beroepsgroepen twaalf sectorale richtlijnen tot stand:

1. Artsen

richtlijn van 16 juni 1975, nr. 75/362/EEG (erkenning), en richtlijn van 16 juni 1975, nr. 75/363/EEG (coördinatie), beide gepubliceerd in PbEG L167 van 30 juni 1975.

2. Verpleegkundigen

richtlijn van 27 juni 1977, nr. 77/452/EEG (erkenning), en richtlijn van 27 juni 1977, nr. 77/453//EEG (coördinatie), beide gepubliceerd in PbEG L 176 van 15 juli 1977.

3. Tandartsen

richtlijn van 25 juli 1978, nr. 78/686/EEG (erkenning), en richtlijn van 25 juli 1978, nr. 78/687/EEG (coördinatie), beide gepubliceerd in PbEG L 233 van 24 augustus 1978.

4. Dierenartsen

richtlijn van 18 december 1978, nr. 78/1026/EEG (erkenning), en richtlijn van 18 december 1978, nr. 78/1027/EEG (coördinatie), beide gepubliceerd in PbEG l 362 van 23 december 1978.

5. Verloskundigen

richtlijn van 21 januari 1980, nr. 80/154/EEG (erkenning), en richtlijn van 21 januari 1980, nr. 80/155/EEG (coördinatie), beide gepubliceerd in PbEG L 33 van 11 februari 1980.

6. Apothekers:

richtlijn van 16 september 1985, nr. 85/433/EEG (erkenning), en richtlijn van 16 september 1985, nr. 85/432 (coördinatie), beide gepubliceerd in PbEG L 253 van 24 september 1985.

7. Architecten:

Bij dit laatste beroep werden de studieprogramma’s niet geharmoniseerd maar zijn minimumeisen voor de studiecurricula vastgelegd (richtlijn van 10 juni 1985, nr. 85/384/EEG, PbEG L 223 van 21 augustus 1985, gewijzigd bij de richtlijnen van 20 december 1985, nr. 85/614/EEG, PbEG L 376 van 31 december 1985 en 27 januari 1986, nr. 86/17/EEG, PbEG L 027 van 1 februari 1986 en 4 december 1990, nr. 90/658/EEG, PbEG L 353 van 17 december 1990).

Naast deze zeven beroepsgroepen bleek het niet mogelijk voor alle beroepen tot dergelijke afspraken te komen. Het opstellen van richtlijnen per beroep was eenvoudigweg te lastig en te tijdrovend. Daarbij werd het beleidsterrein van het onderwijs door de lidstaten beschouwd als een «domaine reservé», waarop de lidstaten slechts aarzelend bereid waren tot concessies1.

2.3. Algemeen stelsel van erkenning van diploma’s

Eerste richtlijn algemeen stelsel (89/48/EEG)

Om de belemmeringen voor de erkenning van diploma’s daadwerkelijk op te heffen was een andere koers nodig. Een aanzet hiertoe werd gegeven tijdens de ontmoeting van de Europese regeringsleiders en staatshoofden te Fontainebleau in juni 1984, met de instelling van het ad hoc comité Adonnino voor het Europa van de burgers. In het verslag van het comité aan de Raad van de Europese Gemeenschappen werd onder meer aanbevolen om over te gaan tot een onderlinge erkenning van diploma’s zonder voorafgaande harmonisatie van studieprogramma’s, zowel ten behoeve van zelfstandige beroepsbeoefenaren als voor werknemers.

Ongeveer tegelijkertijd werd door de Europese Commissie in het witboek «Voltooiing van de interne markt» (Completing the internal market, White paper from the Commission to the European Council, Milan, 28/29 June 1985; Luxembourg, June 1985, COM (85) 310 final) een nagenoeg zelfde aanpak aangewezen als oplossing voor deze problematiek. In het witboek werd een ontwerp voor een kaderrichtlijn over een algemeen erkenningssysteem aangekondigd, die van de volgende beginselen zou moeten uitgaan:

a. het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten inzake kwaliteit van opleidingen en beroepsbeoefenaren

Om de beoordeling van kwalificaties van EG-onderdanen te vergemakkelijken is samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna ook: de Europese Commissie) noodzakelijk. Hiervoor is wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten van groot belang. Een ontvangende lidstaat waar een beroep is gereglementeerd moet rekening houden met in een andere lidstaat verworven kwalificaties en dient na te gaan of die met de door hem vereiste kwalificaties overeenstemmen. De Europese Commissie heeft op het terrein van de informatievoorziening ten behoeve van de eerste algemene richtlijn een coördinerende rol toebedeeld gekregen.

b. het beginsel van vergelijkbaarheid van universitaire studies in de lidstaten

De hogeronderwijsopleidingen van de lidstaten zijn goed met elkaar vergelijkbaar. Een EG-onderdaan kan in beginsel worden beschouwd als geschikt om een beroep uit te oefenen in een andere lidstaat dan waar hij de hogeronderwijsopleiding heeft afgerond die hem in die lidstaat toegang verschaft tot het desbetreffende beroep. Er is dus geen sprake van voorafgaande harmonisatie van de opleidingen.

c. een compensatiemechanisme in geval van wezenlijke verschillen in opleiding en in beroepseisen

Het onder b vermelde beginsel kan echter niet als absoluut worden beschouwd. Er kunnen bijzondere kenmerken en verschillen tussen de hogeronderwijsopleidingen van de lidstaten voorkomen. Deze hebben vooral te maken met de duur en de vakgebieden van de opleidingen en de beroepseisen. De verschillen kunnen het noodzakelijk maken de migrerende beroepsbeoefenaar een compenserende maatregel, in de vorm van het afleggen van een proeve van bekwaamheid of het volgen van een aanpassingsstage, op te leggen vóór hij het beroep mag uitoefenen. Tevens is een belangrijk beginsel dat het beroepsverleden wordt meegewogen bij de erkenning van het diploma. Verschillen in opleiding kunnen gecompenseerd worden door beroepservaring.

d. wederzijdse erkenning van graden en diploma’s, zonder voorafgaande harmonisatie van studieprogramma’s

Uitgangspunt is een algemeen stelsel van erkenning van diploma’s. Anders dan bij de sectorale richtlijnen is in deze eerste algemene richtlijn geen sprake van voorafgaande harmonisatie van studieprogramma’s en ook niet van automatische erkenning van diploma’s, maar van wederzijdse erkenning op basis van vergelijkbaarheid van de kwalificaties.

Een en ander resulteerde op 21 december 1988 in aanvaarding door de Raad van de Europese Gemeenschappen van een richtlijn betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma’s, waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (richtlijn nr. 89/48/EEG, PbEG 1989, L 019 van 24 januari 1989). Dit is de zogenaamde Eerste richtlijn algemeen stelsel.

Tweede richtlijn algemeen stelsel (92/51/EEG)

Hoewel de naam van richtlijn nr. 89/48/EEG verwijst naar een «algemeen stelsel», moest worden geconstateerd dat de reikwijdte hiervan slechts zag op beroepen voor de toelating waartoe een opleiding op het niveau van het hoger onderwijs van een minimum voltijdse cursusduur van drie jaar een vereiste was. Europese burgers die over kwalificaties beschikten van een niveau onder dat van richtlijn nr. 89/48/EEG, werden nog steeds geconfronteerd met belemmeringen op het gebied van het vrije personenverkeer en in het bijzonder ten aanzien van erkenning van diploma’s.

Om deze barrière op te heffen is op 18 juni 1992 richtlijn nr. 92/51/EEG betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen ter aanvulling van richtlijn nr. 89/48/EEG (PbEG 1992 L 209) aanvaard, de zogenoemde Tweede richtlijn algemeen stelsel.

Het doel van deze richtlijn is, evenals dat van richtlijn nr. 89/48/EEG, om EG-onderdanen de mogelijkheid te geven een beroepsactiviteit uit te oefenen in een andere lidstaat dan waar zij zich de beroepskennis hebben eigen gemaakt. Er wordt van het principe uitgegaan dat een lidstaat de toegang tot een beroep waarvoor bij of krachtens wet in die lidstaat een nationaal diploma wordt vereist, niet mag weigeren tenzij blijkt dat de migrerende beroepsbeoefenaar over onvoldoende kwalificaties beschikt. In geval van geconstateerde onvoldoende kwalificaties geeft de richtlijn de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om alsnog toegelaten te kunnen worden.

De tweede algemene erkenningsrichtlijn kan worden gezien als aanvulling op de eerste, omdat in grote lijnen van dezelfde systematiek en filosofie wordt uitgegaan. Er is ook een verbinding tussen de twee richtlijnen. Er zijn beroepen in de EU waarvoor in de ene lidstaat een hogeronderwijsdiploma ter afsluiting van een opleiding met een voltijdse cursusduur van ten minste drie jaar is vereist, en in de andere lidstaat een kortere hogeronderwijs- dan wel een middelbaarberoepsonderwijsopleiding. De eerdergenoemde verbinding betekent dat ook voor de beoefenaren van deze beroepen vrij verkeer kan worden gerealiseerd.

Daarnaast staat de tweede algemene erkenningsrichtlijn los van de eerste, omdat het om een geheel andere groep gereglementeerde beroepen gaat, namelijk die beroepen waarvoor bij of krachtens wet een kortere opleiding dan wel een opleiding van een lager niveau wordt vereist dan bij de eerste algemene erkenningsrichtlijn.

Derde richtlijn algemeen stelsel 99/42/EG

Op 7 juni 1999 hebben het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie richtlijn nr. 99/42/EG vastgesteld, als aanvulling op de eerste en tweede richtlijn algemeen stelsel. Deze richtlijn heeft vooral betrekking op de toegang tot een aantal industriële, commerciële en ambachtelijke beroepen in lidstaten waar deze beroepen zijn gereglementeerd en ziet op beroepsonderwijs dat leidt tot ondernemerschap en toelating tot beroepen op grond van ervaring opgedaan in de praktijk.

Deze drie richtlijnen vormen samen het algemeen stelsel en gelden voor alle gereglementeerde beroepen die niet al onder het sectorale stelsel vallen. De sectorale richtlijnen blijven daarnaast gewoon van kracht. Het algemeen stelsel en het sectorale stelsel bestaan derhalve naast elkaar.

2.4. Gevolgen erkenning

Voor zowel het sectorale als het algemeen stelsel geldt dat de migrerende beroepsbeoefenaar na erkenning van de beroepskwalificatie door de ontvangende lidstaat, in dat land toegang heeft tot hetzelfde beroep als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong is opgeleid. Bovendien kan hij dat beroep uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als die voor de eigen onderdanen van de ontvangende lidstaat gelden. Overigens regelen de richtlijnen alleen de erkenningsprocedure voor de toegang tot het beroep. Of iemand het beroep ook daadwerkelijk kan uitoefenen is uiteraard afhankelijk van de mogelijkheden op de arbeidsmarkt.

Verder doen de richtlijnen geen afbreuk aan de verplichting voor de migrerende beroepsbeoefenaar om eventuele niet-discriminerende voorwaarden van de ontvangende lidstaat betreffende de uitoefening van dat beroep in acht te nemen, voor zover deze vanuit objectief oogpunt gerechtvaardigd en evenredig zijn. Hierbij valt te denken aan regels over de organisatie van het beroep, beroepsnormen, inclusief ethische beroepsregels, controlevoorschriften en aansprakelijkheid.

2.5. Implementatie in nationale wetgeving

Implementatie van de sectorale richtlijnen heeft in Nederland plaatsgevonden bij of krachtens de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, de Wet op de architectentitel en de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990.

De eerste en tweede richtlijn algemeen stelsel zijn in Nederland geïmplementeerd in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s, respectievelijk de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen.

De derde richtlijn algemeen stelsel is geïmplementeerd bij of krachtens de Vestigingswet bedrijven 1954 en de Wet op de kamers van koophandel 1997.

3. DE NIEUWE RICHTLIJN (2005/36/EG)

3.1. Aanleiding tot wijziging

De afgelopen decennia heeft zich aldus stapsgewijs een systeem ontwikkeld dat de erkenning van de gereglementeerde beroepen in de Europese Unie regelt. In de praktijk kent het systeem echter problemen. Zo is het systeem niet transparant, waardoor burgers en bedrijfsleven niet optimaal van de mogelijkheden gebruik maken. Ook is de verhouding tussen de verschillende stelsels niet altijd duidelijk, waardoor migrerende beroepsbeoefenaars met hun erkenningsaanvraag tussen wal en schip terecht kunnen komen. Ook maakt het voor de erkenning van het diploma niet uit of een migrerende beroepsbeoefenaar zich in het land wil vestigen, of slechts incidenteel een dienst komt verrichten. In beide gevallen worden dezelfde, zware voorwaarden gesteld. Bovendien werkt het stelsel te traag, door onvoldoende samenwerking tussen de betrokken instanties. Deze problemen betekenen voor migrerende beroepsbeoefenaars een belemmering om hun beroep in een andere lidstaat te kunnen uitoefenen. Om vrij verkeer van personen optimaal mogelijk te maken, is een duidelijk, consequent en snel systeem van erkenning van kwalificaties vereist. Het huidige systeem is derhalve aan herziening toe.

Directe aanleiding tot de herziening van het sectorale en het algemeen stelsel vormden de conclusies van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000. Daar werd de basis gelegd voor de zogenaamde Lissabon-strategie, volgens welke de Europese Unie ernaar moet streven de meest competitieve en dynamische kenniseconomie van de wereld te worden, die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang. Goed functioneren van de interne (diensten)markt en de mobiliteit van arbeid is daarvoor noodzakelijk.

Naar aanleiding van de Europese Raad van Lissabon heeft de Europese Commissie een mededeling over «Een internemarktstrategie voor de dienstensector» aangenomen, die met name tot doel heeft het vrij verrichten van diensten binnen de Europese Unie even gemakkelijk te maken als binnen een lidstaat.

Naar aanleiding van de mededeling van de Europese Commissie getiteld «Nieuwe Europese arbeidsmarkten, open voor allen, met toegang voor allen», heeft de Europese Raad van Stockholm van 23 en 24 maart 2001 de Europese Commissie opdracht gegeven om de Europese Raad in diens voorjaarsbijeenkomst van 2002 specifieke voorstellen voor een meer uniforme, transparante en flexibele regeling voor de erkenning van opleidingstitels voor te leggen. In het verlengde van de Lissabon-strategie werd vastgesteld dat de lidstaten prioriteit moeten toekennen aan een snellere en gemakkelijker erkenning van beroepskwalificaties, onder meer door voorwaarden voor meer automatische erkenning in te voeren, en dat zij een uniformer, transparanter en flexibeler stelsel van erkenning van kwalificaties voor de gereglementeerde beroepen moeten invoeren1.

De vijftien Europese richtlijnen die gezamenlijk het sectorale en het algemeen stelsel vormen, zijn verschillende keren gewijzigd, hetgeen een reorganisatie en stroomlijning van de bepalingen daarvan noodzakelijk maakte door een gelijktrekking van de toepasselijke beginselen. Daarbij dienden de voorschriften van deze richtlijnen in het licht van de ervaring en met het oog op jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie te worden aangepast.

Een lang proces van consultaties en onderhandelingen heeft er uiteindelijk toe geleid dat op 7 september 2005 door het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie de nieuwe richtlijn is vastgesteld. De nieuwe richtlijn consolideert de vijftien richtlijnen van de bestaande twee erkenningsstelsels, is van toepassing op bijna alle gereglementeerde beroepen2 en betreft diploma’s van alle niveaus.

3.2. Belangrijkste doelen nieuwe richtlijn

De nieuwe richtlijn heeft de volgende hoofddoelen:

– consolidatie en vereenvoudiging van de huidige stelsels van erkenning;

– flexibilisering van arbeids- en dienstenmarkt;

– verbetering van de transparantie en de toegankelijkheid van de stelsels van erkenning;

– betere dienstverlening aan de burgers.

De nieuwe richtlijn komt tegemoet aan Nederlandse belangen als vereenvoudiging van de communautaire regelgeving en betere informatievoorziening voor burger en bedrijfsleven. Uitgangspunt hierbij vormt het bereiken van een evenwicht tussen het vrije verkeer van beroepsbeoefenaars enerzijds en de bescherming van consumenten anderzijds. Daarnaast speelt voor Nederland mee dat in Nederland verhoudingsgewijs weinig beroepen gereglementeerd zijn. Wanneer een beroep in het land van herkomst niet is gereglementeerd en in het ontvangende land wel, mogen aan de migrerende beroepsbeoefenaar aanvullende eisen worden gesteld, die toegang tot het beroep kunnen bemoeilijken. Dit alles maakt dat zeker ook Nederlandse migrerende beroepsbeoefenaars baat zullen hebben bij versoepeling van erkenningsprocedures. Van belang is te vermelden dat de bevoegdheden van lidstaten op het gebied van hun opleidingsstelsels door de nieuwe richtlijn niet worden aangetast.

4. KENMERKEN NIEUWE RICHTLIJN

4.1. Handhaving sectoraal en algemeen stelsel

De nieuwe richtlijn houdt vast aan de systematiek van erkenning van het sectorale en het algemeen stelsel en aan de beperking van de reikwijdte tot gereglementeerde beroepen, dat wil zeggen beroepen met bij of krachtens wet geregelde toegangs- of uitoefeningsvereisten.

a. Sectoraal stelsel

Voor de beroepen van het sectorale stelsel geldt zoals aangegeven automatische erkenning van het diploma, na registratie in de ontvangende lidstaat. Het sectorale stelsel is terug te vinden in titel III, hoofdstuk III, van de nieuwe richtlijn. Bijlage V bij de nieuwe richtlijn vermeldt de opleidingstitels die in elke lidstaat automatisch worden erkend. Een migrerende beroepsbeoefenaar die een beroep wil uitoefenen dat onder het sectorale stelsel valt, dient zich te melden bij de bevoegde autoriteit van dat beroep. Die controleert of zijn opleidingstitel op de lijst voorkomt en of de migrerende beroepsbeoefenaar aan eventueel aanvullende eisen voldoet. Als dit het geval is, wordt de migrerende beroepsbeoefenaar ingeschreven in het beroepsregister en kan hij het beroep gaan uitoefenen.

Daarnaast neemt de nieuwe richtlijn het beginsel over van de bestaande automatische erkenning voor de medische en tandheelkundige specialismen die in ten minste twee lidstaten erkend zijn. Echter, in de toekomst wordt de opname in de nieuwe richtlijn van nieuwe medische specialismen – die voor automatische erkenning in aanmerking komen – beperkt tot die welke in ten minste twee vijfde van de lidstaten erkend zijn. De overige specialismen zullen onder het algemene stelsel vallen. Hiermee wil men bereiken dat het aantal specialismen waarvoor automatische erkenning geldt transparant en overzichtelijk blijft, zonder de vrijheid van de lidstaten aan te tasten om eigen specialismen te handhaven of in te voeren.

b. Algemeen stelsel

Het algemeen stelsel is, zoals gezegd, gebaseerd op wederzijdse erkenning van diploma’s, zonder voorafgaande harmonisatie van studieprogramma’s. Erkenning vindt plaats nadat de bevoegde autoriteit van het ontvangende land de kwalificatie van de migrerende beroepsbeoefenaar heeft vergeleken met de vereiste kwalificaties van die lidstaat. Het algemeen stelsel is opgenomen in titel III, hoofdstuk I, van de nieuwe richtlijn. In bijlage VII bij de nieuwe richtlijn is omschreven welke documenten hierbij moeten worden overgelegd. Hoewel tussen de lidstaten verschillen bestaan op het punt van opleidingsduur, en ten aanzien van wijze en structuur van opleidingen, wordt van het beginsel uitgegaan dat een EU-onderdaan die geschikt is om een beroep uit te oefenen in de lidstaat waar hij zijn kwalificaties heeft verkregen, ook geschikt is om hetzelfde beroep uit te oefenen in een andere lidstaat.

Als de kwalificaties vergelijkbaar zijn, wordt erkenning verleend en kan de migrerende beroepsbeoefenaar het beroep in de ontvangende lidstaat uitoefenen.

Het is echter ook mogelijk dat de kwalificaties van een migrerende beroepsbeoefenaar niet meteen worden erkend, maar dat er voorwaarden worden gesteld:

– Als in het land van oorsprong het beroep niet is gereglementeerd, kan de ontvangende lidstaat de migrerende beroepsbeoefenaar vragen om aan te tonen dat hij in de afgelopen tien jaar twee jaar relevante beroepservaring heeft opgedaan in het land van oorsprong;

– Als na vergelijking blijkt dat er wezenlijke verschillen zijn op het punt van de inhoud van de opleiding of als de duur van de opleiding één jaar of meer korter is dan verlangd wordt in de ontvangende lidstaat, kunnen er aanvullende eisen worden gesteld. Deze zogenoemde compenserende maatregelen kunnen de vorm aannemen van een proeve van bekwaamheid of een aanpassingsstage. Deze laatste mag niet langer duren dan drie jaar. De compenserende maatregel moet evenredig zijn en rekening houden met de beroepservaring van de migrerende beroepsbeoefenaar. De migrerende beroepsbeoefenaar mag in beginsel zelf kiezen tussen een proeve van bekwaamheid of een aanpassingsstage.

Hierbij is het belangrijk op te merken dat deze voorwaarden niet cumulatief zijn. Als iemand door een proeve van bekwaamheid of een aanpassingsstage heeft laten zien voldoende gekwalificeerd te zijn, mogen geen aanvullende voorwaarden ter zake van beroepservaring worden gevraagd. Zodra de migrerende beroepsbeoefenaar aan de compenserende maatregelen heeft voldaan, wordt erkenning van de kwalificatie verleend.

Het is natuurlijk mogelijk dat de verschillen tussen de kwalificatie van de migrerende beroepsbeoefenaar en de vereiste kwalificatie in het ontvangende land na onderlinge vergelijking te groot blijken om overbrugd te kunnen worden. In een dergelijk geval wordt geen erkenning verleend en krijgt de migrerende beroepsbeoefenaar geen toegang tot het beroep.

4.2. Nieuwe elementen

De nieuwe richtlijn heeft ook een aantal nieuwe elementen. De belangrijkste daarvan komen in de volgende subparagrafen aan de orde.

4.2.1. Vijf kwalificatieniveaus

Ten behoeve van de erkenning op grond van het algemeen stelsel zijn de diverse nationale onderwijs- en opleidingsstelsels van de lidstaten in verschillende niveaus onderverdeeld. Deze indeling in niveaus is uitsluitend vastgesteld met het oog op de werking van het algemeen stelsel, en heeft geen gevolgen voor de nationale onderwijs- en opleidingsstructuren noch voor de bevoegdheden van de lidstaten op dit gebied.

Het huidige algemeen stelsel kent vier niveaus van beroepskwalificaties. De nieuwe richtlijn onderscheidt vijf niveaus, die in de Nederlandse situatie betrekking hebben op de onderwijsvormen vanaf het primair onderwijs tot en met het universitair onderwijs.

Het uitgangspunt is: om in aanmerking te komen voor erkenning moet de beroepskwalificatie van de migrerende beroepsbeoefenaar ten minste gelijk zijn aan het niveau direct onder het niveau dat in het ontvangende land wordt gevraagd.

Het gaat daarbij om de volgende niveaus:

– Diploma tot afsluiting van een opleiding op het niveau van het hoger onderwijs met een duur van ten minste vier jaar;

– Diploma tot afsluiting van een opleiding op het niveau van het hoger onderwijs met een duur van ten minste drie en ten hoogste vier jaar;

– Diploma tot afsluiting van een opleiding op het niveau van het (kort) hoger onderwijs met een duur van ten minste één jaar en minder dan drie jaar of een opleiding op een vergelijkbaar beroepsniveau in termen van verantwoordelijkheden en functies;

– Certificaat dat overeenkomt met een opleiding op het niveau van het algemeen voortgezet onderwijs, aangevuld met een (beroeps)opleiding, of van het voorbereidend technisch/beroepsonderwijs, in voorkomend geval aangevuld met een (beroeps)opleiding;

– Bekwaamheidsattest dat overeenkomt met een algemene opleiding op het niveau van het primair of voortgezet onderwijs, of dat is afgegeven op basis van een opleiding die niet wordt afgesloten met een certificaat of een diploma, dan wel op basis van drie jaar beroepservaring gedurende de voorafgaande tien jaar.

De eerste twee niveaus betekenen een opdeling van de hogeronderwijskwalificaties in een niveau voor opleidingen tot en met vier jaar hoger onderwijs en een niveau voor opleidingen vanaf vier jaar. Dit is een wijziging ten opzichte van het huidige algemeen stelsel. Nederlandse vierjarige hoger onderwijsdiploma’s kunnen zowel onder het eerste als het tweede niveau beoordeeld worden. In de nieuwe richtlijn is bepaald dat deze opsplitsing geen verandering met zich mee zal brengen ten opzichte van de huidige wijze waarop kwalificaties in de EU gewaardeerd worden. De vijfdeling levert daarom geen belemmering op voor Nederlandse migrerende beroepsbeoefenaars.

4.2.2. Procedure bij tijdelijke en incidentele dienstverrichting

Naast consolidatie van de op de huidige richtlijnen algemeen stelsel gebaseerde erkenning in geval de migrerende beroepsbeoefenaar zich in een andere lidstaat wil vestigen, wordt een flexibeler regime voor tijdelijke en incidentele dienstverlening ingevoerd. Deze belangrijke vernieuwing ten opzichte van het huidige stelsel is geregeld in titel II van de nieuwe richtlijn.

De nieuwe richtlijn maakt het mogelijk dat iedere burger van de EU die rechtmatig is gevestigd in een lidstaat, tijdelijk en incidenteel in een andere lidstaat diensten kan verrichten zonder dat hij om erkenning van zijn beroepskwalificaties hoeft te vragen. Wel kan een lidstaat van de dienstverrichter vragen dat deze zich voorafgaand aan de eerste dienstverlening aanmeldt, door middel van een schriftelijke verklaring. Ook kan een lidstaat vragen dat de dienstverrichter hierbij een aantal documenten met betrekking tot zijn kwalificatie overlegt. Deze verklaring dient elk jaar verlengd te worden als de dienstverrichter verwacht in dat jaar diensten te zullen verrichten. Lidstaten hebben echter geen recht de kwalificatie van de dienstverrichter te controleren. Zodra de dienstverrichter de verklaring heeft overgelegd, heeft hij het recht het beroep uit te oefenen.

Dit betekent een versoepeling ten opzichte van het huidige algemeen stelsel, waarin voor de meeste beroepen geen onderscheid wordt gemaakt tussen vestiging en (tijdelijke en incidentele) dienstverlening. Deze versoepeling wordt gelegitimeerd door het gegeven dat de dienstverrichter reeds in het land van oorsprong aan alle voorwaarden voldoet.

Deze vergemakkelijking dient intussen te geschieden met strikte inachtneming van de bescherming van de volksgezondheid, de openbare veiligheid en de consumentenbescherming. Als het beroep van de dienstverrichter activiteiten behelst die in deze categorieën vallen, heeft een lidstaat wel het recht zijn kwalificaties vooraf te controleren.

De dienstverrichter valt onder de toepassing van de tuchtrechtelijke bepalingen van de ontvangende lidstaat die rechtstreeks en specifiek verband houden met de beroepskwalificaties.

De bepalingen over tijdelijke en incidentele dienstverrichting zijn ook van toepassing op de beroepen van het sectorale stelsel, waarbij echter moet worden bedacht dat daarvoor in beginsel automatische erkenning geldt. Wel dient voor die beroepen, wanneer daarvoor een verplichte registratie geldt, een pro forma registratie geregeld te worden.

Verhouding tot dienstenrichtlijn

De nieuwe richtlijn is niet de enige richtlijn die betrekking heeft op dienstverrichting. Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU L 376/36) vormt het algemene kader waarbinnen diensten in de EU kunnen worden verricht. In deze zogenoemde dienstenrichtlijn is de verhouding tussen de twee richtlijnen vastgelegd. De nieuwe richtlijn geldt als lex specialis ten opzichte van de dienstenrichtlijn en gaat derhalve boven die richtlijn.

4.2.3. Eenvoudiger erkenningsprocedure en meer transparantie

Een migrerende beroepsbeoefenaar die – anders dan tijdelijk en incidenteel – in een andere lidstaat een gereglementeerd beroep wil uitoefenen dient bij de bevoegde autoriteit van die lidstaat een aanvraag in om erkenning van beroepskwalificaties. In bijlage VII van de nieuwe richtlijn is vastgelegd welke documenten de ontvangende lidstaat mag vragen. Deze lijst van documenten is uitputtend, andere documenten mogen niet worden gevraagd. De nieuwe richtlijn bevat daarnaast voorschriften over de behandelingswijze en -duur van de aanvraag en over de motivering van de beslissing op de aanvraag. Ten slotte schrijft de richtlijn een voorziening van rechtsbescherming tegen de beslissing of het uitblijven daarvan voor. Aldus wordt de procedure voor de aanvrager eenvoudiger en transparanter. Dit beoogt bij te dragen aan de snelheid waarmee procedures worden afgehandeld.

4.2.4. Rol voor de beroepsvereniging

Ter bevordering van het vrije verkeer van beroepsbeoefenaren geeft de nieuwe richtlijn aan lidstaten en aan beroepsverenigingen of -organisaties die op nationaal en Europees niveau representatief zijn de mogelijkheid om op Europees niveau gemeenschappelijke platforms voor te stellen. De term platform kan hier tot verwarring leiden; het gaat namelijk niet om een forum of overlegorgaan. Gemeenschappelijke platforms zijn criteria voor beroepskwalificaties die het mogelijk maken wezenlijke verschillen tussen opleidingen van lidstaten te overbruggen. Beroepsverenigingen kunnen dergelijke platforms opstellen aan de hand van de vergelijking van duur en inhoud van opleidingen in ten minste twee derde van de lidstaten, inclusief alle lidstaten waarin het desbetreffende beroep is gereglementeerd. Het gaat hier dus om een set van afspraken die een meer automatische vorm van erkenning in het kader van het algemeen stelsel mogelijk moeten maken. Wanneer de beroepskwalificaties van de aanvrager voldoen aan de vastgestelde criteria, ziet de ontvangende lidstaat af van de toepassing van compenserende maatregelen. Beroepsverenigingen kunnen op deze wijze de kennis die zij bezitten over de praktijk van een beroep inzetten om arbeidsmobiliteit te vereenvoudigen.

Een voorstel voor een gemeenschappelijk platform wordt door de lidstaten of de desbetreffende beroepsverenigingen oforganisaties voorgelegd aan de Europese Commissie, die de beoogde maatregelen vaststelt wanneer deze in overeenstemming zijn met het advies van het comitologiecomité (dat in het kader van de uitvoering van de nieuwe richtlijn moet worden ingesteld, zie hierna paragraaf 4.2.5). De Europese Commissie stelt het gemeenschappelijk platform pas vast nadat zij het akkoord heeft verkregen van alle lidstaten die het desbetreffende beroep reglementeren. De bevoegdheid van lidstaten inzake de opleidingsstelsels wordt derhalve niet uitgehold.

Wanneer het comitologiecomité niet of anders heeft geadviseerd, worden de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement bij deze regelgevingsprocedure betrokken, conform de procedure van de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Europese Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden.

4.2.5. Stroomlijning van de uitvoering

Voor de uitvoering van het huidige sectorale en algemeen stelsel zijn verschillende comitologiecomités ingesteld. Ook hierin brengt de nieuwe richtlijn verandering. Zo worden op communautair niveau alle bestaande uitvoerende en adviserende comités op het terrein van de diploma-erkenning vervangen door één regelgevend comité dat de Europese Commissie bijstaat bij de uitvoering van de nieuwe richtlijn. Dit comitologiecomité bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Europese Commissie. Het comité heeft tot taak de implementatie van de nieuwe richtlijn in de nationale stelsels te vergemakkelijken en alle mogelijke nuttige informatie in te winnen die van belang is voor de toepassing van de nieuwe richtlijn in de lidstaten.

Daarnaast zijn de technische uitvoeringsaspecten van de sectorale richtlijnen in bijlagen bij de nieuwe richtlijn opgenomen, zodat ze voortaan via de comitologieprocedure kunnen worden aangepast. In het verleden diende dit te gebeuren via de – tijdrovende – medebeslissingsprocedure van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, hetgeen de richtlijnen inflexibel maakte.

4.2.6. Nationale uitvoering van de nieuwe richtlijn

Om de toepassing van de nieuwe richtlijn te vergemakkelijken en de bovengenoemde doelstellingen te behalen, zijn ook bepalingen opgenomen over samenwerking tussen de lidstaten. De artikelen 8 en 56 van de nieuwe richtlijn benadrukken het belang van nauwe samenwerking, wederzijdse bijstand en uitwisseling van informatie tussen de lidstaten. Aangezien de bepalingen zich richten tot de lidstaten zijn zij slechts geïmplementeerd voor zover zij tevens zien op de uitwisseling van persoonsgegevens van migrerende beroepsbeoefenaars (artikelen 30 en 34 van dit wetsvoorstel). Deze uitwisseling valt onder het regime van richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281). Naar deze richtlijn wordt in artikel 56, tweede lid, van de nieuwe richtlijn uitdrukkelijk verwezen. Zie over de verwerking van persoonsgegevens verder paragraaf 5.5. van het algemeen deel van de toelichting.

Nationaal coördinator

Zoals bij de richtlijnen algemeen stelsel is ook in het kader van de nieuwe richtlijn aan de lidstaten opgedragen een nationaal coördinator aan te wijzen. Artikel 56 van de nieuwe richtlijn bepaalt dat elke lidstaat een nationaal coördinator aanwijst, die is belast met de coördinatie van de uitvoeringswerkzaamheden van de nieuwe richtlijn. De nationaal coördinator bevordert dat de bevoegde autoriteiten de nieuwe richtlijn uniform en transparant toepassen op alle betrokken beroepen in eigen land en draagt zorg voor het bijeenbrengen van alle informatie die nuttig is voor de toepassing van de nieuwe richtlijn, zoals informatie over de toegangsvoorwaarden voor gereglementeerde beroepen in de lidstaten.

De nationaal coördinator heeft zitting in het hierboven genoemde comitologiecomité.

Het coördinatorschap zal in Nederland worden belegd bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Contactpunt

Ten behoeve van de uitvoering van de nieuwe richtlijn dienen de lidstaten maatregelen te nemen om de nodige informatie over de erkenning van beroepskwalificaties en over de andere voorwaarden voor de toegang tot of uitoefening van gereglementeerde beroepen te verstrekken.

In verband hiermee wordt nu in de lidstaten een Europees netwerk van contactpunten voor beroepskwalificaties opgericht, waardoor in een doorzichtig stelsel van erkenning kan worden voorzien. Elke lidstaat wijst daartoe een contactpunt aan, dat het eerste aanspreekpunt zal zijn voor vragen over beroepskwalificaties (artikel 57 van de nieuwe richtlijn). Dit contactpunt verstrekt burgers, bedrijfsleven en de Europese Commissie op verzoek informatie over onder meer erkenningsprocedures, opleidingsstelsels in de EU en relevante nationale wetgeving inzake (de uitoefening van) beroepen, zoals arbeidswetgeving en beroepsregels, alsmede adressen die van belang zijn voor de erkenningsprocedure. De migrerende beroepsbeoefenaar, de bevoegde autoriteit die de aanvraag tot erkenning beoordeelt, de nationaal coördinator, de werkgever en het arbeidsbureau (in Nederland: het Centrum voor Werk en Inkomen) moeten van deze informatie gebruik kunnen maken. Tevens fungeert het contactpunt als een verwijspunt naar bevoegde autoriteiten voor de erkenning van beroepkwalificaties. Daarnaast heeft het contactpunt een belangrijke functie bij de informatievoorziening in het kader van de grensoverschrijdende tijdelijke en incidentele dienstverrichting.

De omstandigheid dat iedere lidstaat binnen het Europese netwerk één contactpunt aanwijst, heeft geen invloed op de wijze waarop de bevoegdheden op nationaal niveau zijn verdeeld.

Het centrale contactpunt verzorgt het contact met de andere nationale contactpunten.

In Nederland bestaan momenteel diverse contactpunten die de burgers informatie verstrekken over de erkenning van beroepskwalificaties. Het is de bedoeling dat instanties die zich nu al bezighouden met de informatieverstrekking over buitenlandse opleidingen in het verlengde van die werkzaamheden ook de in het kader van de nieuwe richtlijn benodigde informatie gaan verzamelen, beheren en op verzoek verstrekken. Het betreft onder meer: Nuffic (de Nederlandse organisatie voor samenwerking in het hoger onderwijs), Colo (de vereniging van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven), het CIBG (het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg) en de Sba (Stichting bureau architectenregister). Nuffic is beoogd centraal contactpunt in het kader van de nieuwe richtlijn. Naast deze instanties verstrekken ook de diverse door de ministers die het aangaat voor de erkenning aangewezen instanties informatie over de desbetreffende beroepen.

Informatie

Informatievoorziening aan burgers en autoriteiten van andere lidstaten betreft in ieder geval:

a. de beroepen die in Nederland zijn gereglementeerd,

b. de opleidingen die in Nederland zijn vereist voor de toegang tot of uitoefening van de onder a bedoelde beroepen,

c. de beroepen die in de overige lidstaten zijn gereglementeerd,

d. de opleidingen die in de desbetreffende lidstaat worden vereist ten aanzien van de onder c bedoelde beroepen, en

e. de in de lidstaten gereglementeerde opleidingen.

4.3. Reikwijdte nieuwe richtlijn

EU-onderdanen

De nieuwe richtlijn is – evenals de huidige richtlijnen – van toepassing op alle onderdanen van een lidstaat die als zelfstandige of werknemer een gereglementeerd beroep in een ontvangende lidstaat willen uitoefenen (artikel 2 van de nieuwe richtlijn). De richtlijn is dus alleen van toepassing op hen die in het bezit zijn van de nationaliteit van één van de lidstaten van de Europese Unie.

De nieuwe richtlijn zal ook van toepassing zijn op onderdanen van de overige staten van de Europese Economische Ruimte (EER), te weten Noorwegen, IJsland en Liechtenstein, en op de onderdanen van Zwitserland. De staten waarop de nieuwe richtlijn ziet, worden in het wetsvoorstel aangeduid als «betrokken staten» (zie ook de definitie in artikel 1 van het wetsvoorstel).

Personen die in het bezit zijn van de nationaliteit van een derde land kunnen geen beroep doen op de nieuwe richtlijn. Hierop gelden twee uitzonderingen:

– op grond van richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 016) genieten langdurig ingezetenen onder bepaalde voorwaarden voor de erkenning van beroepskwalificaties dezelfde behandeling als eigen onderdanen;

– op grond van richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrije verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L 158 en L 229) genieten familieleden van burgers van de Europese Unie, ongeacht hun nationaliteit, onder bepaalde voorwaarden voor de erkenning van beroepskwalificaties dezelfde behandeling als EU-onderdanen.

Het staat de lidstaten vrij om volgens hun nationale regels beroepskwalificaties te erkennen die buiten het grondgebied van de Europese Unie (en van de overige lidstaten van de EER en Zwitserland) zijn verworven door een onderdaan van een derde land. Bij de erkenning van dergelijke kwalificaties moeten in ieder geval de minimumopleidingseisen voor de beroepen die onder het sectorale stelsel vallen in acht worden genomen.

Specifieke richtlijnen

De nieuwe richtlijn is niet van toepassing op beroepen waarvoor een specifieke richtlijn op het punt van de erkenning van diploma’s geldt.

Een voorbeeld hiervan is richtlijn nr. 2005/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de wederzijdse erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden en tot wijziging van richtlijn nr. 2001/25/EG (PbEU L 255).

De nieuwe richtlijn heeft geen gevolgen voor de werking van richtlijn nr. 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten, of van richtlijn nr. 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven. De erkenning van de beroepkwalificaties voor advocaten ten behoeve van onmiddellijke vestiging onder de beroepstitel van de ontvangende lidstaat valt weer wel onder titel III, hoofdstuk I, van de nieuwe richtlijn.

Gereglementeerde beroepen

De nieuwe richtlijn heeft betrekking op gereglementeerde beroepen. Hieronder wordt in de nieuwe richtlijn verstaan: een beroepswerkzaamheid of een geheel van beroepswerkzaamheden waarvoor geldt dat de toegang daartoe of de uitoefening of één van de wijzen van uitoefening daarvan krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties. De beroepen waarop de nieuwe richtlijn in Nederland van toepassing is, zijn alle bij dan wel krachtens wet gereglementeerd. Dat wil zeggen dat het vereiste van een Nederlandse beroepskwalificatie voor de toegang tot of uitoefening van het beroep gebaseerd is op een wet dan wel op een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling krachtens een wet.

Produit fini/geen academische erkenning

Evenals de richtlijnen algemeen stelsel gaat de nieuwe richtlijn uit van het produit fini, dat wil zeggen dat de erkenning betrekking heeft op de volledig gekwalificeerde beroepsbeoefenaar, die met succes de totale opleidingsroute heeft doorlopen voor de toegang tot een beroep zoals vereist in de lidstaat waarvan hij onderdaan is dan wel waar hij zijn opleiding heeft afgerond.

De nieuwe richtlijn ziet derhalve niet op erkenning van kwalificaties voor academische doeleinden maar op erkenning voor professionele doeleinden.

5. IMPLEMENTATIE IN NEDERLANDSE WET- EN REGELGEVING

5.1. Wijze van implementatie

De lidstaten zijn gehouden, conform de bepalingen van het EG-Verdrag, richtlijnen van de EG in nationaal recht om te zetten. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe de implementatie van de nieuwe richtlijn in de Nederlandse wet- en regelgeving gestalte wordt gegeven.

Algemene wet en sectorale wetten

De nieuwe richtlijn wordt voor een belangrijk deel geïmplementeerd door middel van een algemene wet (de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties). Zo wordt aangesloten bij de wijze van implementatie van de twee richtlijnen algemeen stelsel in de twee huidige Algemene wetten. Deze wijze van implementatie is de meest optimale omdat hiermee zoveel mogelijk afzonderlijke aanpassing van in diverse wetgeving opgenomen beroepsreglementering wordt voorkomen. De uitgangspunten van de nieuwe richtlijn worden met dit wetsvoorstel vastgelegd.

Met betrekking tot bepaalde beroepen wordt de nieuwe richtlijn echter volledig of gedeeltelijk in de op die beroepen betrekking hebbende regelgeving geïmplementeerd. Bijvoorbeeld is de implementatie van titel III, hoofdstuk III, van de nieuwe richtlijn, waarin de sectorale richtlijnen zijn geconsolideerd, te vinden in de wet- en regelgeving van de desbetreffende vakministeries (LNV, VROM en VWS). Dit wetsvoorstel heeft ten opzichte van die implementatie een complementaire functie.

Ten aanzien van de beroepen van architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect vindt implementatie plaats door de minister van VROM in de Wet op de architectentitel.

De minister van Economische Zaken neemt implementatie van de nieuwe richtlijn voor het beroep van octrooigemachtigde zelf ter hand door wijziging van het Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995.

De derde richtlijn algemeen stelsel inzake de ambachtelijke en industriële beroepen was geïmplementeerd bij of krachtens de Vestigingswet bedrijven 19541. Deze derde richtlijn is nu in titel III, hoofdstuk II (de artikelen 16 t/m 20) van de nieuwe richtlijn neergelegd. Aangezien de algemene kenniseisen van ondernemersvaardigheden voor bedrijven die onder de vergunningsplicht van de Vestigingswet bedrijven 1954 vallen, per 2001 zijn afgeschaft, zal die wet worden ingetrokken2. Daarmee behoeft titel III, hoofdstuk II, van de nieuwe richtlijn geen implementatie.

Implementatie in lagere regelgeving

Bij de implementatie zijn nagenoeg alle ministeries betrokken. Een aantal beroepen is bij diverse ministeries gereglementeerd in lagere regelgeving (bij algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen). Te denken valt aan beroepen op het gebied van de financiële dienstverlening. Ook deze regelgeving zal waar nodig worden aangepast. Dit geschiedt door de voor het desbetreffende beroep verantwoordelijke minister.

Implementatie door andere lidstaten

Het wetsvoorstel ziet op de toegang tot en uitoefening van gereglementeerde beroepen in Nederland door EU-onderdanen (met inbegrip van Nederlanders) die in het bezit zijn van niet-Nederlandse beroepskwalificaties. De omgekeerde situatie (EU-onderdanen met een Nederlandse kwalificatie die willen worden toegelaten tot een gereglementeerd beroep in een andere lidstaat) wordt uiteraard bestreken door de regelgeving van die lidstaat.

Indeling nieuwe richtlijn en indeling wetsvoorstel

In hoofdstuk 3, paragraaf 2, van het algemeen deel van de toelichting zijn in hoofdlijnen de belangrijkste nieuwe elementen genoemd die met de nieuwe richtlijn worden geïntroduceerd.

Onderstaande titel- en hoofdstukindeling van de nieuwe richtlijn geeft aan waar het huidige sectorale respectievelijk algemeen stelsel alsmede het nieuwe soepele regime voor de tijdelijke en incidentele dienstverrichting in de nieuwe richtlijn zijn ondergebracht. Achter elke titel staat vermeld of deze in dit wetsvoorstel of in sectorale wet- en regelgeving wordt geïmplementeerd.

Indeling van de nieuwe richtlijn:

Titel I Algemene bepalingen[Algemene wet]
Titel II Vrije dienstverlening (tijdelijk en incidenteel)[Algemene wet]
Titel III Vrijheid van vestiging 
 Hoofdstuk I, algemeen stelsel (eerste en tweede richtlijn)[Algemene wet]
 Hoofdstuk II, erkenning beroepservaring (derde richtlijn alg. stelsel)[geen implementatie]
 Hoofdstuk III, sectorale richtlijnen (artikelen 21 t/m 49)[sectorale wetten]
 Hoofdstuk IV, gemeenschappelijke bepalingen inzake vestiging[Algemene wet]
Titel IV Wijze van uitoefening van beroep[Algemene wet]
Titel V Administratieve samenwerking en uitvoeringsbevoegdheden[Algemene wet]
Titel VI Overige bepalingen[Algemene wet]

Het wetsvoorstel houdt wat betreft de opzet van de hoofdstukken en de artikelen voor een groot deel de volgorde aan die in de nieuwe richtlijn wordt gehanteerd. Opvallend verschil ten opzichte van de structuur van de nieuwe richtlijn is dat in het wetsvoorstel de volgorde van de hoofdstukken over tijdelijke en incidentele dienstverrichting (titel II richtlijn) en vestiging (titel III richtlijn) is omgekeerd. In het wetsvoorstel is de zwaardere erkenningsprocedure voor vestiging neergelegd in hoofdstuk 2, het nieuwe (lichtere) regime voor tijdelijke en incidentele dienstverrichting heeft een plaats gekregen in hoofdstuk 3.

De structuur van het wetsvoorstel ziet er als volgt uit:

Indeling van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen (artikelen 1 t/m 4)

Hoofdstuk 2 Erkenning van beroepskwalificaties (algemeen stelsel) (artikelen 5 t/m 20)

Hoofdstuk 3 Tijdelijke en incidentele dienstverrichting (21 t/m 30)

Hoofdstuk 4 Overige bepalingen (artikelen 31 t/m 36)

Hoofdstuk 5 Wijziging andere wetten

Transponeringstabel

In de bijlage bij deze toelichting is een vergelijkend overzicht opgenomen waarin wordt aangegeven in welke artikelen van dit wetsvoorstel de verschillende bepalingen van de nieuwe richtlijn zijn geïmplementeerd.

5.2. Financiële gevolgen

Aan dit wetsvoorstel zijn geen gevolgen voor de rijksbegroting verbonden.

5.3. Uitvoeringsgevolgen

Een voorontwerp van dit wetsvoorstel is voor de uitvoeringstoets voorgelegd aan CFI en de Informatie Beheer Groep, uitvoeringsorganisaties van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. CFI en de Informatie Beheer Groep hebben laten weten het wetsvoorstel uitvoerbaar te achten.

5.4. Administratieve lasten

De Europese regelgeving op het terrein van de erkenning van beroepskwalificaties heeft tot doel de arbeidsmobiliteit binnen de EU te vergroten. In de loop der jaren is daartoe een systeem ontwikkeld dat het mogelijk maakt dat EU-burgers toegang krijgen tot een gereglementeerd beroep op grond van in een andere lidstaat behaalde beroepskwalificaties. De Europese regelgeving stelt grenzen aan de administratieve belemmeringen die lidstaten daarbij mogen opwerpen.

De nieuwe richtlijn voegt bestaande richtlijnen op het terrein van de erkenning van beroepskwalificaties samen. Het wetsvoorstel bestaat uit implementatie van de nieuwe richtlijn en vervangt twee wetten die eerder implementatie van twee van die samengevoegde richtlijnen vormden. Wat betreft de erkenning van beroepskwalificaties biedt de nieuwe richtlijn een – gestroomlijnde en meer transparante – voortzetting van het bestaande systeem. Dit geldt ook voor de implementatiewet. Nieuw in de nieuwe richtlijn en dus in het wetsvoorstel is het regime voor tijdelijke en incidentele dienstverrichting. Nu is het nog zo dat een migrerende beroepsbeoefenaar die zijn beroep wil uitoefenen in Nederland altijd een aanvraag om erkenning van zijn beroepskwalificaties moet indienen (in de huidige terminologie: een EG-verklaring moet aanvragen), ongeacht of hij een dag of een jaar hier komt werken. Straks zal de migrerende beroepsbeoefenaar die in Nederland tijdelijk en incidenteel een dienst komt verrichten deze erkenningsprocedure niet meer hoeven te doorlopen. Voor hem geldt het lichte regime van hoofdstuk 3 van het wetsvoorstel, dat uitgaat van een enkele melding vooraf door de dienstverrichter. Op die melding is niet de erkenningsprocedure van hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel van toepassing. Ten aanzien van de tijdelijke en incidentele dienstverrichting is dus sprake van een significante verlichting van administratieve lasten. De verwachting is evenwel dat dienstverrichters zich niet in Nederland zullen laten inschrijven in de Gemeentelijke Basisadministratie, aangezien zij zich immers niet in Nederland vestigen. Daarmee valt deze categorie buiten de reikwijdte van het burgerbegrip dat wordt gehanteerd in het kader van de bepaling van administratieve lasten (voor burgers) die voortvloeien uit Nederlandse wet- en regelgeving.

Een voorontwerp van dit wetsvoorstel is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal). Dit College heeft laten weten vanuit het oogpunt van administratieve lasten geen bezwaar te hebben tegen het wetsvoorstel.

5.5. Verwerking van persoonsgegevens

In de nieuwe richtlijn wordt er, in artikel 56, tweede lid, op gewezen dat het bepaalde in richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281; privacyrichtlijn) in acht moet worden genomen. Verwerking van persoonsgegevens in het kader van de nieuwe richtlijn valt onder het regime van de privacyrichtlijn. De privacyrichtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

Op basis van het wetsvoorstel vindt verwerking van persoonsgegevens plaats als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wbp. Deze verwerking is te vinden in bepalingen over de erkenningsprocedure (hoofdstuk 2), over de dienstverrichting (hoofdstuk 3), en over de uitwisseling van persoonsgegevens tussen de ministers die het aangaat onderling en tussen de ministers die het aangaat en de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten (artikelen 30 en 34)1.

Hoofdstuk 2, paragraaf 1, van de Wbp (artikelen 6 tot en met 15) geeft de voorwaarden voor de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens. De meest fundamentele bepaling is artikel 6, dat voorschrijft dat gegevensverwerking in overeenstemming met de wet en behoorlijk en zorgvuldig dient te zijn. Vervolgens bepaalt artikel 7 dat verzameling van persoonsgegevens moet gebeuren voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden, en artikel 8 dat voor de gegevensverwerking ten minste één van de in dat artikel limitatief opgesomde grondslagen voor de gegevensverwerking aanwezig moet zijn. Artikel 8, onder c, bevat de grondslag dat de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen, en in artikel 8, onder e, is de grondslag neergelegd dat persoonsgegevens worden verwerkt voor zover gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak. Op grond van artikel 9 mogen persoonsgegevens niet verder worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen. Persoonsgegevens moeten, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn, alsmede juist en nauwkeurig (artikel 11). De bewaring ervan mag op grond van artikel 10 niet langer plaatsvinden dan noodzakelijk is voor de verwerkingsdoeleinden. Daarnaast moet, zo bepaalt artikel 13, worden zorg gedragen voor beveiliging van de persoonsgegevens.

Bij gegevensverwerking moet een afweging plaatsvinden ter zake van de gerechtvaardigdheid van het doel van de verwerking van de persoonsgegevens, in het licht van het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene, waarbij de beginselen van proportionaliteit en de subsidiariteit in acht moeten worden genomen. Anders gezegd: er moet sprake zijn van een gerechtvaardigd doel, de verwerking mag dat doel niet te buiten gaan (het vereiste van doelbinding) en de gegevensverwerking moet noodzakelijk zijn voor dat doel.

In aanvulling op artikel 8 van de Wbp geldt voor bijzondere (gevoelige) persoonsgegevens, zoals gegevens over ras of gezondheid of strafrechtelijke gegevens, een verscherpt regime, dat is geregeld in hoofdstuk 2, paragraaf 2, van de Wbp (artikelen 16 tot en met 24). Artikel 16 van de Wbp verbiedt in beginsel verwerking van bijzondere persoonsgegevens. Artikel 22, eerste lid, van de Wbp bepaalt, voor zover hier van belang, dat het verbod om strafrechtelijke persoonsgegevens te verwerken als bedoeld in artikel 16 niet van toepassing is indien de verwerking geschiedt door verantwoordelijken die deze hebben verkregen krachtens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (WJSG). Daarnaast is op grond van artikel 23, eerste lid, onder e, van de Wbp, voor zover hier van belang, het verbod om bijzondere persoonsgegevens te verwerken niet van toepassing voor zover de verwerking noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, passende waarborgen worden geboden ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer en dit bij wet wordt bepaald.

De WJSG bevat – naast de Wbp – een bijzonder regime voor de verwerking van justitiële en strafvorderlijke gegevens. Daarbij gelden strikte voorschriften op het punt van noodzakelijkheid, doelbinding en zorgvuldigheid van de verwerking van die gegevens.

Zoals hieronder zal worden toegelicht, kunnen de op grond van dit wetsvoorstel te verwerken persoonsgegevens worden onderscheiden in niet-bijzondere persoonsgegevens, bijzondere persoonsgegevens en bijzondere persoonsgegevens waarvan verwerking geschiedt op basis van de WJSG. Voor elk van deze categorieën geldt dus een eigen regime, dat bij de verwerking door de ministers die het aangaat steeds in acht moet worden genomen.

Het wetsvoorstel is implementatiewetgeving. Ook de bepalingen van het wetsvoorstel over verwerking van persoonsgegevens vormen een implementatie van de nieuwe richtlijn. Dit betekent dat de afwegingen ter zake van de verwerking van persoonsgegevens, waarvan het resultaat is neergelegd in de wettelijke voorschriften over de verwerking die zijn te vinden in hoofdstuk 2 (erkenning) en hoofdstuk 3 (dienstverrichting) en in de artikelen 30 en 34 (uitwisseling van persoonsgegevens), in belangrijke mate al zijn gemaakt op het niveau van de nieuwe richtlijn. Dit geldt evenzeer voor de verwerking van de bijzondere persoonsgegevens. De Nederlandse implementatiewetgever komt daarnaast slechts beperkt een zelfstandige afweging toe.

De artikelen 13 tot en met 17 van het wetsvoorstel bevatten bepalingen over het verstrekken van documenten door de migrerende beroepsbeoefenaar aan de minister die het aangaat in het kader van de aanvraag om erkenning van beroepskwalificaties.

Naast bewijzen van nationaliteit en beroepskwalificaties (artikel 13, eerste lid, onder a tot en met c) betreft het hier – kort gezegd – uit andere lidstaten afkomstige equivalenten van documenten die op grond van de Nederlandse wettelijke reglementering van een beroep verplicht worden gesteld, aan welke equivalenten op grond van dit wetsvoorstel dezelfde betekenis moet worden toegekend als aan de Nederlandse documenten. Dit betreft achtereenvolgens documenten over (goed) gedrag, faillissement, gezondheid, financiële draagkracht, beroepsaansprakelijkheidsverzekering, en tuchtrechtelijk of strafrechtelijk beroepsuitoefeningsverbod. Behalve faillissement, financiële draagkracht en beroepsaansprakelijkheidsverzekering zijn dit bijzondere persoonsgegevens. Hierbij moet worden opgemerkt dat het vereiste van deze gegevens op grond van het wetsvoorstel slechts een afgeleide is van het vereiste dat is neergelegd in de wetgeving die het beroep reglementeert. Voorts is van belang dat de mogelijkheid om gegevens uit het land van oorsprong of herkomst over te leggen in het kader van een erkenningsprocedure, voor migrerende beroepsbeoefenaars de toegang tot het gereglementeerde beroep in Nederland vergemakkelijkt.

De minister die het aangaat kán de genoemde gegevens vragen aan de migrerende beroepsbeoefenaar. Dit dient te gebeuren op grond van een ministeriële regeling (artikel 33, eerste lid). In dit wetsvoorstel is limitatief vastgelegd om welke gegevens het mag gaan. De minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat het er minder zijn; meer is niet toegestaan. In de nieuwe richtlijn is het zo geregeld dat de lidstaten op dit punt vrij zijn: zij mogen de in de artikelen 13 tot en met 17 van het wetsvoorstel bedoelde documenten vragen aan de migrerende beroepsbeoefenaar, maar zij zijn daartoe niet verplicht. In het wetsvoorstel is ervoor gekozen dit systeem op nationaal niveau over te nemen. Het wetsvoorstel fungeert dus als kader en bevat het maximum dat mag worden gevraagd, daarbinnen kunnen de ministers die het aangaat zelf vaststellen welke gegevens zij noodzakelijk achten. Hiervoor is gekozen omdat de vereisten voor de diverse gereglementeerde beroepen sterk uiteenlopen en de ministers op deze manier in hun ministeriële regelingen zo specifiek mogelijk voor de verschillende beroepen kunnen bepalen welke documenten worden gevraagd. Daarbij zal duidelijk moeten zijn waarom het overleggen van de gevraagde gegevens noodzakelijk is voor een beoordeling ten behoeve van de erkenning van beroepskwalificaties voor het desbetreffende beroep.

In het kader van de tijdelijke en incidentele dienstverrichting zijn de volgende persoonsgegevens aan de orde: een verklaring ter zake van beroepsaansprakelijkheidsverzekering (artikel 23, eerste lid), gegevens over: de nationaliteit, de rechtmatige vestiging in een andere lidstaat, permanent of tijdelijk beroepsuitoefeningsverbod, beroepskwalificaties, en, voor beroepen in de veiligheidssector, het ontbreken van enige strafrechtelijke veroordeling (artikel 23, derde lid, onder a tot en met e).

Het vereiste van rechtmatige vestiging in een andere lidstaat ziet op het voldoen aan alle vereisten om aldaar het beroep uit te kunnen oefenen. Naast vereisten in de sfeer van beroepskwalificaties en solvabiliteit, kan het dan ook gaan om gegevens over eventuele strafrechtelijke sancties. Daarmee kunnen gegevens over rechtmatige vestiging bijzondere persoonsgegevens zijn. De gegevens over tijdelijk of permanent beroepsuitoefeningsverbod en strafrechtelijke veroordeling zijn eveneens bijzondere persoonsgegevens.

In het kader van artikel 29 gaat het om gegevens over de inschrijving in een handelsregister, de beroepsorganisaties waarbij de dienstverrichter is aangesloten, het btw-identificatienummer, beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Dit zijn niet-bijzondere persoonsgegevens. De minister die het aangaat kán de gegevens, bedoeld in de artikelen 23 en 29, vragen aan de dienstverrichter. Hij dient hiertoe eerst een ministeriële regeling te maken (artikel 33, tweede lid). Op grond daarvan kan niet meer worden gevraagd dan in de bepalingen van dit wetsvoorstel is vastgelegd. Mutatis mutandis geldt hier wat over het systeem van de nieuwe richtlijn en de implementatie daarvan is gezegd bij de artikelen 13 tot en met 17.

Artikel 30 van het wetsvoorstel is een bepaling over uitwisseling van persoonsgegevens die in werkingssfeer is beperkt tot de tijdelijke en incidentele dienstverrichting. Het artikel ziet zowel op bijzondere als op niet-bijzondere persoonsgegevens.

De bevoegdheid tot verwerking van persoonsgegevens in het kader van de tijdelijke en incidentele dienstverrichting is uitdrukkelijk bedoeld als tegenwicht tegen het uiterst liberale regime van de nieuwe richtlijn op het punt van die dienstverrichting. De bevoegdheid moet de lidstaten in staat stellen zorg te dragen voor de belangen van volksgezondheid, openbare veiligheid en consumentenbescherming.

Naast de specifieke bepaling voor dienstverrichting (artikel 30) bevat artikel 34 van het wetsvoorstel een algemene bepaling over uitwisseling van nader in het artikel omschreven bijzondere persoonsgegevens: tuchtrechtelijke maatregelen of strafrechtelijke sancties en andere specifieke ernstige feiten. Deze laatste zijn een restcategorie, waarbij gedacht kan worden aan gegevens over bestuursrechtelijke sancties of civiele acties die te maken hebben met de beroepsuitoefening.

De artikelen 30 en 34 vormen voor zoveel nodig implementatie van de artikelen 8 en 56 van de nieuwe richtlijn. Die artikelen zien, breder, op de administratieve samenwerking en de informatie-uitwisseling tussen de (bevoegde autoriteiten van de) lidstaten. In het kader van de uitvoering van de nieuwe richtlijn wordt aan de samenwerking en uitwisseling tussen de lidstaten veel belang gehecht. Zie hierover verder paragraaf 4.2.6. van het algemeen deel van de toelichting. Voor zover de uitwisseling niet ziet op persoonsgegevens richten de bepalingen zich uitsluitend tot de lidstaten en is implementatie niet nodig. Voor zover persoonsgegevens aan de orde zijn, wordt in het wetsvoorstel een rechtsgrondslag voor de verwerking opgenomen. Bij de verwerking van gegevens in het kader van de artikelen 30 en 34 kan het gaan om justitiële gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. In het Besluit justitiële gegevens wordt daartoe opgenomen dat aan de ministers die het aangaat justitiële gegevens worden verstrekt voor zover dat noodzakelijk is ten behoeve van de verwerking op grond van de artikelen 30 en 34.

Een voorontwerp van dit wetsvoorstel is voor advies toegezonden aan het College bescherming persoonsgegevens (Cbp). Het advies van het Cbp is aanleiding geweest de tekst van een aantal artikelen aan te scherpen en de memorie van toelichting op het punt van de verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit wetsvoorstel aan te vullen.

5.6. Overleg met het veld

Over een voorontwerp van het wetsvoorstel heeft overleg plaatsgehad met de Informatie Beheer Groep (diploma-erkenning & legalisatie), Colo, Nuffic en het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg.  

ARTIKELSGEWIJS

Artikel 1 (Definities)

De begripsbepalingen in dit wetsvoorstel komen grotendeels overeen met de definities zoals opgenomen in artikel 3 van de nieuwe richtlijn. Voor deze nauwe aansluiting bij de tekst van de nieuwe richtlijn is gekozen om te voorkomen dat er discrepanties ontstaan tussen die tekst en de vertaling daarvan naar de Nederlandse situatie.

Enkele begrippen zijn gedefinieerd met een verwijzing naar een ander artikel van dit wetsvoorstel, en andere hebben een meer inhoudelijke definiëring. Een aantal begrippen wordt hieronder nader toegelicht.

Beroepskwalificaties zijn alle in de andere lidstaten behaalde dan wel erkende kwalificaties op grond waarvan een migrerende beroepsbeoefenaar in Nederland toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep kan vragen. De term omvat opleidingstitels, bekwaamheidsattesten en beroepservaring. Het gaat om stukken waaruit blijkt van opleidingen of beroepservaring. Voor de toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep geldt het geheel van deze stukken als «beroepskwalificaties».

Onder de term betrokken staat wordt begrepen een lidstaat van de Europese Unie, Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland.

Het is de bedoeling dat de nieuwe richtlijn zowel van toepassing zal zijn op onderdanen van de EU als op onderdanen van de overige lidstaten van de Europese Economische Ruimte (EER), te weten Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. Hiertoe zal Bijlage 7 van het EER-Verdrag worden gewijzigd.

Wat betreft toepasselijkheid van de nieuwe richtlijn voor Zwitserse onderdanen zal Bijlage III van de Overeenkomst tussen de EG en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, van 21 juni 1999 over het vrije verkeer van personen worden aangepast.

De toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep geschiedt op grond van de nieuwe richtlijn aan de hand van het verlenen van erkenning van beroepskwalificaties door de voor het desbetreffende beroep bevoegde autoriteit. De in de twee huidige Algemene wetten gebruikte term «afgifte van een EG-verklaring» wordt in dit wetsvoorstel niet meer toegepast, aangezien deze in de praktijk tot verwarring bleek te leiden. Nu is gekozen voor «erkenning van beroepskwalificaties», hetgeen aansluit bij de bewoordingen van de nieuwe richtlijn.

Voor de definitie van gereglementeerd beroep is aangesloten bij de bepalingen van de nieuwe richtlijn. Het betreft een beroep waarvoor geldt dat de toegang daartoe of uitoefening daarvan wettelijk is geregeld. Zie ook paragraaf 2.1. van het algemeen deel van deze toelichting.

In de nieuwe richtlijn wordt met een gereglementeerd beroep gelijkgesteld een beroep dat wordt uitgeoefend door de leden van de in bijlage I van de nieuwe richtlijn genoemde verenigingen of organisaties in Ierland en het Verenigd Koninkrijk. Het betreft een limitatieve lijst van verenigingen en organisaties die ten doel hebben een hoog niveau in het betrokken beroepsgebied te bevorderen en te handhaven; daartoe genieten zij een specifieke erkenning, geven zij aan hun leden een opleidingstitel af, onderwerpen zij hun leden aan beroepsregels die zij uitvaardigen, en geven zij hun het recht op een titel, afkorting of status die met de opleidingstitel overeenstemt (zie artikel 3, tweede lid, van de nieuwe richtlijn).

Dit betekent bijvoorbeeld dat bij een verzoek om erkenning van beroepskwalificaties door leden van deze verenigingen en organisaties artikel 6, eerste lid, van dit wetsvoorstel van toepassing is in plaats van het tweede lid van dat artikel. Bijlage I van de nieuwe richtlijn wordt geïmplementeerd door middel van een ministeriële regeling van de minister van OCW. De bijlage van de nieuwe richtlijn kan via een comitologieprocedure worden gewijzigd. Implementatie door middel van een ministeriële regeling biedt de mogelijkheid van soepele aanpassing in combinatie met goede kenbaarheid.

Zie voor gereglementeerde opleiding de toelichting bij artikel 7.

Het begrip migrerende beroepsbeoefenaar betreft de volgende categorieën personen:

– Onderdanen van de EU die in Nederland een gereglementeerd beroep willen uitoefenen en beschikken over in andere lidstaten dan Nederland behaalde beroepskwalificaties. De werking van de wet strekt zich dus ook uit over Nederlanders. Het is immers mogelijk dat een Nederlander in een andere lidstaat een opleiding heeft gevolgd en vervolgens in Nederland aan de slag wil in het desbetreffende beroep.

Voor bepaalde beroepen, zoals die van rechterlijk ambtenaar, is bij wet de Nederlandse nationaliteit vereist. Deze beroepen zijn derhalve niet toegankelijk voor buitenlanders. Die beroepen vallen wel onder de reikwijdte van deze wet. Het kan namelijk voorkomen dat een Nederlander die in het bezit is van een niet-Nederlands hogeronderwijsdiploma, behaald dan wel erkend in één van de andere EG-lidstaten, op grond van de nieuwe richtlijn toegang vraagt tot één van deze beroepen.

– Onderdanen van Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland.

– Op basis van richtlijn nr. 2003/19/EG en richtlijn nr. 2004/38/EG: langdurig ingezetenen en derdelanders die familielid zijn van een EU-onderdaan, mits is voldaan aan bepaalde voorwaarden.

Onze minister die het aangaat betreft de minister binnen wiens beleidsterrein de desbetreffende beroepsreglementering valt. Zo is de minister van Justitie Onze minister die het aangaat ten aanzien van onder meer het gereglementeerde beroep van gerechtsdeurwaarder en is de minister van Verkeer en Waterstaat Onze minister die het aangaat voor – onder meer – het gereglementeerde beroep van registerloods.

Daarnaast kan het voorkomen dat een Nederlandse minister, op wiens beleidsterrein zich een beroep bevindt dat in Nederland niet is gereglementeerd, maar in een andere lidstaat wel, wordt aangesproken door zijn counterpart in de andere lidstaat of door een Nederlandse migrerende beroepsbeoefenaar die in die andere lidstaat dat gereglementeerde beroep wil uitoefenen, om gegevens te verstrekken over de desbetreffende Nederlandse beroeps- of opleidingspraktijk, in algemene zin of specifiek in relatie tot die migrerende beroepsbeoefenaar. Ook dan geldt die minister in het kader van dit wetsvoorstel als de minister die het aangaat.

Ook voor de definitie van opleidingstitel is zo dicht mogelijk aangesloten bij de tekst van artikel 1, onder c, van de nieuwe richtlijn. Het betreft een diploma, certificaat of andere titel, bij of krachtens wet afgegeven door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat ter afsluiting van een overwegend in de EER of Zwitserland gevolgde beroepsopleiding.

Met een dergelijke opleidingstitel wordt gelijkgesteld een in een derde land afgegeven opleidingstitel, die door een andere lidstaat is erkend, waarbij als aanvullende eis geldt dat de migrerende beroepsbeoefenaar in die lidstaat ten minste drie jaar beroepservaring heeft opgedaan en de lidstaat deze beroepservaring bevestigt.

De term opleidingstitel geldt zowel voor het sectorale als voor het algemeen stelsel. Voor het algemene erkenningsstelsel wordt deze term nader ingevuld door artikel 7.

Artikel 2 (Orgaan organisatie van beroepsbeoefenaren)

Voor zover het erkenning als specialist in de zin van artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) betreft wordt onder Onze minister die het aangaat verstaan het orgaan, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder e, van die wet, en dus niet de minister van VWS. Het gaat hier om de inschrijving in specialistenregisters van medische beroepsorganisaties. Wanneer daaraan een titel is verbonden, kan de minister van VWS bepalen dat die titel als wettelijk erkende titel wordt aangemerkt (artikel 14, eerste lid, van de Wet BIG). Het bedoelde orgaan is de registratiecommissie, die onder meer is belast met de inschrijving van specialisten en de erkenning van opleidingsinstellingen. De uitgezonderde artikelen betreffen bevoegdheden die minder passen bij de wettelijke taak en bevoegdheden van de registratiecommissie, en die voorbehouden blijven aan de minister van VWS.

In artikel 33, derde lid, van het wetsvoorstel, wordt aan het orgaan, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder d, van de Wet BIG, (het college) bevoegdheid tot het stellen van nadere regels toegekend voor de situatie dat de registratiecommissie als Onze minister die het aangaat geldt. In dat geval berust de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels dus niet bij de minister van VWS. Opgemerkt zij dat de minister van VWS ten aanzien van de zogenoemde BIG-registers voor medische basisberoepen (artikel 3 van de Wet BIG) wel degelijk Onze minister die het aangaat is.

Artikel 4 (Reikwijdte)

Dit wetsvoorstel heeft betrekking op de toegang tot of uitoefening van in Nederland gereglementeerde beroepen. Het wetsvoorstel omvat ook vrije beroepen voor zover deze zijn gereglementeerd.

Het is mogelijk dat de nieuwe richtlijn ten aanzien van een gereglementeerd beroep of groep van gereglementeerde beroepen wordt geïmplementeerd in sectorale regelgeving. Ten aanzien van die sectorale wetgeving heeft dit wetsvoorstel een complementaire functie. Artikel 4, onder a, van dit wetsvoorstel bepaalt immers dat voor zover implementatie in sectorale regelgeving heeft plaatsgevonden die sectorale regels van toepassing zijn en niet dit wetsvoorstel. Voorbeelden van zodanige sectorale regelgeving zijn te vinden in de Wet op de architectentitel, de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990, alsmede in op die wetten gebaseerde lagere regelgeving.

Dit wetsvoorstel is verder niet van toepassing op die beroepen waarvoor door de Raad van de EU en het Europees Parlement een specifieke erkenningsrichtlijn is vastgesteld en deze vervolgens is geïmplementeerd in Nederlandse regelgeving (artikel 4, onder b). Hierbij valt te denken aan de specifieke richtlijnen voor beroepen in de scheepvaart. Zie hiervoor ook paragraaf 4.3. van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 5 (Erkenning beroepskwalificaties)

Dit artikel bevat het principe van de toegang tot en uitoefening van in Nederland gereglementeerde beroepen door migrerende beroepsbeoefenaars. Dit gebeurt door middel van erkenning van beroepskwalificaties, te verlenen door de minister onder wiens regelgeving het betrokken beroep ressorteert. Daarbij dient de procedure zoals beschreven in hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel te worden gevolgd.

Erkenning van beroepskwalificaties geeft de migrerende beroepsbeoefenaar in Nederland toegang tot hetzelfde beroep als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezit en stelt hem in staat dit beroep uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als die gelden voor vergelijkbare beroepsbeoefenaren met Nederlandse kwalificaties: het Nederlandse regime geldt gelijkelijk voor hem. Aan de hand van de erkenning van beroepskwalificaties kan de migrerende beroepsbeoefenaar bijvoorbeeld inschrijving in een register verkrijgen, dan wel bij een werkgever aantonen dat hij voldoet aan de opleidingseisen die voor het desbetreffende beroep worden gesteld.

Dit wetsvoorstel geeft een regeling voor de erkenning door Nederland van in een andere lidstaat verkregen beroepskwalificaties. Het gaat derhalve niet om erkenning van door andere lidstaten overeenkomstig de nieuwe richtlijn afgegeven erkenningen van Nederlandse beroepskwalificaties. Wie erkenning van beroepskwalificaties heeft verkregen, kan deze niet gebruiken om in de lidstaat van oorsprong andere rechten te verkrijgen dan die behoren bij de in die lidstaat verkregen beroepskwalificaties.

Artikel 6 (Vereisten erkenning beroepskwalificaties)

De nieuwe richtlijn maakt wat betreft de vereisten voor de erkenning van beroepskwalificaties onderscheid tussen de situatie dat een beroep in de lidstaat van herkomst is gereglementeerd en de situatie dat dit niet het geval is.

Artikel 6, eerste lid, heeft betrekking op de situatie dat het beroep in de lidstaat van herkomst is gereglementeerd. Om in aanmerking te komen voor erkenning van beroepskwalificaties dient de migrerende beroepsbeoefenaar in het bezit te zijn van een bekwaamheidsattest, een certificaat of een diploma dat blijk geeft van een niveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau direct onder het in Nederland vereiste niveau, met toepassing van de onderscheiding van artikel 9. Dit betekent bijvoorbeeld dat een migrerende beroepsbeoefenaar die in eigen land een gereglementeerd beroep op het niveau van certificaat, bedoeld in artikel 9, onder d, uitoefent, terwijl in Nederland hetzelfde beroep wordt uitgeoefend op hetzelfde niveau of op het (hogere) niveau van diploma, bedoeld in artikel 9, onder c, de mogelijkheid van toegang tot of uitoefening van dat beroep heeft.

Artikel 6, tweede lid, heeft betrekking op de situatie dat het beroep in de lidstaat van herkomst niet is gereglementeerd, maar de migrerende beroepsbeoefenaar wel beschikt over opleidingstitels waaruit blijkt dat hij een opleiding heeft gevolgd die hem op het desbetreffende beroep heeft voorbereid. Als aanvullend vereiste geldt dan dat de migrerende beroepsbeoefenaar moet aantonen in de tien jaar voorafgaand aan de aanvraag om toegang of uitoefening van het gereglementeerde beroep in Nederland, in een andere lidstaat minstens twee jaar voltijds het beroep te hebben uitgeoefend.

Artikel 7 (Gereglementeerde opleiding)

Dit artikel regelt dat de aanvullende eis van beroepservaring, neergelegd in artikel 6, tweede lid, niet geldt wanneer het beroep in het land van herkomst niet is gereglementeerd, maar er wel sprake is van een gereglementeerde opleiding. De nieuwe richtlijn gaat uit van reglementering van beroepen. Er zijn binnen de EU echter lidstaten – daaronder Nederland – die de kwaliteit van de beroepsuitoefening niet zozeer via reglementering van beroepen alswel via (gereglementeerde) opleidingen waarborgen. Zo is in het Nederlandse systeem een diploma dat is behaald aan een Nederlandse beroepsopleiding voor werkgever, consument en overheid een afdoende garantie dat de bezitter daarvan in staat is naar behoren en op niveau te functioneren (de «produit fini»-gedachte).

Lidstaten die op dergelijke wijze de kwaliteit waarborgen, zijn vanuit de optiek van de nieuwe richtlijn in het nadeel, gelet op de eerdergenoemde aanvullende eis van beroepservaring.

Dit nadeel wordt door artikel 7 ondervangen.

Artikel 8 (Meer dan één niveau verschil)

Er zijn beroepen waarvoor in de ene lidstaat een hogeronderwijsdiploma ter afsluiting van een opleiding met een voltijdse cursusduur van ten minste vier jaar is vereist, terwijl in een andere lidstaat voor de toelating tot hetzelfde beroep een kortere hogeronderwijs- of een middelbaarberoepsonderwijsopleiding is vereist. Artikel 13, derde lid, van de nieuwe richtlijn (geïmplementeerd in artikel 8 van het wetsvoorstel) creëert de mogelijkheid om bezitters van een korthogeronderwijsdiploma door te laten stromen naar het werkingsgebied van het niveau direct daarboven, indien hetzelfde beroep in de lidstaat van ontvangst wordt uitgeoefend op het niveau van hoger onderwijs met een duur van ten minste vier jaar. Een voorbeeld van beroepsbeoefenaren die van deze mogelijkheid gebruik kunnen maken zijn de Duitse fysiotherapeuten («Krankengymnasten»). In Duitsland zijn deze beroepsbeoefenaren volgens de terminologie van de nieuwe richtlijn ingedeeld op het niveau van diploma, bedoeld in artikel 9, onder c. In Nederland en in de meeste lidstaten valt hetzelfde beroep onder het niveau, bedoeld in artikel 9, onder b, of onder a.

Op grond van artikel 13, derde lid, van de richtlijn kan nu bijvoorbeeld een Duitse fysiotherapeut (in Duitsland niveau korthogeronderwijsdiploma, dat wil zeggen een korthogeronderwijsopleiding met een cursusduur tussen één en drie jaar) toch vragen om in Nederland te worden toegelaten tot hetzelfde beroep (niveau hogeronderwijsdiploma, dat wil zeggen een hogeronderwijsopleiding met een cursusduur van ten minste vier jaar), waarbij geconstateerde wezenlijke verschillen wat betreft opleidingsduur en -inhoud wel moeten worden gecompenseerd.

Artikel 9 (Kwalificatieniveaus)

Artikel 9, onder a en b

Om met de verschillen tussen de hogeronderwijsstelsels van de lidstaten rekening te kunnen houden is het begrip diploma in artikel 11 van de nieuwe richtlijn zeer ruim gedefinieerd. Dit is neergelegd in artikel 9, onder a tot en met c.

Naar Nederlandse begrippen vertaald betekent een hogeronderwijsopleiding een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs of hogerberoepsonderwijs, in voorkomend geval inclusief een aanvullende beroepsopleiding. Uit dit laatste blijkt de mogelijkheid dat de eis van een hogeronderwijsopleiding alleen is af te leiden uit de toelatingseis voor het desbetreffende beroep, namelijk als een bepaalde aanvullende opleiding wordt vereist, die alleen gevolgd kan worden indien men in het bezit is van een opleiding op het niveau van het hoger onderwijs. Het betreft dus zowel direct als indirect gestelde opleidingsvereisten.

Artikel 9, onder c

In de Nederlandse situatie gaat het hier om (postsecundair) kort hoger onderwijs, met een studieduur tussen één en drie jaar. Een studieduur vanaf drie jaar valt onder het kwalificatieniveau bedoeld in artikel 9, onder a of b. De studiecyclus kan in voorkomend geval worden aangevuld met een beroepsopleiding, indien de nationale wetgeving dat voor de beroepsuitoefening vereist. Om tot deze studiecyclus te worden toegelaten dient betrokkene – in de terminologie van de nieuwe richtlijn – een studiecyclus van secundair onderwijs te hebben voltooid. In de Nederlandse situatie betekent dit dat men als regel moet beschikken over een vwo-, havo- of mbo-diploma.

Bijlage II van de nieuwe richtlijn bevat een lijst van opleidingen met een bijzondere structuur, die geacht worden hetzelfde niveau te hebben als het zojuist beschreven kort hoger onderwijs. Op die lijst staat onder meer de Nederlandse opleiding tot dierenartsassistent.

Bijlage II wordt geïmplementeerd door middel van een ministeriële regeling.

Artikel 9, onder d

Onder de drie niveaus van diploma ligt het niveau van certificaat. Het gaat hier niet meer om hoger onderwijs. In de Nederlandse situatie betreft de vereiste opleiding:

a. een secundaire studiecyclus (vmbo, theoretische leerweg of havo), gevolgd door een verdere studie/beroepsopleiding (de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg van het mbo), of

b. een secundaire studiecyclus van technische of beroepsmatige aard (vmbo, anders dan de theoretische leerweg), gevolgd door een verdere studie/beroepsopleiding zoals onder a vermeld.

Artikel 9, onder e

Omdat de niveaus, bedoeld onder a tot en met d, niet aansluiten op alle gevallen die zich op dit terrein binnen de lidstaten kunnen voordoen, is in de nieuwe richtlijn naast de niveaus diploma en certificaat sprake van het niveau van het bekwaamheidsattest. Dit betreft korte, op zichzelf staande opleidingen, van uiteenlopend niveau, die geen onderdeel uitmaken van een diploma of certificaat, en die meer te zien zijn als extra vereiste.

Voorbeelden van een dergelijk bekwaamheidsattest zijn een EHBO-diploma of een attest dat nodig is voor het uitoefenen van het beroep van kraanmachinist of springmeester.

Het bekwaamheidsattest is in de nieuwe richtlijn uitgebreid met de kwalificaties, bedoeld in artikel 6, onder c, en artikel 9 van richtlijn nr. 92/51/EEG (tweede richtlijn algemeen stelsel). Deze kwalificaties betreffen het bewijs van drie jaar beroepservaring in de voorafgaande tien jaar respectievelijk het bewijs van een algemene opleiding op het niveau van het primair of secundair onderwijs (artikel 9, onder e, 3° en 4°). Deze kwalificaties zijn hiermee volledig geïntegreerd in het algemeen stelsel van erkenning.

Artikel 9, onder e, 4°, is een vangnetbepaling. Deze is bedoeld voor de situatie dat een migrerende beroepsbeoefenaar niet beschikt over het niveau certificaat, terwijl de ontvangende lidstaat voor het desbetreffende beroep wel eist dat de beroepsbeoefenaar primair onderwijs en eventueel secundair onderwijs heeft gevolgd. Een migrerende beroepsbeoefenaar kan zo die kwalificaties aantonen.

De nieuwe richtlijn verschilt hier van richtlijn nr. 92/51/EEG, die een eenvoudiger regeling kende voor de toegang tot of uitoefening van een beroep waarvoor een bekwaamheidsattest als beroepskwalificatie gold. Het was daarbij niet nodig een formele erkenning te verkrijgen. Het overleggen van het bewijsstuk dat men de desbetreffende opleiding met goed gevolg had afgerond, was voldoende. In de nieuwe richtlijn geldt ook voor het niveau van het bekwaamheidsattest de erkenningsprocedure (hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel).

Artikel 10 (Gelijkstelling van beroepskwalificaties)

Artikel 10, onder a, biedt de mogelijkheid – wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan – enigerlei afwijkende opleidingstitel in te voegen in het systeem van artikel 9.

Bij het bepaalde in artikel 10, onder b, kan worden gedacht aan de situatie dat de lidstaat van oorsprong het niveau verhoogt van de opleiding die is vereist voor de toegang tot of uitoefening van een beroep, en de migrerende beroepsbeoefenaar met een oude opleiding, die niet meer voldoet aan de eisen van de nieuwe kwalificatie, verworven rechten heeft op basis van de wetgeving van die lidstaat. Dan wordt de oude opleiding voor de toepassing van artikel 6 beschouwd als overeenkomend met het niveau van de nieuwe opleiding.

Artikel 11 (Compenserende maatregelen)

Compenserende maatregelen kunnen worden ingezet om verschillen in opleidingsduur of -inhoud van de migrerende beroepsbeoefenaar ten opzichte van de vereisten van de ontvangende lidstaat te overbruggen en zo alsnog te komen tot erkenning van beroepskwalificaties. Artikel 14, vijfde lid, van de nieuwe richtlijn schrijft uitdrukkelijk voor dat bij toepassing van compenserende maatregelen het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen. In dat kader moet met name eerst worden nagegaan of de migrerende beroepsbeoefenaar de wezenlijke verschillen (artikel 11, tweede lid, van het wetsvoorstel) die de ontvangende lidstaat heeft vastgesteld, kan opvangen met zijn beroepservaring.

Bij een vergelijking van opleidingsduren voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onder a, wordt een genoten deeltijdse opleiding omgerekend naar een overeenkomstige voltijdse opleiding in het land van herkomst.

Artikel 12 (Vrijstelling van compenserende maatregelen)

Wanneer op Europees niveau criteria (zogenoemde gemeenschappelijke platforms) zijn vastgesteld ter compensatie van wezenlijke verschillen, en de beroepskwalificaties van de migrerende beroepsbeoefenaar voldoen daaraan, worden de migrerende beroepsbeoefenaar geen compenserende maatregelen opgelegd. Zie voor de gemeenschappelijke platforms verder paragraaf 4.2.4. van het algemeen deel van de toelichting.

Artikelen 13 tot en met 17 (documenten bij de aanvraag)

Op grond van artikel 50, eerste lid, van de nieuwe richtlijn, kan bij een aanvraag om erkenning van beroepskwalificaties worden gevraagd om overlegging van de documenten die zijn opgenomen in Bijlage VII bij de nieuwe richtlijn. De lijst van Bijlage VII is limitatief, meer documenten kunnen niet worden gevraagd. In het wetsvoorstel is een en ander neergelegd in artikel 13, eerste lid. Wanneer de op grond van artikel 13 gevraagde documenten bij de aanvraag ontbreken, is de aanvraag onvolledig (zie voor de procedure ook de toelichting bij artikel 19).

Gevraagd kunnen worden: een bewijs van de nationaliteit van de migrerende beroepsbeoefenaar, een kopie van zijn bekwaamheidsattesten of opleidingstitels en in voorkomend geval een bewijs van zijn beroepservaring (artikel 13, eerste lid, onder a tot en met c).

Daarnaast kunnen aanvullende documenten, verklaringen en attesten worden gevraagd, voor zover de toegang tot het gereglementeerde beroep daarvan mede afhankelijk is (artikel 13, eerste lid, onder d en e).

De minister die het aangaat kan de bedoelde documenten niet vragen dan nadat hij ter zake een ministeriële regeling heeft vastgesteld. Zie artikel 33, eerste lid, van het wetsvoorstel.

De artikelen 14 tot en met 17 vormen een nadere uitwerking van het bepaalde in artikel 50, juncto Bijlage VII, van de nieuwe richtlijn. Het gaat hier om de in artikel 13, eerste lid, onder d en e, genoemde documenten, verklaringen en attesten. De artikelen regelen – kort gezegd – dat overeenkomstige verklaringen etc. uit de lidstaat van oorsprong of herkomst van de migrerende beroepsbeoefenaar gelden als zodanige in Nederland gevraagde stukken.

Met de nieuwe richtlijn is de mogelijkheid om van de migrerende beroepsbeoefenaar een bewijs van financiële draagkracht en verzekering tegen financiële risico’s te vragen niet meer alleen van toepassing op beroepen die onder de derde richtlijn algemeen stelsel vallen, maar op alle beroepen die onder het algemeen stelsel vallen (artikel 16).

De documenten, bedoeld in de artikelen 14 tot en met 17, mogen bij overlegging niet ouder zijn dan drie maanden. Nieuw is dat deze termijn nu ook ziet op bewijzen van financiële draagkracht die wordt afgegeven door banken van andere lidstaten dan Nederland.

De documenten, bedoeld in de artikelen 13 tot en met 17, kunnen alleen worden gevraagd in het kader van een erkenningsprocedure als bedoeld in hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel (vestiging) en alleen dan wanneer ze ook van de eigen onderdanen worden gevraagd.

In geval van tijdelijke en incidentele dienstverrichting (hoofdstuk 3 van het wetsvoorstel) zijn de artikelen 23 en 29 van toepassing.

Zie voor het aspect van de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze artikelen paragraaf 5.5. van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 18 (eed of belofte)

Artikel 18 bepaalt, ter implementatie van artikel 50, vierde lid, van de nieuwe richtlijn, dat een migrerende beroepsbeoefenaar een passende gelijkwaardige formulering kan gebruiken voor een eed of belofte, wanneer die voor de toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep is vereist, en de Nederlandse formule niet kan worden gebruikt door de migrerende beroepsbeoefenaar.

Artikel 19 (Procedure erkenning)

De migrerende beroepsbeoefenaar dient een aanvraag om erkenning van beroepskwalificaties in bij de minister die het aangaat. Deze minister geeft bij ministeriële regeling aan welke documenten de migrerende beroepsbeoefenaar bij de aanvraag moet voegen (zie de artikelen 13 tot en met 17). Op grond van artikel 13, tweede lid, kan de minister de migrerende beroepsbeoefenaar verzoeken informatie over zijn opleiding te verschaffen, voor zover dat noodzakelijk is voor de vaststelling van wezenlijke verschillen als bedoeld in artikel 11, tweede lid. De aanvraag om erkenning is een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Bepalingen uit de nieuwe richtlijn over aanvulling van de aanvraag, motivering van het besluit en rechtsbescherming zijn al voorzien in de Awb. In artikel 19 van het wetsvoorstel zijn daarom alleen bijzondere bepalingen opgenomen. Dit betreft de verplichting binnen een maand de ontvangst van de aanvraag te bevestigen (artikel 19, eerste lid), de beslistermijnen alsmede de mogelijkheid deze te verlengen (artikel 19, tweede en vierde lid) en het aanhouden van de beslissing op de aanvraag in geval van de toepassing van een compenserende maatregel (artikel 19, derde lid).

Onderzoek naar de authenticiteit van aanvullende documenten als bedoeld in de artikelen 13 tot en met 17 of naar andere feiten of belangen moet plaatsvinden binnen de beslistermijn.

Artikel 20 (Voeren van beroepstitel)

De formulering in artikel 52 van de nieuwe richtlijn verschilt ten opzichte van die in de huidige richtlijnen algemeen stelsel: de optie van het gebruik van de Nederlandse beroepstitel is gewijzigd in een verplichting daartoe. Tevens is het gebruik van de eventuele afkorting van de desbetreffende Nederlandse titel verplicht gesteld. Deze verplichtingen zijn van toepassing wanneer de migrerende beroepsbeoefenaar erkenning van beroepskwalificaties heeft verkregen op grond van hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel. Zie overigens voor het gebruik van academische titels (de toelichting bij) artikel 32.

Artikel 21 (Begripsbepaling hoofdstuk 3)

De nieuwe richtlijn geeft voor de tijdelijke en incidentele dienstverrichting minder stringente regels dan voor de vestiging, om de procedure bij deze dienstverrichting zo soepel mogelijk te laten verlopen. Artikel 21 geeft aan welke criteria worden toegepast bij het aanmerken van een dienst als tijdelijk en incidenteel. Het tijdelijke en incidentele karakter van de dienstverrichting wordt per geval beoordeeld, met name in het licht van de duur, frequentie, regelmaat en continuïteit van de verrichting.

Bij het vaststellen van de richtlijn is ten aanzien van deze definitie uitdrukkelijk gekozen voor een benadering van geval tot geval. Daarbij is ook de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 11 december 2003 van belang geweest, waarin is geoordeeld dat er geen bepaling in het EG-verdrag is waarmee in abstracto kan worden vastgesteld bij welke mate van duur of frequentie van dienstverlening in een andere lidstaat niet langer sprake is van dienstverrichting in de zin van dat verdrag (C-215/01, Schnitzer). Wanneer bij toepassing van de vier criteria het beeld naar voren komt van een stabiele en continue verbinding met de economie in de ontvangende lidstaat, is sprake van vestiging. Hiervoor kan ook permanente aanwezigheid of het voorhanden hebben van een infrastructuur in de ontvangende lidstaat een aanwijzing zijn. Voor de vaststelling van de mate van tijdelijkheid van een dienstverrichting is de context van de beroepsuitoefening van belang. In geval van seizoensarbeid is een kortere duur nodig voor tijdelijkheid dan bij werk dat een langdurige betrokkenheid vergt (bijvoorbeeld bij een groot infrastructureel project).

Zie ook paragraaf 4.2.2. van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 22 (Geen beperkingen op dienstverrichting)

Dit artikel regelt dat een migrerende beroepsbeoefenaar die tijdelijk en incidenteel zijn dienst in Nederland komt verrichten daarin niet belemmerd mag worden indien hij voldoet aan de in dit artikel gestelde voorwaarden. De migrerende beroepsbeoefenaar behoeft in dat geval geen erkenning van zijn beroepskwalificaties aan te vragen, zoals omschreven in hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel.

Artikel 23 (Verklaring vooraf van dienstverrichter)

Het is de minister die het aangaat wel toegestaan om voorafgaand aan de eerste dienstverrichting een schriftelijke verklaring van de migrerende beroepsbeoefenaar te vragen waarin informatie is opgenomen over verzekering tegen de financiële risico’s van beroepsaansprakelijkheid (artikel 23, eerste lid). Deze verklaring wordt één keer per jaar verlengd.

De migrerende beroepsbeoefenaar mag tevens gevraagd worden om een aantal aanvullende documenten. De lijst van artikel 23, derde lid, is limitatief. Er gelden geen eisen voor de geldigheidsduur van deze documenten. Opgemerkt zij dat het vereiste van een schriftelijke verklaring de dienstverrichter niet, zelfs niet tijdelijk, mag verhinderen zijn diensten te verrichten.

Wanneer de minister die het aangaat gebruik wil maken van de mogelijkheid aan de dienstverrichter vooraf een verklaring en documenten te vragen, moet hij ter zake een ministeriële regeling vaststellen (artikel 33, tweede lid).

Zie voor het aspect van de verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit artikel paragraaf 5.5. van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 24 (Vrijstellingen)

De dienstverrichter is vrijgesteld van de voor het desbetreffende beroep in Nederland geldende eisen met betrekking tot autorisatie, inschrijving of aansluiting bij beroepsorganisaties of inschrijving in een bij of krachtens wet ingesteld register. Dit is gebeurd juist vanwege het tijdelijke en incidentele karakter van de dienstverrichting.

Artikel 25 (Toepasselijkheid beroepsregels en tuchtrechtelijke bepalingen)

De dienstverrichter valt onder het Nederlandse regime van beroepsregels die rechtstreeks verband houden met beroepskwalificaties en tuchtrechtelijke bepalingen. Daarbij kan wat betreft de beroepsregels worden gedacht aan de omschrijving van het beroep en de reikwijdte van de werkzaamheden die onder een beroep vallen of daaraan zijn voorbehouden, het gebruik van titels, en de ernstige wanprestatie die rechtstreeks en specifiek verband houdt met de bescherming en de veiligheid van consumenten (artikel 25, eerste lid).

Om de in Nederland geldende beroepsregels en tuchtrechtelijke bepalingen ook op de dienstverrichter van toepassing te laten zijn, kan de minister die het aangaat erin voorzien dat de dienstverrichter automatisch tijdelijk wordt ingeschreven bij een beroepsorganisatie of een bij of krachtens de wet ingesteld register, of pro forma wordt aangesloten bij een beroepsorganisatie. Dit mag echter niet leiden tot vertraging of bemoeilijking van de dienstverrichting of extra kosten voor de dienstverrichter (artikel 25, tweede lid).

Artikel 26 (Beroepstitel en titel behorend bij opleiding)

Dit artikel geeft aan welke titel de dienstverrichter mag voeren.

Artikel 27 (Controle in verband met volksgezondheid of openbare veiligheid)

Dit artikel geeft een uitzondering op het lichte regime voor tijdelijke en incidentele dienstverrichting. De minister die het aangaat kan de beroepskwalificaties van de dienstverrichter voorafgaand aan de eerste dienstverrichting controleren indien het de uitoefening van een gereglementeerd beroep betreft dat verband houdt met de volksgezondheid of de openbare veiligheid. Een dergelijke controle is alleen toegestaan ter voorkoming van ernstige schade voor de gezondheid of de veiligheid van de afnemer van de dienst als gevolg van een niet toereikende beroepskwalificatie van de dienstverrichter.

De beroepen waarop dit artikel betrekking heeft, zullen worden opgenomen op een door de minister van OCW bij ministeriële regeling vast te stellen lijst. De woorden «voor zover» in artikel 27, tweede lid, verwijzen naar het proportionaliteitsbeginsel.

Bij geconstateerde wezenlijke verschillen tussen de opleiding van de migrerende beroepsbeoefenaar en de in Nederland vereiste opleiding, die kunnen leiden tot schade voor de volksgezondheid of de openbare veiligheid, kan de dienstverrichter een compenserende maatregel worden opgelegd. Ook hier is het proportionaliteitsbeginsel van belang. Toepassing daarvan kan, met inachtneming van het tijdelijke en incidentele karakter van de dienstverrichting, wijzen in de richting van een proeve van bekwaamheid.

Artikel 28 (Procedure controle)

Parallel aan de procedure van artikel 19 kent de onderhavige procedure een beslistermijn, de mogelijkheid van verlenging van die beslistermijn en de mogelijkheid van het aanhouden van het besluit ten behoeve van het aantonen van ontbrekende kennis en vaardigheden door de dienstverrichter. Deze procedurebepaling doet uiteraard niet af aan de in artikel 4:5 van de Awb geboden mogelijkheid om een aanvraag niet in behandeling te nemen. Niet naleven van de beslistermijnen blijft voor de minister die het aangaat niet zonder gevolgen. Uit het derde lid volgt immers dat bij overschrijding van die termijnen de dienstverrichter aan de slag kan.

Artikel 29 (Gegevens voor afnemers van de dienst)

De minister die het aangaat kan uit een oogpunt van consumentenbescherming van de dienstverrichter vragen om de in dit artikel genoemde gegevens aan de afnemer van de dienst te verstrekken. Het gaat bijvoorbeeld om het btw-identificatienummer of het inschrijvingsnummer in het handelsregister. Het overleggen van dergelijke gegevens kan alleen worden gevraagd van een dienstverrichter die de beroepstitel van de lidstaat van vestiging voert of de titel die behoort bij zijn opleiding, in de officiële taal of één van de officiële talen van de lidstaat van vestiging. De minister die het aangaat kan de bedoelde gegevens niet vragen dan nadat hij ter zake een ministeriële regeling heeft vastgesteld (artikel 33, tweede lid). Zie voor het aspect van de verwerking van persoonsgegevens paragraaf 5.5. van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 30 (Uitwisseling van persoonsgegevens inzake dienstverrichting)

Zie over dit artikel subparagraaf 4.2.6. en paragraaf 5.5. van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 31 (Talenkennis)

In het artikel is jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie neergelegd (C-424/97, Salomone Haim v. Kassenzahnärztliche Vereinigung Nordrhein). Het toetsen van talenkennis staat los van de erkenningsprocedure. Wanneer een migrerende beroepsbeoefenaar wiens beroepskwalificaties zijn erkend niet beschikt over de vereiste talenkennis, zal hij deze moeten verwerven alvorens het desbetreffende beroep te kunnen uitoefenen. Het is echter niet zo dat erkenning van beroepskwalificaties kan worden geweigerd of uitgesteld totdat de migrerende beroepsbeoefenaar zich de vereiste talenkennis heeft eigen gemaakt.

Verder dient bij het toetsen van de talenkennis het proportionaliteitsbeginsel als uitgangspunt. Taaltesten zijn niet volledig uitgesloten, maar kunnen ook niet systematisch of in gestandaardiseerde vorm worden toegepast. Van geval tot geval moet worden beoordeeld of en in hoeverre een taaltoets kan worden gevraagd.

Artikel 32 (Voeren van academische titels)

Het artikel geeft aan wanneer en onder welke voorwaarden een migrerende beroepsbeoefenaar de academische titels die hij heeft verworven in zijn lidstaat van oorsprong of herkomst mag voeren. Ook het gebruik van de afkortingen van die titels wordt geregeld.

Artikel 32, tweede lid, is nieuw ten opzichte van het huidige algemeen stelsel.

Artikel 33 (Nadere regels)

Het artikel schrijft nadere regelgeving bij ministeriële regeling voor. Dit dient steeds per gereglementeerd beroep te gebeuren. Artikel 33, eerste lid, ziet op de erkenningsprocedure van hoofdstuk 2, en artikel 33, tweede lid, betreft bepalingen uit het regime voor tijdelijke en incidentele dienstverrichting (hoofdstuk 3).

Voor artikel 33, derde lid, zie de toelichting bij artikel 2.

Artikel 34 (Uitwisseling van persoonsgegevens)

Zie over dit artikel subparagraaf 4.2.6. en paragraaf 5.5. van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 35 (Registratie)

Te rekenen vanaf 20 oktober 2007 moeten de lidstaten op grond van artikel 60 van de nieuwe richtlijn om de twee jaar aan de Europese Commissie verslag uitbrengen over de toepassing en de werking van het ingevoerde stelsel. Dit verslag bevat behalve algemene toelichtingen een statistisch overzicht van de genomen besluiten, en een beschrijving van de belangrijkste problemen die uit de toepassing van de richtlijn voortvloeien. Met het oog daarop is in dit artikel vastgelegd dat de minister die het aangaat zorg draagt voor registratie van de wijze van afhandeling van de aanvragen om erkenning van beroepskwalificaties en van de op grond van de artikel 27 van het wetsvoorstel verrichte controles.

Artikel 36 (Delegatie)

Indien de minister die het aangaat de taken en bevoegdheden die hij heeft op grond van dit wetsvoorstel wil beleggen bij een andere instantie, kan hij besluiten tot delegatie aan die instantie. Deze delegatie kan niet de bevoegdheden van artikel 33 van het wetsvoorstel (stellen van nadere regels bij ministeriële regeling) omvatten.

Artikelen 37 tot en met 53 (Wijziging andere wetten)

Aangezien de huidige Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen en Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s worden vervangen door dit wetsvoorstel dienen wetten die naar die wetten verwijzen hierop te worden aangepast. De aanpassingen zijn tot stand gekomen in overeenstemming met de betrokken ministers.

Artikel 52 (Wijziging Wet BIG)

De wijziging van artikel 41, zesde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) houdt verband met artikel 14, derde lid, tweede alinea, van de nieuwe richtlijn. In de ministeriële regeling zullen de gevallen worden opgenomen waarin de buitenlands gediplomeerde geen keuze heeft tussen een aanpassingsstage en een proeve van bekwaamheid.

De wijziging van artikel 43, tweede lid, onderdeel c, van de Wet BIG leidt ertoe dat de dienstverrichter een bewijs van zijn nationaliteit dient over te leggen. Artikel 7, tweede lid, van de nieuwe richtlijn biedt daarvoor de basis.

Artikel 54 (Intrekking Algemene wetten)

Het wetsvoorstel vervangt de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen en de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s. Deze twee wetten zullen derhalve bij inwerkingtreding van dit wetsvoorstel worden ingetrokken.

Artikel 55 (Inwerkingtreding)

Het streven is dat het wetsvoorstel op 20 oktober 2007 in werking treedt. Dit is de datum waarop de nieuwe richtlijn dient te zijn geïmplementeerd.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R. H. A. Plasterk

BIJLAGE

Transponeringstabel

Richtlijn 2005/36/EGAlgemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties
TITEL I 
Algemene bepalingen 
Artikel 1 
DoelConsiderans
Artikel 2 
Toepassingsgebied 
Artikel 2, eerste lidArtikel 1 en artikel 4, aanhef
Artikel 2, tweede lid, eerste volzinBehoeft geen implementatie
Artikel 2, tweede lid, tweede volzinImplementatie in sectorale wetgeving
Artikel 2, derde lidArtikel 4, onder b
Artikel 3 
Definities 
Artikel 3, eerste lid, onder aArtikel 1
Artikel 3, eerste lid, onder bArtikel 1
Artikel 3, eerste lid, onder cArtikel 1
Artikel 3, eerste lid, onder dNiet expliciet gedefinieerd
Artikel 3, eerste lid, onder eArtikel 1
Artikel 3, eerste lid, onder fArtikel 1
Artikel 3, eerste lid, onder g, eerste alineaArtikel 1 en artikel 33, eerste lid
Artikel 3, eerste lid, onder g, tweede alineaBehoeft geen implementatie
Artikel 3, eerste lid, onder hArtikel 1 en artikel 33, eerste lid
Artikel 3, eerste lid, onder iBehoeft geen implementatie
Artikel 3, tweede lidArtikel 1
Artikel 3, derde lidArtikel 1
Artikel 4 
Gevolgen van de erkenning 
Artikel 4, eerste lidArtikel 5, tweede lid
Artikel 4, tweede lidArtikel 3
Titel II 
Vrije Dienstverrichting 
Artikel 5 
Beginsel van het vrij verrichten van diensten 
Artikel 5, eerste lidArtikel 22
Artikel 5, tweede lid, eerste en tweede alineaArtikel 21
Artikel 5, derde lidArtikel 25, eerste lid
Artikel 6 
Vrijstellingen 
Artikel 6, onder a en bArtikel 24 en artikel 25, tweede en derde lid
Artikel 7 
Vooraf af te leggen verklaring 
Artikel 7, eerste lid, eerste volzinArtikel 23, eerste lid
Artikel 7, eerste lid, tweede en derde volzinArtikel 23, tweede lid
Artikel 7, tweede lidArtikel 23, derde en vierde lid
Artikel 7, derde lidArtikel 26, eerste, tweede en derde lid, onder a, en implementatie in sectorale wetgeving
Artikel 7, vierde lid, eerste alineaArtikel 27, eerste en tweede lid
Artikel 7, vierde lid, tweede alinea, eerste volzin, en derde en vierde alineaArtikel 28 + Awb
Artikel 7, vierde lid, tweede alinea, tweede volzinArtikel 27, derde lid
Artikel 7, vierde lid, vijfde alineaArtikel 26, derde lid, onder b
Artikel 8 
Administratieve samenwerking 
Artikel 8, eerste en tweede lidArtikel 30
Artikel 8, eerste lid, eerste volzin, laatste zinsdeelArtikel 34
Artikel 9 
Informatie ten behoeve van afnemers van de dienstArtikel 29
Titel III Vrijheid van vestiging 
Hoofdstuk I Algemeen stelsel van erkenning van opleidingstitels 
Artikel 10 
Toepassingsgebied 
Artikel 10, aanhefArtikel 4
Artikel 10, onder aBehoeft geen implementatie
Artikel 10, onder b t/m fImplementatie in sectorale wetgeving
Artikel 10, onder gArtikel 1
Artikel 11 
Kwalificatieniveaus 
Artikel 11, onder a, sub iArtikel 9, onder e, ten eerste t/m ten derde
Artikel 11, onder a, sub iiArtikel 9, onder e, ten vierde
Artikel 11, onder bArtikel 9, onder d
Artikel 11, onder cArtikel 9, onder c
Artikel 11, onder dArtikel 9, onder b
Artikel 11, onder eArtikel 9, onder a
Artikel 12 
Gelijke behandeling van kwalificaties 
Artikel 12, eerste lidArtikel 10, eerste lid
Artikel 12, tweede lidArtikel 10, tweede lid
Artikel 13 
Voorwaarden inzake erkenning 
Artikel 13, eerste lidArtikel 5, tweede lid, en artikel 6, eerste lid
Artikel 13, tweede lid, eerste en tweede alineaArtikel 6, tweede lid
Artikel 13, tweede lid, derde alineaArtikel 7
Artikel 13, derde lidArtikel 8
Artikel 14 
Compenserende maatregelen 
Artikel 14, eerste lid, a, b en cArtikel 11, eerste lid
Artikel 14, tweede lid, eerste alineaArtikel 11, vierde lid
Artikel 14, tweede lid, tweede en derde alineaBehoeft geen implementatie
Artikel 14, derde lid, eerste alineaArtikel 11, vijfde lid
Artikel 14, derde lid, tweede alineaImplementatie in sectorale wetgeving
Artikel 14, derde lid, derde alineaBehoeft geen implementatie
Artikel 14, vierde lidArtikel 11, tweede lid
Artikel 14, vijfde lid, eerste volzinToelichting bij artikel 11, tweede lid
Artikel 14, vijfde lid, tweede volzinArtikel 11, derde lid
Artikel 15 
Vrijstelling van compenserende maatregelen 
Artikel 15, eerste tot en met derde lid 
Artikel 12  
Artikel 15, vierde tot en met zesde lidBehoeft geen implementatie
Titel III, Hoofdstuk II 
Erkenning van beroepservaring 
Artikelen 16 t/m 20Behoeven geen implementatie
Titel III, Hoofdstuk III 
Erkenning op basis van de coördinatie van de minimumopleidingseisen 
Artikelen 21 t/m 49Implementatie in sectorale wetgeving
Titel III, Hoofdstuk IV 
Gemeenschappelijke bepalingen inzake vestiging 
Artikel 50 
Documenten en formaliteiten 
Artikel 50, eerste lid, eerste alineaArtikel 13 tot en met 17
Artikel 50, eerste lid, tweede alineaArtikel 14, derde lid, artikel 15, derde lid, artikel 16, tweede lid, artikel 17, tweede lid
Artikel 50, eerste lid, derde alineaArtikel 2:5 Awb
Artikel 50, tweede en derde lidBehoeft geen implementatie
Artikel 50, vierde lidArtikel 18
Artikel 51 
Procedure voor de onderlinge erkenning van beroepskwalificatiesArtikel 19 + Awb
Artikel 52 
Voeren beroepstitel 
Artikel 52, eerste lidArtikel 20
Artikel 52, tweede lidBehoeft geen implementatie
Titel IV 
Wijze van uitoefening van het beroep 
Artikel 53 
TalenkennisArtikel 31
Artikel 54 
Voeren van de academische titelsArtikel 32
Artikel 55 
Overeenkomsten op het gebied van de ziektekostenverzekeringBehoeft geen implementatie
Titel V 
Administratieve samenwerking en uitvoeringsbevoegdheden 
Artikel 56 
Bevoegde autoriteiten 
Artikel 56, eerste lidBehoeft geen implementatie
Artikel 56, tweede lidArtikel 34
Artikel 56, derde lidBehoeft geen implementatie
Artikel 56, vierde lidBehoeft geen implementatie
Artikel 57 
ContactpuntenBehoeft geen implementatie
Artikel 58 
Comité voor de erkenning van beroepskwalificatiesBehoeft geen implementatie
Artikel 59 
RaadplegingBehoeft geen implementatie
Titel VI 
Overige bepalingen 
Artikel 60 
Verslagen 
Artikel 60, eerste lidArtikel 35
Artikel 60, tweede lidBehoeft geen implementatie
Artikel 61 
AfwijkingsclausuleBehoeft geen implementatie
Artikel 62 
IntrekkingBehoeft geen implementatie
Artikel 63 
OmzettingBehoeft geen implementatie
Artikel 64 
InwerkingtredingBehoeft geen implementatie
Artikel 65 
AdressatenBehoeft geen implementatie

XNoot
1

Kamerstukken II, 1991/92, 22 543, nr. 3, blz. 2.

XNoot
1

Actieplan van de Commissie voor vaardigheden en mobiliteit (COM 2002, 72).

XNoot
2

Voor een paar beroepen blijven specifieke sectorale richtlijnen bestaan. Zie het algemeen deel van de memorie van toelichting, hoofdstuk 4, paragraaf 3, onder het kopje Specifieke richtlijnen.

XNoot
1

Zie ook hoofdstuk 1, paragrafen 3 en 5, van het algemeen deel van de memorie van toelichting.

XNoot
2

Kamerstukken II 2006/07, 30 828, nr. 2.

XNoot
1

Artikel 30 staat in hoofdstuk 3, over de dienstverrichting, maar wordt hier samen met artikel 34 genoemd omdat de opzet van de twee artikelen, die in bredere zin uitwisseling van gegevens regelen, vergelijkbaar is.

Naar boven