31 015 Kindermishandeling

Nr. 121 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 maart 2016

Met deze brief wil ik uw Kamer, vooruitlopend op het AO Kinderporno van 24 maart a.s., informeren over de resultaten van de aanpak kinderporno en kindersekstoerisme door politie en Openbaar Ministerie (OM) in 2015. De aanpak van kinderporno en kindersekstoerisme is een prioriteit van het Kabinet. In overleg met uw Kamer is de aanpak de afgelopen jaren versterkt.

Vanaf 2015 is de bestrijding van kinderporno en kindersekstoerisme een van de vijf landelijke prioriteiten van de Veiligheidsagenda 2015–2018 (bijlage bij Kamerstuk 28 684, nr. 412). Dit brengt mee dat OM en politie vanaf 2015 rapporteren overeenkomstig de in de Veiligheidsagenda 2015–2018 vastgelegde doelen en indicatoren. In de voortgangsbrief Kinderpornografie en Kindersekstoerisme van 1 juni 2015 heb ik uw Kamer hierover bericht. 1

Zoals opgenomen in de Veiligheidsagenda 2015–2018 ziet de doelstelling met ingang van 2015 op het aantal gerealiseerde interventies. Eveneens wordt in de Veiligheidsagenda aangegeven dat de interventies zullen bestaan uit proactieve, reguliere en eenvoudige onderzoeken en alternatieve interventies.2

Blijkens bijgaande rapportage3 van de operationele aanpak zijn de resultaten voor 2015 boven verwachting: 842 interventies zijn behaald, 242 meer dan het in de Veiligheidsagenda opgenomen streefcijfer van 600. Ook overtreffen de proactieve en reguliere onderzoeken de gestelde doelen voor 2015; respectievelijk 25 (doelstelling was 20) en 364 (doelstelling was 215). In de praktijk betekent dit dat de focus meer is komen te liggen op de zwaardere zaken. Daarmee is het ontzetten van slachtoffers uit een acute misbruiksituatie en de aanpak van vervaardigers en verspreiders centraler in de aanpak komen te staan. In de rapportage wordt goed belicht dat het met de Veiligheidsagenda geïntroduceerde brede interventiepallet politie en OM beter in staat stelt tot de aanpak van daadwerkelijk kindermisbruik, de productie van kinderpornografie en kindersekstoerisme.

Ook laat de rapportage aan de hand van praktijkvoorbeelden zien dat «lichte» interventies een snellere en meer adequate wijze van afdoening kunnen zijn. Een voorbeeld hiervan is het zogenaamde Initiatief Niets Doen Is Geen Optie (INDIGO) die wordt toegepast bij de minder zware kinderpornozaken, de zogenaamde laag-gemiddelde kinderpornomelding. In deze lichte categorie kan hulpverlening effectiever zijn dan een zaak voor de rechter te brengen. In zo’n geval kan een voorwaardelijk sepot worden opgelegd waarbij de zaak overigens alsnog voor de rechter kan worden gebracht ingeval de verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt.

Ik verwacht uw Kamer voor het zomerreces een nieuw Plan van Aanpak Kindersekstoerisme te kunnen aanbieden, met dezelfde looptijd als de Veiligheidsagenda 2015–2018. Op dit moment leg ik samen met politie, OM en Koninklijke Marechaussee de laatste hand aan dit plan waarmee ik samen met partijen beoog de nationale en internationale aanpak van kindersekstoerisme een verdere impuls te geven.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Kamerstuk 31 015, nr. 112.

X Noot
2

Proactieve opsporingsonderzoeken: achterhalen van verdachten die niet in beeld komen via reguliere meldingen; inzet nieuwe tools en methodieken.

Reguliere opsporingsonderzoeken: volledig opsporingsonderzoek nodig vanwege relevante hoeveelheid of ernstiger vormen van strafbaar materiaal, recidive, gevoelig beroep e.d.

Eenvoudige onderzoeken: m.n. gericht op inzet voorwaardelijk sepot (behandeltraject en reclasseringstoezicht).

Alternatieve interventies: gericht op meldingen met zwakke/geen verdenking; waarschuwing.

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

Naar boven