31 009
Voorstel van wet van het lid Waalkens houdende strafbaarstelling van het plegen van seksuele handelingen met dieren en pornografie met dieren (verbod seks met dieren)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Het belang van het dier wordt in de samenleving steeds meer benadrukt en is ook een in de politiek breed ondersteund onderwerp. Tenminste één aspect is naar de mening van de indiener echter nog onvoldoende beschermd, namelijk daar waar het seks van de mens met het dier betreft. De huidige wetgeving laat dit onbestraft tenzij er sprake is van dierenmishandeling waarbij sprake is van pijn, letsel of aantasting van de gezondheid van het dier (artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, verder: GWWD) of sprake is van het doden of beschadigen van een dier (artikel 350, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, verder: Sr). Ook kan er bij het plegen van seks met dieren sprake zijn strafbaarheid in het geval van schennis van de eerbaarheid zoals bedoeld in artikel 239 Sr. Het Wetboek van Strafrecht noch de GWWD kent bepalingen op grond waarvan seks met dieren (bestialiteit) op zich, dat wil zeggen óók als er geen sprake is van aantoonbare schade voor het dier, strafbaar is. Dit gevoegd bij het feit dat dierenpornografie op zich, dat wil zeggen anders dan in het kader van de algemeen geldende wetgeving rond pornografie, evenmin strafbaar is, maakt dat Nederland in de wereld een grote rol speelt in de verspreiding van dierenpornografie. Naar verluidt zou 65% van de dierenpornofilms uit Nederland komen1. De uitwassen daarvan werden onlangs pijnlijk duidelijk in een zaak waarin vrouwen in een loods in Kraggenburg werden gedwongen tot het plegen van seks met dieren. Hoewel dit laatste uiteraard al strafbaar is, toont het wel aan waar dierenpornografie toe kan leiden. Dit wetsvoorstel beoogt aan deze situatie een einde te maken: seks met dieren dient strafbaar te worden ook als het in de privé-kring plaatsvindt en ook als er geen sprake is van pijn, letsel of benadeling van de gezondheid of welzijn van het dier.

In het maatschappelijke verkeer wordt bestialiteit doorgaans als ongewenst ervaren. Een meerderheid binnen de samenleving acht bestialiteit strijdig met de «in Nederland gangbare zedelijkheidsprincipes»2. De indiener deelt die mening en acht seks met dieren ongewenst. De indiener stelt voor om dit tot uitdrukking te brengen door het plegen van seks met dieren ook als een afzonderlijk zedendelict in het Wetboek van Strafrecht op te nemen en in verlengde daarvan ook dierenpornografie expliciet strafbaar te maken. Dit wetsvoorstel wil bijdragen aan de bescherming van de zeden.

Op basis van de GWWD is seks met dieren al strafbaar als dit de gezondheid of welzijn van het dier aantast. Die aantasting zal moeten worden aangetoond. Als dat niet door uiterlijke verschijningsvormen kan, wordt het aantonen van de aantasting van de gezondheid of het welzijn van een dier een hachelijke onderneming. Het dier is immers niet in staat zijn wil te bepalen of kenbaar te maken. Evenmin kan het dier duidelijk kenbaar maken of er sprake is van aantasting van het welzijn. In een advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wordt gesteld dat de «bewijsvoering dat het welzijn van een dier door bestialiteit wordt aangetast bijzonder lastig is, zo niet onmogelijk»1. De indiener deelt deze mening. Het aanpassen van de GWWD op dit punt in de zin van dat in geval van seks met een dier er per definitie sprake is van aantasting van het welzijn van het dier, acht de indiener gezien de problematiek van de aantoonbaarheid en het feit dat de GWWD zich expliciet richt op de gezondheid en het welzijn van dieren, niet gewenst. De onwenselijkheid van seks met dieren heeft veeleer te maken met de aantasting van de goede zeden. Om deze reden wordt dit artikel opgenomen in de titel betreffende misdrijven tegen de zeden.

2. De hoofdlijnen van het wetsvoorstel

De indiener wil in hoofdlijn twee feiten met betrekking tot seks met dieren strafbaar stellen.

Ten eerste gaat het om het plegen van seks met een dier. Dit dient vanwege de ongewenstheid van de betreffende handelingen verboden te worden. Seksuele handelingen met dieren worden ook door een grote meerderheid binnen de Nederlandse samenleving als in strijd met de heersende zeden gezien. Als bij dergelijke handelingen ook nog opzettelijk pijn of letsel aan een dier wordt toegebracht dan wel opzettelijk de gezondheid of het welzijn van het dier wordt benadeeld, is dit naar de mening van de indiener nog verwerpelijker. Dit wordt tot uitdrukking gebracht met een zwaarder strafmaximum. Wellicht ten overvloede zij er op gewezen dat seks met dieren op basis van artikel 239 Sr al strafbaar is in geval dit in het openbaar wordt begaan dan wel als daarbij iemand «zijns ondanks» aanwezig is. De indiener acht dit echter te beperkt en wenst seks met dieren vanwege het verwerpelijke karakter ook als zodanig strafbaar te maken. Naast de in het openbaar gepleegde seks met dieren moet ook seks met dieren die buiten de openbaarheid is begaan, strafbaar worden. Op de handhavingsaspecten zal hieronder worden ingegaan.

In het taalgebruik wordt onder het begrip «seks met dieren» of bestialiteit «geslachtsomgang tussen mens en dier»2 verstaan. De RDA rekent tot bestialiteit in ieder geval copulatie, maar geeft ook aan dat«andere handelingen zich bevinden op het grensvlak tussen wat tot een normale wijze van omgang met een dier gerekend wordt en wat niet als een normale wijze van omgang met een dier wordt gezien. Deze scheidslijn wordt beïnvloed door de tijdsgeest»3. Velen zullen het normaal vinden als een dierenliefhebber zijn of haar dier streelt, knuffelt of kust. Toch zouden zulke gedragingen onder omstandigheden ook seksuele handelingen kunnen zijn. Om alle gedragingen met een seksuele strekking strafbaar te maken is voor het bestanddeel «seksuele handelingen» gekozen. Een scherpere omlijning is niet te geven omdat wat wel en niet als normale omgang met een dier kan worden gezien en wat als een seksuele handeling, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.

Ten tweede is de indiener van mening dat dierenporno moet worden tegengegaan.

Zoals de minister van Justitie in antwoord op kamervragen van het kamerlid Van Velzen stelde (Aanhangsel Handelingen II 2006/07, nr. 1088), is op grond van de huidige wetgeving het verspreiden van afbeeldingen van bestialiteit als zodanig niet strafbaar. Een verbod op dierenporno, dat verder gaat dan de algemene verbodsbepalingen ten aanzien van pornografie zoals vastgelegd in artikel 240 Sr, is op de eerste plaats vanwege het moreel verwerpelijke karakter van dierenporno gewenst. Daarnaast is de indiener van mening dat het bestaan van een legale markt voor dierenporno een platform biedt voor het bedrijven van seks met dieren en voor excessen die daaruit voort kunnen vloeien. Met het tegengaan van het exploiteren van dieren door middel van pornografie wordt de seks met dieren tegengegaan. Op basis van het huidige artikel 240 Sr is dierenporno al strafbaar indien de afbeeldingen op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd openlijk worden tentoongesteld of aangeboden. De indiener wenst in het geval van dierenporno ook het verspreiden en bezitten daarvan strafbaar te maken. Hiermee wordt het verwerpelijke van dierenporno benadrukt en kan de mogelijke verspreiding van dierenporno – waarvan de basis niet zelden in de privé-kring ligt – in de kiem worden gesmoord. Vooral daar waar het virtuele dierenporno in de vorm van elektronische afbeeldingen van seksuele handelingen met een dier betreft, kan de overstap van een besloten omgeving naar de openbaarmaking en vervolgens de markt snel worden gemaakt.

3. Handhavingsaspecten

Opsporing en vervolging van seks met dieren zullen niet altijd eenvoudig zijn. In gevallen waarin de seksuele handelingen bij het dier geen aantoonbare schade aan gezondheid of welzijn heeft teweeggebracht, zal politie en openbaar ministerie doorgaans geen signaal bereiken dat zo een feit mogelijkerwijs is begaan. Zo een signaal zal van alleen de verdachte zelf afkomstig kunnen zijn – een spontane bekentenis – maar dit levert zonder additioneel bewijs onvoldoende grond voor succesvolle vervolging op. Wel kan een getuige een belastende verklaring afleggen. De toegevoegde waarde van de voorgestelde strafbaarstelling van seks met dieren kan zich vooral doen gevoelen in geval van de seksuele handeling (die het dier geen aantoonbare schade heeft berokkend) een afbeelding is gemaakt, die op internet of op een andere wijze is verspreid, waarop met een dier verrichte seksuele handelingen door een persoon van wie de identiteit kan worden achterhaald, te zien zijn. Tegen de desbetreffende persoon kan dan vervolging worden ingesteld wegens seks met een dier, waarbij de pornografische afbeeldingen tot bewijs kunnen dienen.

4. Rechtsvergelijking

In het verleden was bestialiteit in onze streken al eerder strafbaar. Bij de invoering van het Crimineel Wetboek (CW) voor het Koninkrijk Holland van 1809 werd in artikel 326 bepaald dat op het plegen van «onnatuurlijke ontucht met menschen of beesten» langdurige gevangenisstraf en eeuwige verbanning uit het koninkrijk kwam te staan. Artikel 328 CW stelde zelfs de doodstraf op het door dwang, misbruik van gezag of »door merkelijke verleiding andere onschuldige personen aan deze misdaad deelachtig maken, of daar toe aanzetten.« De expliciete strafbaarheid van bestialiteit verdween na de invoering van ons huidige Wetboek van strafrecht. De toenmalige wetgever was van oordeel dat er geen strafbepaling meer nodig was: «De ervaring hier te lande vordert voor zoodanig feit [ontucht met dieren], dat sedert de invoering van den C.P. straffeloos en meer een zedelijk dan een maatschappelijk kwaad is, geene strafbepaling»1.

Ter illustratie van het feit dat ook elders de algemeen geldende heersende zeden zich verzetten tegen seks met dieren volgt hierna een beknopt overzicht van wetgeving dienaangaande van enkele ons omringende landen1. In het Verenigd Koninkrijk is bestialiteit ook zonder dat er sprake is van mishandeling strafbaar. Daarbij gaat het op grond artikel 69 van de Sexual Offences Act, om het binnendringen van een dier door een man2. In Frankrijk is ook buiten gevallen van mishandeling is seks met dieren strafbaar3.In België bleek naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak rondom bestialiteit dat op basis van de tot die tijd geldende wetgeving, evenals in Nederland, bestialiteit op zich niet strafbaar was zolang er geen sprake was van dierenmishandeling. Onlangs heeft het parlement een verbod op bestialiteit in de dierenwelzijnswet opgenomen. Op grond daarvan wordt het hebben van«seksuele betrekkingen» met dieren strafbaar4. De Duitse wetgeving lijkt wat betreft strafbaarheid van bestialiteit op de bestaande Nederlandse wetgeving: in het geval van seksuele handelingen met dieren kan wetgeving tegen dierenmishandeling worden gebruikt, mits er sprake is van schade, pijn of lijden. Tegen de achtergrond van de bestaande of voorgenomen strafbaarstellingen in de ons omringende landen is er alle aanleiding ook in Nederland een expliciet verbod op bestialiteit en dierenporno in te voeren.

5. Financiële paragraaf

Naar verwachting zal het van kracht worden van het onderhavige wetsvoorstel hooguit geringe financiële gevolgen met zich meebrengen. Het hebben van seks met dieren of plegen van dierenpornografie is nu nog grotendeels toegestaan in Nederland. Dit legale karakter heeft er toe geleid dat de dierenporno in Nederland van relatief grote omvang kon worden. Van een verbod zal als het ware als vanzelf al een remmende invloed uitgaan. Daarnaast zal daar waar nodig het verbod moeten worden gehandhaafd. Door het verbieden van seks met dieren en dierenporno is het is mogelijk dat er in de sfeer van opsporing, vervolging en berechting een grotere inspanning kan worden verwacht. In hoeverre hiervan daadwerkelijk sprake zal zijn, is vooral afhankelijk van de prioriteit die aan het opsporen en vervolgen van de nieuwe delicten zal worden gegeven. De indiener is echter van mening dat het te beschermen belang, eventueel te maken extra financiële inspanningen rechtvaardigt.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I

Voorgesteld wordt de strafbaarstellingen van seks met dieren en dierenpornografie op te nemen aan het slot van Titel XIV van Boek II van het Wetboek van Strafrecht, welke titel betrekking heeft op de misdrijven tegen de zeden.

Artikel 254 Sr

In het eerste lid zijn seksuele handelingen met een dier strafbaar gesteld. Het gaat daarbij, evenals in andere bepalingen uit de zedentitel van het Wetboek van Strafrecht met betrekking tot het binnendringen van het lichaam het geval is, om handelingen met een seksuele strekking. Handelingen zonder een dergelijke strekking vallen daarmee buiten de reikwijdte van de delictsomschrijving. Een voorbeeld daarvan vormen de werkzaamheden die op stations voor kunstmatige inseminatie worden verricht. Handelingen die passen bij wat als normaal contact tussen mens en dier wordt beschouwd zoals het strelen of knuffelen van een huisdier, zullen daarom op basis van waarden en normen rond onzedelijkheid niet gemakkelijk als seksuele handelingen worden beschouwd. In de jurisprudentie zal het begrip seksuele handelingen verder moeten worden omlijnd.

Overwogen is om in plaats van «seksuele handelingen» het begrip ontucht te gebruiken. Het begrip ontucht, dat in verschillende bepalingen uit de zedentitel van het Wetboek van Strafrecht wordt gebruikt, behelst het verrichten van seksuele handelingen die in strijd zijn met een sociaal-ethische norm. Het verrichten van seksuele handelingen, voor zover deze betrekking hebben op een dier, is echter in zichzelf al in strijd met sociaal-ethische normen, en daarom ontuchtig.

In het voorgestelde artikel is geen onderscheid gemaakt tussen seksuele handelingen die bestaan of mede bestaat uit het seksueel binnendringen enerzijds en anderzijds die handelingen met een seksuele strekking waarbij van binnendringen geen sprake is. Binnen de in het eerste lid opgenomen strafmaxima kan de rechter differentiëren naar de ernst van het normoverschrijdende gedrag.

In het tweede lid is voorzien in een strafverhogingsgrond voor het geval door de seksuele handelingen opzettelijk schade aan de gezondheid of het welzijn van het dier wordt toegebracht. De maximale gevangenisstraf bedraagt in dat geval drie jaar, het dubbele van het eerste lid. Dit strafmaximum van drie jaar stemt overeen met het strafmaximum dat op grond van artikel 122 GWWD geldt voor overtreding van artikel 36 van die wet (drie jaar). Daarbij kan nog worden aangestipt dat in het voorstel van wet van het lid Waalkens tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het verhogen van de maximale proeftijd voor misdrijven die de gezondheid of het welzijn van dieren benadelen, en in verband met het verhogen van het strafmaximum voor onder meer het doden van andermans dieren (Kamerstukken II 2005/06, 30 511, nr. 5) wordt voorgesteld het strafmaximum van schadetoebrengend handelen in geval het andermans dieren betreft (artikel 350, tweede lid, Sr) te verhogen van twee naar drie jaar.

Artikel 254a Sr

De in dit artikel vervatte delictsomschrijving is ontleend aan die van artikel 240b Sr. Voorgesteld wordt – zie het eerste lid van artikel 254a Sr – om in lijn met artikel 240b Sr ook virtuele dierenporno strafbaar te stellen. Dit komt tot uitdrukking door gebruik van de woorden «schijnbaar betrokken». Daardoor valt onder de strafbaarstelling niet alleen de afbeelding van een echt dier, maar ook een realistische afbeelding van niet bestaand dier. De reden hiervan is dat het door de technische ontwikkelingen mogelijk is een afbeelding te produceren waarop een niet bestaand dier figureert dat niet van een echt dier te onderscheiden is. Zou het openbaar ministerie moeten aantonen dat het om een echt dier gaat, dan zou dit in voorkomende gevallen tot bewijsproblemen aanleiding kunnen geven.

Artikel II

Dit artikel bewerkstelligt dat schadetoebrengende ontucht met dieren (artikel 254, tweede lid, Sr) evenals dierenporno (artikel 254a Sr) worden opgenomen in artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Daardoor komen bij verdenking van deze misdrijven extra opsporingsbevoegdheden beschikbaar die, naar het openbaar ministerie langs informele weg heeft aangegeven, nodig zijn om de opheldering van de verdenking van deze misdrijven te kunnen vergemakkelijken. Vooral het kunnen vorderen van verkeersgegevens en het kunnen vorderen van opgeslagen of vastgelegde gegevens (artikelen 126n, eerste lid, en 126nd, eerste lid, Sv) kunnen nodig zijn om een effectief opsporingsonderzoek te starten. Te denken is daarbij bijvoorbeeld aan uitwisseling van dierenporno met behulp van internet of mobiele telefoon, of opname van seks met dieren met behulp van de camera waarmee mobiele telefoons plegen te zijn toegerust. Het onderbrengen van schadetoebrengende seksuele handelingen met dieren in artikel 67 Sv is in lijn met de omstandigheid dat ook de misdrijven die in artikel 122 GWWD zijn genoemd, waaronder de in de artikelen 36 en 37 GWWD omschreven dierenmishandeling en dierenverwaarlozing, daarin evenzeer zijn ondergebracht. Hetzelfde geldt voor het misdrijf van artikel 350, tweede lid, Sr.

Artikel III

De wet zal zo spoedig mogelijk nadat zij in het Staatsblad is geplaatst in werking treden. De reden om de datum van inwerkingtreding bij koninklijk besluit te bepalen, is om ruimte te geven de nieuwe delicten op te nemen in de geautomatiseerde bedrijfsprocessystemen van onder andere het openbaar ministerie.

Waalkens


XNoot
1

http://www.gelderlander.nl/dgbinnenland/article1068484.ece.

XNoot
2

Bestialiteit. Advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, juli 2004, Advies RDA 2004/04, p. 12.

XNoot
1

Bestialiteit. Advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, juli 2004, Advies RDA 2004/04

XNoot
2

Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse taal.

XNoot
3

Bestialiteit. Advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, juli 2004, Advies RDA 2004/04, p. 10.

XNoot
1

Crimineel Wetboek voor het Koningrijk Holland, Koninklijke Staatsdrukkerij, 1809. Drie-en-twintigste titel, artikel 326, p. 66; Zie verder: NJ 1998/337 HOGE RAAD (Strafkamer) 20 januari 1998.

XNoot
1

Voor een – waarschijnlijk niet compleet – overzicht zie: http://en.wikipedia.org/wiki/Zoosexuality_and_the_law#Legal_context [geraadpleegd 12-2-2007].

XNoot
2

Sexual Offences Act, artikel 69, eerste lid: Intercourse with an animal

(1) A person commits an offence if-

(a) he intentionally performs an act of penetration with his penis,

(b) what is penetrated is the vagina or anus of a living animal, and

(c) he knows that, or is reckless as to whether, that is what is penetrated.

XNoot
3

Code Pénal, Article 521–1.

Le fait, publiquement ou non, d’exercer des sévices graves, ou de nature sexuelle, ou de commettre un acte de cruauté envers un animal domestique, ou apprivoisé, ou tenu en captivité, est puni de deux ans d’emprisonnement et de 30 000 euros d’amende.

XNoot
4

Zie: http://www.dekamer.be/FLWB/pdf/51/2823/51K2823006.pdf

Naar boven