31 008
Intrekking van diverse wetten, die haar betekenis verloren hebben, op het terrein van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 28 juni 2007

In haar op 7 juni 2007 vastgestelde verslag vraagt de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om een toelichting op de intrekking van de wetten, genoemd in artikel IV, onder d. en e.

Beide wetten hebben – evenals alle andere wetten, die in dit wetsvoorstel worden vermeld – haar betekenis en haar effect volledig gehad.

De eerste, de wet van 13 maart 1997, bevat 23 artikelen, houdende wijziging van allerlei wetten. Die 23 artikelen bewerkstelligden op het moment van inwerkingtreding – artikel XXV bepaalt dat moment als de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, derhalve 9 april 1997 – onmiddellijk dat in die andere wetten de wijzigingen tot stand kwamen. Daarmee waren deze artikelen meteen uitgewerkt.

Alleen artikel XIX heeft een andere strekking: dat bepaalt – zakelijk weergegeven – dat de daarmee belaste autoriteiten twee jaar de tijd krijgen om bestaande rampenplannen aan te passen aan de wijzigingen, die door deze wet nodig zijn geworden. Dit artikel hief aldus gedurende twee jaren – tot en met 8 april 1999 – op dat toen geldende rampenplannen in strijd met de wet waren en dat de met het opstellen belaste instanties naar de letter van de wet tekort zouden hebben geschoten. Deze laatste bepaling verloor haar betekenis eerst op 8 april 1999. Immers, ná die datum was er géén geldig excuus meer om het rampenplan niet «up-to-date» te hebben.

De tweede, de wet van 22 december 1999, trad in zijn geheel in werking op 1 januari 2000. De artikelen I tot en met IV bewerkstelligden op dat moment wijzigingen in een viertal wetten en hadden daarmee hun effect meteen gehad. De artikelen V, VI en VII bewerkstelligden dat op datzelfde moment de KLPD-ambtenaren en nog enkele anderen, respectievelijk de bijbehorende «vermogensbestanddelen» en archieven van Justitie overgingen naar Binnenlandse Zaken en dat in lopende procedures, rechtsgedingen en onderzoeken door de Nationale ombudsman vanaf dat moment de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de plaats zou treden van de minister van Justitie. Ook deze drie bepalingen waren daarmee formeel meteen uitgewerkt. De facto was natuurlijk met de afwikkeling van een en ander nog wel enig werk en enige tijd gemoeid en kan aangenomen worden dat de bepaling over de overgang van vermogensbestanddelen is blijven strekken als «opdracht» om in de jaarrekening/slotwet 2000 een en ander verwerkt te hebben. Wat hier ook van zij, zeven jaar later zijn al deze zaken afgewikkeld en is de wet zeker volledig uitgewerkt. Deze wet is tot op grote hoogte vergelijkbaar met de wetten, die genoemd zijn in artikel VII, zij het dat bij de overgang binnen de Staat van het ene naar het andere ministerie/begrotingshoofdstuk geen uitgebreide procedurele waarborgen nodig zijn zoals in de artikel-VII-gevallen, waarbij overgang van de Staat naar een nieuwe, privaatrechtelijk vormgegeven rechtspersoon aan de orde was.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst

Naar boven