nr. 5
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR JEUGD EN GEZIN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 juni 2007
Hierbij zend ik u het programma Jeugd en Gezin1.
Het programma bevat de ambities die het Kabinet heeft op het terrein van Jeugd
en Gezin voor de komende jaren. Het is een eerste, belangrijke stap waarin
samenhangend geschetst wordt wat deze ambities zijn. Op een aantal onderwerpen
volgt een nadere concretisering. Voorbeelden hiervan zijn het actieplan kindermishandeling
en het plan van aanpak Centra voor Jeugd en Gezin welke aan uw Kamer zullen
worden aangeboden.
Achtergrond van het programma
In de afgelopen maanden heb ik met vele jongeren, ouders, professionals,
gemeenten en provincies en wetenschappers gesproken, tijdens werkbezoeken,
rondetafelgesprekken, bijeenkomsten. Ook heb ik veel brieven en e-mails ontvangen
van burgers en professionals. Met gebruikmaking van de input uit deze dialoog
tijdens de 100 dagen, waaronder de Kindertop als slotconsultatie, is het programma
opgesteld. Het programma Jeugd en Gezin is goed in lijn met het kabinetsbrede
programma dat op 14 juni is gepresenteerd (Kamerstuk 31 070, nr.
1) en met de bestuurlijke afspraken met gemeenten en provincies.
Afbakening van het programma: samenwerking is nodig
Om de jeugd in Nederland goed te laten opgroeien is inzet op vele terreinen
nodig. Het gaat om opvoeding, jeugdzorg, gezondheidszorg, leren, werken, wonen,
jeugdcriminaliteit, gezinsbeleid en vrijetijdsbesteding. Om al deze aspecten
te richten op een integrale aanpak heeft het Kabinet gekozen voor een Programmaminister
voor jeugd en gezin. Als programmaminister ben ik – naast verantwoordelijk
voor de onderdelen uit mijn portefeuille – verantwoordelijk voor de
samenhang van de kabinetsinspanningen op het terrein van Jeugd en Gezin evenals
de totale, gezamenlijke effectiviteit van die inspanningen van het kabinet.
Ik ben, met andere woorden, in algemene zin aanspreekbaar op de vraag in hoeverre de inspanningen van het kabinet resulteren in een goede positie
van onze jeugd en gezinnen.
In het bijgaande programma komt deze integrale benadering van het jeugd-
en gezinsbeleid tot uitdrukking. Het geeft een samenhangend beeld van de ambitie
die dit Kabinet heeft met de jeugd en het gezin. Juist het brengen van samenhang
in beleidsonderdelen van verschillende ministeries vormt het hart van de opdracht
van een programmaminister.
Het moge evident zijn dat goede samenwerking daarbij onontbeerlijk is.
Dit vraagt om elkaar versterken zonder te treden in elkaars verantwoordelijkheden.
Zo zal de minister van VWS samen met mij een preventienota opstellen.
Een mooi voorbeeld van elkaar versterken, omdat de minister van VWS bijvoorbeeld
gaat over de regelgeving op het terrein van alcoholgebruik en ik mij meer
in algemene zin bezighoud met gedragsbeïnvloeding van jongeren waar tegengaan
van alcoholmisbruik onderdeel van kan zijn.
Op het terrein van het jeugddeel arbeidsmarkt geldt bijvoorbeeld dat de
minister van SZW verantwoordelijk is voor het instrumentarium op het terrein
van arbeidsmarkttoeleiding voor jongeren, terwijl ik verantwoordelijk ben
voor het aanpakken van moeilijk bemiddelbare jongeren waaronder het activeren
van deze jongeren. Het is ook daarom dat ik verantwoordelijk ben voor de zogenaamde
campussen voor onwillige jongeren.
Met de maatschappelijke stage levert de staatssecretaris van OCW een concrete
bijdrage aan de doelstelling van het programma om de jeugd ook een steentje
te laten bijdragen aan de samenleving, dus aan jeugdparticipatie, dat onderdeel
uitmaakt van mijn portefeuille.
De minister van Justitie heeft, in aansluiting op het Veiligheidsprogramma,
een beleidsprogramma betreffende de aanpak van jeugdcriminaliteit. Op het
terrein van preventie van jeugdcriminaliteit beogen onderdelen van mijn programma
een bijdrage te leveren aan het voorkomen van jeugdcriminaliteit.
Een ander voorbeeld van versterking van het beleid door samenhang vind
ik het Actieprogramma Diversiteit in het Jeugdbeleid, dat ik samen ontwikkel
met de minister van WWI. Problemen rond gebrek aan sportdeelname, schooluitval,
jeugdwerkloosheid en jeugdcriminaliteit komen in de 40 krachtwijken meer dan
gemiddeld voor, daarom zal ik met de minister voor WWI ook bezien hoe jeugdbeleid
en wijkaanpak elkaar in die wijken kunnen versterken.
Ik vertrouw erop hiermee ook de vragen van de Commissie voor Jeugd en
Gezin te hebben beantwoord, zoals die mij op 23 mei jl. zijn gesteld
(07-JG-B-004), en kijk ernaar uit nog voor de zomer het programma voor Jeugd
en Gezin met u te bespreken.
De minister voor Jeugd en Gezin,
A. Rouvoet