30 964 (R1820)
Akte van wijziging van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1997; Genève, 19 juni 1997

A
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 februari 2007

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 16 februari 2007.

De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens een van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer of door de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk van Aruba te kennen worden gegeven uiterlijk op 18 maart 2007.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 5, eerste en tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen de op 19 juni 1997 te Genève totstandgekomen Akte van wijziging van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1997 (Trb. 1998, 18).

Een toelichtende nota bij deze Akte van wijziging treft u eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt voor het gehele Koninkrijk gevraagd.

Aan de Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba is verzocht hogergenoemde stukken op 16 februari 2007 over te leggen aan de Staten van de Nederlandse Antillen en de Staten van Aruba.

De Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba zijn van deze overlegging in kennis gesteld.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

B. R. Bot

TOELICHTENDE NOTA

I ALGEMEEN

Op 19 juni 1997 is door de Internationale Arbeidsconferentie (IAC) in haar 85e zitting de Akte van wijziging van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), 1997 aangenomen. De beoogde wijziging van het Statuut van de IAO behelst de toevoeging van een negende lid aan artikel 19 van het Statuut op grond waarvan de IAC een verdrag kan intrekken als blijkt «dat het verdrag zijn doel heeft verloren of dat het geen zinvolle bijdrage meer levert aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Organisatie».

Op grond van artikel 36 van het Statuut van de IAO treedt de Akte van wijziging in werking als het wordt bekrachtigd of aanvaard door twee derde van de lidstaten van de IAO, waaronder vijf van de tien lidstaten die in de Raad van Beheer zitting hebben als leden van groot industrieel belang. Dit betekent dat van de huidige 179 lidstaten 120 lidstaten de Akte van wijziging dienen te bekrachtigen of te aanvaarden, voordat de Akte in werking treedt. Bij brief van 19 december 2005 heeft de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verzocht de noodzakelijke stappen te nemen opdat Nederland de Akte bekrachtigt of aanvaardt.

Per 15 augustus 2006 hebben 88 lidstaten de Akte bekrachtigd of aanvaard, waaronder de vereiste vijf lidstaten van groot industrieel belang. Zeventien lidstaten van de Europese Unie hebben de Akte reeds bekrachtigd of aanvaard.

Na inwerkingtreding van de Akte van wijziging geldt het gewijzigde Statuut voor alle lidstaten van de IAO, ook voor die leden die de Akte van wijziging niet bekrachtigd of aanvaard hebben.

II AKTE VAN WIJZIGING VAN HET STATUUT

Achtergrond

De Akte van wijziging van het Statuut van de IAO beoogt de IAC de mogelijkheid te verschaffen om de bestaande set van verdragen van de IAO te actualiseren. Het maakt onderdeel uit van een reeks initiatieven van de IAO om de relevantie, impact en samenhang van haar activiteiten op het terrein van de internationale arbeidsnormen te versterken.

De vraag hoe internationale arbeidsnormen kunnen worden geactualiseerd is bijna net zo oud als de IAO zelf. Het op 28 juni 1919 te Versailles totstandgekomen Statuut van de IAO (Trb. 1975, 102) bevat geen bepalingen over de intrekking van Verdragen, die hun doel hebben verloren of niet langer bijdragen aan de doelstellingen van de IAO. In 1929 kwam de IAC tot de conclusie dat een verdrag, zodra het is aangenomen door de IAC, een overeenkomst wordt tussen de lidstaten die het verdrag hebben bekrachtigd. De IAC kan echter geen verplichtingen beëindigen die lidstaten bij bekrachtiging zijn aangegaan. Evenmin was het mogelijk voor de IAC om reeds in werking getreden verdragen niet langer open te stellen voor nieuwe bekrachtigingen. Een verdrag moest daartoe expliciet de mogelijkheid bieden. Sinds 1929 wordt hierin voorzien. De vanaf dat jaar totstandgekomen verdragen bevatten voorts een bepaling op grond waarvan het verdrag niet langer openstaat voor bekrachtiging vanaf het moment dat een nieuw, herzien verdrag in werking treedt.

Herziening van een verdrag is een belangrijke mogelijkheid om internationale arbeidsnormen te actualiseren. Behalve dat op deze manier een verouderd verdrag (of verouderde verdragen) niet langer openstaat of openstaan voor bekrachtiging, zegt een lidstaat die het nieuwe herziene verdrag bekrachtigt ipso jure dit oude verdrag op vanaf het moment waarop het nieuwe verdrag in werking treedt. Het oude verdrag blijft echter nog van kracht voor de lidstaten die het hebben bekrachtigd en die geen partij worden bij het nieuwe verdrag.

Een andere mogelijkheid voor de IAC om internationale arbeidsnormen te actualiseren is door verdragen terug te trekken. Dat kan indien een verdrag nog niet in werking is getreden, omdat het nog niet door het voorgeschreven aantal lidstaten (meestal twee) is bekrachtigd. Een voorbeeld hiervan is het op 22 juni 1937 totstandgekomen Verdrag nr. 61 (arbeidstijden textielsector). Dit verdrag is door geen enkele lidstaat bekrachtigd. Derhalve besloot de IAC in haar 88e zitting (juni 2000) het verdrag in te trekken.

Terugtrekking is ook mogelijk indien het verdrag niet langer van kracht is, omdat lidstaten het verdrag hebben opgezegd. Tot nu toe zijn vijf verdragen teruggetrokken.

De bovengenoemde mogelijkheden tot actualisering van internationale arbeidsnormen zijn echter niet toereikend. In de eerste plaats zijn het alleen de lidstaten zelf die verplichtingen uit een bekrachtigd en in werking getreden verdrag kunnen beëindigen door dit op te zeggen (voorzover ipso jure opzegging door bekrachtiging van een herzien verdrag niet aan de orde is). Voorts heeft de IAC niet de bevoegdheid om verdragen die vóór 1929 in werking zijn getreden niet langer open te stellen voor bekrachtiging. Tenslotte kan het niet langer openstellen voor bekrachtiging van verouderde verdragen alleen worden bereikt door verdragsherziening. Met andere woorden: de IAC kan verouderde verdragen alleen «opruimen» door nieuwe verdragen aan te nemen.

Gezien deze beperkingen bleek een wijziging van het Statuut conform de aangenomen Akte de meest effectieve aanvulling van de bestaande mogelijkheden voor de IAC tot actualisering van de internationale arbeidsnormen. De Raad van Beheer heeft van de bestaande set van 185 verdragen reeds zeven verdragen geïdentificeerd die voor intrekking in aanmerking komen, na inwerkingtreding van de onderhavige Akte van wijziging van het Statuut. Het betreft de Verdragen nrs. 4 (nachtwerk (vrouwen), 28 november 1919), 15 (minimumleeftijd (trimmers en stokers), 11 november 1921), 28 (bescherming tegen ongevallen (havenwerkers), 21 juni 1929), 41 (nachtwerk (vrouwen), herzien, 19 juni 1934), 60 (minimumleeftijd (niet-industriële arbeid), herzien, 22  juni 1937), 67 (arbeidstijden en rustperiodes (wegtransport), 28 juni 1939) en 91 (betaald verlof (zeelieden), 18 juni 1949). Nederland is bij geen van deze verdragen partij geworden of, door opzegging, partij meer.

Intrekkingsprocedure

De procedure voor de intrekking van een verdrag op grond van de Statuutwijziging is analoog aan de procedure voor het aannemen van verdragen door de IAC zoals beschreven in artikel 19 van het Statuut. Alvorens de IAC een verdrag kan intrekken komt het onderwerp eerst op de agenda van de Raad van Beheer. De Raad van Beheer neemt een beslissing op basis van een rapport van het Internationaal Arbeidsbureau. De Raad van Beheer kan vervolgens bij consensus beslissen om de intrekking van het verdrag op de agenda van de IAC te plaatsen. Indien er geen consensus wordt gevonden gedurende twee opeenvolgende zittingen van de Raad van Beheer, kan een beslissing rechtsgeldig worden genomen op basis van een vier vijfde meerderheid.

Indien de intrekking van een verdrag op de agenda van de IAC wordt geplaatst, vraagt het Bureau aan de regeringen van de lidstaten hun positie kenbaar te maken door middel van een questionnaire die wordt rondgezonden 18 maanden voordat de zitting van de IAC plaatsvindt. De regeringen dienen bij de beantwoording de sociale partners te raadplegen. Op basis van de antwoorden van de lidstaten maakt het Bureau een rapport met daarin een definitief voorstel. Dit rapport wordt vier maanden voor de sessie van de IAC gezonden aan de regeringen.

Tijdens de sessie kan de IAC de terugtrekking van het betreffende verdrag direct in de plenaire zitting behandelen of eerst verwijzen naar een Selectie Comité. Na onderzoek van het rapport van het Bureau in de plenaire zitting of in het Selectie Comité kan de IAC worden uitgenodigd om bij consensus of twee derde meerderheid het voorstel tot intrekking voor te leggen voor de uiteindelijke beslissing tot intrekking. De uiteindelijke beslissing wordt door de IAC genomen met een meerderheid van twee derde van de personen vertegenwoordigd in de IAC.

III CONSULTATIE SOCIALE PARTNERS

Werkgeversvereniging VNO-NCW kan zich geheel vinden in het voorgenomen standpunt van de regering. De wijziging van het Statuut ziet zij als een nuttig extra instrument voor de IAO om verdragen regelmatig te actualiseren. Dit laat uiteraard onverlet, zo merkt VNO-NCW op, de reeds tot stand gekomen geactualiseerde verdragen waaronder de consolidatie van meerdere verwante verdragen tot één geactualiseerd nieuw verdrag.

FNV en MHP hebben eveneens aangegeven zich in het voorgenomen standpunt te kunnen vinden.

IV KONINKRIJKSPOSITIE

Aangezien het Statuut voor het gehele Koninkrijk geldt, zal deze wijziging ook voor het gehele Koninkrijk gelden. De Nederlandse Antillen en Aruba kunnen zich vinden in de bekrachtiging van de wijziging van het Statuut

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

De Minister van Buitenlandse Zaken,

B. R. Bot

Naar boven