Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2006-2007 | 30942 nr. 4 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2006-2007 | 30942 nr. 4 |
Vastgesteld 14 februari 2007
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1 en de vaste commissie voor Financiën2 hebben op 7 februari 2007 overleg gevoerd met minister Remkes van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over:
– het advies van de Raad van Economisch Adviseurs «Lof der eenvoud», kwaliteit en effectiviteit van de overheid d.d. 24 januari 2007 (30 942, nr. 2);
– de brief van de minister van BZK met een reactie op het advies d.d. 29 januari 2007 (30 942, nr. 3).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
De voorzitter deelt mede dat hedenmiddag een besloten vergadering heeft plaatsgevonden van de vaste commissie voor BZK en de vaste commissie voor Financiën met minister Remkes van BZK en de Raad van Economisch Adviseurs (REA), hetgeen heeft geresulteerd in afspraken over helderder definities in relatie tot cijfermateriaal en over een vervolgadvies van de REA.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
De heer Haverkamp (CDA) is verheugd dat in het zo-even door de voorzitter gememoreerde besloten overleg evident naar voren is gekomen dat de onduidelijkheid die was ontstaan rond het cijfermateriaal dat ten grondslag ligt aan het REA-advies «Lof der eenvoud» voor een groot deel is terug te voeren tot definitiekwesties. Hij krijgt dan ook graag de toezegging van de minister dat deze in overleg treedt met de REA om te komen tot gemeenschappelijke definities, met daarbij het verzoek het cijfermateriaal zodanig te presenteren dat het de Kamer mogelijk wordt gemaakt haar controlefunctie uit te oefenen. Tevens verneemt hij graag een nadere toelichting van de minister op zijn brief d.d. 29 januari jl. (30 942, nr. 3) die de reactie bevat op de door de REA gepresenteerde cijfers.
Het doet de heer Van Beek (VVD) deugd dat in genoemd besloten overleg is overeengekomen dat de minister en de REA zo snel mogelijk zullen komen tot eenduidige definiëring. Dit is niet alleen van belang voor het voorliggende advies dat in feite terugkijkt, maar ook met het oog op toekomstige exercities op het gebied van taakstellingen bij de overheid. In dit verband pleit hij voor een nulmeting vanaf het moment van aantreden van het nieuwe kabinet.
Waar met betrekking tot het voorliggende REA-advies de aandacht tot nu toe vooral is gericht op de daarin gepresenteerde cijfers en feiten, heeft de heer Van Beek behoefte aan een nadere gedachtewisseling over een aantal specifieke inhoudelijke onderwerpen die in het advies naar voren worden gebracht. Is er bijvoorbeeld sprake van modieuze managementtechnieken die de overheid hanteert of beperkt de overheid zich alleen tot het met de tijd meegaan? Wat is hierop de visie van de minister en het College van secretarissen-generaal, die toch samen verantwoordelijk zijn voor het management op de ministeries? Wat betreft de onderzoeksfunctie van de Kamer is de heer Van Beek er voorstander van dat de Kamer op de eigen begroting over voldoende ruimte beschikt om welk onderzoek dan ook te doen, hetgeen zijns inziens overigens niet wil zeggen dat de onderzoekscapaciteit van de Kamer zelf per definitie grondig zou moeten worden uitgebreid. Hij is het op dat punt dan ook niet eens met het advies van de REA dat die onderzoekscapaciteit te allen tijde door de Kamer zelf geleverd moet worden. Uitgangspunt dient te zijn dat de Kamer in staat is onderzoeksopdrachten goed te definiëren en zo nodig goed in de markt te zetten.
De heer Crone (PvdA) wacht met belangstelling de door de minister in het vooruitzicht gestelde nadere verduidelijking omtrent de definiëring van het cijfermateriaal én het aanvullende REA-advies af, in de hoop dat de cijfers straks in ieder geval niet meer liegen.
Reeds gedurende lange tijd is een discussie gaande over de versterking van de positie van de Kamer waar het gaat om de uitoefening van het budgetrecht en de invulling van de onderzoeksrol van de Kamer. Beide aspecten komen specifiek nog aan de orde in het kader van de wijziging van de Comptabiliteitswet. Binnenkort zullen overigens de staf van de commissie voor de Rijksuitgaven en het Onderzoeks- en Verificatiebureau samengevoegd worden. Het dan ontstane team zal de Kamer en Kamerleden ondersteunen bij zowel kortere als langetermijnonderzoeken. Deze ontwikkeling heeft ook een duidelijke relatie met het advies van de commissie-Duivesteijn, dat de Kamer haar positie moet versterken ten opzichte van kosten-batenanalyses en studies die ten grondslag liggen aan allerlei grote projecten.
De minister geeft aan dat hoewel het aanvankelijk ook zijn bedoeling was om met een brede reactie te komen op het REA-advies «Lof der eenvoud», hij alles afwegende toch heeft besloten om zijn reactie vooralsnog toe te spitsen op de cijfermatige misverstanden. Dit neemt niet weg dat hij nu graag van de gelegenheid gebruikmaakt om kort in te gaan op de algemene centrale stelling in het advies, dat alle pogingen om de overheid slagvaardiger en efficiënter te maken zijn gestrand. Volgens de minister is die stelling volstrekt uit de lucht gegrepen en zijn ook kanttekeningen te plaatsen bij de vraag of hetgeen in dat advies is verwoord, wel geheel wetenschappelijk verantwoord is. Uit rapporten van OESO en IMF kan namelijk eenduidig de conclusie getrokken worden dat in internationaal perspectief beoordeeld, de prestaties van de Nederlandse overheden bovengemiddeld zijn en dat die prestaties behaald worden met een ambtenarenapparaat van gemiddelde omvang.
Verder heeft de minister zich gestoord aan de kwalificatie dat het programma Andere overheid zou zijn blijven steken in het schrijven van essays, temeer daar onlangs de Kamer in een overleg met de minister van Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties over de notitie «Het resultaat is de maat», in positieve zin een aantal conclusies heeft getrokken over het bereikte resultaat tot nu toe.
Het advies van de REA is gebaseerd op cijfermateriaal van BZK. In november jongstleden heeft BZK aan de REA geschreven dat er in dat cijfermateriaal hiaten zaten en dat de bereidheid bestond om in te gaan op vragen die eventueel zouden kunnen rijzen. Van dat aanbod is echter geen gebruikgemaakt. De REA is vervolgens op een nogal mechanische manier met de verstrekte cijfers aan de gang gegaan. Voorts is de REA bij zijn berekeningen uitgegaan van het tijdvak 2001–2005, terwijl voor een beoordeling van het resultaat dat de kabinetten-Balkenende de afgelopen jaren hebben bereikt, de periode vanaf 2002 relevanter is. De begroting over het jaar 2001 werd immers nog ingediend door het kabinet-Kok. Gemeten vanaf 2002 is de omvang van de rijksoverheid exclusief zelfstandige bestuursorganen (zbo’s) gedaald met ruim 6%. Geabstraheerd van een aantal sectoren waar op basis van bewuste politieke keuzen stijgingen hebben plaatsgevonden, zoals de veiligheidssector, is sprake van een daling van ongeveer 9%. In dezelfde periode is er ook sprake van een daling waar het gaat om de omvang van de rijksdienst inclusief de zbo’s.
Verder is van belang te realiseren dat bepaalde zaken in het verleden simpelweg niet bekend waren, op grond van de overweging dat zbo’s ook daadwerkelijk zelfstandige organisaties waren, vaak met eigen financiering en outputgestuurd. Bovendien is er de afgelopen jaren veel discussie geweest die zich met name toespitste op de ministeriële verantwoordelijkheid. Vorig jaar is geconcludeerd dat het in een aantal opzichten wenselijk zou zijn om meer zicht te krijgen op het functioneren van de zbo’s, ook in termen van aantallen fte’s. De afgelopen periode is te dien aanzien dus wel degelijk een belangrijke slag gemaakt die overigens nog niet helemaal is afgerond.
Bij de definiëring speelt ook een rol dat er sprake is van rijp en groen aan zbo’s. Allereerst is de rechtsvorm van belang, publiekrechtelijk of privaatrechtelijk. Daarnaast is er de wijze van financiering: budget, tarief of premie. De minister noemt in dit verband als voorbeeld het Kadaster. Nu er volgens het nieuwe regeerakkoord zekerheid is geboden over de toekomst van de hypotheekrenteaftrek, is het niet geheel ondenkbaar dat het aantal woningverkopen de komende tijd zal toenemen. Het Kadaster genereert hierdoor extra inkomsten, die echter intern worden gefinancierd. Het betreft hier dan ook een ontwikkeling waarop de overheid qua sturing op de omvang van de rijksdienst dus niet echt invloed heeft en ook niet moet willen hebben.
Het overleg dat de minister nog zal voeren met de REA zal dan ook moeten gaan over de vraag wat de politieke relevantie is van de verschillende zbo’s en welke informatie de Kamer vanuit haar controlerende taak in dezen nodig heeft. De minister is daarbij tevens gaarne bereid om het daarheen te leiden dat er een nulmeting zal plaatsvinden.
De heer Haverkamp (CDA) verzoekt de minister een brief naar de Kamer te sturen waarin hij zijn appreciatie kenbaar maakt ten aanzien van de individuele zbo’s wat betreft hun politieke relevantie in relatie tot het cijfermateriaal dat ten grondslag ligt aan de hervormingen om de overheid slagvaardiger en efficiënter te maken.
De minister zal nadat hij het aangekondigde gesprek met de REA heeft gevoerd, de gevraagde brief aan de Kamer sturen.
De voorzitter concludeert dat de minister, nadat hij zich hierover heeft verstaan met de REA, de Kamer een sluitende definiëring van het begrip zbo zal doen toekomen die kan worden gebruikt als nulmeting voor verder onderzoek van het personeelsvolume en voor de beleidsbepaling ten aanzien van zbo’s op dat punt.
Samenstelling:
Leden: Van Beek (VVD), ondervoorzitter, Van der Staaij (SGP), Blok (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Slob (ChristenUnie), Van Bochove (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Gerkens (SP), Spies (CDA), Sterk (CDA), Van der Ham (D66), Haverkamp (CDA), Leerdam (PvdA), voorzitter, Griffith (VVD), Irrgang (SP), Kalma (PvdA), Schinkelshoek (CDA), Jacobi (PvdA), Van der Burg (VVD), Brinkman (PVV), Heerts (PvdA), Van Raak (SP), Kuiken (PvdA) en Leijten (SP).
Plv. leden: Teeven (VVD), Van der Vlies (SGP) Weekers (VVD), Van de Camp (CDA), Cramer (ChristenUnie), Ormel (CDA), Van Gent (GroenLinks), Polderman (SP), Van Haersma Buma (CDA), Van Heugten (CDA), Koşer Kaya (D66), Van Hijum (CDA), Wolbert (PvdA), Zijlstra (VVD), Van Gerven (SP), Van der Veen (PvdA), Çörüz (CDA), Albayrak (PvdA), Ten Broeke (VVD), De Roon (PVV), Koenders (PvdA), Van Bommel (SP), Bouchibti (PvdA) en De Wit (SP).
Samenstelling:
Leden: Van der Vlies (SGP), Crone (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Blok (VVD), Ten Hoopen (CDA), ondervoorzitter, Weekers (VVD), Tichelaar (PvdA), voorzitter, Gerkens (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Nerée tot Babberich (CDA), Smeets (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD), Omtzigt (CDA), Koşer Kaya (D66), Irrgang (SP), Luijben (SP), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Cramer (ChristenUnie), Jules Kortenhorst (CDA), Van der Burg (VVD), Tony van Dijck (PVV), Heerts (PvdA), Vermeij (PvdA), Gesthuizen (SP) en Ouwehand (PvdD).
Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Van Dam (PvdA), Halsema (GroenLinks), Remkes (VVD), Koopmans (CDA), Aptroot (VVD), Van der Veen (PvdA), Van Gerven (SP), Jan de Vries (CDA), Roland Kortenhorst (CDA), Koenders (PvdA), De Krom (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Pechtold (D66), Kant (SP), Ulenbelt (SP), Haverkamp (CDA), Rouvoet (ChristenUnie), Mastwijk (CDA), Schippers (VVD), De Roon (PVV), Kalma (PvdA), Spekman (PvdA), Van Gijlswijk (SP) en Thieme (PvdD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30942-4.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.