30 848
Wijzigingen van wetgevingstechnische of anderszins ondergeschikte aard aan te brengen in de Wet geluidhinder en enkele andere wetten

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Dit voorstel van wet bevat een aantal wijzigingen van de Wet geluidhinder en enkele andere wetten. Het wetsvoorstel beoogt vooral enkele onvolkomenheden weg te nemen die de invoering na de wet van 5 juli 2006 houdende wijziging van de Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) (Stb. 2006, 350) met zich mee zou brengen. Voor zover in de artikelsgewijze toelichting niet anders aangegeven, betreft het vooral het herstel van foutieve verwijzingen en het aanbrengen van redactionele correcties en verduidelijkingen. Bij het opstellen van het wetsvoorstel is uitgegaan van de tekst van de Wet geluidhinder zoals die luidt na inwerkingtreding van de Interimwet stad- en milieubenadering. Ook worden enkele misstellingen in onder meer de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming, de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek, de Huisvestingswet en de Woningwet rechtgezet.

Duidelijk zal zijn dat de wijzigingsvoorstellen nadrukkelijk niet beogen om beleidsinhoudelijke wijzigingen door te voeren. Een reparatiewet is daarvoor immers niet het aangewezen instrument. Doel en strekking van dit wetsvoorstel brengen dan ook met zich mee dat het geen zelfstandige administratieve of financiële lasten voor burgers, bedrijven of overheden met zich meebrengt.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I

A

In artikel 1b, eerste en derde lid, was ten onrechte geen rekening gehouden met de wijziging van het begrip «andere geluidsgevoelige gebouwen» zoals die bij nota van wijziging (Kamerstukken II 2004/05, 29 879, nr. 8) was ingebracht in het in het algemeen deel van deze toelichting genoemde wetsvoorstel. Dit is alsnog gebeurd.

Het vierde lid van artikel 1b is aangepast om de onbedoelde doorwerking tengevolge van de invoering van de Lden ongedaan te maken. Bij de overgang naar de Lden verviel ook de maatgevende etmaalperiode, omdat niet langer de hoogste geluidsbelasting van de dag, avond- of nachtperiode bepalend was, maar het gemiddelde ervan. Ten behoeve van een zo neutraal mogelijke overgang is nu in onderdeel a een eis gesteld aan het verschil in geluidsbelasting in plaats van de voorheen gebruikte percentages van de intensiteit en de snelheid. Vanwege deze nauwe aansluiting is ook bij wijze van uitzondering hier bepaald dat de niet afgeronde waarde van het verschil in geluidsbelasting bepalend is.

In het nu voorgestelde artikel 1b, vierde lid, wordt door het samenvoegen van de onderdelen a, b en e nu een onderscheid gemaakt tussen de fysieke kenmerken van de spoorbaan en het gebruik ervan. Dit onderscheid is onder meer van belang omdat er in het kader van die fysieke kenmerken een directe koppeling is met mogelijke saneringsmaatregelen.

B

Gebleken is dat de datum 1 augustus 2006 die eerder stond vermeld in de bepalingen, genoemd in onderdeel B en in artikel IX in de uitvoeringspraktijk tot problemen aanleiding zou kunnen geven, omdat de periode tussen 1 augustus 2006 en de thans voorziene datum van inwerkingtreding van de gewijzigde Wet geluidhinder (1 januari 2007) te ruim zou zijn. Daarom is deze datum nu gewijzigd in 1 januari 2007.

C

Ten onrechte was in artikel 87b, eerste lid, onderdeel k, niet aangegeven dat het gaat om een geluidsbelasting in dB(A). Dit is alsnog gebeurd. In onderdeel l werd uitgegaan van een bij algemene maatregel van bestuur aangegeven geluidsbelasting. Nu de geldende geluidsbelasting al in aangegeven in hoofdstuk VII is deze bepaling dienovereenkomstig aangepast.

D3

De eerste twee wijzigingen betreffen het herstel van een omissie.

D4

De maximale waarden voor woningen in buitenstedelijk en stedelijk gebied vervallen, evenals het vervallen van het maximum van 68 dB. Deze normen zijn verplaatst naar het vijfde lid. De aanpassing van de verwijzing betreft het herstel van een verkeerde verwijzing.

D6

Als gevolg van het verplaatsen van tekst van het vierde naar het vijfde lid moet het zesde lid nu ook naar het vijfde lid verwijzen.

E3

Ten onrechte was in deze bepaling niet verwezen naar de Spoedwet wegverbreding. Dit is alsnog gebeurd. Voorts is een redactionele verbetering aangebracht.

F

Om de uitvoerbaarheid van artikel 90, tweede lid, te vergroten is wordt de mededeling van het in die bepaling bedoelde besluit niet enkel gedaan aan burgemeester en wethouders, maar tevens aan de wegbeheerder.

H

Ten onrechte was in deze bepaling niet aangegeven dat het gaat om een geluidsbelasting in dB(A). Dit is alsnog gebeurd.

I4 en J2

De maximale waarden voor woningen in buitenstedelijk en stedelijk gebied vervallen, evenals het vervallen van het maximum van 68 dB. Deze normen zijn verplaatst naar het vijfde lid. De aanpassing van de verwijzing betreft het herstel van een verkeerde verwijzing.

I6

Als gevolg van het verplaatsen van tekst van het vierde naar het vijfde lid moet het zesde lid nu ook naar het vijfde lid verwijzen.

L

Bij een industrieterrein ligt de zone, ingevolge artikel 40, rond dit terrein. Abusievelijk wordt in artikel 110a gesproken over «een zone langs een industrieterrein». Met de voorgestelde wijziging wordt deze fout hersteld.

N2, 4 en 5

De aanduiding van geluidsgevoelige gebouwen is verder in overeenstemming gebracht met de elders in de geluidregelgeving gebruikelijke terminologie.

O

Deze wijziging is noodzakelijk omdat artikel 81 niet langer een raadsbesluit kent.

Artikel II

A

Het betreft het herstel van een verkeerde nummering. Bij de wijziging van artikel 1.1 bij de wet van 7 april 2005, houdende wijziging van de Wet op de waterhuishouding en de Wet milieubeheer ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327) (Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water) (Stb. 303) is na het twaalfde lid een veertiende lid toegevoegd in plaats van een dertiende lid. Dit is alsnog rechtgezet.

B

In de wet van 5 juli 2006 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de uitvoering van richtlijn nr. 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PbEG L 197) (milieu-effectrapportage plannen) was de opdracht tot het laten vervallen van het zinsdeel abusievelijk gegeven voor artikel 7.10, tweede lid, tweede volzin in plaats van voor de derde volzin van dat artikellid. Deze onvolkomenheid wordt met dit onderdeel hersteld.

C

In dit onderdeel wordt een soortgelijke onvolkomenheid als in het voorgaande onderdeel B hersteld. In dezelfde wet (van 5 juli 2006) als genoemd in onderdeel B wordt een wijzigingsopdracht gegeven voor artikel 7.35, vierde lid. Deze wijzigingsopdracht had ten aanzien van het vijfde lid van dat artikel geformuleerd moeten zijn.

D

Artikel 8.26a van de Wet milieubeheer is per 1 juli 2005 ingevoegd ingevolge de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb. Het artikel bevat een bijzondere beslistermijn voor beschikkingen waarop artikel 3:18 Awb niet van toepassing is, namelijk beschikkingen die niet op aanvraag worden gegeven. De gekozen formulering houdt abusievelijk geen rekening met de omstandigheid dat er enkele onder afdeling 8.1.2 Wm vallende beschikkingen zijn die niet worden voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 Awb (zie artikel 8.25, vierde lid, Wm). Voor die beschikkingen dient de bijzondere beslistermijn zoals opgenomen in artikel 8.26a niet te gelden. De voorgestelde wijziging van artikel 8.26a voorziet in deze uitzondering door het toepassingsbereik van artikel 8.26a uitdrukkelijk te beperken tot die ambtshalve beschikkingen op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 Awb van toepassing is.

E

Met de nog niet in werking getreden wet van 15 september 2005 tot wijziging van de Wet milieubeheer (Registratie gegevens externe veiligheid inrichtingen, transportroutes en buisleidingen) (Stb. 483) zouden in de Wet milieubeheer twee gelijk genummerde artikelen 12.11 voorkomen hetgeen uiteraard niet de bedoeling is. Met de voorgestelde hernummering wordt dit effect ongedaan gemaakt.

F

Artikel 19.1 is met ingang van 14 februari 2005 vernummerd tot artikel 19.1b. Dit is een gevolg van de Wet uitvoering Verdrag van Aarhus. Door die vernummering greep echter de wijzigingsopdracht in hoofdstuk 10, artikel 9, onderdeel PPP, van de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2005, 282, blz. 69) wetstechnisch niet meer goed aan. Onderhavige aanpassing strekt ertoe deze omissie te herstellen.

Artikel III

De voorgestelde wijzigingen van de Wet bodembescherming betreffen herstel van onvolkomenheden in de sfeer van verwijzingen naar diverse bepalingen die zijn vervallen als gevolg van onlangs in werking getreden wijzigingen in de Wet bodembescherming.

Artikel IV

Bij een aanwijzing door de Minister van VROM van een gebied als bedoeld in artikel 5 van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek geldt als randvoorwaarde dat woningzoekenden die als gevolg van de aanwijzing geen huisvestingsvergunning voor woonruimte in het aangewezen gebied kunnen krijgen, voldoende mogelijkheden houden om in de regio huisvesting te vinden (artikel 6, tweede lid). De minister kan gedeputeerde staten respectievelijk het dagelijks bestuur van de plusregio hierover om advies vragen (artikel 6, derde lid). Die randvoorwaarde was oorspronkelijk opgenomen in artikel 6, eerste lid, onderdeel c. Als gevolg van het amendement-Adelmund (Kamerstukken II 2004/05, 30 091, nr. 40) is die randvoorwaarde nu opgenomen in artikel 6, tweede lid. Per abuis is de verwijzing in artikel 6, derde lid, hier niet op aangepast. Om iedere mogelijkheid van misverstanden hierover uit te sluiten, is dit alsnog gebeurd.

Artikel V

Bij een eerdere wijziging van de Huisvestingswet is in artikel 13a van die wet per abuis de hier voorgestelde wijziging niet doorgevoerd. In artikel 61 van de Huisvestingswet wordt gesproken over beleidsregels en niet (langer) van richtlijnen.

Artikelen VI en VII

Bij de totstandkoming van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek is een foutje geslopen in de wijziging van artikel 16a van de Woningwet. De bedoeling is dat burgemeester en wethouders degene die als eigenaar of uit andere hoofde bevoegd is tot het in gebruik geven van het gebouw, het open erf of het terrein kunnen aanschrijven. De tekst van het artikel luidt nu dat burgemeester en wethouders degene die als eigenaar of uit andere hoofde bevoegd is tot het in gebruik geven van het gebouw kunnen aanschrijven. Met de nu voorgestelde wijziging wordt dit, zoals bedoeld, uitgebreid naar open erven en terreinen.

Artikel VIII

Artikel IV van de wet van 5 juli 2006 (milieu-effectrapportage plannen) zou leiden tot een foutieve wijziging in artikel 19f, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998. Daarom is ervoor gekozen artikel IV niet in werking te laten treden. Het artikel kan derhalve vervallen, hetgeen met dit artikel VIII gebeurt.

Artikel IX

Deze wijziging is al toegelicht bij artikel I, onderdeel B. Hiernaar zij kortheidshalve verwezen.

Artikel X

In artikel III, onderdelen A, B en C, van het voorstel van wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en enkele andere wetten ten behoeve van de archeologische monumentenzorg mede in verband met de implementatie van het Verdrag van Valetta (Wet op de archeologische monumentenzorg) (29 259) zijn enkele onvolkomenheden geslopen ten aanzien van in de Wet milieubeheer aan te brengen wijzigingen.

In onderdeel A van dat artikel wordt abusievelijk een wijzigingsopdracht voor artikel 2.19, vijfde lid, van de Wet milieubeheer gegeven in plaats van voor het vierde lid van dat artikel.

Verder wijkt de volgorde in de opsomming van de bewindslieden in artikel 4.2, derde en vierde lid, van de Wet milieubeheer af van die in artikel 4.1 van die wet. In onderdeel B wordt geen rekening gehouden met dit onderscheid.

In onderdeel C tot slot, komt een redactionele onvolkomenheid voor.

In het geval bovengenoemd wetsvoorstel in werking treedt op of na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden de onderdelen A, B en C van artikel III zodanig aangepast dat die onvolkomenheden worden hersteld.

Artikel XI

In artikel I wordt voorzien in wijziging van bepalingen van de Wet geluidhinder die voornamelijk samenhangen met de wet van 5 juli 2006 houdende wijziging van de Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase; Stb. 350). Inwerkingtreding van die wet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving is voorzien per 1 januari 2007. Hoewel het streven erop is gericht om het onderhavige wetsvoorstel per 1 januari 2007 in werking te laten treden, mag het niet uitgesloten worden geacht dat plaatsing van de wet in het Staatsblad pas na 31 december 2006 wordt gerealiseerd. Nu de desbetreffende voorschriften niet als belastend zijn te kenschetsen behoeft er geen bezwaar te bestaan tegen het mogelijk toekennen van terugwerkende kracht aan de wijzigingen voorgesteld in artikel I. In de uitvoeringspraktijk wordt hiermee al rekening gehouden.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel

Naar boven