30 800 XI
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI) voor het jaar 2007

nr. 85
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 februari 2007

In de brief van 13 maart 2006 (Kamerstukken 2005–2006, 30 300 XI, nr. 97) heeft mijn ambtsvoorganger u bericht over de toezeggingen die zij had gedaan in het AO van 8 februari 2006 (Kamerstuk 30 300 XI, nr. 96 (Herdruk)) over de onrechtmatige bewoning van recreatiewoningen.

Vervolgacties VROM-Inspectie

Eén van de toezeggingen betreft de door de VROM-Inspectie te ondernemen vervolgacties. In het AO heeft de toenmalige Minister van VROM toegezegd dat zij actie zal ondernemen richting gemeenten die achterblijven bij het vaststellen en kenbaar maken van beleid inzake de bewoning van recreatiewoningen. In de eerste plaats ging de VROM-Inspectie haar onderzoek, waarvan u de tussentijdse resultaten (Kamerstukken 2005–2006, 30 300 XI, nr. 88) reeds had ontvangen, afmaken. Op basis van de onderzoeksresultaten en afhankelijk van de specifieke situatie van de betreffende gemeenten heeft de Inspectie vervolgens de haar ter beschikking staande middelen, waaronder (bestuurlijk) overleg, ingezet om te bewerkstelligen dat gemeenten die achterblijven bij het vaststellen en kenbaar maken van beleid daartoe alsnog overgaan. De (kleine) groep gemeenten die als «achterblijver» moet worden aangemerkt heeft daarbij prioriteit gekregen.

Mijn ambtsvoorganger heeft toegezegd u in het najaar van 2006 te informeren over de resultaten van deze acties. De doorlooptijd van de uitvoering van de acties is langer dan vooraf werd voorzien, waardoor het niet haalbaar bleek u hierover in het najaar van 2006 te informeren. In deze brief geef ik alsnog uitvoering aan deze toezegging. Ik zal daarbij, zoals afgesproken, inzichtelijk maken welke gemeenten ondanks de gerichte inspanningen nog geen beleid hebben vastgesteld en kenbaar gemaakt.

Samenvatting resultaten

Alle gemeenten waar recreatiewoningen en/of -verblijven staan, hebben nu aan het onderzoek meegewerkt. De resultaten op basis van een respons van 65%, zoals beschreven in het tussentijdse rapport dat u begin dit jaar is toegestuurd (1 februari 2006; Kamerstukken 2005–2006, 30 300 XI, nr. 88), blijken goed overeen te komen met de resultaten bij een respons van 100%. In deze brief zal ik mij daarom beperken tot de belangrijkste gegevens en meest opmerkelijke verschillen. De volledige onderzoeksresultaten zijn in te zien op www.vrom.nl/recreatiewoningen.

Aantal recreatiewoningen

Uiteindelijk hebben de gegevens in het onderzoek betrekking op 353 gemeenten (100%). In 290 van de aangeschreven gemeenten staan recreatiewoningen.

Aantal recreatiewoningen

 Aantal gemeentenAantal recreatiewoningen
Recreatiewoningen29094 939
Onrechtmatig bewoond22616 438

Uit het onderzoek blijkt dat in deze 290 gemeenten 94 939 recreatiewoningen staan, waarvan er 16 438 (17%) onrechtmatig worden bewoond. Dit percentage ligt iets lager dan de 19% uit het tussentijdse rapport van 1 februari 2006.

Beleidskeuze

In onderstaande tabel zijn de gegevens over de beleidskeuzes van de gemeenten opgenomen.

Gemeentelijk beleid
 Aantal gemeentenAantal recreatiewoningenAantal onrecht-matig bewoonde recreatiewoningen
Totaal29094 93916 438
Beleidskeuze gemaakt?  
Ja28794 01516 169
Nee3924269
    
Beleid formeel vastgesteld?  
Ja27688 52915 200
Nee115 486969
    
Beleid kenbaar gemaakt?  
Ja27287 38214 273
Nee41 147927

Het aantal gemeenten dat zegt een beleidskeuze te hebben gemaakt is sinds begin 2006 gestegen van 83% naar 99%. De door de Inspectie uitgevoerde acties hebben het beoogde resultaat gehad. Inmiddels heeft ook 86% van de gemeenten dit beleid kenbaar gemaakt. In de bijlage bij deze brief is weergegeven welke gemeenten nog geen beleidskeuze hebben gemaakt, deze nog niet hebben vastgesteld of bekendgemaakt1. Tevens is de situatie per gemeente beknopt toegelicht. In totaal betreft het achttien gemeenten. De VROM-Inspectie volgt de voortgang die deze gemeenten maken.

Er zijn overigens 84 gemeenten (12 514 recreatiewoningen, 1493 permanent bewoond) die geen aanleiding zien om specifiek beleid (anders dan de voorschriften en de gebruiksbepalingen in vigerende bestemmingsplannen) te formuleren. Voor deze gemeenten geldt over het algemeen dat deze keuze voortvloeit uit het geringe aantal recreatiewoningen of het feit dat onrechtmatige bewoning in de gemeente niet voorkomt. In feite betekent dit dat deze gemeenten ervoor kiezen hun bestemmingsplannen te handhaven. Zoals mijn ambtsvoorganger in haar brief van 1 februari 2006 heeft aangegeven, is dit begrijpelijk. Omdat in deze gemeenten geen beleidswijziging heeft plaatsgevonden, hebben deze gemeenten de betrokken bewoners veelal niet actief geïnformeerd over hun standpunt. Om toch inzichtelijk te maken welke gemeenten het betreft, heeft de VROM-Inspectie ervoor gekozen in de uitgebreide onderzoeksresultaten op www.vrom.nl/recreatiewoningen een overzicht van deze gemeenten op te nemen.

Uitvoering gemeentelijk beleid

Het aantal recreatiewoningen (11 501), waarvoor gemeenten zeggen dat uitvoeringsactiviteiten worden voorbereid, lopen of afgerond zijn, bedraagt nu 71% (februari 2006: 61%) van alle onrechtmatig bewoonde woningen (16 438). Een vergelijking tussen de huidige gegevens en de gegevens van begin 2006 over afgifte van persoonsgebonden beschikkingen leert verder dat het percentage persoonsgebonden beschikkingen dat in behandeling is lager ligt (68% toen, 58% nu). Het percentage afgegeven beschikkingen ligt hoger (30% toen, 39% nu). In het algemeen kan worden gesteld dat de uitvoering van het gemeentelijke beleid er gunstiger voorstaat dan begin 2006.

Tenslotte valt het percentage gemeenten dat gebruik maakt van het instrument handhaving op. Dit is hoger dan begin 2006 (83%, vs. 70%). Een verklaring voor dit verschil is op basis van de beschikbare gegevens niet te geven. Nog steeds echter is handhaving voor een veel kleiner aantal gemeenten (37%, eerdere rapport: 28%) het enige instrument dat zij inzetten. In deze gemeenten staat ca. 18% van alle onrechtmatig bewoonde recreatiewoningen. Gemeenten maken nog altijd in de volle breedte gebruik van het geboden instrumentarium en kiezen tevens voor combinaties van legaliseren, afgeven van persoonsgebonden beschikkingen en handhaven.

Conclusies

Al met al concludeer ik dat vrijwel alle gemeenten uitwerking hebben gegeven aan het rijksbeleid betreffende onrechtmatige bewoning van recreatiewoningen. De in de beleidsbrief van 11 november 2003 bedoelde duidelijkheid voor de betrokken burgers, is daarmee grotendeels bereikt, in die zin dat 99% van de gemeenten beleid heeft vastgesteld en 86% dit ook kenbaar heeft gemaakt. Een belangrijke stap in het tegengaan van onrechtmatige bewoning is gezet.

Ondanks de gepleegde inspanningen komt onrechtmatige bewoning echter nog altijd voor. Daarom is het van groot belang dat gemeenten hun beleid consequent uitvoeren. Juist op dit punt bleven veel gemeenten in het verleden in gebreke. De inwerkingtreding van het gewijzigde Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (BRO) zal voor deze gemeenten consequenties hebben. De wijziging zorgt voor een versterking van de rechtsmogelijkheden voor bepaalde1 bewoners van recreatiewoningen in gemeenten die niet beschikten over gevoerd handhavingsbeleid ten aanzien van het onrechtmatig bewonen van recreatiewoningen. De Raad van State heeft over het wijzigingsvoorstel inmiddels positief advies uitgebracht. Het besluit zal binnenkort worden gepubliceerd in het Staatsblad, van welke plaatsing u direct schriftelijk op de hoogte zal worden gesteld. Maximaal drie maanden na plaatsing zal de wijziging van het BRO in werking treden.

De Inspectie ondersteunt in het algemeen gemeenten waar mogelijk (compliance assistance). Dat zal de Inspectie waar het de onrechtmatige bewoning van recreatiewoningen betreft ook het komende jaar blijven doen. Zo werkt de Inspectie samen met de VNG aan een handreiking voor gemeenten, waarin antwoord wordt gegeven op veel gestelde vragen en voorbeelden en tips worden aangereikt die gemeenten kunnen helpen bij de uitvoering van hun beleid. Het Ministerie van VROM ondersteunt daarnaast een onderzoek naar de mogelijkheden van en problemen bij het omzetten van een recreatiebestemming in een woonbestemming. De resultaten van dit onderzoek kunnen gebruikt worden door gemeenten die hebben aangegeven te willen legaliseren.

De VROM-Inspectie zal ook in 2007 aandacht aan de problematiek blijven geven. Op basis van het onderzoek van de afgelopen jaren weet de Inspectie in welke gemeenten de problematiek van onrechtmatige bewoning het meest pregnant is. Vooral naar deze gemeenten, en naar de gemeenten die in de bijlage van deze brief zijn genoemd, zal de aandacht van de Inspectie uitgaan.

Ik ga ervan uit u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. Winsemius


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Namelijk voor bewoners die vóór of op 31-10-2003 hun recreatiewoning permanent bewoonden en dit sindsdien onafgebroken hebben gedaan.

Naar boven