30 690
Natuurbeleid; een onnodig groeiend ongenoegen

nr. 13
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 juli 2009

Uw Kamer heeft de regering middels de motie Jacobi c.s. verzocht om via tijdelijke ontheffingen van de Flora- en faunawet in pilots het vestigen van tijdelijke natuur mogelijk te maken (Kamerstukken II 2006/07, 30 690, nr. 11). De eerste pilot gaat op 15 juli 2009 van start op een terrein van het Havenbedrijf Amsterdam. Ik heb daarvoor ontheffing ex artikel 75 van de Flora- en faunawet verleend.

De ontheffing is verleend voor het op termijn mogen verwijderen van tijdelijke natuur, omdat deze plaats moet maken voor de realisatie van de definitieve bestemming van het terrein. Met het verlenen van de ontheffing zijn zowel de belangen van de ontwikkelaar van het haventerrein, als die van de beschermde soorten die zich daar mogelijk zullen vestigen gewaarborgd.

Er zullen nog enige pilots volgen. Door middel van deze pilots wordt getoetst of het concept tijdelijke natuur ook in de praktijk werkt.

Bijgaand treft u de Beleidslijn tijdelijke natuur aan.1 Bij de totstandkoming van de beleidslijn is gezocht naar rek en ruimte in de toepassing van de Flora- en faunawet. Het toestaan van tijdelijke natuur of het ontwikkelen daarvan is mogelijk binnen de bestaande wettelijke kaders, zonder dat daarvoor wijziging van wet- of regelgeving nodig is.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven