30 597 Toekomst AWBZ

Nr. 257 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 juli 2012

Met een brief van 28 juni 2012 met kenmerk 2012Z12374/2012D27865, heeft de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport mij verzocht om vóór het algemeen overleg Toekomst AWBZ op 4 juli 2012 te reageren op het rapport «Bestedingsmogelijkheden bij het scheiden van wonen en zorg» van Unie KBO van 19 juni. Met deze brief voldoe ik aan dat verzoek.

Ik wil beginnen met het uitspreken van mijn waardering dat de ouderenbond zich heeft voorbereid op en verdiept in de (financiële) effecten van het scheiden van wonen en zorg en om die reden aan het NIBUD heeft gevraagd om de gevolgen voor ouderen met een minimuminkomen daarvan te onderzoeken.

De Unie KBO is van mening dat het scheiden van wonen en zorg geen gevolgen mag hebben voor de koopkracht van bewoners. Uit het NIBUD-onderzoek dat de Unie KBO heeft laten verrichten, concludeert de Unie KBO dat het scheiden van wonen en zorg wel leidt tot koopkrachtgevolgen voor senioren. De Unie KBO vindt daarom dat er maatregelen genomen moeten worden om dit te repareren.

De actualiteit heeft de inhoud van het rapport voor een deel achterhaald.

In het rapport wordt uitgegaan van de situatie van het scheiden van wonen in bestaande instellingen van de ouderenzorg, waarbij uit de zogenaamde intramurale zorgzwaartepakketten het zogenaamde «woongedeelte» zou worden gehaald. Immers, bewoners gaan bij deze vorm van scheiden van wonen en zorg zelf verantwoordelijkheid dragen voor het wonen en hiervoor huur betalen. Dit sloot aan bij de voornemens, zoals deze in de eerste voortgangsrapportage hervorming langdurige zorg van 1 juni 2011 waren voorzien voor de cliënten met de lichtere zzp’s per 2014. De cijfers uit het rapport zijn op dat scenario gebaseerd.

In het Begrotingsakkoord is echter besloten een impuls aan extramuralisering te geven met als doel cliënten die langer zorg aan huis kunnen krijgen deze ook te bieden. In concreto betekent deze maatregel dat per 2013 voor alleen de nieuwe cliënten, de lichte zzp’s worden omgezet in extramurale zorg.

Er is dus een nieuwe situatie en die zal ik ook mee betrekken in mijn reactie.

Het NIBUD constateert in het rapport dat de financiële gevolgen voor de burger sterk afhankelijk zijn van de variatie in persoonlijk onvermijdbare uitgaven van zorgbehoevende ouderen. Die variatie zal volgens het NIBUD vooral veroorzaakt worden door de hoogte van eigen bijdragen die men moet betalen voor de te ontvangen zorg. Daarnaast spelen de woonlasten volgens het NIBUD een belangrijke rol. In het onderstaande zal ik vooral ingaan op deze twee punten:

Bij het extramuraliseren van de lichtere zzp’s (waaronder zzp VV 1 t/m 3 in de ouderenzorg) wordt ervan uitgegaan dat cliënten langer zorg aan huis kunnen ontvangen. Dit betekent in dat geval dat er geen veranderingen optreden in de hoogte van de huur en/of huurtoeslag, terwijl in het NIBUD-rapport bij het scheiden van wonen en zorg wordt uitgegaan van een hogere gemiddelde huur bij het scenario, waarin wonen en zorg gescheiden zijn.

Ook andere uitgaven, zoals voor eten en drinken, ondergaan geen verandering. Deze kosten maakte men al en zal men ook blijven houden als de zzp’s zijn geëxtramuraliseerd.

Cliënten met een minimuminkomen zitten bij het betalen van een extramurale eigen bijdrage al snel op hun inkomensafhankelijke maximum. Uitbreiding van de omvang van de benodigde en geleverde extramurale zorg betekent in dat geval niet dat de te betalen eigen bijdrage ook toeneemt.

In het NIBUD-rapport wordt aangegeven dat ouderen met een minimuminkomen, afhankelijk van de variatie in hun onvermijdbare uitgaven, in een aantal gevallen weinig middelen overhouden. Op grond van eerder genoemde feiten constateer ik dat dat slechts in zeer beperkte mate samenhangt met verdergaande extramuralisering.

Al het voorgaande laat onverlet dat ik het rapport graag zal betrekken bij de verdere invulling van het scheiden van wonen en zorg, omdat ik het belangrijk vind de eventuele financiële gevolgen inzichtelijk te maken.

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M. L. L. E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner

Naar boven