30 568
Wijziging van de voorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 13 juli 2006

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen afdoende beantwoordt, acht de commissie de schriftelijke behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

1.Inleiding1
2.Europese voorschriften2
3.Nationale bepalingen2
4.Handhaving en uitvoeringslasten3

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel inzake de wijziging van de voorschriften voor niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn dat een veilige voedselketen centraal staat en dat waarborgen moeten worden gegeven voor mens en dier. De producten, die niet geschikt zijn voor consumptie, moeten worden vernietigd of verwerkt tot producten die geen bedreiging vormen voor de veiligheid van de voedselketen.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennis genomen van het wetsvoorstel en hebben een aantal vragen.

De leden van de VVD-fractie hebben de wetwijziging met interesse gelezen en willen graag enkele opmerkingen plaatsen over het wetsvoorstel.

2. Europese voorschriften

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat er reeds veel op het gebied van regelgeving is gedaan, zowel op Europees als nationaal niveau. Dat daarbij voortdurend wordt gekeken naar de vraag in hoeverre de nationale wet- en regelgeving, zoals verwoord in de Destructiewet, aansluit bij de Europese voorschriften, is terecht. Het betreft dan ook een grotendeels technische wijziging, waarin de leden van de CDA-fractie zich kunnen vinden.

Wat de leden van de CDA-fractie bezighoudt, is de vraag in hoeverre alle landen van de Europese Unie (EU) op dezelfde wijze de Europese voorschriften implementeren in de nationale wetgeving. Uit oogpunt van volks- en diergezondheid lijkt het deze leden een absolute eis dat gestreefd wordt naar harmonisatie in de EU. Ook zijn deze leden benieuwd in hoeverre wereldwijd afspraken gemaakt kunnen worden over dit vraagstuk.

3. Nationale bepalingen

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de inrichting van het Nederlandse destructiebestel, zoals dat momenteel is vormgegeven, ongemoeid wordt gelaten. Het is voor de leden van de CDA-fractie onduidelijk wat in algemene zin met de tarieven voor verwerking van destructiemateriaal gebeurt. Zoals ongetwijfeld bekend is, hebben deze leden grote moeite met het volledig doorberekenen van de kosten. Dit lijkt deze leden noch billijk, noch noodzakelijk, noch wenselijk. In dit verband wijzen de leden van de CDA-fractie op de vele parlementaire discussies in de afgelopen jaren, waarbij met klem is gewezen op de ongewenste effecten die een (te) hoge tariefstelling kan hebben. Daarom geven deze leden er de voorkeur aan de bestaande verrekeningssystematiek te handhaven. Ook hier geldt dat deze leden de regering verzoeken meer en beter inzicht te geven in de tarieven, die in de verschillende lidstaten van de EU worden gehanteerd.

Zoals eerder aangegeven, kunnen de leden van de CDA-fractie zich vinden in aanpassing aan de Europese voorschriften. Deze leden vragen zich echter af wat wordt bedoeld met de mogelijkheid van aanvullende nationale voorschriften, zoals in de memorie van toelichting wordt gesuggereerd.

Wat betekent het feit dat de voorschriften inzake de werkgebieden, de aangifte- en ophaalplicht, de financieringssystematiek en de verplichting voor gemeenten om voorschriften te stellen inzake de aangifte en het ophalen van dode gezelschapsdieren, tot op heden ongewijzigd zijn gebleven? Meent de regering dat deze wijziging er wel kan komen, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.

De leden van de PvdA-fractie willen graag weten waarom het niet eerder noodzakelijk was om de voorschriften uit de Destructiewet te herzien. Hoe lang was modernisering al geboden?

De leden van de VVD-fractie vragen de regering aan te geven welke gevolgen het wetvoorstel heeft voor de tarieven in zijn algemeenheid.

Wat houdt het doorberekenen aan derden in de praktijk in? Kan de regering een indicatie geven van de hoogte van de post-toelatingskosten? Wat betekent het doorberekenen van deze kosten? Wat komt er naast de doorberekening nog meer te staan in de nog op te stellen voorschriften? Kan de regering de uitvoering van de bestuursrechtelijke handhaving nader toelichten?

4. Handhaving en uitvoeringslasten

Het is de leden van de fractie van het CDA opgevallen dat de Europese verordening spreekt van erkenning en toestemming, terwijl de Nederlandse Gezondheids- en Welzijnswet spreekt van erkenning en vergunning. Een vergunning gaat gepaard met papier en kosten. Kan een toestemming niet ook middels vrijstelling en ontheffing worden geregeld? Met andere woorden, beperkt de regering niet de beleidsruimte door toestemming één-op-één als vergunning te interpreteren?

Er is nog niet definitief besloten of de handhaving alleen door de Algemene Inspectiedienst (AID), of ook door de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA) plaatsvindt. De leden van de CDA-fractie vragen zich af of het, gezien het feit dat de Kamer ernaar streeft handhaving en inspectie eenvormiger en eenduidiger te laten plaatsvinden, raadzaam zou zijn om de handhaving bij voorbaat bij de AID neer te leggen.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of de strafrechtelijke handhaving, zoals bijvoorbeeld de duur van straffen en de hoogte van boetes, dezelfde is als op Europees niveau?

Wanneer worden de exacte lastenverlichting voor de overheid en de lastenverzwaring voor het bedrijfsleven gekwantificeerd, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Wat wordt er ondernomen indien blijkt dat dit in een volstrekt onevenredige verhouding tot elkaar komt te staan?

De regering spreekt over een lastenverzwaring voor het bedrijfsleven, zo stellen de leden van de VVD-fractie. Kan de regering deze lastenverzwaring nader toelichten? Is de verzwaring van lasten onontkoombaar? Tenslotte vragen de leden van de VVD-fractie welke gevolgen de lasten met zich mee zullen brengen voor het bedrijfsleven?

De voorzitter van de vaste commissie voor LNV,

Schreijer-Pierik

De griffier van de vaste commissie voor LNV,

Van Leiden


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Buijs (CDA), Van Beek (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), voorzitter, Atsma (CDA), Van Gent (GL), Oplaat (VVD), Mosterd (CDA), Waalkens (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Verbeet (PvdA), Van den Brink (LPF), Vergeer (SP), Tichelaar (PvdA), Ormel (CDA), Duyvendak (GL), Koopmans (CDA), Eerdmans (LPF), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Boelhouwer (PvdA), Douma (PvdA), Dubbelboer (PvdA), Kruijsen (PvdA), Nijs (VVD), Lenards (VVD) en Willemse-van der Ploeg (CDA).

Plv. leden: Slob (CU), Spies (CDA), Dezentjé Hamming (VVD), Mastwijk (CDA), Ten Hoopen (CDA), Vendrik (GL), Hofstra (VVD), Vacature (CDA), Samsom (PvdA), De Krom (VVD), Krähe (PvdA), Herben (LPF), Vacature (SP), Van Heteren (PvdA), Van Lith (CDA), Özütok (GL), Van Bochove (CDA), Van As (LPF), Van der Laan (D66), Gerkens (SP), Timmer (PvdA), Depla (PvdA), Fierens (PvdA), Verdaas (PvdA), Veenendaal (VVD), Örgü (VVD) en Jager (CDA).

Naar boven