30 478
Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de beroepen in het onderwijs onder meer in verband met het aanbrengen van enkele verbeteringen in de regels over de bekwaamheid van onderwijspersoneel zoals deze komen te luiden door de Wet op de beroepen in het onderwijs (aanpassing regels bekwaamheidseisen onderwijspersoneel)

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra zoals deze zullen luiden na inwerkingtreding van de Wet op de beroepen in het onderwijs, bijzondere regels te handhaven over de bekwaamheid tot het geven van onderwijs in zintuiglijke en lichamelijke oefening in de bovenbouw van het primair onderwijs, en voorts om in die wetten een onvolkomenheid weg te nemen in de regels over de bekwaamheid van de directeur in het primair onderwijs; dat ook overigens nog enkele aanpassingen in deze wetten en in de Wet op het voortgezet onderwijs moeten worden aangebracht in verband met de bekwaamheid van onderwijspersoneel; dat het noodzakelijk is een aantal wijzigingswetten op het terrein van het primair en voortgezet onderwijs beter op elkaar af te stemmen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I. WIJZIGING WET OP HET PRIMAIR ONDERWIJS

De Wet op het primair onderwijs wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 3 wordt na het eerste lid een nieuw tweede lid ingevoegd, luidend:

2. Het onderwijs in de onderwijsactiviteit zintuiglijke en lichamelijke oefening in het derde tot en met achtste schooljaar kan in afwijking van het eerste lid, onderdeel b. 1°, behalve door degene die beschikt over een in dat onderdeel b. 1° bedoeld getuigschrift waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de bekwaamheidseisen voor het geven van lichamelijke opvoeding in het voortgezet onderwijs, uitsluitend worden gegeven door degene die:

a. beschikt over een in dat onderdeel b. 1° bedoeld getuigschrift waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 32a, eerste lid, en

b. in het bezit is van een bij ministeriële regeling aangewezen getuigschrift dat specifiek is gericht op de bekwaamheid tot het geven van dat onderwijs, of onderwijs volgt ter verkrijging van een dergelijk getuigschrift, in welk laatste geval betrokkene het onderwijs in deze onderwijsactiviteit mag geven gedurende ten hoogste twee aaneengesloten schooljaren, gerekend vanaf het moment waarop betrokkene het onderwijs ter verkrijging van dit getuigschrift voor de eerste maal volgt.

B

In artikel 32, derde lid, wordt de zinsnede «de eisen van het tweede lid, onder a.2°, of b» vervangen door: de eisen van het tweede lid, onder b.

ARTIKEL II. WIJZIGING WET OP DE EXPERTISECENTRA

De Wet op de expertisecentra wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 3 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt na «zijn vastgesteld krachtens artikel 32a, eerste lid,» ingevoegd: of krachtens artikel 36, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs,.

2. Na het eerste lid wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, luidend:

2. Het onderwijs in de onderwijsactiviteiten zintuiglijke oefening en lichamelijke oefening in groepen bestemd voor leerlingen vanaf 7 jaar in het speciaal onderwijs kan in afwijking van het eerste lid, onderdeel b. 1°, uitsluitend worden gegeven door degene die:

a. beschikt over een in dat onderdeel b. 1° bedoeld getuigschrift waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 32a, eerste lid, en

b. in het bezit is van een bij ministeriële regeling aangewezen getuigschrift dat specifiek is gericht op de bekwaamheid tot het geven van dat onderwijs, of onderwijs volgt ter verkrijging van een dergelijk getuigschrift, in welk laatste geval betrokkene het onderwijs in deze onderwijsactiviteiten mag geven gedurende hoogste twee aaneengesloten schooljaren, gerekend vanaf het moment betrokkene het onderwijs ter verkrijging van dit getuigschrift voor de eerste maal volgt.

3. In het zesde lid wordt «een getuigschrift dat bij of krachtens artikel 171 is aangewezen als bewijs van bekwaamheid» vervangen door: een getuigschrift als bedoeld in het eerste lid, onder b.1°.

B

In artikel 32, derde lid, wordt de zinsnede «de eisen van het tweede lid, onder a.2°, of b» vervangen door: de eisen van het tweede lid, onder b.

ARTIKEL III. WIJZIGING WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS

Na artikel 33 van de Wet op het voortgezet onderwijs wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidend:

Artikel 33a. Bekwaamheid o.g.v. buitenlands getuigschrift

Onze Minister kan aan personen die in het bezit zijn van een buiten de Europese Unie behaald bewijsstuk als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, de bevoegdheid verlenen tot het geven van voortgezet onderwijs. Hij kan daarbij voorwaarden en beperkingen stellen.

ARTIKEL IV. WIJZIGING WET OP DE BEROEPEN IN HET ONDERWIJS

In artikel XVI van de Wet op de beroepen in het onderwijs wordt na «het tijdstip van inwerkingtreding van» ingevoegd: de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid van.

ARTIKEL V. INVOERING ONDERHOUDSPLICHT BEKWAAMHEID WPO, WEC, WVO EN WEB

Artikel 12, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 21, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 24, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 1.3.6, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs wat het onderhouden van de bekwaamheid betreft, zoals luidend met ingang van 1 augustus 2006, vinden voor een bepaalde personeelscategorie voor het eerst toepassing met ingang van het tijdstip waarop de bekwaamheidseisen voor die categorie in werking treden.

ARTIKEL VI. OVERGANGSRECHT I.V.M. TIJDSTIP VAN VASTSTELLING UITVOERINGSVOORSCHRIFTEN WET OP DE BEROEPEN IN HET ONDERWIJS

1. Indien op 1 augustus 2006 geen bekwaamheidseisen in werking treden voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs, als bedoeld in artikel 32a, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 32a, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 36, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 4.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, blijven totdat deze bekwaamheidseisen in werking treden, ten aanzien van het geven van dat onderwijs van toepassing de bij of krachtens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde voorschriften zoals luidend op 31 juli 2006.

2. Indien op 1 augustus 2006 geen bekwaamheidseisen in werking treden voor werkzaamheden van leidinggevende aard die nauw verband houden met het pedagogisch-didactische klimaat op de school of die onderwijskundige leiding omvatten, als bedoeld in artikel 32a, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, of artikel 32a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, blijven totdat deze bekwaamheidseisen in werking treden, ten aanzien van benoeming of tewerkstelling als directeur of adjunct-directeur van toepassing de bij of krachtens de Wet op het primair onderwijs, onderscheidenlijk de Wet op de expertisecentra vastgestelde voorschriften zoals luidend op 31 juli 2006.

3. Indien op 1 augustus 2006 geen eisen in werking treden met betrekking tot onafhankelijkheid, deskundigheid en betrouwbaarheid als bedoeld in artikel 176e, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 162h, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel artikel 118n, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, wordt totdat deze eisen in werking treden, het geschiktheidsonderzoek, bedoeld in die artikelen, uitgevoerd door instellingen voor hoger onderwijs die op grond van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs zoals luidend op 31 juli 2006, bevoegd zijn tot het geschiktheidsonderzoek, volgens de voorschriften van laatstgenoemde wet.

4. Indien op 1 augustus 2006 geen uitvoeringsvoorschriften in werking treden met betrekking tot de zij-instroom, bedoeld in artikel 176i, eerste en tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 162l, eerste en tweede lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 118r, eerste en tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, is totdat deze voorschriften in werking treden het Uitvoeringsbesluit Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs zoals luidend op 31 juli 2006, van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL VII. WIJZIGING IN VERBAND MET HET WETSVOORSTEL VRAAGFINANCIERING SCHOOLBEGELEIDING EN BEKOSTIGING ONDERWIJS AAN ZIEKE LEERLINGEN

Indien deze wet in werking treedt op of na het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 17 november 2004 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de vraagfinanciering voor schoolbegeleiding en de bekostiging van het onderwijs aan zieke leerlingen (Kamerstukken II 2004/05, 29 875, nrs. 1–3) tot wet wordt verheven en in werking treedt, wordt artikel III van deze wet vervangen door:

ARTIKEL III. WIJZIGING WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS

De Wet op het voortgezet onderwijs wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 10g, tiende lid, wordt de zinsnede «wordt verbonden aan een regionaal werkzame schoolbegeleidingsdienst in de desbetreffende regio» vervangen door: kan worden verbonden aan rechtspersonen die voldoen aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en die daartoe door Onze minister zijn aangewezen.

B

Na artikel 33 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidend:

Artikel 33a. Bekwaamheid o.g.v. buitenlands getuigschrift

Onze Minister kan aan personen die in het bezit zijn van een buiten de Europese Unie behaald bewijsstuk als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, de bevoegdheid verlenen tot het geven van voortgezet onderwijs. Hij kan daarbij voorwaarden en beperkingen stellen.

ARTIKEL VIII. WIJZIGING IN VERBAND MET HET WETSVOORSTEL VRAAGFINANCIERING SCHOOLBEGELEIDING EN BEKOSTIGING ONDERWIJS AAN ZIEKE LEERLINGEN

Indien deze wet in werking treedt voordat het bij koninklijke boodschap van 17 november 2004 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de vraagfinanciering voor schoolbegeleiding en de bekostiging van het onderwijs aan zieke leerlingen (Kamerstukken II 2004/05, 29 875, nrs. 1–3) tot wet wordt verheven en in werking treedt, wordt laatstbedoelde wet als volgt gewijzigd:

A

In artikel I vervalt onderdeel M.

B

In artikel II vervalt onderdeel I.

C

In artikel III, onderdeel A, wordt «achtste lid» vervangen door: tiende lid.

ARTIKEL IX. INWERKINGTREDING

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Naar boven