30 459
Wijziging van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Estland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol, gesloten te Tallinn op 14 maart 1997; Tallinn, 14 juli 2005

A
nr. 11
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 januari 2006

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 16 februari 2006. De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 18 maart 2006.Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 14 juli 2005 te Tallinn totstandgekomen Protocol tot wijziging van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Estland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol, gesloten te Tallinn op 14 maart 1997 (Trb. 2005, 254).

Een toelichtende nota bij het Protocol treft u eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

B. R. Bot

TOELICHTENDE NOTA

1. Inleiding

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State).Het onderhavige Protocol brengt een aantal wijzigingen aan in het op 14 maart 1997 te Tallinn tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Estland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 1997, 98 en Trb. 1997, 262; hierna aangeduid als «het Verdrag»). Alle wijzigingen zijn in lijn met het Nederlandse verdragsbeleid.

2. Verloop van de besprekingen

Aanleiding voor de besprekingen die tot het Protocol hebben geleid, was een onderhandelingsclausule die in het protocol bij het Verdrag is opgenomen. Deze clausule bepaalt dat de verdragsluitende Staten vijf jaar na inwerkingtreding van het Verdrag (inwerkingtreding: 8 november 1998) bijeen zouden komen, met als doel het bronbelastingpercentage op interest die door een onderneming wordt betaald aan een bank, tot 0 te reduceren. Nederland heeft in september 2004 schriftelijk een tekstvoorstel gedaan om het doel van deze onderhandelingsclausule te realiseren. Estland was bereid om het Nederlandse voorstel te accepteren, maar wilde graag een beperkt aantal andere punten met betrekking tot het Verdrag met Nederland bespreken.

Tijdens de eendaagse bespreking bleek dat de punten die Estland in het Protocol wilde opnemen van zodanige aard waren, dat Nederland geen aanvullende punten heeft opgebracht. De Estse punten betreffen het OESO-conform maken van de bepaling omtrent de uitleg van niet in het Verdrag gedefinieerde begrippen, een wijziging van de Estse methode van het vermijden van dubbele belasting en een wijziging in de arbitrageregeling ten behoeve van onderling overleg. Omdat er geen andere dringende punten waren die van Nederlandse zijde moesten worden ingebracht, is afgesproken het Protocol te beperken tot deze punten en het punt van de onderhandelingsclausule. Een snelle afhandeling van het Protocol werd dan ook wenselijk geacht.

3. Budgettaire gevolgen

Het Protocol zal geen budgettaire gevolgen voor de schatkist hebben. Wel zal er wellicht sprake zijn van een positieve uitstraling op het bedrijfsleven.

4. Koninkrijkspositie

Het onderhavige Protocol zal, evenals het Verdrag, alleen voor Nederland gelden.

5. Artikelsgewijze toelichting

5.1 De uitleg van niet in het Verdrag gedefinieerde begrippen (artikel 1 van het Protocol)

Als begrippen niet in het Verdrag zijn gedefinieerd, worden zij bij de toepassing van het Verdrag door een Verdragsluitende Staat uitgelegd naar de wetten van die Staat. Deze algemene regel wordt door het Protocol aangevuld met de bepaling dat bij de uitleg van niet in het Verdrag gedefinieerde begrippen, de nationale belastingwetten van een Staat boven de andere wetten van die Staat gaan. De bepaling is gewijzigd op verzoek van Estland, om meer zekerheid te hebben dat de rechters in Estland niet in het Verdrag gedefinieerde begrippen op de juiste wijze uitleggen. De bepaling is nu volledig OESO-conform. De aanvulling is overigens tevens volledig in overeenstemming met het huidige Nederlandse verdragsbeleid.

5.2 Interest op bankrente (artikel 2 van het Protocol)

Het Verdrag geeft de Staten het recht om een bronbelasting van 10% in te houden op te betalen interest. Daarop zijn in het Verdrag een aantal uitzonderingen gemaakt. Het Protocol voegt nu een uitzondering toe. Er mag geen bronbelasting op interest worden ingehouden als de interest door een onderneming van de ene Staat aan een bank van de andere Staat wordt betaald. Dergelijke interest wordt niet bestreken door Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty’s tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten. Eventuele belemmeringen bij de financiering van ondernemingsactiviteiten in de andere Staat worden door deze bepaling weggenomen.

5.3 Vermijding van dubbele belasting (artikel 3 van het Protocol)

De wijze waarop Estland voorkoming van dubbele belasting verleent, wordt op verzoek van Estland vervangen. De belangrijkste verandering is dat Estland onder de nieuwe bepaling in beginsel de vrijstellingsmethode zal hanteren en slechts in enkele gevallen nog de verrekeningsmethode, zoals onder de huidige bepaling.

5.4 Arbitrageregeling ten behoeve van onderling overleg (artikel 4 van het Protocol)

In het Verdragsartikel met betrekking tot onderling overlegprocedures, is, in lijn met het Nederlandse verdragsbeleid, een bepaling opgenomen die de mogelijkheid opent voor een Verdragsluitende Staat om een zaak twee jaar nadat het verzoek tot het opstarten van een onderling overlegprocedure is gedaan, voor te leggen aan een arbitragecommissie. In het huidige Verdrag wordt daarbij de eis gesteld dat de andere Verdragsluitende Staat hiermee instemt. Door middel van het Protocol wordt deze eis geschrapt, zodat de Staten minder van elkaar afhankelijk zijn en de functie van drukmiddel sterker benadrukt wordt. Deze wijziging is geheel in overeenstemming met het huidige Nederlandse verdragsbeleid; in dat verband wordt verwezen naar paragraaf 3.4 van de notitie «Uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationaal fiscaal (verdragen)recht» (Kamerstukken II 1997/98, 25 087, nr. 4).

6. Inwerkingtreding

Het Protocol zal in werking treden dertig dagen na de dag waarop de laatste van de twee Regeringen de ander in kennis heeft gesteld dat aan alle formaliteiten voor de inwerkingtreding is voldaan. De bepalingen van het Protocol zullen echter al effect hebben vanaf 1 januari 2005. De terugwerkende kracht die hier van uitgaat, is in overeenstemming met het Nederlandse beleid zoals neergelegd in de brief van mijn ambtsvoorganger van 25 juni 1997 (Kamerstukken II 1996/97, 25 212, nr. 2). Er zijn namelijk geen voor Nederlandse belastingplichtigen belastende fiscale maatregelen in het Protocol neergelegd. Integendeel, er zijn zelfs gunstige effecten te verwachten voor Nederlandse belastingplichtigen, zodat een spoedige inwerkingtreding wenselijk is. Van de zijde van Estland is aangegeven dat de terugwerkende kracht geen problemen zal opleveren, omdat, als al sprake is van een verslechtering voor Estse belastingplichtigen, de nationale wetgeving van Estland deze verslechtering neutraliseert.

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn

De Minister van Buitenlandse Zaken,

B. R. Bot


XNoot
1

I.v.m. een correctie in de termijntekst.

Naar boven