30 381 (R 1804)
Wijziging van de Paspoortwet in verband met de dualisering van medebewindsbevoegdheden en de verstrekking van een verklaring van toestemming van de rechter bij de aanvraag van een reisdocument ten behoeve van onder toezicht gestelde minderjarigen jonger dan zestien jaar

nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG, TEVENS NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG VAN DE STATEN VAN ARUBA

Ontvangen 6 april 2006

Algemeen

Verheugd heb ik kennis genomen van de instemming die de leden van de fracties van het CDA en de PvdA hebben betuigd met het voorstel van wet tot wijziging van de Paspoortwet in verband met de dualisering van medebewindsbevoegdheden en de verstrekking van een vervangende verklaring van toestemming van de rechter bij de aanvraag van een reisdocument ten behoeve van onder toezicht gestelde minderjarigen jonger dan zestien jaar. Evenzeer ben ik verheugd met de instemming die de Staten van Aruba hebben betuigd met dit voorstel. In het navolgende wordt ingegaan op de twee vragen die zijn gesteld door de leden van de genoemde fracties.

Deze nota gaat tevens vergezeld van een nota van wijziging in verband met een noodzakelijke wijziging van de Paspoortwet wegens de invoering van het burgerservicenummer en het daarmee samenhangende verdwijnen van het begrip sociaal-fiscaal nummer. Ik verwijs kortheidshalve naar de toelichting bij deze nota van wijziging.

Artikel I

De leden van de fractie van de PvdA hebben een redactionele opmerking gemaakt over het voorgestelde nieuwe artikel 48, tweede lid, onderdeel a, van de Paspoortwet in artikel I, onderdeel E, van het voorstel van wet. Deze leden misten het woord «indien» in deze nieuwe redactie.

Het woord «indien» is in de voorgestelde redactie niet opgenomen, omdat dit woord reeds aan het einde van de aanhef van artikel 48, tweede lid, is geplaatst. Op die plaats heeft het woord «indien» betrekking op zowel onderdeel a als op onderdeel b van artikel 48, tweede lid.

Artikel III

De leden van de fractie van het CDA stelden de vraag of de horizonbepaling van artikel III slechts betrekking heeft op het voorgestelde artikel II van onderhavig voorstel van wet, nu zulks slechts uit de toelichting bij artikel III blijkt.

Ik kan de vraag van de aan het woord zijnde leden bevestigend beantwoorden. Artikel II is een overgangsrechtelijke bepaling en heeft betrekking op een vervangende toestemming die voorafgaande aan inwerkingtreding van onderhavig voorstel van wet is afgegeven. Het artikel is nodig zolang er reisdocumenten zijn die zijn afgegeven na een vervangende verklaring als bedoeld in dat artikel, te weten tot vijf jaar na inwerkingtreding van onderhavig voorstel van wet, omdat een reisdocument voor vijf jaar wordt afgegeven. Zonder de horizonbepaling in artikel III zou artikel II langer gelden dan nodig is.

De bepalingen in artikel I van het voorstel van wet zijn terstond na de inwerkingtreding uitgewerkt. Als artikel II geen onderdeel van het voorstel van wet had uitgemaakt, zou daarmee na de inwerkingtreding de gehele wet zijn uitgewerkt. In een dergelijk geval wordt een wijzigingswet niet ingetrokken. Men zie hiervoor aanwijzing 244 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Indien een wijzigingsregeling tevens overgangsrecht bevat, zijn na de inwerkingtreding van die regeling de wijzigingsbepalingen uitgewerkt en bevat de regeling alleen nog maar het overgangsrecht. In dit geval artikel II van het voorstel van wet.

De bepaling dat de wet vijf jaar na inwerkingtreding vervalt, heeft daarmee alleen gevolgen voor artikel II. In de redactie van artikel III hoeft niet tot uitdrukking te worden gebracht dat alleen artikel II vervalt, omdat de wet op dat moment in feite alleen nog maar uit artikel II bestaat. Uit aanwijzing 245 van de Aanwijzingen voor de regelgeving volgt dat het intrekken van een wijzigingsregeling niet tot gevolg heeft dat daarmee de wijzigingen in andere wetten weer ongedaan worden gemaakt. Vandaar dat in de memorie van toelichting bij artikel III kon worden gesteld dat het vervallen van de wet vijf jaar na inwerkingtreding geen gevolgen heeft voor de wijzigingen die met artikel I in de Paspoortwet worden aangebracht. Nu vaststaat dat artikel II niet langer hoeft te gelden dan vijf jaar, wordt reeds thans bepaald dat onderhavig voorstel van wet vijf jaar na inwerkingtreding vervalt. De wetgever hoeft daar over vijf jaar dan niet meer over te besluiten.

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,

A. Pechtold

Naar boven