nr. 3
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 december 2005
Aanleiding tot het rondetafelgesprek
De media hebben afgelopen augustus ruim aandacht besteed aan het onderzoek
naar corruptie in het openbaar bestuur dat, in opdracht van het ministerie
van Justitie en het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC),
door de Vrije Universiteit is uitgevoerd. Er is in de media vooral aandacht
besteed aan de perceptie van de geënquêteerde topambtenaren dat
3,2 procent van de ambtenaren en 5,2% van de politici corrupt zou zijn.
De onderzoekers hebben in hun rapport benadrukt dat het hierbij gaat om «intuïtieve
en subjectieve schattingen». Het is mij bekend dat een aantal van de
aangeschreven topambtenaren dat deel van de enquête bewust niet heeft
ingevuld vanwege het speculatieve karakter en onnodige negatieve beeldvorming
die daaruit kan voortvloeien.
Anderzijds mogen volgens mij de geschatte percentages niet zomaar terzijde
worden geschoven, ook al komt mijn eigen beeld niet overeen met deze cijfers.
Ik ben er mij van bewust dat een complex onderwerp als corruptie moeilijk
in één cijfer te vangen is. Als verantwoordelijke voor de kwaliteit
en de integriteit van de openbare sector was ik benieuwd naar de beelden die
achter deze cijfers leven. Hiertoe had ik eind augustus aangekondigd dat ik
hierover een rondetafelgesprek zou willen voeren met topambtenaren (TK 2004–2005,
17 050 en 28 244, nr. 305, p.2).
Een deel van de genodigden voor het rondetafelgesprek heeft wellicht destijds
meegedaan aan de VU-enquête, maar hierop waren de uitnodigingen niet
gebaseerd. Het gaat tenslotte om het beeld achter individuele percepties,
niet om een herhaling van het VU-onderzoek en ook niet om het afleggen van
verantwoording over wat men al dan niet heeft ingevuld.
Het rondetafelgesprek
Het rondetafelgesprek is constructief verlopen. Alle aanwezige topambtenaren
hebben op een openhartige wijze hun ideeën over corruptie in het openbaar
bestuur uitgewisseld. Daarbij is ook aandacht besteed aan een mogelijke versterking
van het integriteitsbeleid door de overheidsorganisaties. Uit het rondetafelgesprek
kwamen de volgende beelden naar voren.
De aanwezige topambtenaren herkenden zich niet in het opgeroepen beeld
dat ruim 5% van de politici/bestuurders en ruim 3% van de ambtenaren
corrupt zou zijn. Dat deze gemiddelde percentages toch naar voren waren gekomen
uit het onderzoek in opdracht van het WODC, werd door de aanwezigen op verschillende
manieren verklaard.
Uit de discussie bleek al snel dat het begrip corruptie ruimer moet zijn geïnterpreteerd dan de strikte strafrechtelijke
betekenis. De term «corruptie» wordt in de praktijk namelijk snel
gekoppeld aan het bredere begrip van normvervaging.
Tegelijkertijd werd er op gewezen dat het beeld van de integere overheid
erg kwetsbaar is. De hoge verwachtingen over de overheid, die zichtbaar is
in de uitspraak «een beetje integer bestaat niet» en die zowel
leven bij de overheid zelf als bij de burger, maakt de overheid gevoelig voor
aantasting van haar imago. Het belang van een integere overheid is zo groot
dat kleine kwesties en normvervaging bijna net zoveel schade aanrichten als
echte corruptiezaken en daarmee worden verward.
De topambtenaren stelden op basis van hun interne onderzoeken dat binnen
hun organisaties een (zeer) klein percentage van de ambtenaren integriteitsschendingen
pleegt. Met als kanttekening dat een goede registratie veelal ontbreekt en
dat bij een actief optreden naar verwachting meer schendingen zullen worden
ontdekt. Ook zal een veranderende organisatiecultuur met meer ruimte voor
open discussie in eerste instantie gaan leiden tot een verhoging van het aantal
meldingen.
De topambtenaren waren het erover eens dat de overheid niet kan zeggen
dat er niets aan de hand is. Maar dat neemt niet weg dat de Nederlandse overheid
in het algemeen integer is, dat blijkt ook uit internationaal vergelijkend
onderzoek. Er is in die zin geen reden tot grote zorg of tot defensieve reacties.
Wel moet de overheid zich meer gaan wapenen tegen risico’s. De topambtenaren
wezen op het belang van goede en structurele risicoanalyses en het onderkennen
van risico’s. Ook werd gewezen op het belang van een volwaardig integriteitsbeleid
dat zich niet beperkt tot regels, maar ruimschoots aandacht geeft aan cultuur
en bewustwording. Zo wordt de ambtseed als een waardevol instrument beschouwd,
mits het afleggen daarvan gebeurt in een bredere context waarin bewustwording
en het belang van integriteit centraal staan. Middelen hiervoor zijn tevens
de rol van functioneringsgesprekken en voorbeeldgedrag van bestuurders en
leidinggevenden. Integriteit moet continue aandacht krijgen in de organisatie.
Voor de verdere ontwikkeling van het integriteitsbeleid in hun organisaties
gebruikten enkele topambtenaren de praktische handleidingen van het ministerie
van BZK en de koepelorganisaties. Ondersteuning in de vorm van instrumenten
die op centraal niveau zijn ontwikkeld, werd op prijs gesteld.
De topambtenaren gaven aan het rondetafelgesprek op prijs te hebben gesteld
en ook in de toekomst graag met elkaar van gedachten te willen wisselen over
integriteit en integriteitsbeleid. Het Bureau Integriteit Openbare
Sector (BIOS) van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
dat begin 2006 van start gaat, zal daarin faciliteren.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J. W. Remkes