30 331
Wetsvoorstel tot intrekking van de Veewet

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 15 november 2005

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen afdoende beantwoordt, acht de commissie de schriftelijke behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Bij deze leden leeft nog een aantal vragen met betrekking tot dit wetsvoorstel.

De leden van de fractie van de PvdA hebben met interesse het voorstel tot intrekking van de Veewet ontvangen.

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Omdat de intrekking van de Veewet bijdraagt aan de vereenvoudiging van regelgeving is deze fractie het hiermee eens.

Ieder voorstel dat van overheidswege wordt gelanceerd ter vereenvoudiging van de regelgeving en dat leidt tot vermindering van de administratieve lasten, wordt door de leden van de LPF-fractie positief begroet. Echter, dat wil niet zeggen dat deze leden niet kritisch kijken naar inhoud en gevolgen.

De bedoeling van het onderhavige wetsvoorstel wordt dus toegejuicht, maar inhoud en toelichting roepen bij deze leden wel enige vragen op.

Achtergrond

De Raad van State is van oordeel dat de Landbouwwet onvoldoende grondslagen biedt om de voorschriften ter uitvoering van de hygiëneverordening vast te leggen. Kan de regering inzichtelijk maken hoe ze denkt deze voorschriften te waarborgen? Daarbij is voor de leden van de CDA-fractie van belang of dit al via de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD) gebeurt, of dat deze voorschriften moeten worden geïmplementeerd via een wijziging van de Landbouwwet.

Ook heeft de Raad van State opmerkingen over de strafbaarstelling in het kader van de hygiëneverordeningen. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan duiden hoe de strafbaarstelling geregeld gaat worden.

Ten principale zijn de leden van de fractie van de PvdA voorstander van het intrekken van verouderde en overbodige en wet- en regelgeving. Nu er Europese verordeningen zijn, die met directe werking de oude wet overbodig maken, kan de oude wet worden ingetrokken. Het is de leden van de PvdA-fractie onduidelijk waarom de intrekking van diverse wetten in tranches gebeurt en niet pas op het moment dat de nieuwe, in de Landbouwvisie aangekondigde, wet in werking treedt.

De leden van de fractie van de PvdA willen daarbij wel zekerheid hebben dat alle bepalingen uit de oude wet nu inderdaad door Europese wetgeving worden afgedekt. Zo neen, bij welke onderdelen is dat niet het geval of wordt het elders geregeld?

Artikel I van het wetsvoorstel luidt kort en bondig: «De Veewet wordt ingetrokken.». Zonder de memorie van toelichting zou dit artikel geen enkele vraag bij de leden van de LPF-fractie oproepen. Waar normaal gesproken een toelichting bedoeld is als verduidelijking, lijkt hier eerder het tegenovergestelde het geval te zijn. De memorie van toelichting spreekt over intrekken van de artikelen 66 en 68 tot en met 73 van titel V en daaraan gerelateerde bepalingen van titel Va. Vervolgens spreekt de memorie van toelichting over een artikel 124 van de GWWD, welk artikel reeds zou voorzien in de intrekking van het grootste gedeelte van de Veewet. Kijkt men vervolgens in de GWWD naar artikel 124, dan staat daar verder niets bij. Dus onze vraag is uiteraard wat artikel 124 GWWD eigenlijk inhoudt. Is dat artikel nu wel of niet van kracht? Als het al van kracht is, wanneer is het dan in werking getreden en wanneer is het grootste gedeelte van de Veewet ingetrokken? Of zijn die artikelen nog helemaal niet ingetrokken, zoals hoofdstuk 3 van de toelichting doet vermoeden? Waarom spreekt het wetsvoorstel dan over «De Veewet wordt ingetrokken»? Kortom, de leden van de LPF-fractie komen tot de conclusie dat de regering hier voor veel verwarring zorgt. Een heldere uitleg is hier op zijn plaats.

De regering refereert in de memorie van toelichting aan de voorstellen van de Werkgroep Vleesregelgeving. Deze werkgroep bespreekt een aantal opties voor verandering van de vleesregelgeving en geeft daarbij meteen de voor- en nadelen aan. De uiteindelijke conclusie van de werkgroep is, zo stellen de leden van de LPF-fractie, dat er in ieder geval behoefte is om te komen tot een samenhangend geheel van wetgeving en een heldere éénduidige aansturing door één ministerie. Het liefst ziet de werkgroep één Vleeswet.

In welk opzicht heeft de regering de conclusies van de werkgroep ter harte genomen? Immers, zowel de Warenwet als de Landbouwwet blijven (nog) van kracht. Er komt wel een nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling tussen de betrokken ministeries per 1 januari 2006, maar er is zeker geen sprake van een heldere eenduidige aansturing door één ministerie, zo stellen de leden van de LPF-fractie. Ziet de regering dit anders? Zo ja, kunt u dit dan uitleggen?

De leden van de LPF-fractie zijn van mening dat als de vraag over de verantwoordelijkheidsverdeling niet afdoende beantwoord is of als de aansturing in meerdere handen ligt, dit voor de aan te sturen instanties een vrijbrief is om zelf het beleid invulling te geven.

Per 1 januari 2006 wordt het Hygiënepakket op levensmiddelen van toepassing. Dit pakket bevat vier verordeningen en een richtlijn. De verordeningen zijn verbindend in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk. De leden van de LPF-fractie stellen dat de regering aangeeft dat de Landbouwwet hiervoor toegepast gaat worden, tenminste voorzover het gaat om de strafbaarstelling. Komt de regering niet in conflict met de Warenwet of met de GWWD? Deze leden vragen hierover graag uitleg. Wil de regering nog eens duidelijk uitleggen waarom zij het niet eens is met het advies van de Raad van State voor wat betreft de grondslag voor de uitvoering van Europese regelgeving in de Landbouwwet?

De regering stelt in de memorie van toelichting dat voor de langere termijn een nieuwe wettelijke basis wordt gemaakt voor de regelgeving over vleeskeuring. Is die nieuwe wettelijke basis al in de maak, zo vragen de leden van de LPF-fractie. Wanneer kan de Kamer die nieuwe opzet tegemoet zien? Welke partijen zijn betrokken bij de totstandkoming? Welke onderdelen zullen hiervan deel uitmaken?

Is de regering ervan overtuigd dat met de intrekking van de Veewet en de Vleeskeuringswet, er wachtende op nieuwe wetgeving geen juridisch vacuüm ontstaat?

Administratieve lasten en bedrijfseffecten

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de opmerkingen aangaande de administratieve lasten. Is de conclusie van deze leden juist dat deze intrekking waarschijnlijk niet zal leiden tot een verlichting van administratieve lasten? De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat bij de vaststelling van een nieuwe integrale wet inzake dieren en dierlijke producten uitdrukkelijk aandacht moet worden gegeven aan het beperken van administratieve lasten.

Het is de leden van de PvdA-fractie onduidelijk of met het onderhavige wetsvoorstel administratieve lasten worden verminderd. Verplichtingen blijven immers in stand of worden vervangen door Europese regelgeving?

De regering heeft met betrekking tot de administratieve lastenverlichting hoge ambities, maar de intrekking van de Veewet leidt nog niet zonder meer tot een verlichting van de administratieve lasten. De leden van de LPF-fractie gaan er vanuit dat de regering toch wel een idee heeft tot welke verlichting het gehele vernieuwde pakket van regelgeving op dit gebied straks zal moeten leiden. Bovendien zijn deze leden van mening, dat vooral van belang is of het bedrijfsleven inderdaad ook een verlichting ervaart. Natuurlijk is het belangrijk om te kunnen aangeven dat de lastendruk feitelijk is verminderd met een bepaald percentage, maar als de ondernemer of de burger dat niet zo ervaart, schieten we het doel voorbij, zo menen deze leden.

De Voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Schreijer-Pierik

De Griffier voor dit verslag

Van Leiden


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), Ondervoorzitter, Vos (GL), Buijs (CDA), Van Beek (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Voorzitter, Atsma (CDA), Oplaat (VVD), Mosterd (CDA), Waalkens (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Verbeet (PvdA), Van den Brink (LPF), Vergeer (SP), Tichelaar (PvdA), Ormel (CDA), Duyvendak (GL), Koopmans (CDA), Eerdmans (LPF), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Koomen (CDA), Boelhouwer (PvdA), Douma (PvdA), Dubbelboer (PvdA), Kruijsen (PvdA), Lenards (VVD) en Vacature (VVD).

Plv. leden: Slob (CU), Vendrik (GL), Spies (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Mastwijk (CDA), Ten Hoopen (CDA), Hofstra (VVD), Vacature (CDA), Samsom (PvdA), De Krom (VVD), Duivesteijn (PvdA), Herben (LPF), Vacature (SP), Van Heteren (PvdA), Van Lith (CDA), Van Gent (GL), Van Bochove (CDA), Van As (LPF), Van der Laan (D66), Gerkens (SP), Jager (CDA), Timmer (PvdA), Depla (PvdA), Fierens (PvdA), Verdaas (PvdA), Örgü (VVD) en Veenendaal (VVD).

Naar boven