30 329
Wijziging van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de Wet op de economische delicten ter uitvoering van een drietal EG-verordeningen inzake handel in drugsprecursoren

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 11 november 2005

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport1, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voornemen van de regering om de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Wvmc) en de Wet op de economische delicten (WED) ter uitvoering van een drietal EG-verordeningen inzake handel in drugsprecursoren te wijzigen. Echter bestaan er bij deze leden nog wel enkele vragen.

De Raad van State merkt op dat de bevoegdheid in artikel 4, eerste lid, geformuleerd wordt als een discretionaire bevoegdheid van de minister terwijl artikel 26 van verordening nr. 111/2005 vereist dat de bevoegde autoriteit een verbod oplegt, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat deze stoffen bestemd zijn voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen. Zij adviseert de regering het eerste lid van artikel 4 op dit punt te wijzigen. De regering gaat hier echter niet op in. De leden van de VVD-fractie vragen de regering alsnog toe te lichten waarom zij dit advies van de Raad niet overneemt.

De Raad van State geeft aan dat het niet noodzakelijk is overgangsbepalingen in de Wvmc op te nemen, omdat deze direct uit de verordening zelf voortvloeien. Daarnaast licht de Raad toe dat artikel II niet juist is voor wat betreft de individuele open uitvoervergunningen die zijn afgegeven overeenkomstig artikel 5, derde lid en artikel 5bis, derde lid, van verordening nr. 3677/90. De leden van de VVD-fractie vragen de regering toe te lichten hoe zij aankijkt tegen het feit dat de Raad aangeeft dat artikel II niet juist is.

Artikelsgewijs

In artikel 3, zevende lid, van de verordening wordt bepaald dat bevoegde instanties van de marktdeelnemer kunnen verlangen dat hij een vergoeding betaald voor de aanvraag van een vergunning of registratie. Hiervan wordt door de regering op dit moment nog geen gebruik gemaakt, maar zij houdt de mogelijkheid open dit in de toekomst bij ministeriële regeling te eisen. De leden van de VVD-fractie vragen de regering toe te lichten waarom zij op dit moment geen vergoeding vragen voor de aanvraag van een vergunning of registratie en wat de regering ertoe kan bewegen tot het vragen van een vergoeding in de toekomst.

De voorzitter van de commissie,

Blok

Adjunct-griffier van de commissie,

Sjerp


XNoot
1

 Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Kalsbeek (PvdA), Buijs (CDA), Atsma (CDA), Arib (PvdA), Vendrik (GL), Kant (SP), Blok (VVD), voorzitter, Smits (PvdA), Örgü (VVD), Verbeet (PvdA), Van Oerle-van der Horst (CDA), ondervoorzitter, Vergeer (SP), Vietsch (CDA), Joldersma (CDA), Varela (LPF), Van Heteren (PvdA), Smilde (CDA), Nawijn (Groep Nawijn), Van Dijken (PvdA), Timmer (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Kraneveldt (LPF), Schippers (VVD), Omtzigt (CDA), Azough (GL), Koşer Kaya (D66) en Van der Sande (VVD).

Plv. leden: Rouvoet (CU), Verdaas (PvdA), Ferrier (CDA), Çörüz (CDA), Blom (PvdA), Halsema (GL), Gerkens (SP), Veenendaal (VVD), Hamer (PvdA), Weekers (VVD), Tjon-A-Ten (PvdA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Vacature (algemeen), Ormel (CDA), Koomen (CDA), Van As (LPF), Waalkens (PvdA), Mosterd (CDA), Bussemaker (PvdA), Heemskerk (PvdA), Oplaat (VVD), Hermans (LPF), Hirsi Ali (VVD), Eski (CDA), Van Gent (GL), Bakker (D66) en Nijs (VVD).

Naar boven