30 329
Wijziging van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de Wet op de economische delicten ter uitvoering van een drietal EG-verordeningen inzake handel in drugsprecursoren

nr. 4
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 8 september 2005 en het nader rapport d.d. 6 oktober 2005, aangeboden aan de Koningin door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 11 juli 2005, no. 05.002586, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de Wet op de economische delicten ter uitvoering van een drietal EG-verordeningen inzake handel in drugsprecursoren, met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel strekt ter implementatie van verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PbEU L 47), verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad van 22 december 2004 houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren (PbEU L 22) (hierna: verordening nr. 111/2005) en verordening (EG) nr. 1277/2005 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake drugsprecursoren en van verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren (PbEU L 202) (hierna: uitvoeringsverordening).

De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt een aantal opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 11 juli 2005, no. 05.002586, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 8 september 2005, nr. W13.05.0304/III, bied ik U hierbij aan.

1. Bevoegdheid van de bevoegde instantie

Artikel 26, eerste lid, van verordening nr. 111/2005 wordt geïmplementeerd in het voorgestelde artikel 4 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Wvmc). Dit artikel wijst de bevoegde autoriteit aan en neemt de bevoegdheid over die in artikel 26, eerste lid, van verordening nr. 111/2005 aan die autoriteit is toegekend. In beginsel is het niet nodig om naast het aanwijzen van de bevoegde autoriteit ook de aan hem toegekende bevoegdheden uit de verordening op te nemen, omdat die rechtstreeks uit de verordening volgen. In het geval van het voorgestelde artikel 4 Wvmc is het met het oog op het legaliteitsbeginsel wel gewenst dat de bevoegdheid uit verordening nr. 111/2005 wordt opgenomen, omdat ingevolge artikel III, onderdeel A, van het wetsvoorstel overtreding van artikel 4, tweede lid, Wvmc wordt aangemerkt als een economisch delict.

Wel merkt de Raad op dat deze bevoegdheid is geformuleerd als een discretionaire bevoegdheid van de minister, terwijl artikel 26 van verordening nr. 111/2005 vereist dat de bevoegde autoriteit het verbod oplegt, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat deze stoffen bestemd zijn voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.

De Raad adviseert artikel 4, eerste lid, op dit punt te wijzigen en in het tweede lid van artikel 4 tot uitdrukking te brengen dat het verboden is te handelen in strijd met het verbod in artikel 26 van de verordening, zoals vastgesteld door Onze Minister.

1. Artikel 4, tweede lid, is overeenkomstig het advies aangepast.

2. Overgangsrecht

Artikel II van het wetsvoorstel luidt dat vergunningen en registraties die zijn verleend op basis van de Wvmc, zoals deze luidde vóór inwerkingtreding van het wetsvoorstel, worden aangemerkt als vergunningen en registraties op basis van verordening nr. 111/2005. Volgens de toelichting is deze overgangsbepaling nodig omdat er geen reden is om bedoelde vergunningen en registraties te doen vervallen.

De Raad wijst er op dat het niet noodzakelijk is om overgangsbepalingen in de Wvmc op te nemen, omdat deze immers direct uit de verordeningen zelf voortvloeien. Dat daargelaten merkt de Raad op dat artikel II niet juist is voor wat betreft de individuele open uitvoervergunningen die zijn afgegeven overeenkomstig artikel 5, derde lid, en artikel 5bis, derde lid, van verordening nr. 3677/901. Artikel 31 van de uitvoeringsverordening bepaalt dat de bevoegde instanties deze uitvoervergunningen intrekken, maar dat deze intrekking zonder gevolgen blijft voor geregistreerde stoffen die vóór 1 januari 2006 voor uitvoer zijn aangegeven.

De Raad adviseert artikel II te schrappen.

2. Het voorstel van de Raad om overgangsrecht achterwege te laten, is niet gevolgd. Een overgangsbepaling is nodig om de geldigheid van de krachtens artikel 4 bis, van verordening nr. 3677/90 (EEG) van de Raad van 13 december 1990 houdende maatregelen om te voorkomen dat bepaalde stoffen worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (PbEG L 357), verleende (uitvoer)vergunningen en registraties te behouden. Er is geen reden om deze te doen vervallen. Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad van 22 december 2004 houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren (PbEU L 22) bepaalt weliswaar in artikel 34, tweede alinea, dat verwijzingen naar verordening nr. 3677/90 gelden als verwijzingen naar verordening nr. 111/2005, maar daarmee is de overgangssituatie nationaal nog niet afgedekt. Hiervoor is nationaal overgangsrecht nodig.

3. Implementatietermijn

Nu de implementatietermijn van 18 augustus 2005 niet gehaald kan worden, is de Raad van mening dat aandacht dient te worden besteed aan de eventuele gevolgen daarvan.

De Raad adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.

3. Naar aanleiding van het advies is de memorie van toelichting voor wat betreft de overschrijding van de voorgeschreven implementatietermijn aangevuld.

4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.

4. Aan de redactionele kanttekeningen van de Raad is gevolg gegeven.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State,

H. D. Tjeenk Willink

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

J. F. Hoogervorst

Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no. W13.05.0304/III met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

– In de wettekst en de memorie van toelichting de aanhaling van de verordeningen in overeenstemming brengen met aanwijzing 89 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar).

– Gelet op Ar 52, in artikel 4 de verwijzing naar «beschikking» laten vervallen, omdat het daarin opgenomen verbod altijd via een beschikking wordt opgelegd.


XNoot
1

De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Verordening (EEG) nr. 3677/90 van de Raad van 13 december 1990 houdende maatregelen om te voorkomen dat bepaalde stoffen worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (PbEG L 357).

Naar boven