30 300 V
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2006

nr. 101
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 12 januari 2006

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1 heeft op 8 december 2005 overleg gevoerd met minister Van Ardenne-van der Hoeven voor Ontwikkelingssamenwerking over:

– de brief van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking d.d. 3 oktober 2005 ten geleide van de notitie over seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) van jongeren in partnerlanden (30 300-V, nr. 5);

– de brief van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking d.d. 22 november 2005 inzake de reactie van de minister op het rapport van de UNFPA «State of the World Population 2005» (30 300-V, nr. 74);

– de brief van de ministers van Buitenlandse Zaken en voor Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 oktober 2005 inzake de rol van religie in het buitenlands beleid (30 300-V, nr. 8);

– de brief van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking d.d. 3 november 2005 houdende de regeringsreactie op het AIV-advies «De invloed van en religie op ontwikkeling: stimulans of stagnatie?» (30 300-V, nr. 14).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) Mevrouw Tjon-A-Ten (PvdA) dankt de minister voor de notitie over seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) van jongeren in partnerlanden. Het daarin geschetste beeld is schrijnend. Wat wil de minister eraan doen om ervoor te zorgen dat landen wel in staat zijn goede statistieken te produceren? In het Nederlandse OS-beleid wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschillende groepen. Welke concrete inzet wil de minister plegen om structurele verbetering van de maatschappelijke, economische en politieke participatie van jonge mensen in ontwikkelingslanden daadwerkelijk te realiseren? Op het gebied van jongeren laat Nederland, dat overigens veel doet, steken vallen. Het gevoel van urgentie ten aanzien van de immense problemen van deze groep klinkt onvoldoende door in het Nederlandse beleid voor ontwikkelingssamenwerking. Hiervoor is helder en concreet beleid nodig. Kunnen de partnerlanden worden opgeroepen nieuwe methodieken en overlegvormen te ontwikkelen, om zo de jongeren te betrekken bij alle voor hen relevante kwesties, zonder daarbij de eigen accenten van ontwikkelingslanden te veronachtzamen? Dit is volgens mevrouw Tjon-A-Ten een recht op grond van het Verdrag inzake de rechten van het kind.

Kan de minister toelichten hoe de uitspraak dat bevordering van SRGR in samenhang met de bestrijding van de gevolgen van hiv/aids hoge prioriteit heeft, zich verhoudt tot het in de begroting voor 2006 gereserveerde bedrag voor SRGR, dat minder dan de helft van dat voor hiv/aids is? Hoe is dit te rijmen met het feit dat verschillende organisaties die actief werken aan de realisatie van SRGR zijn geschrapt uit het daarop betrekking hebbende beleidskader? Staat dit niet haaks op de heldhaftige uitspraken van de minister over de conservatieve agenda van het Vaticaan en de VS? Welke tussenliggende streefwaarden wil zij op weg naar 2015 hanteren voor de onderscheiden partnerlanden?

Mevrouw Tjon-A-Ten vindt dat, als het de minister ernst is om de feminisering van hiv/aids aan te pakken, zij een geïntegreerde aanpak van hiv/aids met SRGR moet bewerkstelligen, inclusief de noodzakelijke financiële middelen en meer aandacht voor participatie van te benoemen groepen als vrouwen, gehandicapten, jongeren en kinderen, vooral meisjes. Een ten onrechte niet in de notitie belicht onderwerp is abortus. Zij vindt dit een omissie, omdat hierdoor veel vrouwen en meisjes vooral in ontwikkelingslanden of landen waar abortus illegaal is, overlijden. Deelt de minister de opvatting dat ook dit moeilijke onderwerp bespreekbaar moet worden gemaakt en zo ja, hoe gaat zij dit doen?

Verder is de positie van mannelijke en vrouwelijke prostituees niet benoemd in de notitie. De structurele ongelijkheid ondermijnt vrouwen als zelfstandige actoren in hun dagelijks leven. Is de minister bereid om ook deze groep expliciet te benoemen als het gaat om SRGR en welke inzet wil zij daarbij plegen? Onvoldoende uit de verf komt de SRGR van twee groepen: mensen met een andere seksuele geaardheid en mensen met een handicap. Hoe wil de minister bevorderen dat hun toegang tot een goede basisgezondheidszorg wordt vergroot? Preventie vraagt om een attitudeverandering van velen en om de beschikbaarheid van mannen- en vrouwencondooms, en dus om een doelgroepenbenadering. Hoe wil de minister dit punt hoger op de internationale agenda krijgen en welke middelen heeft zij hiervoor over?

Mevrouw Tjon-A-Ten vraagt of de afspraken rond de Caïroagenda nog steeds aanvullend relevant zijn en zo ja, welke inzet de minister wil plegen om een snellere en betere uitvoering te realiseren. Hoe krijgt dat al in 2006 gestalte? Wat is de stand van zaken rond de tien actiepunten uit de gemeenschappelijke verklaring van de UNFPA en Nederland?

Mevrouw Ferrier (CDA) vindt het goed dat de balans wordt opgemaakt van wat er is bereikt op dit gebied. Immers, als op dit punt niets wordt bereikt, zijn de prestaties op andere terreinen ook voor niets geweest. Zij vindt dat de minister SRGR op een vernieuwende wijze hoog op de politieke agenda heeft geplaatst, waarvoor zij grote waardering heeft. De grote zorg blijft dat de krachten die de taboes willen doorbreken, steeds meer worden ondermijnd. Een grote uitdaging, die met tact moet worden aangepakt. Conservatieve krachten proberen mee te krijgen is van essentieel belang voor het bereiken van een duurzaam effect. Wat is de strategie van de minister in dezen?

Mevrouw Ferrier vraagt hoe op Europees niveau en wereldwijd meer bondgenoten kunnen worden geworven voor SRGR en de bestrijding van hiv/aids. Nederland is met 58 mln. de grootste donor van het bevolkingsfonds van de UN, UNFPA. Hoe vertaalt dit feit zich in beleidsmatige invloed? Op dit gebied gaat het om cultuurveranderingen, die aan de basis van de grond moeten komen. Juist op dit gebied is de inzet van niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) en medefinancieringsorganisaties (mfo’s) van groot belang, evenals de aanwezigheid van politieke wil, zodat er druk moet worden uitgeoefend op regeringen. Hoe denkt de minister dit gestalte te geven? Wat betekent de rol van de ambassades voor de daar aanwezige deskundigheid? Om effect te sorteren op het gebied van SRGR is het van cruciaal belang om daar jongeren bij te betrekken, vooral bij de bepaling daarvan. Zij benadrukt de positieve rol van sport hierin. Zijn er plannen om dergelijke activiteiten structureel in andere landen te ontwikkelen? Hoe zit het met de sportieve participatie van meisjes, hoe worden deze bereikt? In deze discussie en beleidsbepaling moet altijd onderscheid worden gemaakt tussen de positie en context van meisjes en vrouwen aan de ene kant en die van jongens en mannen aan de andere kant. Zij mist dit onderscheid in de beleidsvoorstellen. Wetgeving is cruciaal bij het bestrijden van ongelijkwaardigheid. Wat is de inzet van Nederland en Europa om ontwikkelingen in de richting van het terugdraaien van wetgeving in diverse landen tegen te gaan?

Een van de praktijken die krachtig moeten worden bestreden, is genitale verminking van vrouwen. Zolang moeders ervan overtuigd zijn dat zij hun dochters een dienst bewijzen door hen te besnijden, is wetgeving onvoldoende. Wat kan de minister hieraan specifiek doen? Mevrouw Ferrier steunt de minister in haar strijd tegen discriminatie van homoseksuelen. Terecht spelen informatievoorziening en onderwijs daarbij een grote rol. Kan de minister daarop ingaan? De participatie van jongeren schiet tekort, maar wat wil de minister daaraan doen? Het gaat om kennis bij en informatie van betrokkenen. Dat hangt af van de politieke wil van de leiders. Ten slotte vraagt zij om best practices.

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie) vindt dat de notitie weinig beleidsvoornemens bevat, hoewel zij positieve woorden wijdt aan het beleid van de minister. Zij denkt dat jongens en mannen niet hoeven te worden overtuigd van hun seksuele rechten. De insteek bij vrouwen moet vooral het recht zijn om «nee» te zeggen. Daarom is empowerment van vrouwen belangrijk. Wanneer de grondhouding van mannen voor vrouwen ontbreekt, zullen condooms niet helpen: de basishouding zal moeten veranderen. Hoe staat de minister tegenover het idee om via de ambassades meer aandacht te vragen voor de rol van religieuze leiders? De druk op de reguliere gezondheidszorg om aidsremmers binnen ieders bereik te krijgen, is erg groot. Heeft de minister een idee hoe die druk weg te nemen? Is de notitie niet doordrenkt van een westerse kijk op zaken?

De heer Van der Staaij (SGP) beklemtoont het belang van een op jongeren gerichte aanpak. Hij vindt het een goede zaak dat de minister vooral op hen focust. Verder onderstreept hij het grote belang van het tegengaan van seksueel geweld. Daarbij zijn van belang: verbetering van de positie en de weerbaarheid van vrouwen en een gelijkwaardige seksuele relatie. Vanuit diverse levensovertuigingen en godsdiensten zijn daarvoor goede argumenten aan te dragen. Zij vormen geen rechtvaardiging voor misstanden. Wel is de culturele context van vergoelijking van misbruik van meisjes en vrouwen lastig. Er moet op dat punt een gedragsverandering worden bewerkstelligd. Maar wat is er mis met het huidige gedrag en in welke richting moet het gedrag worden veranderd? Gaat het alleen om het bereiken van een omslag van onveilige naar veilige seksualiteit, of om meer? Hij hoopt dat het laatste het geval is. Het is hem opgevallen dat sterk wordt gedacht in rechten van autonome individuen. Er zou meer recht moeten worden gedaan aan het relationele karakter van seksualiteit. Hebben kerken hierin een rol? De Amerikaanse aanpak, bekritiseerd in de notitie, wordt gekenmerkt door zeer meetbare doelstellingen. Niet alle energie moet worden gestoken in de polarisatie op bepaalde items: de krachten moeten worden gebundeld. Ziet de minister de noodzaak in van goede samenwerking met de VS? In hoeverre wordt nu al samengewerkt met kerkelijke en andere godsdienstige organisaties in de partnerlanden?

De heer Dittrich (D66) vindt dit een prima notitie, die een helder beeld geeft van de bestaande problemen. Maar er staat weinig in over de wijze, waarop Nederland de problemen wil aanpakken. Een plan van aanpak zou handig zijn, waarin wordt ingegaan op de rol van het ministerie, van de ambassades, van ngo’s en van lokale overheden. Hij verwijst naar een helaas niet aangenomen motie van zijn fractie, waarin wordt gevraagd SRGR in te bedden in het onderwijs. Wil de minister op dit punt (nog meer) haar best gaan doen? Hij vindt het schrijnend om te zien hoe de VS allerlei ngo’s onder druk zet en het zou goed zijn als Nederland in dat gat springt. Gaat de minister dat doen en zo ja, hoe?

Het antwoord van de minister

De minister dankt de Kamer voor agendering van dit onderwerp: voor het eerst wordt over dit onderwerp als thema op zichzelf gesproken. De door haar gemaakte notitie is een inventarisatie van de stand van zaken rond SRGR in de partnerlanden. Zij vindt het uitstekend dat daarbij ook hiv/aids wordt betrokken, want dit wordt door haar beschouwd als de kern van het armoedebeleid. Hierover is tijdens de Duurzaamheidstop in Johannesburg lang gediscussieerd en deze lijn is doorgetrokken naar de VN-top en het Europees voorzitterschap. Daarbij heeft de positie van jongeren een aparte plek gekregen, daaraan wordt continu gewerkt. Hiervoor is binnen het ministerie een taskforce opgericht, die specifiek op dit thema actief is. Inmiddels is een nieuwe aidsambassadeur benoemd. De combinatie tussen de bestrijding van hiv/aids en SRGR wordt continu bewaakt. Deze «inclusieve» aanpak is van meet af aan leidend geweest voor de minister. In de memorie van toelichting op de begroting staan nieuwe indicatoren voor volgend jaar, bijvoorbeeld met betrekking tot onderwijs. In tien partnerlanden worden beide aspecten in de onderwijsplannen opgenomen. Als het gaat om een andere target geldt dat ervoor zal worden gezorgd dat in zes partnerlanden de seksuele voorlichting aan jongeren en dienstverleners wordt verzekerd. In het multilaterale kader is een notitie van UNFPA een signaal voor de organisaties om wakker te worden. De minister trekt zich kritiek als zou zij de belangrijke doelgroep van jongeren over het hoofd zien, niet aan. Nederland is één van de grootste investeerders in Unicef, waar dit punt hoog op de agenda staat.

De minister onderstreept dat ook veel ngo’s, zoals International Planned Parenthood Federation (IPPF), zeer actief zijn als het gaat om het benaderen van jongeren. Maar ook noemt zij de maatschappelijke organisaties in Nederland. Seksualiteit is volgens haar geen makkelijk thema, waarover soms met omzichtigheid moet worden gediscussieerd. Dat wil niet zeggen dat de Nederlandse ambassades dit thema niet meenemen. Hetzelfde geldt voor vrouwenbesnijdenis. Zij denkt dat de VS in zekere zin inhoudelijk tegenstander van het Nederlandse beleid zijn. Wel moet worden bedacht dat de VS een heel belangrijke donor is, zij het dat in tegenstelling tot Nederland de streep wordt gelegd bij de A- en de B-programma’s. Condooms zijn beschikbaar, zij het alleen voor gehuwde paren.

Andere donorlanden lopen op deze punten niet voorop. Nederland loopt voorop als het gaat om het vergroten van de weerbaarheid en de waardigheid van vrouwen en meisjes. Binnen de EU heeft Nederland medestanders, terwijl landen als Peru en Nicaragua aan de kant van Nederland staan, respectievelijk niet meer terughoudend zijn. Er is echter nog steeds sprake van een uphill battle, wat omzichtig formuleren van teksten vereist. Nederlandse parlementariërs zouden op dit front actiever moeten zijn. Verder zou het goed zijn om nieuwe bondgenoten te zoeken, bijvoorbeeld bij bedrijven, door het afsluiten van pps-constructies. In de gezondheidssystemen die worden geëntameerd, speelt distributie een rol, evenals de verspreiding van klinieken en de beschikbaarheid van aidsremmers. Sinds kort is het mogelijk voor ontwikkelingslanden om goedkope generieke medicijnen te importeren. Nederland doet op dit terrein volgens de minister enorm veel.

De minister benadrukt dat sport geen thema is. Het is aan de sportclubs in de betrokken landen om meisjes actief bij sport te betrekken. Zij denkt dat dat veel beter via het onderwijs en de moeder- en kindzorg kan lopen. Het is een Westerse traditie om jongeren steeds meer rechten toe te kennen. Elders is dat (nog) niet zo, met welk feit rekening moet worden gehouden. In dat verband verwijst de minister naar de aanpak van Unicef. Datavorming is van betekenis, aangezien dit punt een obstakel blijft. Er worden cijfers gebruikt, maar de minister is er niet zeker van of dit wel de goede cijfers zijn. Zij zegt toe te zullen bekijken hoe landen op dit punt kunnen worden ondersteund.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Tjon-A-Ten (PvdA) heeft in het antwoord van de minister een reactie op vragen over het tienpuntenplan en over abortus gemist.

Mevrouw Ferrier (CDA) besteedt nogmaals aandacht aan genitale verminking. Het gaat hierbij om kennisinformatie van de betrokkenen. De mate waarin men toegang heeft tot die informatie hangt af van de politieke wil van leiders en bestuurders. Zij vraagt om best practises op dit punt.

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie) is blij met de uitspraak van de minister dat Nederland inzet op de A-, de B- en de C-kant, daarbij voorkomend dat de eerste twee niet worden ondergesneeuwd door de laatste. Zij hoopt dat het kennisforum voorziet in de blinde vlek die er nog is als het gaat om de rol van religie.

De heer Van der Staaij (SGP) sluit zich aan bij de woorden van mevrouw Huizinga over het belang van de A- en B-kant. Hij pleit voor dialoog met de conservatieve krachten, in plaats van polarisatie.

De heer Dittrich (D66) prijst de strijdlust van de minister. Ligt het niet erg voor de hand om een sterk Europees ontwikkelingsbeleid van de grond te krijgen?

De minister moet het tienpuntenplan nog op zijn merites beoordelen. Zij benadrukt dat er voor de komende jaren niet meer middelen zijn dan nu. Een verhoging van het budget zal ook van andere landen moeten komen. Zij verwijst naar de memorie van toelichting op de begroting, waarin exact staat wat de Nederlandse inzet voor de komende tijd zal zijn. Natuurlijk is het voorkomen van abortus de inzet. Verder gaat het om het bevorderen van veilige abortus, waarbij grote organisaties de hoofdrol spelen. Dit is een onderdeel van de twaalf nationale gezondheidsprogramma’s van de landen waarmee Nederland bilaterale banden heeft. Hoewel dit punt niet altijd onderwerp van bespreking tussen regeringsleiders is, is het wel onderdeel van het beleid.

Nederland probeert in de dialoog met de partnerlanden te bereiken dat in de wetgeving een verbod op genitale verminking wordt opgenomen, wat in een aantal landen al is gelukt. Een aantal organisaties wordt rechtstreeks gesteund door de Nederlandse ambassades. Op dit gebied zijn overigens successen te vermelden: in een groot deel van Burkina Faso is genitale verminking uitgebannen en in Bangla Desh loopt het ook goed. Het is Nederland gelukt om SRGR permanent op de agenda te krijgen.

De minister erkent dat de formuleringen soms stevig zijn, maar zij wordt ook wel eens boos, want het gaat om mensenlevens. Wellicht moet worden gekozen voor andere bewoordingen om zo de contacten te versterken, hoewel zij niet ontevreden is over de huidige contacten. Het woord «strijd» acht zij desondanks op zijn plaats.

De minister zal de suggestie van de heer Dittrich bekijken. Dankzij het Nederlands voorzitterschap is er inmiddels een Europees beleid, zij het op papier. De Commissie zou zich moeten beperken tot een aantal thema’s, en de lidstaten tot enkele andere thema’s.

De rol van religie in het buitenlands beleid

Mevrouw Tjon-A-Ten (PvdA) ondersteunt de visie van de Adviesraad internationale Vraagstukken (AIV), overgenomen door de minister, dat ongeacht de religieuze en culturele context het respect voor mensenrechten en fundamentele vrijheden moet worden gewaarborgd. Zij gaat ervan uit dat Nederland zich in dezen zeer actief opstelt. Zij heeft grote problemen met de aangebrachte grens «wanneer er geen enkele intentie bij de partner aanwezig lijkt om aan andere Westerse voorwaarden voor vruchtbare samenwerking te voldoen».

Mevrouw Tjon-A-Ten noemt dit een spiegeltjes-enkraaltjes-mentaliteit. Daarmee wordt de superioriteit van het Westerse denken en de Westerse cultuur nadrukkelijk aangegeven, wat zij betreurt. Deze grens zal eerder verstikkend dan bevorderend werken op welke dialoog dan ook. Zij hoopt dat de uitdaging die de minister hierin ziet, is gestoeld op het verlangen om moeilijke kwesties op te lossen. Organiseert de minister zelf de debatten? Hoe komen de resultaten daarvan daadwerkelijk ten goede aan verbetering van de positie en de rechten van in het bijzonder vrouwen, meisjes, gehandicapten en mensen met een andere seksuele geaardheid? Hoe vindt die rapportage aan de Kamer plaats?

Waarom ligt er bij het Kennisforum inzake religie en ontwikkelingsbeleid zo’n nadruk op onderzoek? Wat is gebeurd met de resultaten van een door Beleidsvorming Ontwikkelingssamenwerking (BBO) uitgevoerd onderzoek naar cultuur? Hoe krijgt de Kamer inzicht in het eventueel aanwezige voortschrijdend inzicht van het Kennisforum? Verwordt dat forum niet tot een bevoorrechte groep mensen? Mevrouw Tjon-A-Ten verwacht van de minister een actieve, open houding.

De heer Brinkel (CDA) benadrukt de rol van religie als alternatief voor heersende regimes. De relevantie van religie is dat het mensen ertoe aanzet om de wereld te verbeteren. Religie draagt bij aan sociale samenhang, maar is ook een aspect van het mens zijn. Hij zwaait de minister lof toe voor het door haar ingezette beleid, dat hij ziet als erkenning door de regering van het grote publieke belang van religie. Dit is volgens hem niet in strijd met het onderscheid dat moet worden gemaakt tussen religieuze instellingen en de Staat.

De heer Brinkel constateert dat de beide bewindslieden op het ministerie bezig zijn met een cultuuromslag. Hij steunt het advies van de AIV voor een uitgebreide cursus over religie en cultuur, die moet worden opgenomen in de opleiding van beleidsambtenaren. Welke concrete maatregelen heeft de regering verder voor ogen? Is daarvoor voldoende deskundigheid aanwezig op het ministerie en de ambassades? Uit de Clingendaelstudie «Faithbased peacebuilding» blijkt dat religieuze gemeenschappen een belangrijke rol spelen in vredesprocessen. Wat vindt de minister daarvan? Bij het Kennisforum moeten Moslimorganisaties worden betrokken. Vindt de minister dat ook? Ten slotte wijst hij op de waarde van ideële motivatie als drijfveer voor mfo’s. Wanneer krijgt de Kamer het beoordelingskader in het kader van het Nieuwe beleidskader medefinanciering te zien?

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie) complimenteert de bewindslieden voor de rol van Nederland bij het vragen van aandacht voor de vrijheid van godsdienst. Vrijheid van godsdienst houdt ook het recht om te veranderen van godsdienst in. Religie wordt volgens haar veel in verband gebracht met negatieve zaken, zoals terrorisme en fundamentalisme. Het is goed dat in het AIV-advies aandacht wordt gevraagd voor de positieve effecten van religie. Zij complimenteert de minister met het Kennisforum inzake religie en ontwikkelingsbeleid. Wat heeft de conferentie van 16 november 2005 opgeleverd?

Mevrouw Huizinga-Heringa benadrukt dat de rol van vrouwen in sommige religieuze gemeenschappen ondergeschikt is als het gaat om het leiderschap van de religieuze gemeenschap. Zij zou het jammer vinden als wordt afgezien van verdere contacten met dergelijke gemeenschappen. Ga daar niet te kortzichtig mee om! Partners moeten voldoen aan de internationale mensenrechten, niet aan andere Westerse waarden.

De heer Van der Staaij (SGP) complimenteert de minister voor de manier waarop zij het thema «religie» heeft opgepakt. Tegen de tijdsstroming in wordt een poging gedaan dit thema bespreekbaar te maken. Wel is het belangrijk niet alle godsdiensten over één kam te scheren. Voorkomen moet worden dat het godsdienstige aspect wordt genegeerd. Het AIV-advies heeft, hoewel positief, toch een hoog «het kan vriezen, het kan dooien»-gehalte. Ook hij verwijst naar de Clingendael studie over «Faithbased peacekeeping». Kan de minister iets meer vertellen over de stand van zaken rond het Kennisforum? Hij zou het toejuichen wanneer de minister de AIV-aanbeveling overneemt om beleidsmedewerkers te trainen op het onderwerp «cultuur, religie en ontwikkelingsbeleid».

De heer Dittrich (D66) vindt dit een lastig grijpbare materie. Hij benadrukt dat de regering vasthoudt aan het neutraliteitsbeginsel. Nederland dient een voortrekkersrol te vervullen als het gaat om de vrijheid van godsdienst. Het Kennisforum inzake religie en ontwikkelingsbeleid kan een rol spelen bij zaken die de schadelijke kanten van religie belichamen.

Het antwoord van de minister

De minister bespeurt steun voor het beleid van de Nederlandse regering als het gaat om vrijheid (op het veranderen) van godsdienst. De geseculariseerde en de niet-geseculariseerde wereld zijn dichter dan ooit bij elkaar gekomen. Beide trekken binnen in elkaars domeinen, wat per definitie leidt tot conflicten. De afgelopen jaren is in Nederland steeds minder aandacht besteed aan de rol van religie, voor veel mensen de enige mogelijkheid om een eigen identiteit op te bouwen. Omdat dit in de ontwikkelingswereld te lang over het hoofd is gezien, heeft de minister het debat hierover geopend. Hiertoe is het Kennisforum inzake religie en ontwikkelingsbeleid opgericht, om vandaaruit kennis te genereren. Zij benadrukt dat dit proces nog maar net is begonnen. Het Westerse waardenpatroon, uitgaande van individuele rechten, is grotendeels gerelateerd aan de diverse universele verklaringen. Deze verklaringen moeten centraal worden gesteld; dit leidt soms tot fricties met andere landen. Zij bestrijdt dat zij het Westerse waardenpatroon superieur verklaart aan andere waarden. Niet voor niets gaat het om «universele» verklaringen: daar dienen alle landen zich achter te scharen. De bedoeling is om in dialoog te blijven, maar soms resteert niets anders dan er een punt achter te zetten.

De minister erkent dat er veel onderzoek wordt gepleegd. Het tot nu toe verrichte onderzoek beperkte zich tot een verkenning, belangrijk voor de opzet van het Kennisforum. Nu wordt meer de operationaliteit gezocht. Verder is een goede bestuursindicator belangrijk. Het veranderen van godsdienst staat niet ter discussie, belangrijker is het veranderen van gedrag binnen de religie om te voorkomen dat de donkere kanten van religie worden versterkt. Het beoordelingskader Medefinancieringsstelsel (MFS) komt naar verwachting voor het eind van 2005 naar de Kamer, voordat het zal worden gepubliceerd in de Staatscourant. Lukt dat niet voor de jaarwisseling, dan komt het begin 2006 naar de Kamer.

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

De Haan

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Van Oort


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: De Haan (CDA), voorzitter, Koenders (PvdA), Karimi (GroenLinks), Timmermans (PvdA), ondervoorzitter, Van Bommel (SP), Albayrak (PvdA), Wilders (Groep Wilders), Van Baalen (VVD), Van As (LPF), Herben (LPF), Ormel (CDA), Ferrier (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Van Velzen (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Van Dijk (CDA), Nawijn (groep Nawijn), Fierens (PvdA), Tjon-A-Ten (PvdA), Eijsink (PvdA), Van der Laan (D66), Hirsi Ali (VVD), Samsom (PvdA), Brinkel (CDA), Szabó (VVD), Jonker (CDA).

Plv. leden: Van Fessem (CDA), Dijksma (PvdA), Vos (GroenLinks), Arib (PvdA), De Wit (SP), Leerdam (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Van Schijndel (VVD), Varela (LPF), Van den Brink (LPF), Haverkamp (CDA), Rambocus (CDA), Halsema (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Kant (SP), Eski (CDA), Çörüz (CDA), Wolfsen (PvdA), Duivesteijn (PvdA), Waalkens (PvdA), Dittrich (D66), Snijder-Hazelhoff (VVD), Dubbelboer (PvdA), Van Winsen (CDA), Veenendaal (VVD), Kortenhorst (CDA) Oplaat (VVD).

Naar boven