30 234 Toekomstig sportbeleid

Nr. 117 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 december 2014

Tijdens het Algemeen Overleg over sportbeleid dat plaatsvond op 2 juli van dit jaar heb ik uw Kamer toegezegd dat ik u zou informeren over de in voorbereiding zijnde wetgeving op het gebied van doping.1 Die toezegging kom ik na met deze brief, die ik mede namens de Minister voor Wonen en Rijksdienst stuur en waarin ik u de contouren schets van het wetsvoorstel dat ik samen met mijn ambtgenoot aan het voorbereiden ben.

De aanleiding voor het wetsvoorstel bestaat uit een standpunt van de Groep gegevensbescherming artikel 29, (de Groep), een adviesgroep die is ingesteld bij richtlijn 95/46/EG, beter bekend als de Europese privacyrichtlijn.2 De Groep, waarin vertegenwoordigers van de nationale privacy-autoriteiten plaatsnemen (in Nederland het College bescherming persoonsgegevens), is onafhankelijk en heeft tot taak het adviseren van de Europese Commissie over privacyvraagstukken. De Groep heeft een aantal standpunten gepubliceerd over de grondslag voor dopingcontroles. Daarin stelt zij zich op het standpunt dat de in het kader van dopingcontroles gegeven toestemming van topsporters voor de verwerking van persoonsgegevens niet aan het vereiste van «in vrijheid gegeven» voldoet, vanwege de grote gevolgen (i.e. uitsluiting van deelname aan de betreffende wedstrijd of competitie) die een eventuele weigering zou hebben voor de betrokken sporter. Het uitgangspunt in Nederland is altijd geweest dat de toestemming van sporters wel een voldoende grondslag biedt voor de beperking van de persoonlijke levenssfeer die bestaat uit het verwerken van persoonsgegevens in het kader van dopingcontroles. Dit uitgangspunt was gebaseerd op de verenigingsrechtelijke grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens: de sporter bindt zich door het lidmaatschap van een vereniging of door deelname aan een (eenmalige) competitie aan de geldende antidopingregels. Ik onderschrijf de opvatting van de Groep, zoals hierboven weergegeven, dat toestemming door sporters in vrijheid gegeven moet worden alvorens zij als grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens kan dienen. Het is mijn voornemen om de privacy van sporters die worden onderworpen aan dopingcontroles te waarborgen conform het standpunt van de Groep en daarom heb ik het reeds aangekondigde wetsvoorstel in voorbereiding.

Het aangekondigde wetsvoorstel ziet op het verschaffen van een juridische basis voor de uitvoering van dopingcontroles in het licht van de relevante wet- en regelgeving op het gebied van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De gegevensverwerking bij dopingcontroles heeft deels betrekking op, naast «gewone persoonsgegevens» zeer gevoelige, medische gegevens over de betrokken sporter. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) vereist een grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens. Voor de verwerking van medische persoonsgegevens gelden extra waarborgen. Naast toestemming van de betrokkene kan de grondslag ook bestaan uit het feit dat de gegevensverwerking «noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt» (artikel 8, onderdeel e, van de Wbp). Deze alternatieve grondslag wordt in het wetsvoorstel uitgewerkt door te voorzien in de oprichting van de Dopingautoriteit als een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan (zbo). Op grond van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen kan worden besloten tot de instelling van een zbo indien er behoefte is aan een onafhankelijke oordeelsvorming op grond van specifieke deskundigheid (artikel 3, eerste lid, onderdeel a). Ik ben van mening dat de rol van de Dopingautoriteit bij de bestrijding van dopinggebruik in de sport een beroep op dit instellingsmotief rechtvaardigt. Het is namelijk wenselijk dat sportorganisaties zelf inhoud geven aan de uitvoering van dopingcontroles; de manier waarop de dopingcontroles worden uitgevoerd moet inhoudelijk geen voorwerp van overheidsbeleid worden. Het is naar mijn mening de taak van de overheid om de randvoorwaarden te scheppen voor een effectieve bestrijding van dopinggebruik in de sport, waaronder de mogelijkheid om dopingcontroles uit te voeren op een manier waarbij de persoonlijke levenssfeer van sporters wordt gerespecteerd.

De huidige praktijk is dat zowel de Dopingautoriteit als andere (commerciële) partijen dopingcontroles uitvoeren op verzoek van bijvoorbeeld de organisator van een sporttoernooi. Het wetsvoorstel zal niet in de weg staan aan de uitvoering van dopingcontroles door andere partijen dan de Dopingautoriteit. Er is op dit moment geen aanleiding om deze andere partijen te verbieden hun diensten aan te bieden. Het wetsvoorstel zal daarom geen verbod bevatten op het uitvoeren van dopingcontroles door andere partijen dan de Dopingautoriteit. Door het wetsvoorstel krijgen sport- en evenementenorganisaties de mogelijkheid om dopingcontroles te laten uitvoeren door de Dopingautoriteit in overeenstemming met de Wbp voor die gevallen waarin de toestemming niet voldoende is voor de verwerking van persoonsgegevens. Voor die gevallen waarin die toestemming wel volstaat, behouden zowel de commerciële uitvoerders als de Dopingautoriteit de mogelijkheid om -uiteraard binnen de grenzen van de Wbp- dopingcontroles uit te voeren.

Het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel zal zich voor wat betreft de reikwijdte richten op het toekennen van taken aan het op te richten zbo. Het wetsvoorstel zal niet voorzien in uitbreiding van de bevoegdheden van het zbo in vergelijking met de huidige bevoegdheden van de stichting Dopingautoriteit. De reden daarvoor is dat bestrijding van dopinggebruik in de sport een verantwoordelijkheid is en blijft van de sportorganisaties en de overheidsverantwoordelijkheid daarbij niet verder strekt dan het voorzien in de benodigde kaders en de nakoming door Nederland van de internationaalrechtelijke verplichtingen. Laatstgenoemde verplichtingen vloeien voort uit de Wereld Anti Doping Code (WAD-Code) van het Wereld Anti Doping Agentschap (WADA). De WAD-Code bevat gedetailleerde en uniforme regels voor sportorganisaties en functioneert in feite als een (verplicht) model dopingreglement voor sportorganisaties in de gehele wereld.

Het WADA is geen (inter)gouvernementele organisatie en daarom kunnen overheden zich niet rechtstreeks binden aan de WAD-Code. Tegen deze achtergrond is in het kader van de UNESCO in 2005 de «International Convention Against Doping in Sport» (UNESCO-Conventie) vastgesteld, die in 2007 van kracht is geworden. Op 17 november 2006 heeft Nederland de UNESCO-Conventie geratificeerd. De UNESCO-Conventie legt een aantal verplichtingen op aan de verdragspartijen, maar laat het aan de individuele staten zelf te bepalen welke specifieke (juridische) middelen zij daarbij inzetten. De Dopingautoriteit is in Nederland de nationale antidopingorganisatie in de zin van de Code en is in die hoedanigheid door het WADA erkend. De nieuwe WAD-Code, die vanaf 2015 van kracht zal zijn, bevat een bepaling over intelligence & investigation-activiteiten: het inwinnen en verwerken van informatie uit alle beschikbare bronnen ten behoeve van het vaststellen van overtredingen van de dopingregels. De nadruk in het antidopingbeleid verschuift hierdoor, qua handhaving, van het uitvoeren van dopingcontroles onder meer naar het doen van onderzoek en het verzamelen van informatie uit bijvoorbeeld berichtgeving in de media of andere openbare bronnen. Die informatie kan ook betrekking hebben op het ondersteunend personeel van sporters, zoals coaches, trainers, begeleidend (medisch) personeel, ouders en andere betrokkenen.

Met het oog op het bovenstaande wordt het in te stellen zbo, dat zoals gezegd de opvolger moet worden van de reeds bestaande stichting Dopingautoriteit, belast met in elk geval drie taken: de uitvoering van dopingcontroles, de uitvoering van de zogenaamde intelligence & investigation-activiteiten en het geven van voorlichting over dopinggebruik in de sport en daarmee samenhangende activiteiten. In het wetsvoorstel wordt een grondslag opgenomen die de uitvoering van voornoemde taken in overeenstemming met het geldende privacyrecht mogelijk maakt. De uitvoering van de intelligence & investigation-activiteiten zonder toestemming van de betrokkenen, zal een exclusieve taak voor het nieuwe zbo worden.

Naar mijn mening kan met dit wetsvoorstel een goede balans worden bereikt tussen een effectieve bestrijding van dopinggebruik in de sport en de privacy van de betrokken sporters. Mijn voornemen is om, in overeenstemming met mijn eerdere toezegging, het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk in procedure te brengen.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers


X Noot
1

Kamerstuk 30 234, nr. 101, blz. 22.

X Noot
2

Richtlijn 95/46/EG van het Europees parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegeven en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L281).

Naar boven