30 105 XIII
Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2005 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)

nr. 3
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 24 juni 2005

De vaste commissie voor Economische Zaken1, belast met het voorbereidend onderzoek naar bovengenoemd wetsvoorstel, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst met vragen en met de daarop gegeven antwoorden.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Hofstra

De griffier van de commissie,

Tielens-Tripels

Vragen en Antwoorden

1

Kan een getalsmatige presentatie worden gegeven van de budgetflexibiliteit van elke van de begrotingsartikelen?

Het onderwerp budgetflexibiliteit is met name van belang voor de beleidsartikelen 2 (Innovatiekracht), 3 (Ondernemingsklimaat), 4 (Energie) en 5 (Buitenlandse economische betrekkingen) omdat daar het gros van de beleidsmiddelen van EZ wordt begroot. De budgetflexibiliteit voor het jaar 2005 neemt gedurende het jaar gestaag af. Bijdragen aan instellingen en instituten in 2005 liggen reeds juridisch vast. Gedurende 2005 zijn verder al verplichtingen aangegaan waarmee kasmiddelen in 2005 juridisch zijn vastgelegd.

Omdat het systeemtechnisch alleen mogelijk is de reeds verplichte kasmiddelen per jaargrens vast te stellen, kan lopende het jaar slechts een indicatieve schatting worden gemaakt van de budgetflexibiliteit. Een dergelijke schatting is ook opgenomen in de eerste suppletore begroting 2005. Het hieronder weergegeven overzicht van de kasmiddelen die halverwege het jaar 2005 nog niet strikt juridisch verplicht zijn betreft derhalve eveneens een indicatie.

Artikel 2: naar schatting € 35 mln.

Artikel 3: naar schatting € 24 mln.

Artikel 4: naar schatting € 44 mln.

Artikel 5: naar schatting € 3 mln.

Het betreft hier echter wel voornamelijk complementair noodzakelijke kasmiddelen.

2

Kan worden aangegeven wat de doelen zijn van de regeling Kansenzones Rotterdam? Is het bedrag van € 17 mln structureel of incidenteel? Wat is de relatie met de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek?

De doelen van de Ondernemersregeling Kansenzones Rotterdam zijn:

a. Bevorderen ondernemerschap in achterstandswijken.

b. Economische ontwikkeling in de kansenzones te versterken en daardoor het woon-, werk- en leefklimaat te verbeteren.

Meer specifiek gaat het om het stimuleren van nieuw ondernemerschap in deze wijken en het voorkómen dat reeds gevestigde ondernemingen hun bedrijfsvoering staken of wegtrekken uit deze buurten.

Het betreft een éénmalige commitering in 2005.

De Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek gaat gelden voor alle grote steden, terwijl de Ondernemersregeling Kansenzones Rotterdam een gemeentelijke verordening is. De Rijksbijdrage van € 24 mln is alleen voor Rotterdam bestemd en het is niet de bedoeling soortgelijke financiële steun te verlenen aan andere grote steden.

De Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek betreft maatregelen op het gebied van woningtoewijzing en woningontruiming en geeft verder de gemeente de mogelijkheid om een differentiatie in het OZB-tarief ten gunste van bedrijven aan te brengen. Verder wordt slechts eenmalig overdrachtsbelasting geheven bij de overdracht van woningen aan, en vervolgens van een wijkontwikkelingsmaatschappij, woningcorporatie of een andere door de minister van VROM aangewezen instelling ten behoeve van het opknappen van die woning en latere verkoop.

3

Welke steden en wijken worden met de regeling Kansenzones Rotterdam ondersteund? Wat is de relatie met de 56 herstructureringswijken van VROM?

In 2005 geldt de Ondernemersregeling Kansenzones Rotterdam voor de stadsdelen Charlois en Feijenoord. B&W Rotterdam is voornemens het werkingsgebied van de regeling in latere jaren uit te breiden naar andere wijken. Het is nog niet bekend welke stadsdelen (deelgemeenten) dat zullen zijn.

De nu aangewezen wijken vallen ook onder de 56-wijken aanpak van VROM. Dat zijn wijken in alle steden van het Grotestedenbeleid die de komende jaren extra aandacht krijgen bij de stedelijke vernieuwing. De 56-wijkenaanpak is een onderdeel van het Actieprogramma Herstructurering (eind 2002). Dit is een samenhangend pakket dat zich richt op versnelling van de herstructurering in de steden.


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Crone (PvdA), Bakker (D66), Hofstra (VVD), voorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), ondervoorzitter, Atsma (CDA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Ten Hoopen (CDA), Slob (ChristenUnie), Van den Brink (LPF), Duyvendak (GroenLinks), Kortenhorst (CDA), Hessels (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Varela (LPF), Algra (CDA), Aptroot (VVD), Blom (PvdA), Smeets (PvdA), Douma (PvdA), De Krom (VVD), Heemskerk (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD), Van Egerschot (VVD), Jonker (CDA).

Plv. leden: Tichelaar (PvdA), Dittrich (D66), Örgü (VVD), De Nerée tot Babberich (CDA), Van Hijum (CDA), Koenders (PvdA), Vos (GroenLinks), Joldersma (CDA), Van der Vlies (SGP), Hermans (LPF), Van Gent (GroenLinks), Verburg (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Ruiter (SP), Van As (LPF), De Haan (CDA), Blok (VVD), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Van Heteren (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Tjon-A-Ten (PvdA), Waalkens (PvdA), Szabó (VVD), Weekers (VVD), Van Dijk (CDA).

Naar boven