nr. 4
MEMORIE VAN TOELICHTING
A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL
Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)
De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden
op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk
bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel
strekt ertoe om voor het jaar 2004 wijzigingen aan te brengen in de begrotingsstaat
van het provinciefonds.
Het in die begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikel wordt in onderdeel
B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).
Wetsartikel 3 (verplichtingenbedrag als bedoeld in artikel
5, eerste lid, van de Fvw)
Ingevolge artikel 5, eerste lid van de Financiële-verhoudingswet
(Fvw) wordt in dit wetsartikel het bedrag vermeld dat als verplichting geldt
voor het totaal van de algemene uitkeringen.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J. W. Remkes
De Staatssecretaris van Financiën,
J. G. Wijn
De Minister van Financiën,
G. Zalm
B. BEGROTINGSTOELICHTING
1. Uitgaven en verplichtingen
In dit wetsvoorstel wordt ten opzichte van de tweede suppletore begroting
van het provinciefonds voor het jaar 2004 voorgesteld het verplichtingenbedrag
van de algemene uitkering met € 1 901 000 te verlagen
tot € 889 601 000. Deze verlaging vloeit voort uit de
berekening van het definitieve accres voor het jaar 2004 op basis van de uitkomsten
van de Voorlopige Rekening 2004. Het verplichtingenbedrag van het provinciefonds
(algemene uitkering en integratie-uitkeringen) komt met deze verlaging voor
het jaar 2004 op € 997 331 000.
Het verplichtingenbedrag komt door deze slotwetmutatie € 14 876 000
hoger uit dan het bedrag van de gerealiseerde uitgaven over 2004. Het verschil
tussen het uitgavenbedrag en het verplichtingenbedrag bestaat uit twee componenten.
Enerzijds is in 2004 € 1 375 000 uit de behoedzaamheidsreserve
2003 uitgekeerd. Dit betreft een uitgave in 2004 behorend bij een verplichting
over 2003. Anderzijds is er in het begrotingsjaar 2004 een behoedzaamheidsreserve
van € 18 152 000 ingehouden. Deze behoedzaamheidsreserve
2004 is een verplichting over 2004 die op basis van de Voorlopige Rekening
2004 in het begrotingsjaar 2005 tot uitkering zal komen. De uitkomsten van
de Voorlopige Rekening 2004 maken dat de verplichtingenstand met € 1 901 000
wordt verlaagd in verband met de berekening van het definitieve accres 2004.
Dit heeft tot gevolg dat in 2005 een bedrag van € 16 251 000
(€ 18 152 000 – € 1 901 000)
zal worden uitgekeerd met betrekking tot 2004 in verband met de bovengenoemde
nacalculatie van het accres 2003. Beide componenten samen – de uitgaven
m.b.t. 2004 van € 1 375 000 (verplichting over 2003) en
het nog uit te keren bedrag in 2005 van € 16 251 000 (verplichting
over 2004) – leiden ertoe dat het verplichtingenbedrag in 2004 € 14 876 000
hoger is dan het uitgavenbedrag in 2004.
Bij de eerste suppletore begroting 2005 zal worden voorgesteld om € 16 251 000
(€ 18 152 000 behoedzaamheidsreserve 2004 – € 1 901 000
bijstelling accres) uit te keren. Deze uitgave van € 16 251 000
heeft nog betrekking op de verplichtingen 2004.
2. Ontvangsten
Artikel 4, eerste lid van de Financiële-verhoudingswet regelt dat
bij (begrotings)wet voor ieder uitkeringsjaar een bedrag aan middelen van
het Rijk wordt afgezonderd ten behoeve van het provinciefonds. Het tweede
lid van genoemd artikel bepaalt dat het bedrag dat ten behoeve van het provinciefonds
wordt afgezonderd gelijk is aan de uitgaven van het provinciefonds.
Aangezien in dit wetsvoorstel een slotwetmutatie van € 0 is
opgenomen voor de uitgaven is ook voor de ontvangsten een slotwetmutatie van € 0
opgenomen.